|
| |
Zei Jezus, dat de Joden varkensvlees mochten eten?
Pelmenim, ook Kreplach genoemd. Traditioneel gerecht van de Russische joden. |
|
In het evangelie van Marcus lezen wij iets zeer opmerkelijks. “En toen Hij van de schare thuis kwam,
vroegen Zijn discipelen Hem naar de gelijkenis. En Hij zei tot hen: zijt ook gij zo onbevattelijk?
Begrijpt gij niet, dat al wat van buiten in de mens komt, hem niet onrein kan maken, omdat het niet
in zijn hart komt, maar in de buik, en er te zijner plaatse uitgaat? En zo verklaarde Hij alle
spijzen rein.” (Marcus 7:17-19) De conclusie bij deze verzen is, dat reinheid en onreinheid inwendig
zijn en niet uitwendig en dat Jezus alle spijzen rein verklaart. Deze conclusie, die door de meeste
christenen getrokken wordt, betekent, dat de Here Jezus op dat moment verklaarde, dat de Oud
Testamentische regels van kosjer en niet-kosjer vervallen waren. Dit betekent dan, dat Hij bedoeld
zou hebben, dat de joden vanaf dat moment ook varkensvlees en paling mochten eten. |
De bij velen bekende “Studie Bijbel” heeft ook deze conclusie: “Er bestonden geen verboden spijzen
meer.” “Het Boek” geeft in vers 19 het volgende: “Jezus maakte hiermee duidelijk dat men alle
voedsel zonder gewetensbezwaar mag eten.”
Wat de meeste christenen denken over de wet van Mozes
Veel christenen menen, dat de Here Jezus Zich in Zijn prediking duidelijk keerde tegen de wet van Mozes, en dat Hij de Joden leerde, dat de periode van de wet voorbij was en dat er met Zijn komst een nieuwe tijd aangebroken was, waarin de Joden niet meer volgens de strikte voorschriften van de Torah (de wet van Mozes) hoefden te leven. Zo menen veel christenen, dat Jezus leerde, dat de besnijdenis niet meer toegepast diende te worden, dat de sabbath niet meer gehouden diende te worden en dat de Joden hetzelfde mochten eten als wat niet-joden eten.
Het gevolg is, dat de christenen aan de joden vertelden, dat Jezus weliswaar de Messias was, maar dat de Messias leerde, dat de wet van Mozes achterhaald was en dus “verleden tijd” geworden was. Het gevolg daarvan was weer, dat de Joden zeiden, dat dit in hun geloof onmogelijk was en dat zij onder andere daarom Jezus niet als Messias konden aanvaarden. En daarna stelden vele christenen de simpele vraag, hoe het toch kwam, dat de joden niet in Jezus geloofden...
Zie, hoe steeds de wet van Mozes werd toegepast!
Leerde Jezus, dat de wet van Mozes niet meer toegepast hoefde te worden? Als de besnijdenis een gepasseerd station was, waarom werd Jezus Zelf dan besneden en werd met Hem volgens de wet gehandeld (Lucas 2:27) en waarom besneed Paulus de jood Timotheus (Handelingen 16:1-3)? Timotheus had wel een niet-joodse vader, maar ook een joodse moeder, zodat hij een jood was. Het feit, dat Titus niet besneden werd, betekent niet, dat bij Titus de besnijdeniswet opgeheven was. Titus was geen jood en werd daarom niet besneden! Als de sabbath achterhaald was, waarom ging Jezus dan steeds op sabbath volgens Zijn gewoonte naar de synagoge (Lucas 4:16)? Als we alles mogen eten, waarom zegt Handelingen 15:20 dan tegen de christenen, dat ze geen bloed (dus ook geen bloedworst en ook geen tongenworst) mogen eten, evenmin als vlees van een dier dat door ophanging/wurging (verstikt) gedood is? Als de wet achterhaald is, waarom schreef de apostel Paulus dan zo enthousiast over de wet, dat die heilig en goed is (Romeinen 7:12)?
Hoe stond Jezus Zelf tegenover de wet?
Wie bijvoorbeeld Mattheus 5 leest, trekt al snel de conclusie, dat Jezus Zich fel keerde tegen de wet van Mozes. Als Jezus echter werkelijk met een Goddelijke opdracht gekomen was, hoe kon Hij dan kritiek leveren op de wet, die door Zijn Goddelijke Zender Zelf aan het volk Israël gegeven was? Als Jezus werkelijk kritiek op de wet gehad zou hebben en tegen de Joden gezegd zou hebben, dat de wet niet meer toegepast hoefde te worden, zou Hij op dat zelfde moment openlijke kritiek op God gehad hebben en zouden de Joden Hem direct wegens openlijke Godslastering aangeklaagd hebben. De Joden deden dit niet, omdat ze precies begrepen wat Jezus bedoelde. En dat was niet: kritiek op de wet van Mozes! Iedereen kan dit controleren. In Mattheus 5 staat bijvoorbeeld, dat Jezus van mening verschilde met “de ouden”. Dat is niet Mozes, noch de wet van Mozes. In Mattheus 5 staat, dat Jezus kritiek had op hen, die zeiden, dat je je vijand mocht haten. Dat had Mozes nooit gezegd. Zo zijn er meer uitspraken in Mattheus 5 die door iedereen te controleren zijn, waaruit blijkt, dat Jezus daar geen verschil van mening had over de wet van Mozes.
In hetzelfde hoofdstuk wordt uiteengezet, hoe Jezus stond tegenover de wet van Mozes. Hij zei: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet een jota of een tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. Wie dan een van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen.” (Mattheus 5:17-19) Jezus kwam om de wet te vervullen, dat is, om Zich volledig aan de wet te houden. Hoe kon Hij dan tegen de andere mensen zeggen, dat zij zich niet aan de wet hoefden te houden? Dat kan toch niet!
Jezus verklaarde hier, dat de wet eeuwig is. Hij zei, dat zo lang de hemel en de aarde bestaan er zelfs niet één jota of tittel van de wet zal vergaan. De “jota” is de Griekse weergave van de kleinste Hebreeuwse letter: de jod, die als een apostrof (‘) geschreven wordt. De “tittel” is de Griekse weergave van de Hebreeuwse “keter”, dat is de kroon, die als een ornament boven sommige letters in de rollen van de Torah vermeld staat. Terwijl deze tittel alleen maar een decoratieve betekenis had in de rollen van de wet en geen enkele andere betekenis had, waren ze voor de Here Jezus zó belangrijk, dat zelfs deze ornamenten niet weggelaten mochten worden uit de wet van Mozes!
Wat is er aan de hand in Marcus 7
Het begin van hoofdstuk 7 van Marcus vertelt, dat er geleerden uit Jeruzalem en Judea naar Galilea, waar Jezus was, gekomen zijn. In onze vertaling staat dat het “Joden” waren. Dit is verwarrend, omdat de meeste christenen niet weten, dat er een groot verschil was tussen Judeeërs, die in onze vertaling steeds “Joden” genoemd worden en Galileërs. In Galilea woonden niet “de Joden”. De Joden woonden in Judea en Jeruzalem.
De religieuze mensen in Judea hadden andere rituele gewoonten dan de mensen in Galilea. De leiders die uit Jeruzalem en Judea gekomen zijn, constateren, dat de discipelen niet hun handen “wassen” voor de maaltijd, zoals de mensen in Judea dit gewend zijn. De discipelen toonden daarmee niet te leven volgens de hoogstaande gewoonten van Jeruzalem, maar volgens de meer “boerse” gewoonten van Galilea.
In de tijd van de Here Jezus was het de gewoonte, dat de priesters van Jeruzalem hun handen overgoten met water voordat zij gingen eten. Dat was niet een reinigende wassing, maar een rituele wassing, waarmee zij hun handen wijdden en heiligden voor de maaltijd. Niet-priesters in Judea die dit zagen, vonden het mooi om ook op deze wijze hun handen te wijden. Zij vonden, dat zij eigenlijk ook priesters waren; geen priesters in de tempel maar in hun eigen huis. Hun huis was hun tempel en de tafel was nu te vergelijken met het altaar en het brood met het offer. Voordat zij gingen eten, lieten zij daarom eerst wat water uit hun ene hand over de andere hand lopen en daarna uit de andere hand over de ene hand. Zij overgoten dus om beurten hun linker- en hun rechterhand.
In dezelfde tijd waren er ook grote rabbijnen, die meenden, dat het eten van brood zo’n heilige handeling was, dat men zich eigenlijk eerst volledig in water zou dienen onder te dompelen, om zich zo op de maaltijd voor te bereiden en zich voor de maaltijd te wijden en te heiligen. Deze onderdompeling was om zich openlijk van de zonden te reinigen. Een volledige onderdompeling was echter niet haalbaar. Daarom koos men ervoor alleen de handen in water onder te dompelen en zich zo (door middel van onderdompeling van de handen) te wijden aan de maaltijd.
De geleerden die uit Jeruzalem en Judea gekomen zijn en dus helemaal vertrouwd zijn met deze gewoonten, zijn nu naar Galilea gekomen en ontdekken, dat de discipelen van de Here Jezus niet dezelfde geestelijke instelling hebben als zij hebben. Zij moeten zich afgevraagd hebben, of de discipelen van Jezus dan niet overtuigd waren van hun zonden, van de heiligheid van het brood als geschenk van God (en nog altijd zelfs herinnering was aan het manna, het brood dat God uit de hemel gezonden had). Zij moeten zich afgevraagd hebben, hoe de discipelen zo maar het brood konden aanraken, zonder zich eerst van de zonden gereinigd te hebben.
Dit alles blijkt ook uit het begin van het hoofdstuk van Marcus. Het gaat niet om de toepassing van de wet van Mozes. Het gaat om toepassing van de regels van “de ouden”, de geestelijke leiders in Jeruzalem. Het gaat ook niet om de vraag, of de discipelen niet-kosjer voedsel mochten eten. Zij allen aten alleen kosjer. De Here Jezus hield Zich - zoals Hijzelf gezegd had - in alles aan de wet van Mozes. Hij heeft dus nooit een stukje varkensvlees of paling gegeten. Ook zei Hij niet, dat Zijn discipelen dit mochten eten. De Heer verklaarde niet alle spijzen rein, maar Hij verklaarde, dat als Joden zonder rituele overgieting van hun handen kosjer aten, zij zich niet verontreinigden. De reinheid zit namelijk niet in het overgieten van je handen met water, maar in je hart.
Hoe is het mogelijk?
Hoe kan er dan in Marcus 7:19 staan, dat Jezus alle spijzen rein verklaarde? Schrikt u niet. In de oorspronkelijke tekst in de Griekse taal staat dit er helemaal ook niet. Dit is gewoon een weergave die de vertalers zelf gekozen hebben en waarin zij hun mening weergegeven hebben, als zou de Here Jezus dit gezegd hebben. Dit kunt u controleren als u de letterlijke vertaling, zoals de Statenvertaling die geeft, leest. Hier staat: “Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.” (Marcus 7:19) U ziet, dat de woorden “Jezus verklaarde” hierin niet voorkomen. Letterlijk staat er in het Grieks: “Want het gaat niet binnen in zijn hart, maar in de buik en het gaat naar buiten in het toilet, dat alle spijzen reinigt.”
De vertalers deden iets, waartegen de Here Jezus juist zo streng gewaarschuwd had. De Heer had gezegd, dat je niets aan de woorden van de Bijbel mocht veranderen. De vertalers deden het wel. Het werkwoord “reinigen” staat in het Grieks in de onzijdige vorm, waardoor het duidelijk maakt, dat het toilet, waar de voedselresten terechtkomen, ervoor zorgt, dat er geen verontreiniging is. In zekere zin lijken deze worden van de Here Jezus op een enigszins laconieke opmerking. Je wordt pas verontreinigd, als je voedsel je lichaam niet zou kunnen verlaten. Maar nu je de resten van je voedsel in de WC kwijtraakt, is er niets aan de hand.
Als je aan het Griekse woord voor “reinigen” echter één letter verandert, staat het werkwoord “reinigen” in de mannelijke vorm en slaat het op de Here Jezus. Onze vertalers wijzigden gewoon de onzijdige vorm in de mannelijke vorm en schoven de Here Jezus woorden in de mond, die Hij niet gezegd had, die Hij nooit zou zeggen en die volkomen in strijd waren met al het andere dat Hij gezegd had.
En Petrus dan?
Het feit, dat Petrus in een visioen de opdracht kreeg om zowel kosjer als niet kosjere dieren te eten, betekent niet, dat de wetten van Mozes veranderd waren. In de eerste plaats zei Petrus heel nadrukkelijk, dat hij nog nooit iets gegeten had dat niet-kosjer was. In de tweede plaats ging het om een visioen met een betekenis. Het ging er niet om, dat Petrus voortaan niet-kosjer voedsel zou eten. Het ging erom, dat hij bereid gemaakt werd om een heiden, die “niet-kosjer” was, het evangelie te brengen.
Het letterlijke verslag van dit gebeuren luidt als volgt: “En hij (Petrus) werd hongerig en verlangde te eten, en terwijl men iets gereed maakte, geraakte hij in zinsverrukking, en hij zag de hemel geopend en een voorwerp nederdalen in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken nedergelaten werd op de aarde; hierin bevonden zich allerlei viervoetige en kruipende dieren der aarde en allerlei vogelen des hemels. En er kwam een stem tot hem: sta op, Petrus, slacht en eet! Maar Petrus zei: geenszins, Here, want ik heb nog nooit iets gegeten, dat onheilig of onrein was. En nogmaals ten tweeden male, kwam een stem tot hem: wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden. En dit geschiedde tot driemaal toe, en terstond werd het voorwerp weer opgenomen in de hemel. Terwijl Petrus bij zichzelf in onzekerheid was, wat het gezicht, dat hij gezien had, betekenen mocht, zie, daar waren de mannen, die door Cornelius afgezonden waren, bij hun navraag naar het huis van Simon aan het voorportaal gekomen, en zij trachtten na geroepen te hebben te weten te komen, of Simon, bijgenaamd Petrus, daar verblijf hield.
En terwijl Petrus nog steeds over het gezicht nadacht, zei de Geest: zie, twee mannen zoeken naar u; sta dan op, ga naar beneden en reis, zonder bezwaar te maken, met hen mede, want Ik heb hen gezonden.” (Handelingen 10:10-20)
Zoals wij van de geschiedenis van Abraham, die zijn zoon Izaak op het altaar moest leggen en slachten, niet de consequentie mogen treken, dat God echt wilde, dat Abraham zijn zoon zou doden en dat wij (en de joden) nu ook onze kinderen moeten doden en aan God offeren, zo mogen wij uit deze geschiedenis niet de conclusie trekken, dat Petrus voortaan varkensvlees mocht eten.
Hoe zit het dan met de vleeshal van Paulus?
Ook het feit, dat in 1 Corinthe 10:25 staat: “Al wat in de vleeshal te koop is, moogt gij eten, zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar” betekent niet, dat joden varkensvlees mogen eten. Als “zonder navraag te doen” zou betekenen, zonder te vragen, of het vlees afkomstig is van een varken, een koe, een schaap, of een geit, dan houdt u de huisvrouwen uit die tijd wel voor erg onnozel. Welke vrouw koopt een stuk vlees, zonder te zeggen, van welk dier het moet zijn? In dit vers ging het om een heel andere zaak. Het ging om het feit, dat je er geen probleem van moest maken, of het dier eerder in de afgodentempel aan de afgoden gewijd was. Zelfs als het aan de afgoden gewijd was, werd je er niet occult belast door en mocht je het gewoon eten. Als iemand echter nadrukkelijk zei, dat je vlees kocht, dat aan de afgoden gewijd was, mocht je het niet kopen, schreef Paulus. “Doch indien iemand tot u zegt: dat is gewijd vlees, eet het dan niet, om hem, die u dat te kennen gaf, en om het geweten.” (1 Corinthe 10:28)
Heeft de Here Jezus dus de wet van Mozes terzijde geschoven en gewoon een nieuwe wet gebracht en het volk geleerd, dat ze voortaan varkensvlees en paling mochten eten? Beslist niet. Hij bleef Zelf trouw aan de wet en leerde Zijn discipelen en het volk Israël om ook trouw te blijven aan de wet van God. Het is zeer teleurstellend, dat onze vertalers de indruk gewekt hebben, als zouden de joden een achterhaalde godsdienst hebben en als zouden zij voortaan zo moeten leven, zoals wij leven. De Here Jezus heeft dus niet gezegd, dat joden varkensvlees en paling mogen eten. Hij heeft niet gezegd, dat alle spijzen voor de joden rein (kosjer) zijn en gegeten mogen worden.
|
|