|
| |
Het brandofferaltaar
|

"Zodra Salomo zijn gebed
gereinigd had, daalde vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de
slachtoffers; en de heerlijkheid des HEREN vervulde het huis." (2 Kronieken 7:1)
|
|
Het brandofferaltaar is en was zowel voor de Joden als voor christenen erg belangrijk. Eerst stond het brandofferaltaar in de tabernakel in de woestijn. Later stond het in de voorhof van de eerste tempel, dat is de tempel die door Salomo gebouwd werd. Vervolgens stond het in de tweede tempel, die na de Babylonische ballingschap door Ezra en Nehemia gebouwd werd en waarbij de profeten Haggai, Zacharia en Maleachi
aanwezig waren. De tempel van Salomo werd in 586 voor Christus verwoest door Nebucadnezar van Babel, die de stad Jeruzalem en de tempel verwoestte. De tweede tempel werd in 70 na Christus verwoest, toen de Romeinen de stad en de tempel verwoestten. Deze twee tempel wordt meestal de tempel van Herodes
genoemd.
|
De ark des verbonds
De ark des verbonds is slechts één keer gemaakt. Dat was in de woestijn onder leiding van Mozes. Toen koning Salomo zijn tempel gereed had werd de ark des verbonds in het Heilige der Heiligen gezet. De ark stond daarvoor al enige tijd in een speciale tent in Jeruzalem, die koning David speciaal voor de ark daar had neergezet. Dat was na de reis van de ark door het land van de Filistijnen. In de tempel van Salomo stond dus dezelfde ark als eerst in de tabernakel gestaan had. In de tweede tempel stond echter geen ark meer. Na de Babylonische ballingschap was de ark "zoek". Aangenomen wordt, dat de profeet Jeremia de ark goed verborgen of verstop heeft, zodat hij niet door koning Nebucadnezar verwoest kon worden. Na de Babylonische ballingschap bleef de ark des verbonds onvindbaar. Deze ark was zo heilig, dat er geen nieuwe ark des verbonds gemaakt mocht worden. Hierdoor heeft er in het Heilige der Heiligen van de tweede nooit een ark gestaan. Op grote verzoendag sprenkelde de hogepriester daarom het bloed op en voor de "steen van het fundament" die in het Heilige der Heiligen op de grond lag.
Het brandofferaltaar
Met het brandofferaltaar was het anders gesteld. Toen de eerste tempel door koning Salomo gebouwd werd, heeft hij niet het brandofferaltaar uit de tabernakel in de voorhof van de tempel gezet. Er is gewoon een nieuw altaar gebouwd, zoals alle voorwerpen in de tempel nieuw gemaakt zijn. Er stond een nieuw wasvat in de voorhof, een nieuw reukaltaar, een nieuwe kandelaar en een nieuwe tafel voor de toonbroden in het Heilige. En de oude ark des verbonds stond dus in het Heilige der Heiligen. Verschillende voorwerpen uit de tabernakel hadden ook een plekje gekregen in de nieuwe tempel, terwijl andere voorwerpen in een vertrek van de tempel werden opgeslagen. Toen later de tweede tempel werd gebouwd, werden er opnieuw nieuwe voorwerpen voor deze tempel gemaakt. Zo ook werd er een nieuw brandofferaltaar gebouwd.
Het brandofferaltaar uit de voorhof van de tweede tempel werd herbouwd op de plaats waar het vorige brandofferaltaar gestaan had. Dat was op een heel bijzondere plaats. Als de Bijbel niet zo duidelijk zou zeggen waar het was, zouden velen het niet kunnen geloven. De eerste en de tweede tempel met het brandofferaltaar zijn gebouwd op de berg Moria, waar Abraham zijn zoon Izaak op het altaar gelegd had en waar David een heel bijzondere ervaring had.
"Toen begon Salomo met de bouw van de tempel te Jeruzalem op de berg Moria, waar de HERE aan zijn vader David verschenen was; op de plaats die David daarvoor had bestemd, op de dorsvloer van de Jebusiet Ornan." (2 Kronieken 3:1) Op dit altaar werden nu brandoffers gebracht.
Nu weten wij, dat Jeruzalem de stad is waar in vroeger tijden Salem was, waar Melchizedek een priester was van God. Melchizedek moet een altaar gehad hebben om als priester aan God te kunnen offeren. Terwijl in Genesis 22:9 in onze vertaling staat, dat Abraham
een altaar bouwde, staat in het Hebreeuws dat hij het altaar bouwde. Dat wil zeggen, dat hij het reeds bestaande altaar gereed maakte om erop te offeren. Hij legde de stenen goed, zodat hij als offerplaats geschikt was. Wie moet er dan vóór die tijd dat altaar gebruikt hebben? Het ligt voor de hand, zoals ook de rabbijnen zeggen, dat dit het altaar van Melchizedek is geweest. Dit is helemaal bijzonder, als u bedenkt, dat Abraham deze plaats ook de berg des Heren noemde!
De betekenis van het altaar
Op het brandofferaltaar werden verschillende offers gebracht, zoals vrede-offers, zondoffers en schuldoffers. Het altaar was voor het Joodse volk zeer belangrijk. Het was de plaats waar zij zich opstelden voor het Huis des Heren, waar zij voor Zijn aangezicht mochten verschijnen om hun zonden te belijden en vergeving van hun zonden te ontvangen. Dit geschiedde door de overdracht van hun schuld op het offerdier, dat de straf (de doodstraf) in de plaats van de zondige Israëliet onderging. Op deze plaats, bij het altaar, werd duidelijk, dat de enige manier waarop een zondig mens voor een heilig God kan naderen en in contact met God kan komen en in contact met Hem kan leven, op grond van het offer is, waarbij een onschuldig dier sterft in de plaats van de schuldige mens.
Bij het altaar leren wij de betekenis van Jezus’ komst naar de aarde pas echt verstaan. Hier bij het altaar werd duidelijk, wat later de plaats van de Joodse Messias zou zijn, die zou doen wat Jesaja 53 had aangekondigd. Hij zou sterven als een offerlam; Hij zou als Onschuldige de straf van het schuldige volk dragen om zo Zijn volk met God te verzoenen. Zo kon Johannes de Doper bij het begin van Jezus’ werkzaamheden Hem aanwijzen en zeggen: "Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt." (Johannes 1:29)
Hier hebben wij de ware betekenis van Jezus’ komen naar de aarde. Hoe fijn het ook was, dat Hij met een bewogen hart naar mensen keek en tot hen sprak, hoe fijn het ook was, dat Hij mooie en boeiende toespraken hield, hoe fijn het ook was, dat Hij zieken genas en zelfs verschillende doden opwekte, het is alles van minder belang als wij het vergelijken met Zijn eigenlijk taak. Hij was gekomen om te doen wat Jesaja 53 aangekondigd had. Hij was gekomen om de straf te dragen voor de zonden van de wereld. Toen Hij stierf, stierf Hij ook voor uw zonden en stierf Hij ook voor mijn zonden. Wat een zegen, dat wij dit mogen weten!
Keer op keer hamert de Bijbel erop, dat wij de Here Jezus als "Christus" moeten kennen. Het woord "Christus" is de vertaling van het Hebreeuwse woord "Messias". De Bijbel vertelt ons telkens weer, dat wij in de Here Jezus als de Joodse Messias moeten geloven. De Here Jezus stierf niet als het Hoofd van de Kerk, want er was nog geen Kerk toen Hij stierf. Die ontstond pas op de Pinksterdag van Handelingen 2. De Here Jezus stierf niet voor beste en brave mensen. Hij stierf voor zondaars. Hij stierf voor mensen die geen contact met God hadden, die ver van Hem verwijderd waren. Zo stierf Hij ook voor u en mij.
Een brandofferaltaar
zonder tempel
Terwijl het altaar in de tabernakel van Mozes en het altaar in de tempel van Salomo pas gingen functioneren nadat het gehele heiligdom gereed was, was dit anders bij de tweede tempel na de Babylonische ballingschap. Toen werd er al geofferd, terwijl er nog geen tempel was. De vraag was, of dat wel mocht. Op grond van Leviticus 17:1-6 mochten er namelijk geen offers dan alleen in de tabernakel of de tempel gebracht worden.
"De HERE sprak tot Mozes: Spreek tot Aäron en zijn zonen en tot al de Israëlieten en zeg tot hen: Dit is hetgeen de HERE geboden heeft: Ieder van het huis Israëls, die een rund, een schaap of een geit in de legerplaats of buiten de legerplaats slacht, maar die niet brengt naar de ingang van de tent der samenkomst, om een offergave aan de HERE te brengen voor de tabernakel des HEREN, als bloedschuld zal dat die man worden aangerekend; hij heeft bloed vergoten en die man zal uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden, opdat de Israëlieten hun slachtoffers brengen, die zij op het open veld plegen te offeren; zij moeten ze brengen voor de HERE, naar de ingang van de tent der samenkomst, tot de priester, om ze als vredeoffers de HERE te offeren. Dan zal de priester het bloed op het altaar des HEREN, bij de ingang van de tent der samenkomst, sprengen en het vet in rook doen opgaan tot een liefelijke reuk voor de HERE." (Leviticus 17:1-6).
Na de terugkeer uit de ballingschap wilden de Joden graag snel het altaar herbouwen en weer offeren. Ze wilden niet wachten tot eerst de hele tempel herbouwd was. Zeventig jaar lang (de tijd van de ballingschap) hadden zij gen offers gebracht en nu wilden zij zo snel mogelijk weer offers brengen voor God.
Dus herbouwden zij het altaar. De lengte en de breedte van het altaar in de tempel van Salomo waren 28x28 el (ongeveer 14x14 meter). Nu werd het nieuwe altaar iets groter gemaakt: 32x32 el (16x16 meter) (zo lezen wij in Talmoed Zebahim 62a). In dit gedeelte van de Talmoed wordt tevens verteld, dat drie profeten (nl. Haggai, Zacharia en Maleachi) meegekomen waren uit de ballingschap en een getuigenis aflegden. De eerste profeet vertelde hoe groot de lengte en de breedte van het altaar dienden te zijn, de tweede profeet maakte de precieze plaats voor het altaar duidelijk, de derde profeet verklaarde, dat ook al was de tempel nog niet herbouwd en de precieze plaats voor het tempelgebouw nog niet vastgesteld, er toch reeds offers gebracht mochten worden. Hoewel het fundament voor de tempel nog niet gelegd was, gaf de profeet toch toestemming om een aanvang te maken met het brengen van offers.
De betekenis van het altaar vanuit het verleden
De precieze plaats voor het altaar was zeer belangrijk. Het altaar moest precies op de plaats komen waar Abraham (en Melchizedek), David en Salomo hun altaar hadden. Het altaar mag nooit een beetje verwijderd van deze plaats staan. Nu maakt de Bijbel duidelijk, zoals wij hiervoor zagen, dat de tempel met het altaar gebouwd zijn op de plaats waar Abraham zijn zoon Izaak op het altaar gelegd heeft en waar het oordeel in de tijd van David stopte en waar ook hij een altaar bouwde. Voor de rabbijnen is er echter meer. Nu staat wat zij over de plaats van het altaar zeggen, niet in de Bijbel. Dat betekent, dat wij niet kunnen zeggen "zo en zo is het". Wat wij wel kunnen doen, dat is gewoon eens naar hen luisteren. Dan ontdekken wij, dat zelfs als het niet letterlijk waar is wat zij zeggen, wij wel een heel opmerkelijke geestelijke les van hen kunnen leren.
De rabbijnen menen namelijk, dat ook Noach op deze plaats zijn altaar had.
"En Noach bouwde een altaar voor de HERE, en hij nam van al het reine vee en van al het reine gevogelte en bracht brandoffers op het altaar. Toen de HERE de liefelijke reuk rook, zei de HERE bij Zichzelf: Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens, omdat het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan, en Ik zal al wat leeft niet weer slaan, zoals Ik gedaan heb. Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden. En God zegende Noach..." (Genesis 8:20-9:1a)
De rabbijnen menen zelfs, dat dit ook de plaats was waar Adam geschapen was, waarna hij door God in de Hof van Eden geplaatst werd, zie Genesis 2:15 (uit welke tekst blijkt, dat Adam niet in de Hof van Eden geschapen is!) en waar Abel en Kain hun altaar hadden.
"Na verloop van tijd nu bracht Kain van de vruchten der aarde aan de HERE een offer; ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de HERE sloeg acht op Abel en zijn offer, maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen werd Kain zeer toornig en zijn gelaat betrok." (Genesis 4:3-5)
Het valt voor ons niet te controleren, of deze altaren echt allemaal op dezelfde plek stonden. Het gaat erom, dat wij de geestelijke les verstaan. Ongetwijfeld spreekt de gedachte ons aan en zien wij een lijn lopen van het eerste altaar van Abel naar het altaar van Noach, naar het altaar van Melchizedek, naar het altaar van Abraham, naar het altaar van David en naar het altaar van Salomo in zijn tempel. Vervolgens natuurlijk ook naar het altaar van Ezra en van de hogepriesters Jeshua in de tweede tempel.
Wij zien Abel, die als eerste mens een dieroffer bracht. De zonde had zijn intrede gedaan en er moest geofferd worden. Van hem en zijn offer wordt het volgende verteld: "Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kain; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is." (Hebreeën 11:4) Meteen zien wij Kaïn "naast" hem staan. Er wordt wel geofferd, maar het is "net niet goed". Wat er fout was aan het offer van Kaïn (behalve "geloof") weten wij eigenlijk niet eens. De Bijbel vertelt het niet. De Bijbel vertelt wel, dat God zijn offer niet aanvaardde. Dit betekent, dat God het offer van Abel wel aanvaardde. Wat is hier gebeurd?
Als God een offer aanvaardde...
Er zijn verschillende voorbeelden als God een offer aanvaardde. Dan steeg de rook niet recht omhoog, maar ontstak God Zelf vanuit de hemel het vuur, waarmee Hij toonde, dat dit offer naar Zijn wil was. Wij zien dit ook:
a) Bij het altaar in de tabernakel: "Mozes nu en Aäron gingen in de tent der samenkomst, en toen zij er weer uitkwamen, zegenden zij het volk, en de heerlijkheid des HEREN verscheen aan het gehele volk. En er ging vuur uit van de HERE en dit verteerde op het altaar het brandoffer en de vetstukken; toen het volk dat zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht." (Leviticus 9:23,24)
b) Bij Gideon: "Toen strekte de Engel des HEREN de staf die hij in de hand hield, uit en raakte met het uiteinde het vlees en de ongezuurde broden aan; en vuur steeg op uit de rots en verteerde het vlees en de ongezuurde broden. Daarop verdween de Engel des HEREN uit zijn gezicht." (Richteren 6:21)
c) Bij Elia op de Karmel: "Toen schoot het vuur des HEREN neer en verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en de aarde, en lekte het water in de groeve op." (1 Koningen 18:38)
d) Bij David op de dorsvloer van Arauna: "David bouwde daar een altaar voor de HERE, bracht brandoffers, en vredeoffers, en riep tot de HERE, die hem antwoordde met vuur uit de hemel op het brandofferaltaar." (1 Kronieken 21:26)
e) Bij het altaar in de tempel van Salomo: "Zodra Salomo zijn gebed gereinigd had, daalde vuur uit de hemel neer en verteerde het brandoffer en de slachtoffers; en de heerlijkheid des HEREN vervulde het huis." (2 Kronieken 7:1)
Er is bij Genesis 4:4 een bijzondere rabbijnse toepassing. Zij zeggen, dat Kain, die van de opbrengst van het land offerde, vlas offerde, waarvan linnen gemaakt wordt. Abel offerde schapen, die wol leveren. God wilde niet, dat er hierna ooit nog een vermenging zou komen van dat wat van Abel is en dat wat van Kain is. In de praktijk van het leven van de Israëlieten betekende dit, dat vermenging van wol en linnen in hun kleding voor altijd verboden was. "Gij zult u niet kleden met een kleed van tweeërlei stof, wol en linnen tezamen." (Deuteronomium 22:11) Het is een duidelijke aansporing ook voor ons om ons niet te vermengen met mensen die van de wereld zijn en met zaken die van de wereld zijn. Zie Romeinen 12:1,2. Heel opmerkelijk zien wij in het Hogepriesterlijk gebed, dat de Here Jezus - ondanks Zijn grote liefde voor de verloren wereld (zie Johannes 3:16) - niet voor de wereld bad! (Johannes 17:9; zie vers 9-19)
De les van het altaar
Als Abel bij het altaar staat, wordt ons duidelijk gemaakt, dat de mens (denk aan Kain) een zondaar is en verzoening door middel van het offer nodig heeft. Ook maakt het ons duidelijk, dat God dierenoffers aanvaardde en dat zij Hem welgevallig waren. Het is de plaats die ons herinnert aan de eerste Adam, door wie de zonde in de wereld gekomen is, waarbij wij dan tevens moeten denken aan de tweede Adam, de Here Jezus. "Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden... Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest." (1 Corinthe 15:22,45)
Als Noach bij het altaar staat, wordt ons duidelijk gemaakt, dat hier, bij het altaar, de plaats is, waar God duidelijk maakt, dat Hij de mens niet wil straffen, maar juist wil zegenen.
Als later Melchizedek bij het altaar staat, wordt ons duidelijk gemaakt, dat dit de plaats is waar al gewezen wordt naar de grote Hogepriester, Jezus, die als Offerlam de zonde der wereld zal wegnemen (Johannes 1:29) en als Hogepriester "moest Hij in alle opzichten aan Zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen." (Hebreeën 2:17)
Als nog weer later Abraham bij het altaar staat, krijgen wij te horen, dat dit een heel bijzondere plaats is. "En Abraham noemde die plaats: De HERE zal erin voorzien; waarom nog heden gezegd wordt: Op de berg des HEREN zal erin voorzien worden." (Genesis 22:14)
Tenslotte zien wij David op de plaats van het altaar staan en vernemen wij opnieuw iets bijzonders: "Dus bracht de HERE de pest over Israël van de morgen af tot aan de vastgestelde tijd, en er stierven van het volk, van Dan tot Berseba, zeventigduizend man. Toen de engel zijn hand naar Jeruzalem uitstrekte om het te verdelgen, berouwde het onheil de HERE, en Hij zeide tot de engel die verderf bracht onder het volk: Genoeg! Laat nu uw hand zinken. De engel stond toen bij de dorsvloer van de Jebusiet Arauna. En David sprak tot de HERE, toen hij de engel zag, die onder het volk verderf bracht: Zie, ik heb gezondigd, en ik heb ongerechtigheid bedreven, maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Laat toch uw hand zijn tegen mij en mijn familie. Op die dag kwam Gad tot David en zeide tot hem: Ga heen, richt een altaar op voor de HERE op de dorsvloer van de Jebusiet Arauna. En David bouwde daar een altaar voor de HERE en bracht brandoffers en vredeoffers. Toen liet de HERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag werd van Israël weggenomen." (2 Samuel 24:15-18,25) Wij zien, dat het altaar de plaats is waar je je zonden moet belijden. Hier eindigt Gods oordeel en schenkt Hij je Zijn vrede.
* * * * *
Als dit artikel u aanspreekt, koop dan één van de volgende boeken van
ds. H.G. Koekkoek of koop ze allebei:
De geheimen van de offers
Was Jezus de Joodse Messias ?
|
|