BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Artikelen

printversie
Het lied van Mozes


"Toen zong Mozes met de Israëlieten de HERE dit lied en zij zeiden: ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee." (Exodus 15:1)

"Toen zong Mozes met de Israëlieten de HERE dit lied en zij zeiden: ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee. De HERE is mijn kracht en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, de God mijns vaders, Hem prijs ik. De HERE is een krijgsheld; HERE is Zijn Naam. De wagens van Farao en zijn legermacht wierp Hij in de zee; de keur van zijn wagenhelden werd in de Schelfzee gedompeld. Watervloeden overdekten hen; in de diepte zonken zij als een steen. Uw rechterhand, HERE, heerlijk door kracht, uw rechterhand, HERE, verpletterde de vijand. In uw grote majesteit vernietigdet Gij wie tegen U opstonden; Gij liet uw toorngloed los, hij verteerde hen als stoppels. Door de adem van uw neus werden de wateren opgestuwd; als een dam stonden de stromen; de watervloeden stolden in het hart der zee. De vijand zei: ik achtervolg, haal in, deel de buit; ik koel mijn lust aan hen, trek mijn zwaard; mijn hand roeit hen uit. Gij bliest met uw adem, de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren. Wie is als Gij, onder de goden, HERE, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid vreselijk in roemrijke daden, wonderbaar in uw doen?
Gij strektet uw rechterhand uit; de aarde verzwolg hen. Gij leiddet in uw goedertierenheid het volk dat Gij verlost hebt; Gij leiddet het door uw kracht naar uw heilige woonstede. Volkeren hoorden het, zij sidderden; beving greep de bewoners van Filistea aan. Toen verschrikten Edoms stamhoofden, huivering greep Moabs machtigen aan; alle bewoners van Kanaän sidderden. Ontzetting en schrik overviel hen, door uw geweldige arm verstarden zij als een steen, terwijl uw volk, HERE, doortrok, uw volk, dat Gij U hebt verworven, doortrok. Gij brengt hen en plant hen op de berg die uw erfdeel is; de plaats die Gij, HERE, tot uw woning gemaakt hebt; het heiligdom, Here, door uw hand gesticht. De HERE regeert voor altoos en eeuwig.

Mozes begon en eindigde zijn verblijf in de woestijn met een lied: Exodus 15 en Deuteronomium 32.

Er staat een aantal zeer opmerkelijke feiten in dit lied, die een bijzondere boodschap geven. Helaas blijkt uit de tekst van onze Nieuwe Vertaling dit bijzondere vaak niet.

De zangers
"Toen zong Mozes met de Israëlieten de HERE dit lied en zij zeiden: ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee." (Exodus 15:1) Dit vers vertelt, dat het lied gezongen is door Mozes tezamen met de Israëlieten. Opmerkelijk is, dat het werkwoord "zingen" in het enkelvoud staat. Dat betekent, dat zij het als een eenheid, "als één man" gezongen hebben. In Egypte hebben de Israëlieten niet kunnen zingen, net zomin als later in Babylonië. In Egypte konden ze alleen zuchten en klagen, zie Exodus 2:23,24.

De situatie
"De vijand zei: ik achtervolg, haal in, deel de buit; ik koel mijn lust aan hen, trek mijn zwaard; mijn hand roeit hen uit. Gij bliest met uw adem, de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren." (Exodus 15:9,10)

Farao achtervolgde de Israëlieten en wilde hen met het zwaard doden. Hiervoor werden de Farao en zijn leger door God gestraft en kwamen zij om in de zee. God had indertijd tegen Abraham gezegd, dat zijn nakomelingen slaven zouden zijn in Egypte. Hiervoor werden de Egyptenaren niet gestraft. De plagen kwamen ook niet omdat de Israëlieten slaven waren, maar omdat Farao hen niet wilde laten gaan. De straf bij de Schelfzee kwam ook niet, omdat de Israëlieten slaven geweest waren van de Egyptenaren, maar omdat Farao hen wilde vermoorden.

Gelijktijdig leidde God Zijn volk. Hij deed dit "in goedertierenheid", dat is: in liefde.

Gods neus, handen en armen
"De HERE is een krijgsheld; HERE is Zijn Naam. De wagens van Farao en zijn legermacht wierp Hij in de zee; de keur van zijn wagenhelden werd in de Schelfzee gedompeld. Watervloeden overdekten hen; in de diepte zonken zij als een steen. Uw rechterhand, HERE, heerlijk door kracht, uw rechterhand, HERE, verpletterde de vijand. In uw grote majesteit vernietigdet Gij wie tegen U opstonden; Gij liet uw toorngloed los, hij verteerde hen als stoppels. Door de adem van uw neus werden de wateren opgestuwd; als een dam stonden de stromen; de watervloeden stolden in het hart der zee. De vijand zei: ik achtervolg, haal in, deel de buit; ik koel mijn lust aan hen, trek mijn zwaard; mijn hand roeit hen uit. Gij bliest met uw adem, de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren. Wie is als Gij, onder de goden, HERE, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid vreselijk in roemrijke daden, wonderbaar in uw doen? Gij strektet uw rechterhand uit; de aarde verzwolg hen. Gij leiddet in uw goedertierenheid het volk dat Gij verlost hebt; Gij leiddet het door uw kracht naar uw heilige woonstede... Gij brengt hen en plant hen op de berg die uw erfdeel is; de plaats die Gij, HERE, tot uw woning gemaakt hebt; het heiligdom, Here, door uw hand gesticht." (Exodus 15:3-13,17)

Gods hand: Tegenover de hand van Farao (:9) die de Israëlieten kwaad wilde doen, staat de hand van God, die de Farao hiervoor zal straffen!

Gods rechterhand is de hand, waarmee Hij Israël bevrijdde. Het is ook de hand waarmee Hij Egypte strafte. God kan de ene mens met Zijn hand en arm zegenen, en met diezelfde hand een ander straffen. Gods hand ten zegen zien wij bijvoorbeeld in de volgende teksten: Daar is niemand als God, o Jesurun; Hij rijdt langs de hemel als uw helper en in zijn hoogheid over de wolken. De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Omdat Hij de vijand voor u verdreef en zeide: Verdelg! daarom woonde Israël veilig en bleef de bron van Jakob ongestoord in een land van koren en most; ja, zijn hemel sprenkelt dauw. Welzalig zijt gij, Israël; wie is aan u gelijk? Een volk, verlost door de HERE, die het schild uwer hulp en het zwaard uwer hoogheid is. Daarom zullen uw vijanden veinzen u hulde te brengen, en gij zult op hun hoogten treden." (Deuteronomium 33:26-29)

"Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een." (Johannes 10:27-30)

"En na de voorlezing van de wet en de profeten lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen broeders, indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreekt het dan. En Paulus stond op, wenkte met zijn hand en zeide: Mannen van Israël en vereerders van God, luistert. De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk verhoogd, toen zij bijwoners waren in het land Egypte, en Hij heeft hen met hoge arm daaruit gevoerd." (Handelingen 13:15-17)

Ten oordeel, dus bestraffend zien wij bijvoorbeeld in de volgende woorden: "Maar Elymas, de tovenaar, want zo wordt zijn naam vertaald, verzette zich tegen hen en trachtte de landvoogd van het geloof afkerig te maken. Doch Saulus, anders gezegd Paulus, vervuld met de Heilige Geest, zag hem scherp aan, en zei: Zoon des duivels, vol van allerlei list en streken, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden de rechte wegen des Heren te verdraaien? En nu, zie, de hand des Heren keert zich tegen u, en gij zult een tijd lang blind zijn en de zon niet zien. En terstond viel op hem donkerheid en duisternis, en rondtastende zocht hij iemand om hem bij de hand te leiden." (Handelingen 13:8-11)

Met deze hand leidde God vol liefde Zijn volk uit Egypte, door de Schelfzee en door de woestijn naar het beloofde land. Zo leidt God met Zijn liefdevolle hand ook ons in het leven, tot Hij ons in Zijn heerlijkheid opneemt.

Gods neus en adem/wind: Onze vertaling heeft het over "de neus" van God (:8). In het Hebreeuws wordt het veel sterker uitgedrukt. Er wordt gesproken over "de neusgaten" van God. Zoals wij van iemand die erg boos is kunnen zeggen, dat hij snoof uit zijn neusgaten, zo wordt hier hetzelfde gezegd van God. Wij komen deze gedachte vaker tegen in de Bijbel. "Toen dreunde en beefde de aarde en de grondvesten der bergen sidderden en daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was. Rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam voort uit zijn mond, kolen raakten erdoor in brand." (Psalm 18:8,9) "Door Gods adem vergaan zij, door het blazen van zijn neus komen zij om." (Job 4:9) In deze teksten wordt ook over de neusgaten van God gesproken, hoewel in onze vertaling alleen "neus" vermeld is. Nog opmerkelijker staat het in Jesaja 48:9. onze vertaling heeft "Om mijns naams wil vertraag Ik mijn toorn..." De Staten Vertaling heeft: "Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen..." In het Hebreeuws staat: "Omwille van Mijn Naam zal Ik de adem van Mijn neus langer maken." In het Hebreeuws zegt men, dat men als iemands toorn zakt, dat zijn adem dan langer wordt; en als iemand bozer wordt, zegt men, dat zijn adem korter wordt. Zoals adem uit iemands neusgaten komt, zo wordt hier Gods toorn voorgesteld.

De neus van God zond de Oostenwind, waardoor het water van de Schelfzee gescheiden werd en zich een pad in de zee vormde. Daarna kwam dezelfde wind, door God gezonden, om de vijanden te doden in de zee. De zee kwam terug en doodde de Egyptenaren. Zoals de Geest van God door Hem tot zegen geblazen wordt op Zijn volgelingen, zo wordt Zijn gloeiende adem geblazen op Zijn vijanden.

De betekenis van God voor Mozes
"De HERE is mijn kracht en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, de God mijns vaders, Hem prijs ik. De HERE is een krijgsheld; HERE is Zijn Naam." (Exodus 15:2,3)

Mozes noemt God: "God van mijn vader." De man, die opgevoed is aan het hof van de Farao, eert God, als de God van zijn vader Amram. Hij heeft klaarblijkelijk God gezien in het leven van zijn vader. Mooi is het, als mensen zo ook God in ons leven kunnen zien. Dat is heel bijzonder, als u bedenkt, dat Mozes alleen in zijn eerste levensjaren thuis bij zijn vader en moeder opgevoed is. Toch zag hij in die periode al hoe zijn vader met God verbonden was.

Mozes noemt God een God van de oorlog, van de strijd. Letterlijk noemt hij Hem: "de Heer van de oorlog". God strijdt echter niet men wapens, maar alleen met en door Zijn Naam. Met Zijn Naam vecht en straft Hij. Opmerkelijk is het, dat als God vecht, Hij niet als "God" vecht, maar dat Zijn strijden verbonden is aan Zijn Naam JHWH. Die Naam spreekt namelijk van genade. Dit wijst erop, dat God de vijanden straft, maar dat Hij toch barmhartig is en hen genadig wil zijn als zij tot inkeer komen.

God is een machtig strijder, die echter niet met gewone wapens ten strijde trekt. Hij strijdt door middel van Zijn heilige Naam. "Maar David zei tot de Filistijn: gij treedt mij tegemoet met zwaard en speer en werpspies, maar ik treed u tegemoet in de naam van de HERE der heerscharen, de God der slagorden van Israël, die gij getart hebt." (1 Samuel 17:45)

Van God lezen wij verschillende keren in de Bijbel, dat Hij Zelf de oorlogen van Israël streed. Dit had Hij ook beloofd: "Maar Mozes zei tot het volk: Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des HEREN zien, die Hij u heden bereiden zal; want de Egyptenaren, die gij heden gezien hebt, zult gij nimmermeer zien. De HERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn." (Exodus 14:13,14)"De schrik voor Mij zal Ik voor u uit zenden; Ik zal in verwarring brengen elk volk, waarmee gij in aanraking komt, en Ik zal al uw vijanden voor u doen vluchten." (Exodus 23:27)

Wij geven enkele voorbeelden van Gods strijd voor Israël: "Na het volk te hebben geraadpleegd, stelde hij mannen op, die de HERE een lied zongen en Hem loofden in heilige feestdos, terwijl zij voor de gewapenden uittrokken en zeiden: Looft de HERE, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Op het ogenblik, dat zij de jubel en de lof aanhieven, liet de HERE de Ammonieten, de Moabieten en de lieden van het gebergte Seir, die tegen Juda waren opgerukt, uit hinderlagen overvallen, en zij werden verslagen. Daarop keerden de Ammonieten en de Moabieten zich tegen de bewoners van het gebergte Seir, om hen met de ban te slaan en te verdelgen. Zodra zij met de bewoners van Seir hadden afgerekend, hielpen zij elkander in het verderf. Toen Juda gekomen was bij de wachttoren in de woestijn keerden zij zich naar het krijgsvolk, en zie, het waren slechts lijken, ter aarde nedergevallen: niemand was ontkomen. Daarna kwamen Josafat en zijn volk hun buit roven en vonden bij hen in overvloed zowel have als klederen en kostbaarheden; zij plunderden zoveel, dat het niet te dragen was; gedurende drie dagen waren zij bezig met het roven van de buit, zo groot was deze. Op de vierde dag kwamen zij samen in het Dal der Lofprijzing: daar prezen zij de HERE, hierom noemt men die plaats tot op heden Dal der Lofprijzing. Toen keerden al de mannen van Juda en van Jeruzalem om, met Josafat aan het hoofd, en gingen naar Jeruzalem terug met blijdschap, want de HERE had hen verblijd over hun vijanden. Zij kwamen te Jeruzalem, naar het huis des HEREN, met harpen, citers en trompetten. En de schrik Gods viel op al de koninkrijken der landen, toen zij hoorden, dat de HERE tegen Israëls vijanden gestreden had, maar het koninkrijk van Josafat had rust, want zijn God gaf hem vrede aan alle kanten." (2 Kronieken 20:21-30)

Filistijnen
"Volkeren hoorden het, zij sidderden; beving greep de bewoners van Filistea aan. Toen verschrikten Edoms stamhoofden, huivering greep Moabs machtigen aan; alle bewoners van Kanaän sidderden. Ontzetting en schrik overviel hen, door uw geweldige arm verstarden zij als een steen, terwijl uw volk, HERE, doortrok, uw volk, dat Gij U hebt verworven, doortrok." (Exodus 15:14-16)

De Filistijnen zijn het volk in het Westen van het beloofde land.
Opmerkelijk is, dat in het Hebreeuws niet in de verleden tijd gesproken wordt. Er staat niet, zoals bij ons, "Volkeren hoorden het, zij sidderden; beving greep de bewoners van Filistea aan..." Er staat in het Hebreeuws: "Volkeren zullen het horen, zij zullen sidderen, beving zal hen die in Filistea wonen, aangrijpen." (Exodus 15:14)

Algemeen wordt aangenomen, dat dit vers in de verleden tijd gelezen moet worden en dat het gaat over de Filistijnen uit de tijd van Mozes. Het is en blijft echter zeer opmerkelijk, dat het beschreven wordt als iets, dat toekomstig was. Het kan zijn, dat het alleen toekomstig was vanaf het moment van de doortocht door de Schelfzee, het kan ook zijn, dat het een grotere betekenis heeft.

De Staten Vertaling heeft: "De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen. Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten!" De King James Version 21st Version vertaalt: "The people shall hear and be afraid; sorrow shall take hold on the inhabitants of Palestina. Then the chiefs of Edom shall be amazed; the mighty men of Moab, trembling shall take hold upon them; all the inhabitants of Canaan shall melt away." De Webster Bible (1833): "The people shall hear, and be afraid: sorrow shall take hold on the inhabitants of Palestina. Then the dukes of Edom shall be amazed; the mighty men of Moab, trembling shall take hold upon them; all the inhabitants of Canaan shall melt away." De Revised Webster Bible (1995) heeft: "The people shall hear, and be afraid: sorrow shall take hold on the inhabitants of Palestina. Then the chiefs of Edom shall be amazed; the mighty men of Moab, trembling shall take hold upon them; all the inhabitants of Canaan shall melt away."

Het lied van Mozes blijkt hier profetische betekenis te hebben. Het gaat niet alleen om de Filistijnen uit een ver verleden, maar ook om Filistijnen uit toekomende tijden. Dat zijn de mensen die zichzelf opnieuw Filistijnen noemen, hoewel wij hen Palestijnen noemen.

Dit lied en onze tijd
De gebeurtenissen van de 11e september 2001 staan ons waarschijnlijk allen nog in het geheugen gegrift. Al Qaida viel Amerika aan. In juli 2004 werd bekend, dat Osama bin Laden oorspronkelijk een ander plan had. Het was de bedoeling om de Israëlische badplaats Eilat met een vliegtuig, bestuurd door een Saoedische gevechtspiloot aan te vallen, evenals Joodse doelen in New York. Dit staat in het rapport van de commissie die de gebeurtenissen rond die 11e september onderzocht heeft. Osama bin Laden was vervuld van haat tegen Israël en boos op Amerika dat Israël steunde.

Mensen als Osama bin Laden maken zich op als een moderne Farao om alle Joden uit te roeien. En weer zijn er zogenaamde Filistijnen bij betrokken en ook zij kunnen bevreesd zijn.

Wat velen niet weten is, dat Israël in zijn herdenkingsdagen ook een dag heeft, waarin de 11 en de 9 voorkomen. Alleen is het nu andersom; niet 11/9 maar 9/11. Deze elfde Joodse maand heet Menachem Av, wat letterlijk betekent: een troostende vader. In deze maand is er een treurdag: de 9e van deze maand, de 9e Av, of zoals velen hem kennen: Tisha B'Av. Op deze dag worden een aantal treurmomenten uit Israëls geschiedenis herdacht, te beginnen met het ontmoedigende verslag van de verspieders in de woestijn met zijn gevolgen tot de verwoesting van de eerste tempel en van de tweede tempel.

Op de 11e van de 9e herdenken velen in de wereld de Twin Towers met hun slachtoffers. Het waren de twee machtige gebouwen van New York. Op de 9e van de 11e op de Joodse kalender herdenken de Joden de verwoesting van de beide huizen van God. Ook twee gebouwen, maar niet ten dienste van de materiële welvaart van de mensheid, maar ten dienste van de geestelijke welvaart van de mensheid.

God had tijdens de woestijnreis het volk Israël de volgende opdracht gegeven: "Wanneer de HERE, uw God, u in het land gebracht zal hebben, dat gij in bezit gaat nemen, en Hij voor u uit vele volken verdreven zal hebben... zeven volken, talrijker en machtiger dan gij, en de HERE, uw God, hen aan u overgeleverd zal hebben, zodat gij hen verslaat, dan zult gij hen volkomen met de ban slaan; gij zult met hen geen verbond sluiten en hun geen genade verlenen. Wanneer gij bij uzelf zoudt zeggen: deze volken zijn talrijker dan ik, hoe zou ik dan in staat zijn hen te verdrijven? dan moet gij niet voor hen vrezen; houd steeds in gedachten, wat de HERE, uw God, aan Farao en geheel Egypte gedaan heeft, de grote beproevingen, die uw ogen gezien hebben, de tekenen en wonderen, de sterke hand en de uitgestrekte arm, waarmede de HERE, uw God, u uitgeleid heeft; zo zal de HERE, uw God, doen aan alle volken, voor welke gij bevreesd zijt. Sidder niet voor hen, want de HERE, uw God, is in uw midden, een grote en vreselijke God. Zo zal de HERE, uw God, hen aan u overleveren en hen in grote verwarring brengen, totdat zij verdelgd zijn. Hun koningen zal Hij in uw macht geven, zodat gij hun naam van onder de hemel doet verdwijnen; niemand zal tegen u standhouden, totdat gij hen verdelgd hebt." (Exodus 7:1,2,17-19,21-24)

In een ander Bijbelgedeelte staat vermeld, waarom deze volken verdreven moesten worden. Het was niet om plaats te maken voor het volk Israël. Het was omdat zij het heilige land van God verontreinigden met hun goddeloze afgoderijen.

Wat doet Israël vandaag? Het bouwt een hek en een muur tussen hen en de Palestijnen. Is dat wat er gebouwd moet worden? Geeft zo'n hek een blijvende oplossing? Hoe begrijpelijk dit hek ook is, er moet iets anders gebouwd worden. Er moet weer een huis voor God gebouwd worden. Er moet een gebedshuis komen voor alle volken om te bidden tot de God van Israël. "En Ik zelf, luidt het woord des HEREN, zal haar een vurige muur zijn rondom en heerlijkheid binnen in haar. Op, Op! Vlucht uit het Noorderland! luidt het woord des HEREN, want naar de vier windstreken des hemels heb Ik u uiteengedreven, luidt het woord des HEREN. Op, redt u naar Sion, gij die woont bij de dochter van Babel. Want, zo zegt de HERE der heerscharen, wiens heerlijkheid mij gezonden heeft, aangaande de volken die u uitgeplunderd hebben (want wie u aanraakt, raakt zijn oogappel aan): voorwaar, zie, Ik beweeg mijn hand tegen hen, en zij zullen hun knechten ten buit worden. Dan zult gij weten, dat de HERE der heerscharen mij gezonden heeft. Jubel en verheug u, gij dochter van Sion! want zie, Ik kom in uw midden wonen, luidt het woord des HEREN, en vele volken zullen te dien dage gemeenschap zoeken met de HERE en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal in uw midden wonen. Dan zult gij weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft. En de HERE zal Juda op de heilige bodem als zijn erfdeel in bezit nemen en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen." (Zacharia 2:5-12)

Een Messiaans profetisch lied
"Toen zong Mozes met de Israëlieten de HERE dit lied en zij zeiden: ik wil de HERE zingen, want Hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte Hij in de zee. De HERE is mijn kracht en mijn psalm, Hij is mij tot heil geweest. Hij is mijn God, Hem verheerlijk ik, de God mijns vaders, Hem prijs ik." (Exodus 15:1,2)

Het valt bijna niet op, maar er staat iets opmerkelijks in het eerste vers. Er staat Mozes zong en wat hij zong was: "Ik wil zingen." Hij zegt niet "Ik zing", maar "Ik wil zingen." "Wil zingen" is in het Hebreeuws één kort woord. Er is echter de kleine letter Jod aan toegevoegd. Deze kleine letter zorgt ervoor, dat het woord de betekenis krijgt van: toekomstig, in de toekomst. De Talmoed (Sanhedrin 91 b, Mechilta) geeft als commentaar: "Onze rabbijnen die wij eervol gedenken zeiden, dat hier in de Torah een toespeling gemaakt wordt op de opstanding van de doden." Rashi: "In de toekomst, als de doden zullen herleven, dan zullen Mozes en de kinderen Israëls zingen." Dat zal geschieden in het komende Messiaanse vrederijk.

De Zohar tekent aan: "De verschillende generaties hebben het aan elkaar doorgegeven, opdat het niet vergeten zou worden: wie waardig bevonden zijn om dit lied in hun aardse leven te zingen, zullen waardig bevonden worden om het in het toekomende leven te zingen. Ook zullen zij waardig bevonden worden om het te zingen in de dagen van de Koning Messias [d.i. het Messiaanse vrederijk], als de Israëlieten zich zullen verheugen met God Zelf, gezegend is Hij, want er is geschreven: zing, zing dit lied in die tijd, zing het in het heilige land als Joden in hun land zullen wonen, zing het als zij in ballingschap zijn, zing het als zij verlost zullen worden, zing het in de toekomende wereld." Hieruit blijkt, dat dit een profetisch lied is.

Mozes zingt: "Hij is mij tot heil geweest." Letterlijk staat er in het Hebreeuws: "Hij werd voor mij 'als Jeshua'". Hier hebben wij reeds de Hebreeuwse naam, die de Messias later zou krijgen: Jezus. Rabbi Yaakov Culi in Me'am Lo'ez schrijft: "Het lied gebruikt hier de uitdrukking 'redding' (yeshua) in het enkelvoud, omdat de Israëlieten slechts uit één land verlost waren. In de Messiaanse tijd zullen wij spreken van 'reddingen' (yeshuoth), omdat God ons dan uit vele landen zal verlossen." Opmerkelijk is, dat dit lied van Mozes hiermee gezien wordt als een lied, dat verwijst naar de Messiaanse toekomst en daardoor een lied met een profetische boodschap is, terwijl er ook reeds over Jeshua gesproken wordt.

Ook in vers 13 hebben wij een bijzondere mededeling: "Gij leiddet in uw goedertierenheid het volk dat Gij verlost hebt; Gij leiddet het door uw kracht naar uw heilige woonstede."

Ibn Ezra legt uit, waarom in dit vers de verleden tijd gebruikt wordt in plaats van de toekomstige tijd. Dit is in alle profetieën steeds het geval. Er wordt in de verleden tijd over de toekomst gesproken. Dat is hier ook het geval. Hier wordt niet alleen teruggekeken naar wat God voor de Israëlieten gedaan heeft, toen Hij hen uit Egypte leidde naar de woestijn, maar hier wordt ook naar de toekomst gekeken, naar wat Hij nog zal doen! Hij zal nog eenmaal het volk dat Hij dan verlost heeft, leiden naar het eigen land.

God zal de Israëlieten in hun land brengen!
"Gij leiddet in uw goedertierenheid het volk dat Gij verlost hebt; Gij leiddet het door uw kracht naar uw heilige woonstede. Gij brengt hen en plant hen op de berg die uw erfdeel is; de plaats die Gij, HERE, tot uw woning gemaakt hebt; het heiligdom, Here, door uw hand gesticht. De HERE regeert voor altoos en eeuwig." (Exodus 15:13,17,18)

In vers 13 wordt in de verleden tijd gesproken; in vers 17 in de toekomende tijd. In vers 6 en 12 wordt gesproken over Gods hand, maar in vers 17 wordt in het Hebreeuws gesproken over Gods handen (meervoud). Waarom de NV dit in het enkelvoud weergeeft, is mij niet duidelijk. In het Hebreeuws staat, dat God het heiligdom door (allebei) Zijn handen gesticht heeft!

Vers 17 is in het Hebreeuws sterker dan in onze vertaling. Dan staat er: "Gij zult hen brengen en Gij zult hen planten op de berg die uw erfdeel is; de plaats ["plaats" is in het Hebreeuws: makom = toevluchtsoord! Dit is Moria, de latere tempelberg] die Gij, HERE, tot uw woning gemaakt hebt; het heiligdom, Here, door uw handen gesticht."

In de eerste plaats valt in het Hebreeuws op, dat er in de toekomende tijd gesproken wordt. In de tweede plaats zagen wij al, dat er niet over de hand van God in het enkelvoud, maar over de handen van God in het meervoud gesproken wordt. In de derde plaats staat er niet "Gij zult ons brengen en Gij zult ons planten op de berg die uw erfdeel is", maar: "Gij zult hen brengen en Gij zult hen planten op de berg die uw erfdeel is."

Dit verwijst naar twee feiten: Mozes profeteerde hier al, dat hij niet in het beloofde land zou komen. Anderen zouden hier komen, maar hij niet. Terwijl hij nog niet wist, dat hij er niet zou komen en overtuigd was, dat hij er ook zou komen, zong hij de juiste woorden! Ook de Israëlieten die hier zingen, zingen een profetisch lied. Zij denken allen nog, dat zij in het beloofde land zullen komen. Alle ouderen zullen echter in de woestijn sterven. Hun kinderen zullen er komen, zij niet. Daarom mogen zij niet zingen, dat zij er gebracht zullen worden, maar dat anderen er gebracht zullen worden.

De Joodse vroegere geleerde Rashi citeert Maharshal waarin deze erop wijst, dat Mozes hier de juiste profetie uitsprak, hoewel hij niet wist of begreep wat hij profeteerde. Hiermee wordt duidelijk gemaakt, dat er in dit lied een profetische boodschap zat en zit, die de zangers niet wisten.

God houdt "zielsveel" van het volk Israël. Hoewel Zijn liefde uitgaat naar alle mensen op aarde, houdt Hij toch meer van Israël, dan van een ander volk op aarde. Hij draagt hen, zoals een vrouw een sieraad op haar kleding draagt. Daarom bidden de Joden nog steeds, dat God hen zal brengen naar de berg die Zijn erfdeel is, naar de plaats die voor Zijn heiligdom gereserveerd is.

Deze plaats in het aardse Jeruzalem heeft voor de Joden altijd gestaan tegenover de plaats van het hemelse Jeruzalem. Er is voor hen altijd een duidelijke lijn geweest van de aardse tempel naar de hemelse tempel. De hemelse tempel en het hemelse Jeruzalem zijn boven het aardse Jeruzalem en de aardse tempel.

Jesaja zegt, dat de aarde door Gods hand (enkelvoud) geschapen is. "Hoor naar Mij, Jakob, Israël, mijn geroepene. Ik ben dezelfde, Ik ben de eerste, ook ben Ik de laatste; ook heeft mijn hand de aarde gegrondvest en mijn rechterhand heeft de hemelen uitgebreid. Roep Ik hen, zij staan daar tezamen." (Jesaja 48:12,13)

De tempel was echter door Gods beide handen gemaakt. Dit is volgens de rabbijnen een verwijzing naar het feit, dat er een tempel op aarde was en een tempel in de hemel is, die allebei door Gods hand gemaakt zijn. Daarnaast is het een verwijzing naar de tempel die in het Messiaanse rijk in Jeruzalem zal zijn en die door de beide handen van God gemaakt zal zijn. Omdat die tempel door Gods beide handen gemaakt zal worden, zal die tempel nooit meer verwoest worden en zal God er voor altoos en eeuwig regeren (Exodus 15:18).

Rashi maakt duidelijk, dat er goed gelet moet worden op de belangrijke mededeling, dat de tempel door Gods beide handen gemaakt zal worden. Dit betekent, dat deze tempel uit de hemel naar de aarde zal nederdalen en dat hij zonder medewerking van mensenhanden gemaakt zal zijn. De vorige tempels in Jeruzalem waren door rechtvaardige mensen gemaakt, die de hulp van God hadden. Deze toekomstige tempel zal echter vanuit de hemel komen en niet door mensenhanden gemaakt zijn, maar alleen door Gods handen.

Dit is in overeenkomst met wat de apostel Johannes gezien heeft: "En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zei: zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei: schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig." (Openbaring 21:1-5)

Johannes ziet Jeruzalem en de tempel uit de hemel komen naar de aarde. Er is een nieuwe wereld en er breekt een nieuwe tijd aan.

Met het zingen van deze laatste woorden was het alsof de Israëlieten God een prachtige kroon op het hoofd wilden zetten. Hij plaatst aardse koningen op hun troon en stoot anderen van hun troon, maar Zelf wordt Hij nooit van de troon gestoten en zal Hij eeuwig regeren. Hij regeert nu als Koning vanuit de hemel en zal dan als Koning vanuit Jeruzalem regeren.

Zowel de Oud Testamentische als de Nieuw Testamentische boeken maken ons duidelijk, dat als dit Messiaanse rijk op aarde zal zijn, de Messias de vertegenwoordiger van God zal zijn op aarde. De Messias zal regeren. Dit wetend en toepassend op het laatste vers van dit lied, is het mooi nog eens te kijken naar het begin van dit lied (vers 2) en die twee gedachten samen te voegen. God zal door middel van Zijn Messias op aarde regeren en Zijn Naam is... Yeshua (Jezus).

Het lied van Mozes in de Openbaring
"En ik zag een ander teken in de hemel, groot en wonderbaar: zeven engelen, die de zeven laatste plagen hadden, want daarmede is de gramschap Gods voleindigd. En ik zag iets als een zee van glas met vuur vermengd, en de overwinnaars van het beest en van zijn beeld en van het getal van zijn naam, staande aan de glazen zee, met de citers Gods. En zij zingen het lied van Mozes, de knecht Gods, en het lied van het Lam, zeggende: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij, Koning der volkeren! Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig. Want alle volken zullen komen en zullen voor U nedervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden." (Openbaring 15:1-4)

Zoals de "overwinnaars" van de Schelfzee hun overwinning te danken hadden aan God, die hun Verlosser, hun Jeshua was, zo zijn deze overwinnaars ook mensen, die hun overwinning aan de Here Jezus te danken hebben. Daarom zingen zij het lied, dat wij hier in Exodus 15 hebben, maar nu zal dit lied nog duidelijker betrekking hebben op "het Lam", de Here Jezus.

Het zou weleens kunnen zijn, dat hier bedoeld wordt, dat Mozes en de Here Jezus samen eerst dit lied gezongen hebben, waarna de anderen het nagezongen hebben. Het lied van Mozes in Exodus 15 werd immers ook door Mozes Zelf gezongen?

Zoals de Israëlieten met Mozes het overwinningslied zongen nadat zij door de Schelfzee gegaan waren en Mozes hun redder was, zo zingen de overwinnaars in de hemel samen met Mozes en de Here Jezus het grote en nieuwe overwinningslied, waarin niet meer Mozes de redder is, maar waarin de Here Jezus de grote Redder is. Het lied laat het verloop van de redding in de Bijbel zien. De eerste redding die Gods volk beleefde, was de redding uit Egypte, de verlossing uit de slavernij van Farao, die zijn voltooiing beleefde met de uittocht en de doortocht door de Schelfzee, waarna de Farao als de verpersoonlijkte satan gedood werd. Daarna volgden verschillende reddingen (verlossingen), zowel uit Babylonië als aan het eind der tijden uit alle volken op aarde. De grootste redding is echter de redding, die de Here Jezus bewerkte aan het kruis van Golgotha. Deze redding wordt uiteindelijk volkomen effectief als de duivelse "Farao", satan zelf in de poel des vuurs gevangengezet wordt (Openbaring 20). Dan is de reis van de eerste redding ("door" Mozes) tot aan de laatste redding (door de Here Jezus) voltooid. Dat moment beleven deze mensen uit Openbaring 15 in de hemel al. Mozes als de eerste redder en Jezus als de laatste en volkomen Redder zingen samen met de geredden en deze geredden zingen zelf ook weer het lied van Mozes (de eerste redding) en van het Lam (de laatste en volkomen redding). Het is één groot feest in de hemel. En... dat zullen ook wij eenmaal beleven. Het grote feest: zingen van de redding!

Wat een zegen is het, dat wij nu al - ziende op dat toekomstige gebeuren in de hemel - hier op aarde onze liederen van redding en behoud mogen en kunnen zingen!


BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2010 Stichting Het Licht des Levens