BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Artikelen

printversie
De engelen in de hemelse raadsvergadering


"Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder." (Genesis 28:12)

Zoals het evangelie van Johannes aan het eind meedeelt, dat maar een klein deel is opgenomen van wat de Here Jezus gezegd en gedaan heeft, zo zien wij, dat ook het Oude Testament maar een deel weergeeft van alles wat God met en voor Zijn volk gedaan heeft en van wat er met de Israëlieten gebeurd is. Soms geeft het Nieuwe Testament daarop een aanvulling, soms horen wij er wat van uit de Joodse literatuur. Soms horen wij er ook niets over. Dit geldt ook als wij nadenken over de engelen.

Regelmatig wordt de vraag gesteld, wat de gelovigen aan de engelen hebben en wat de engelen voor ons betekenen en wat zij voor ons doen. De vraag kan ook anders gesteld worden: wat heeft God aan de engelen, wat betekenen zij voor Hem en wat doen zij voor Hem? Het blijkt, dat de engelen van grote betekenis voor Hem zijn.
Eén van de betekenissen van de engelen voor God willen wij nu beantwoorden. Andere aspecten zullen later aan de orde komen.

Het blijkt, dat de engelen Gods gezelschap vormen. Zouden er geen engelen zijn, dan zou God helemaal alleen zijn in de hemel. De engelen zijn de gesprekspartners van God. Hij vergadert met hen. Hij overlegt met hen en Hij bespreekt allerlei zaken met hen. De alwetende God neemt de moeite om met Zijn engelen allerlei zaken te bespreken, om hun vragen voor te leggen, om hun mening te vragen en naar hen te luisteren. Hierin stelt de alwetende en almachtige God Zich nederig op. Het is haast niet voor te stellen: God luistert naar de engelen!

Psalm 89 meldt, dat God zeer ontzagwekkend is in de raad der heiligen en geducht boven allen die rondom Hem zijn. "Wie in de hemel kan de HERE evenaren, wie onder de goden is de HERE gelijk? God is zeer ontzagwekkend in de raad der heiligen, geducht boven allen die rondom Hem zijn. HERE, God der heerscharen, wie is als Gij grootmachtig, o HERE, en uw trouw is rondom U." (Psalm 89:6-8)
Hier gaat het niet over mensen, die rond Gods troon zouden staan, want toen dit geschreven werd, waren er nog geen mensen in de hemel, die rond Gods troon zouden kunnen staan. De doden, zowel verlorenen als behoudenen, waren allen nog in het dodenrijk. Hier gaat het dus over engelen. De vraag wordt gesteld, wie van de engelen, zelfs van de hoogste engelen die bijzonder veel macht en gezag hebben, te vergelijken is met God Zelf. Het antwoord moet duidelijk zijn: geen van de engelen is met God te vergelijken. Zelfs voor de heilige engelen is God ontzagwekkend. Alle engelen buigen zich voor Hem en vereren Hem.

De woorden uit Psalm 89:8, waar staat, dat de engelen rondom God en dus rondom Zijn troon zijn, zijn niet in strijd met de woorden uit Hebreeën 1:13, waar staat, dat de engelen niet aan Gods rechterhand zitten. Zoals de priesters niet mochten zitten in de tempel te Jeruzalem, zo mogen de engelen ook niet zitten in de hemelse tempel voor het Aangezicht van God. Zij staan dus voor het Aangezicht van God!

In dit Psalmvers gaat het over de engelen, die rond de troon van God staan. Zij vormen daar een bijzonder gezelschap, nl. een "raad", dat wil zeggen een gezelschap, dat in zekere zin, steeds in vergadering bijeen is. God vergadert in de hemel met Zijn engelen. In deze vergadering heeft God de leiding en raadpleegt en overlegt Hij met Zijn engelen. Hiernaar verwijst de volgende tekst uit Jeremia: "Wie toch heeft in de raad des HEREN gestaan en Zijn woord vernomen en gehoord? Wie heeft Zijn woord beluisterd en gehoord?" (Jeremia 23:18) Geen mens kan op deze vraag antwoorden, dat hij in de raad van God geweest is. Dit is van toepassing op de engelen. Job weet ook, dat de engelen in de hemel met God vergaderen. Vandaar zijn vraag: "Roep maar; is er iemand, die u antwoordt? En tot wie van de heiligen wilt gij u wenden?" (Job 5:1)

Dit is in overeenstemming met wat de profeet Micha eens zei: "Ik zag de HERE op Zijn troon zitten, terwijl het ganse heer des hemels (dat zijn dus de engelen) aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerhand stond. En de HERE zei: wie zal Achab verleiden, zodat hij optrekt en sneuvelt te Ramot in Gilead? De één zei dit en de ander zei dat. Toen trad er een geest naar voren en stelde zich voor de HERE en zei: 'Ik zal hem verleiden.' De HERE vroeg hem: 'Waarmede?' Hij antwoordde en zei: 'Ik zal heengaan en een leugengeest worden in de mond van al zijn profeten.' Toen zei Hij: 'Gij moet hem verleiden en gij zult er ook toe in staat zijn; ga heen en doe het.' Nu dan, zie de HERE heeft een leugengeest gegeven in de mond van al deze profeten van u en de HERE heeft onheil over u besloten." (1 Koningen 22:19-23, zie ook 2 Kronieken 18:18-22)

Het woord "leugengeest" roept bij ons de gedachte op, dat het een wezen is, dat zelf leugenachtig is. Dat is echter niet de bedoeling. Het gaat hier niet over een demon, die een opdracht van God uitvoert. Het gaat hier over een engel, die ervoor zal zorgen, dat Achab een leugen zal geloven.

Duidelijk blijkt uit deze beschrijving, dat God overleg pleegde met de engelen in de hemel, die rond Zijn troon staan en die een 'raad' met Hem vormen. Duidelijk blijkt, dat God Zijn engelen raadpleegt, waarbij de engelen niet alleen naar Gods bevelen moeten luisteren, maar dat zij ook hun inbreng mogen leveren en dat de hoogheilige God bereid is om naar Zijn engelen te luisteren.


Engelen als vorsten over landen op aarde

Deuteronomium 32:8 zegt in onze vertaling: "Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van Israël." Toen een groot aantal Joden, enkele honderden jaren voor de komst van de Here Jezus op aarde, niet meer het Hebreeuws goed verstond, vooral omdat velen in andere landen woonden, heeft een aantal Joodse geleerden het gehele Oude Testament vanuit het Hebreeuws in het Grieks vertaald. Deze vertaling heet de Septuaginta, wat 'de vertaling van de zeventig' betekent. Er waren nl. zeventig geleerden bijeen om deze vertaling te maken. Deze vertaling had in de tijd van de Here Jezus zoveel gezag, dat wij regelmatig zien, dat in het Nieuwe Testament juist uit deze vertaling van het Oude Testament geciteerd wordt. Wij zijn dus op Bijbelse grond, als ook wij naar deze tekst in de vertaling van de Septuaginta kijken.

De Septuaginta vertaalt Deuteronomium 32:8 als volgt: "Toen de Allerhoogste de naties verdeelde, toen Hij scheiding maakte tussen de zonen van Adam, bepaalde Hij de grenzen van de naties volgens het aantal engelen van God." In plaats van "mensenkinderen" staat er nu "zonen van Adam", wat eigenlijk precies hetzelfde is. In plaats van "zonen van Israël" staat er nu echter "engelen van God" en dat is heel wat anders. Deze vertaling komt op ons wat vreemd over. Wij maken daarom snel de fout verkeerde conclusies te trekken. Wij zouden bij deze vertaling denken, dat hier sprake is van het totaal aantal engelen. Het gaat hier echter niet om alle engelen die er zijn, maar om 70 speciale engelen, die "de vorsten" van de verschillende volken zijn. Volgens de Bijbelse telling in Genesis 10 waren er 70 verschillende volken op aarde. Elk van deze volken had zijn eigen "vorst". Eigenlijk moeten wij zeggen: elk van deze volken had zijn eigen vorsten. God had nl. boven elk volk een speciale engel aangesteld, die de Joden "een engel des lichts" noemden. Satan had boven elk volk echter weer een demon aangesteld, een gevallen engel dus, die de Joden "een engel der duisternis" noemden. De Bijbel noemt hen, die op deze wijze boven de verschillende volken aangesteld zijn, als volgt: "De vorst van Perzië", "de vorst van Griekenland", enz.

De profeet Daniël heeft eens een ervaring met een engel gehad, waarin deze engel hem meer vertelde over de demonische vorsten, die over de verschillende landen gesteld zijn. De engel zei tegen Daniël: "Daniël, gij zeer beminde man, let op de woorden die ik tot u spreek, en ga rechtop staan, want nu ben ik tot u gezonden. Toen hij dit tot mij sprak, stond ik bevende op. En hij zei tot mij: vrees niet, Daniël, want van de eerste dag af, dat gij uw hart erop gezet hadt om inzicht te verkrijgen en om u voor uw God te verootmoedigen, zijn uw woorden gehoord, en ik ben gekomen op uw woorden. Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover mij; doch zie, Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield; en ik ben gekomen om u te verstaan te geven wat uw volk in het laatst der dagen overkomen zal; want wederom is het een gezicht aangaande de toekomst. Toen hij op deze wijze met mij sprak, boog ik mijn gelaat ter aarde en was verstomd." (Daniël 10:11-15)

Even verder in hetzelfde hoofdstuk horen wij de engel nogmaals iets dergelijks tegen Daniël zeggen: "Weet gij, waarom ik tot u gekomen ben? Terstond moet ik terugkeren om met de vorst der Perzen te strijden, en zodra ik uitgegaan ben, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen; nochtans zal ik u mededelen wat geschreven staat in het boek der waarheid. En niet een staat mij vastberaden tegen hen terzijde, behalve uw vorst Michaël." (Daniël 10:20,21) Wij kennen de namen van deze vorsten niet. Wel weten wij, dat Michaël met name genoemd wordt, als de door God gegeven "vorst van Israël".

Hier komen wij bij een bijzondere gebeurtenis, waarin Jacob op zijn vlucht naar Haran in een droom gewezen werd op de betekenis van engelen in zijn leven. "Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder." (Genesis 28:12) Het wonderlijke van de ladder was, dat hij niet uit de hemel was neergelaten, maar dat hij vanaf de aarde was opgericht en dat hij vanaf de aarde helemaal tot aan de hemel reikte. Verder bleek, dat de engelen niet bovenaan begonnen af te dalen en daarna weer naar de hemel opstegen, maar dat zij op aarde begonnen naar de hemel te gaan en dat daarna pas gesproken werd over engelen die afdaalden. De ladder moet niet van het formaat geweest zijn, zoals wij een ladder zien. Het was niet zoiets als een schildersladder, waarlangs de engelen heen en weer gingen. Het moet een grote trap naar de hemel geweest zijn. De engelen konden er door naar de hemel komen als ook vanuit de hemel naar de aarde afdalen.

Wat betekenen de engelen in dit visioen? Wij zagen, dat in het boek Daniël verteld wordt over speciale demonen, die een land of een rijk als hun gebied hebben. Wij kunnen ervan uitgaan, zoals ook de rabbijnen zeggen, dat er ook engelen over de verschillende landen aangesteld zijn. Jacob moet geweten hebben van Gods engelen die aan een bepaald land gebonden zijn. In dit visioen zou het dan voor Jacob betekend hebben, dat de engelen Gods van Kanaän, die van Godswege bij hem waren om hem te beschermen, weliswaar bij hem vandaan gingen, hem verlieten nu hij Kanaän verliet, maar dat nieuwe engelen daarvoor in de plaats kwamen en dat er nieuwe engelen van Godswege bij hem zouden zijn om hem te beschermen en hem te leiden op zijn reis buiten Kanaän. Ook de Joodse geleerde Rashi zegt, dat de engelen die hem begeleid hadden in Kanaän nu opwaarts stegen naar de hemel en dat andere engelen afdaalden om hem te begeleiden.


Engelen kunnen ons bezoeken

"Laat de broederlijke liefde blijven.Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen geherbergd." (Hebreeën 13:1,2) De Bijbel benadrukt het feit, dat niet alleen Joden maar ook christenen een grote mate van gastvrijheid dienen te hebben. Dit is niet omdat het een goede gewoonte is om gastvrij te zijn, maar omdat het onlosmakelijk verbonden is met ons geloof. Het is een van de manieren waarop Joden en christenen hun onderlinge verbondenheid en liefde voor elkaar tonen, zoals het eerste vers laat zien. Joden en christenen behoren mensen te zijn, die bezoekers in hun huis binnenlaten en van verfrissingen en/of een maaltijd voorzien en indien nodig en indien mogelijk zelfs bij hen laten slapen. Het is iets dat haaks staat op onze Nederlandse gastvrijheid. Wij bieden een bezoeker een kopje koffie aan, maar zullen niet snel vragen of hij blijft mee-eten. En 's avonds een gast uitnodigen om te blijven slapen, is helemaal in strijd met onze gewoonten. Wij kennen een zekere gereserveerdheid, die echter in strijd is met Gods opdracht tot de Bijbelse gastvrijheid en het tonen van de onderlinge liefde en verbondenheid.

De woordkeus uit Hebreeën 13:1,2 is veelzeggend. Er worden drie Griekse woorden gebruikt, die in hun woordkeus iets met elkaar te maken hebben. Het zijn de woorden die bij ons vertaald zijn als "broederlijke liefde" (in het Grieks is dit één woord), "herbergzaamheid" en "herbergen". De Griekse woorden zijn philadelphia, philoksenia en ksenizoo. Door delen van deze woorden vet te drukken, ziet u hun onderlinge verbondenheid. In het eerste en tweede woord komen wij het Griekse woord phileoo tegen. In het tweede en het derde woord gaat het over ksenia.

Het eerste woord is het Griekse woord philadelphia, dat ons zegt, dat wij liefde aan elkaar moeten bewijzen vanuit het feit, dat wij een onderlinge verbondenheid hebben als gelovigen. Dit tonen van de onderlinge liefde wordt van ons verwacht.

Het tweede Griekse woord is philoksenia. Het is een samenstelling van de woorden phileoo en ksenizoo. Het woord phileoo betekent liefhebben, liefde bewijzen, onthalen, gastvrij ontvangen. In gewoon Nederlands kun je zeggen, dat het betekent, dat je iemand als een vriend behandelt. Het woord ksenizoo betekent iemand als een gast ontvangen. Het is verwant met ksenos, een gast, een vreemdeling. Het gaat niet over een familielid, die je als een gast in je huis opneemt. Het gehele woord philoksenia wil zeggen, dat je liefde toont aan vreemdelingen. Zo komt het ook voor in Romeinen 12:13. Griekse woorden die hiermee verwant zijn, zijn bijvoorbeeld ksenoo, dat o.a. spreekt over gastvrij opgenomen worden. Een ksenoon is niet alleen een herberg, maar ook een logeerkamer. Het is opmerkelijk, dat het oude Grieks niet veel woorden kent die met de letter ks beginnen. Nog opmerkelijker is, dat de meeste van deze woorden te maken hebben met gastvrijheid. Het derde woord is "geherbergd". Het is de vertaling van het Griekse woord ksenizoo. Het betekent, dat je iemand als een gast in je huis ontvangt.

Nu wordt een prachtige motivatie gegeven. Er zijn mensen geweest, die als gevolg van hun gastvrijheid "engelen" gastvrij in hun huis ontvangen hebben. Zij toonden verbondenheid met en liefde voor hun bezoekers en namen hen op in huis en zorgden voor hen. Bij de uitleg van deze tekst moeten wij eraan denken, dat het Griekse woord angelos (engel) dat hier gebruikt wordt, verschillende betekenissen heeft. Een angelos is een gezant, een bode (een boodschapper) en ook een engel. Als je in de Bijbel dit woord leest, moet je zelf uitmaken of een hemelse gezant (een engel dus) bedoeld wordt, of dat het gaat om een aardse boodschapper. Wij geven een voorbeeld. De profeet Haggaï wordt "een bode" genoemd. "En Haggaï, de bode des HEREN, zei, krachtens de boodschap des HEREN, tot het volk: Ik ben met u, luidt het woord des HEREN." (Haggaï 1:13) Haggaï wordt hier in het Hebreeuws de "engel des HEREN" genoemd. Was hij echt die bijzondere goddelijke figuur, de hoogste hemelse gezant? Was hij een hemelse goddelijke bode (dus: een engel), of was hij een aardse bode? Hij was een gewoon mens en toch een "engel". Je kunt dus gewone mensen als engelen bezien. Mensen die door God gebruikt worden als Zijn boodschappers, zijn dus ook aardse "engelen".

Soms hebben mensen een of meer engelen in hun huis ontvangen, maar niet ingezien, dat het om een engel ging. In de Bijbel zien wij, dat engelen altijd kwamen als mannen. Vele keren lezen wij in de Bijbel, dat iemand een hemelse engel op bezoek kreeg met een bepaalde boodschap van God. Zo lezen wij dat Abraham bezoek kreeg van engelen, die zelfs bij hem bleven eten (Genesis 18:1-8), terwijl zij later ook bij Lot de maaltijd gebruikten (Genesis 19:3) en daarna bij hem bleven slapen (Genesis 19:4). Je kunt het je haast niet voorstellen, maar Abraham kreeg zelfs de Here God op bezoek, die ook bij hem bleef eten. Abraham bood een maaltijd aan aan enkele vreemdelingen, die langs zijn tent kwamen en hij kreeg de Here God Zelf op visite, die Hem als "Bode" ook een speciale boodschap kwam brengen.

Soms waren de "engelen" menselijke boodschappers van God. Zo lezen wij, dat een weduwe in Sarfath gastvrijheid aangeboden had aan de profeet Elia, die een eigen logeerkamer in haar huis had. Pas later raakte zij overtuigd, dat Elia echt een man van God, een bode van God, een aardse engel van God was, zie 1 Koningen 17:7-24. De Bijbel vertelt ons, dat er een echtpaar was in Sunem, waar Elisa eerst regelmatig kwam eten en waar hij later ook een eigen logeerkamer kreeg (2 Koningen 4:8-37).

Verschillende keren in de Bijbel lezen wij, dat mensen iemand ontmoetten en vonden, dat hij eruit zag als een hemelse engel. Wij geven enkele voorbeelden: "Ook dacht uw dienstmaagd: het woord van mijn heer de koning zal wel geruststellend zijn, want als een engel Gods, zo is mijn heer de koning, die horen kan wat goed is en kwaad. En de HERE, uw God, zij met u." (2 Samuel 14:17) "Om de zaak een ander aanzien te geven, heeft uw dienaar Joab dit gedaan. Maar mijn heer is zo wijs als een engel Gods: hij weet alles wat op aarde geschiedt." (2 Samuël 14:20) "Hij heeft uw knecht bij mijn heer de koning belasterd. Maar mijn heer de koning is als een engel Gods; doe daarom, wat u goeddunkt." (2 Samuël 19:27) Wat zou het mooi zijn, als iemand ooit tegen ons zou zeggen: "U bent als een engel Gods."

In het Nieuwe Testament lezen wij, dat de engel Gabriël bij Zacharias in de tempel kwam en bij Maria thuis. Wie hierover nadenkt, moet zich realiseren, dat ook wij een engel op bezoek kunnen krijgen, die mogelijk bij ons blijft eten of slapen. Daarom moeten wij gastvrij zijn, want onze gast zou weleens een engel kunnen zijn. Zoals de engel bij Zacharias in de tempel kwam, zo is het ook mogelijk, dat een of meerdere engelen ons een bezoek brengen als wij als gelovigen samengekomen zijn. Wij zagen al eerder, dat engelen de bijeenkomsten van de gemeente kunnen bezoeken. Zacheüs kreeg zelfs de Here Jezus op bezoek in zijn huis (Lucas 19:1-10). U denkt, dat dit bij ons niet mogelijk is? Vergeet nooit wat de Here Jezus Zelf gezegd heeft tegen Zijn leerlingen: "Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft." (Mattheüs 10:40) Wie één van Jezus' volgelingen ontvangt, ontvangt in feite de Here Jezus Zelf. Zo tonen wij door middel van onze liefde voor de medegelovigen onze liefde voor de Heer.

Misschien hebt u weleens een engel in huis gehad, terwijl u het niet in de gaten had. Misschien hebt u weleens een aardse "engel" in uw huis gehad en u dacht, dat het gewoon maar een bezoeker was. Misschien hebt u weleens een hemelse engel in huis gehad en u wist niet wie hij was. Misschien heeft er weleens een engel bij u voor de deur gestaan, maar u verzuimde hem binnen te laten. Om de een of andere reden kwam u er niet toe hem binnen te laten. En hij reisde verder. U hebt wat gemist.

Als christenen moeten wij nuchter zijn, dat vraagt de Bijbel van ons. Wij moeten niet denken, dat iedere vreemdeling die wij ontmoeten of die bij ons voor de deur staat, een engel uit de hemel is. Wij moeten niet denken, dat iedere vreemdeling die ineens op wat voor manier ook ons pad kruist, een engel uit de hemel is. Wij moeten niet overal gaan vertellen, dat wij een of meerdere engelen ontmoet hebben. Maar wij moeten tonen, dat wij ernst maken met de geestelijke waarheden uit de Bijbel. Wij mogen er niet aan voorbij gaan, dat de Bijbel ons op het hart drukt om gastvrij te zijn. Er kan een engel bij ons voor de deur staan en wij moeten onze broederlijke verbondenheid tonen. Deze broederlijke verbondenheid geldt zowel aardse engelen als de hemelse gezanten, want zij zijn immers, zo zagen wij eerder, geestelijke familie van ons. Zij zijn onze "broeders" aan wie wij de broederlijke verbondenheid dienen te tonen!

De Here Jezus Zelf zei, dat Hij eens Zijn volgelingen zou oordelen op hun gedrag. Zij zouden gezegend zijn, als Hij tot hen zou kunnen zeggen: "Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen." (Mattheüs 25:35,36) Op de vraag "Wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen? zal het antwoord luiden: "Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan." (Mattheüs 25:37-40) Stel, dat de Heer op deze manier bij u voor de deur zou staan en op deze manier gastvrijheid zou vragen, wat zou u doen?


BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2010 Stichting Het Licht des Levens