"Vol vuur"
|

Het woord vuur wordt gebruikt voor de tong, die als vuur een heel huis of een heel bos door brand kan verwoesten. (Jacobus 3:6) |
|
Lucas 12 : 49-53
Het thema "vol vuur" roept de gedachte op, dat christenen "vol vuur" mogen of moeten zijn. Het doet denken aan het vuur, dat met Pinksteren gezien werd; zowel in het Oude Testament bij de Sinai als in het Nieuwe Testament bij de tongen als van vuur. Het doet denken aan verwarming en verlichting, aan reiniging en het overspringen van de vlammen.
Er wordt bijzonder vaak in de Bijbel over vuur gesproken. "Vuur" wordt voor een aantal zaken gebruikt om die duidelijk te maken. Het is een beeld, dat van een diepere waarheid getuigt.
|
Het woord "vuur" in het Nieuwe Testament
- Het woord "vuur" is de vertaling van het Griekse woord "puur". Wij komen het ook tegen als "purinos" (vurig) en "puroo" (in vuur staan).
- Het wordt gebruikt voor de heiligheid van God, die alles verteert wat als onheilig op God af komt. (Hebreeën 12:29 vgl. Openbaring 1:14).
- Het wordt gebruikt voor de verdeeldheid van de mensen die zowel op Joden als op christenen gericht kan zijn (Lucas 12:49).
- Het wordt gebruikt voor de aanvallen van de duivel op de christenen. Als "in vuur staan" komen wij het tegen in Ephese 6:16. Pijlen werden in de oudheid vaak met brandend materiaal omwikkeld.
- Het wordt gebruikt voor de tong, die als vuur een heel huis of een heel bos door brand kan verwoesten (Jacobus 3:6.
- Het wordt gebruikt als beeld van de geestelijke nederlaag van gelovigen, die niet in het hiernamaals plaats vindt, maar in het heden van hun aardse leven.
- Het wordt gebruikt voor het oordeel van God, als de werken van de gelovigen beoordeeld zullen worden voor de rechterstoel van Christus (1 Corinthe 3:13,15).
- Het wordt gebruikt voor het oordeel van God als de levens van de ongelovigen geoordeeld zullen worden voor de grote witte troon (Mattheus 3:11; Openbaring 20:11-15). Hiermee verwant is het vuur van de hel (Mattheus 5:22; 13:42, 50; 18:8,9; 25:41)
- Wij komen het tegen als beeld van het lijden dat christenen overkomt, omdat zij volgelingen zijn van de Here Jezus.
- Het wordt gebruikt om het hart van je tegenstander tot berouw en inkeer te brengen door vriendelijk voor hem te zijn (Romeinen 12:20).
Vuur en zout
"Johannes zei tot Hem: Meester, wij hebben iemand, die ons niet volgt, in uw naam boze geesten zien uitdrijven, en wij wilden het hem beletten, omdat hij ons niet volgde. Doch Jezus zei: Belet het hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in mijn naam en kort daarna smadelijk van Mij zal kunnen spreken. Want wie niet tegen ons is, is voor ons. Want wie u een beker water te drinken geeft, in de naam van Christus, omdat gij discipelen van Hem zijt, voorwaar, Ik zeg u, dat hem zijn loon voorzeker niet zal ontgaan. En wie een van deze kleinen, die geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in de zee was geworpen. En indien uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af. Het is beter, dat gij verminkt ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee handen ter helle vaart, in het onuitblusbare vuur, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust. En indien uw voet u tot zonde zou verleiden, houw hem af. Het is beter, dat gij kreupel ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee voeten in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust. En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met een oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust. Want een ieder zal met vuur gezouten worden. Het zout is goed; indien het zout echter zoutloos wordt, waarmede zult gij het smaak geven? Hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkander." (Marcus 9:38-50)
In dit gedeelte gaat het over trouw en ontrouw, gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Verder gaat het over loon en straf. Bij de straf wordt gesproken over vuur. En dan komt er ineens een heel bijzondere uitspraak: "Want een ieder zal met vuur gezouten worden." (:49) Dat is meer dan: ieder zal met vuur smaakvol gemaakt worden. Waarnaar verwijst dit vers?
Vuur en zout zijn in zekere zin in de Bijbel elkaars gelijken. Wat van vuur gezegd kan worden, kan ook van zout gezegd worden. Wat het vuur doet, doet het zout ook. Vuur kan conserveren, zout ook. Vuur kan vernietigen, zout ook. Vuur kan je uiterlijke warmte en vreugde geven, zout kan je smaak geven en je daardoor innerlijke vreugde schenken.
In de Bijbel hebben vuur en zout een uitbeeldende functie: zoals vuur goud en zilver reinigen, zo reinigt het zout de gelovigen. Maar zoals vuur het leven doodt, zo doodt ook zout het leven, denk maar aan de Dode Zee. Zo doodt het zout de ongelovigen in de eeuwige poel des vuurs.
Terwijl zout en vuur bij het offer op het altaar in de tempel tezamen een helende werking hebben voor de offeraar, die als gelovige daar zijn offer brengt, zo hadden zout en vuur een vernietigende werking bij Sodom en Gomorra en zijn zij beeld van het oordeel van God over de goddelozen. Nu hier voor de gelovigen over zout samen met vuur gesproken wordt, gaat het over de offerdienst in de tempel. Elk offer dat aan God gebracht werd, diende eerst gezouten te worden. "En elke offergave van uw spijsoffer zult gij zouten, gij zult het zout van het verbond uws Gods aan uw spijsoffer niet laten ontbreken; bij al uw offergaven zult gij zout voegen." (Leviticus 2:13) Zout spreekt van het verbond, van de relatie die God heeft met Zijn kinderen.
Deze tekst vindt zijn vervolg in de Romeinenbrief: "Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene." (Romeinen 12:1,2) Jezelf als een levend offer aan God geven is hetzelfde als met vuur gezouten worden.
Zout had in het oude Oosten twee duidelijke functies: het was bederfwerend en het was smaakmakend.
Voor bederfwerend, zie: "Gedraagt u als wijzen ten opzichte van hen die buiten staan, maakt u de gelegenheid ten nutte. Uw spreken zij te allen tijde aangenaam, niet zouteloos; gij moet weten, hoe gij aan ieder het juiste antwoord moet geven." (Colossenzen 4:5,6) In ons spreken moeten wij niet zouteloos, dat is insmakelijk zijn. Het vuur moet niet gedoofd worden.
Voor smaakmakend, zie: "Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven." (Mathheus 5:13,14) Ook hier zien wij, dat zout en vuur samen gaan. Gelovigen moeten zowel het zout als het vuur dat licht geeft zijn.
God Zelf als een vuur
Het wordt gebruikt voor de heiligheid van God, die alles verteert wat als onheilig op God af komt. (Hebreeën 12:29 vgl. Openbaring 1:14).
Over de Here Jezus horen wij: "En ik keerde mij om, ten einde de stem te zien, die met mij sprak. En toen ik mij omkeerde, zag ik zeven gouden kandelaren, en te midden van de kandelaren iemand als eens mensen zoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, en aan de borsten omgord met een gouden gordel; en zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam." (Openbaring 1:12-14).
Over God horen wij: "Want onze God is een verterend vuur." (Hebreeën 12:29) Dit spreekt van Zijn heiligheid en ook van een zekere afstand tussen Hem en ons. Deuteronomium 4:24 Want de HERE, uw God, is een verterend vuur, een naijverig God.
Over God en vuur bij de Sinai horen wij in de volgende teksten: Exodus 19:18 En de berg Sinai stond geheel in rook, omdat de HERE daarop nederdaalde in vuur; de rook daarvan steeg op als de rook van een oven, en de gehele berg beefde zeer. Exodus 24:17 De verschijning van de heerlijkheid des HEREN was als verterend vuur op de top van de berg ten aanschouwen van de Israelieten. Exodus 40:38 Want op de tabernakel rustte des daags de wolk des HEREN, en des nachts was er een vuur in voor de ogen van het gehele huis Israel, op al zijn tochten.
Deuteronomium 4:33 Heeft ooit een volk een goddelijke stem gehoord, sprekende uit het midden van het vuur, zoals gij die gehoord hebt, en het leven behouden?
Deuteronomium 4:36 Uit de hemel heeft Hij u zijn stem doen horen om u te vermanen, op de aarde heeft Hij u zijn groot vuur doen zien, en zijn woorden hebt gij gehoord uit het midden van het vuur.
Deuteronomium 5:4 Van aangezicht tot aangezicht heeft de HERE met u gesproken op de berg uit het midden van het vuur
Deuteronomium 5:5 (ik stond te dien tijde tussen de HERE en u om u het woord des HEREN mede te delen, want gij vreesdet voor het vuur en gij kwaamt de berg niet op) en Hij zeide:
Deuteronomium 5:22 Deze woorden heeft de HERE tot uw gehele gemeente gesproken op de berg, uit het midden van het vuur, de wolk en de donkerheid, met luider stem, en Hij voegde daaraan niets toe; Hij schreef ze op twee stenen tafelen en gaf mij die.
Deuteronomium 5:23 Toen gij nu de stem hoordet uit het midden van de duisternis, terwijl de berg stond in een brand van vuur, naderdet gij tot mij, al de hoofden uwer stammen en uw oudsten.
Deuteronomium 5:24 Zie, de HERE, onze God, heeft ons zijn heerlijkheid en zijn grootheid getoond, en zijn stem hebben wij gehoord uit het midden van het vuur; op deze dag hebben wij gezien, dat God spreekt met een mens, en dat deze toch in leven blijft.
Deuteronomium 5:25 Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zal ons verteren; als wij nog langer de stem van de HERE, onze God, horen, zullen wij sterven.
Deuteronomium 5:26 Want welke sterveling is er, die de stem van de levende God heeft horen spreken uit het midden van het vuur, zoals wij, en die in leven is gebleven?
Deuteronomium 9:3 Weet dan heden, dat de HERE, uw God, zelf voor u uit gaat als een verterend vuur; Hij zal hen verdelgen en voor uw ogen onderwerpen; zo zult gij in korte tijd hun gebied in bezit nemen en hen vernietigen, zoals de HERE tot u gesproken heeft.
Vreemd vuur voor Gods aangezicht
Leviticus 9:24 En er ging vuur uit van de HERE en dit verteerde op het altaar het brandoffer en de vetstukken; toen het volk dat zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht. Leviticus 10:1 En de zonen van Aaron, Nadab en Abihu, namen ieder zijn vuurpan, deden daar vuur in en legden daar reukwerk op; zo brachten zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEREN, hetgeen Hij hun niet geboden had.
Leviticus 10:2 Toen ging er vuur uit van de HERE en dit verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht des HEREN.
Numeri 26:61 En Nadab en Abihu stierven, toen zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEREN brachten.
Markus 14:54 En Petrus volgde Hem van verre tot binnen de hof van de hogepriester en hij zat daar tussen de dienaars, zich warmende bij het vuur.
Het vuur van de verdeeldheid
Het wordt gebruikt voor reiniging en voor de vijandschap van de mensen die zowel op Joden als op christenen gericht kan zijn (Lucas 12:49). Het gaat hier in de eerste plaats over het tweevoudige werk van de Here Jezus, waardoor mensen gereinigd moeten worden, maar waardoor anderen geoordeeld zullen worden. Het gaat ook over de vijandschap, die zowel Joden als christenen zullen ervaren. Er zal verdeeldheid komen in de gezinnen en in de families, waar de ene mens een volgeling van de Here Jezus zal zijn en de andere mens dit niet zal zijn.
Jezus zei: "Vuur ben Ik komen werpen op de aarde en wat is mijn wil, als het reeds ontstoken is? Ik moet gedoopt worden met een doop, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is. Meent gij, dat Ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen? Neen, zeg Ik u, veeleer verdeeldheid. Want van nu aan zullen vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee en twee tegen drie. Zij zullen verdeeld zijn, vader tegen zoon en zoon tegen vader, moeder tegen dochter en dochter tegen moeder, schoonmoeder tegen haar schoondochter en schoondochter tegen schoonmoeder." (Lucas 12:49-53)
De breuk in de gezinnen, soms zelfs tussen man en vrouw brandt als een pijnlijk vuur in de families. Hier gaat het over lijden als volgeling van de Here Jezus.
Het werk van de duivel als vuur
Het wordt gebruikt voor de aanvallen van de duivel op de christenen. Als "in vuur staan" komen wij het tegen in Ephese 6:16. "Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid, de voeten geschoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes; neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmede gij al de brandende (= vol vuur) pijlen van de boze zult kunnen doven; en neemt de helm des heils aan en het zwaard des Geestes, dat is het woord van God." (Ephese 6:14-17) Pijlen werden in de oudheid vaak met brandend materiaal omwikkeld. Zo schiet de duivel zijn venijnige en verleidende pijlen op ons af, die brandwonden in onze ziel achterlaten.
Onze eigen zonden als vuur
Onze tong als een vuur
Het wordt gebruikt voor de tong, die als vuur een heel huis of een heel bos door brand kan verwoesten (Jacobus 3:6).
"Zo is ook de tong een klein lid en voert toch een hoge toon. Zie, hoe weinig vuur een groot bos in brand steekt. Ook de tong is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel." (Jacobus 3:5,6)
Hier gaat het over één van de grootste zonden onder de christenen: Praatjes maken over elkaar. Waarheden, onwaarheden en halve waarheden over elkaar zeggen, terwijl wij in liefde zouden moeten zwijgen.
Vuur als beeld van zonden en van de nederlaag in het geestelijk leven
Het wordt gebruikt als beeld van de geestelijke ondergang van gelovigen, die niet in het hiernamaals plaats vindt, maar in het heden van hun aardse leven. "En weest ook barmhartig jegens sommigen, die twijfelen, redt hen door hen uit het vuur te rukken, maar weest jegens anderen barmhartig in vreze, uit afkeer zelfs van het kleed, dat door het vlees bevlekt is." (Hebreeën 10:27; Judas :22,23)
Redding uit het vuur
Zacharia 3:2 De HERE echter zeide tot de satan: De HERE bestraffe u, satan, ja de HERE, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt?
Amos 4:11 Ik heb onder u een omkering aangericht, gelijk God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft, zodat gij gelijk zijt geworden aan een brandhout uit het vuur gerukt. Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN.
Het vuur als beeld van het oordeel over de gelovigen
De rechterstoel van Christus
Het wordt gebruikt voor het oordeel van God, als de werken van de gelovigen beoordeeld zullen worden voor de rechterstoel van Christus (1 Corinthe 3:13,15).
"Ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken... maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen." (1 Corinthiërs 3:13,15)
Gods straf als een vuur in het Oude Testament
Tijdelijk en aards bij:
Numeri 11:1 Toen het volk aan het klagen was, was het kwaad in de oren des HEREN; de HERE hoorde het en zijn toorn ontstak, waarop het vuur des HEREN onder hen ontbrandde en aan de rand van de legerplaats woedde.
Numeri 11:2 Toen kermde het volk tot Mozes en Mozes bad tot de HERE; daarop doofde het vuur.
Numeri 11:3 Daarom gaf men aan die plaats de naam Tabera, omdat onder hen het vuur des HEREN had gebrand.
Numeri 16:7 doet dan vuur daarin en legt er morgen reukwerk op voor het aangezicht des HEREN, en de man die de HERE verkiezen zal, die zal de heilige zijn. Laat het u genoeg zijn, Levieten.
Numeri 16:18 Zij namen dan ieder zijn vuurpan, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop, en stelden zich op bij de ingang van de tent der samenkomst met Mozes en Aaron.
Numeri 16:35 Toen ging er een vuur uit van de HERE en verteerde de tweehonderd vijftig mannen, die het reukwerk geofferd hadden.
Numeri 16:37 Zeg tot Eleazar, de zoon van de priester Aaron, dat hij de vuurpannen uit de brand wegneme, en strooi het vuur ver weg, omdat zij heilig zijn,
Numeri 16:46 En Mozes zeide tot Aaron: Neem een vuurpan, doe er vuur in van het altaar, leg er reukwerk op, en ga haastig tot de vergadering en doe verzoening over hen, want de toorn is van de HERE uitgegaan, de plaag is begonnen.
In de tijdelijke ballingschap:
Ezechiël 22:20 Zoals zilver, koper, ijzer, lood en tin in de smeltoven bijeengebracht wordt en daaronder het vuur wordt aangeblazen, om het te smelten, zo zal Ik u bijeenbrengen in mijn toorn en in mijn grimmigheid, en Ik zal u erin werpen en smelten.
Oordeel over de ongelovigen
De grote witte troon
Voor eeuwig naar de hel
Het wordt gebruikt voor het oordeel van God als de levens van de ongelovigen geoordeeld zullen worden voor de grote witte troon (Mattheus 3:11; Openbaring 20:11-15). Hiermee verwant is het vuur van de hel (Mattheus 5:22; 13:42, 50; 18:8,9; 25:41)
Doop met vuur
Mattheüs 3:11 Ik doop u met water tot bekering, maar Hij, die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben niet waardig Hem zijn schoenen na te dragen; die zal u dopen met de heilige Geest en met vuur. Mattheüs 3:12 De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.
Openbaring 14:10 die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam.
Openbaring 20:10 en de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden. Openbaring 21:8 Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars, en alle leugenaars; hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.
Beeld van het lijden van de gelovigen
Wij komen het tegen als beeld van het lijden dat christenen overkomt, omdat zij volgelingen zijn van de Here Jezus. "Geliefden, laat de vuurgloed (het vuur), die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring zijner heerlijkheid. Indien gij door de naam van Christus smaad lijdt, zijt gij zalig, daar de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u rust. Laat dus niemand uwer moeten lijden als moordenaar, of dief, of boosdoener, of als een bemoeial. Indien hij echter als Christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam.(1 Petrus 4:12-16)
Het vuur in ons hart en leven - "vol vuur"
Het wordt gebruikt om het hart van je tegenstander tot berouw en inkeer te brengen door vriendelijk voor hem te zijn (Romeinen 12:20).
"Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen." (Romeinen 12:20; zie ook Spreuken 25:22)
'Vurige kolen op iemands hoofd ophopen' betekent iemand netjes tot een beter inzicht brengen. Het wil zeggen, dat je als met vurige kolen zijn verstand aanraakt, waardoor hij tot het juiste inzicht komt en zich zal schamen en berouw zal krijgen.
"In ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here." (Romeinen 12:11) "Naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nu Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood." (Philippenzen 1:20)
|