Het oordeel van God over Libanon (Deuteronomium 1 : 5-8)
|

"Nu besloot Israël dat een eind gemaakt moest worden aan deze terreur, zodat Israël in vrede
met Libanon en met de Palestijnen zou kunnen leven."
|
|
In de tweede week van juli 2006 bleek, dat voor Israël de maat vol was van de terroristische aanvallen die vanuit de Gazastrook door Hamas en vanuit Libanon door de Hezbollah op Israël werden uitgevoerd. Dagelijks werden de Joden geconfronteerd met raketaanvallen uit deze gebieden. Nu besloot Israël dat een eind gemaakt moest worden aan deze terreur, zodat Israël in vrede met Libanon en met de Palestijnen zou kunnen leven.
De vraag voor ons is: Wat zegt de Bijbel over de toekomst van Libanon? Het gaat ons niet om politieke motieven, maar alleen om wat God Zelf door Zijn Woord over de toekomst van Libanon zegt. Wij zullen een aantal teksten citeren. Om het lezen wat makkelijker te maken, drukken wij de belangrijkste gedeelten vet. Omwille van het verband van deze teksten, drukken wij grotere delen af. Het gaat echter met name om dat wat vetgedrukt is. |
God beloofde Libanon aan Israël
Gods belofte t.t.v. Mozes
5 Aan de overkant van de Jordaan, in Moab, begon Mozes het volk te onderrichten, duidelijk en
uitvoerig: 6 De HEER, onze God, heeft bij de Horeb tegen ons gezegd: 'Jullie zijn nu lang genoeg bij
deze berg gebleven. 7 Breek het kamp op en trek naar het bergland van de Amorieten en naar het
gebied van de naburige volken: de Jordaanvallei, het bergland, het heuvelland, de Negev en de
kuststrook-de gebieden van de Kanaänieten-en de Libanon tot aan de grote rivier de Eufraat. 8 Heel
dat gebied schenk ik jullie. Trek het binnen en neem het in bezit, want dat is het land dat de HEER
jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob en hun nageslacht onder ede heeft beloofd.'"
(Deuteronomium 1:5-8)
Toen de Israëlieten nog bij de Sinai stonden, beloofde God hun al het land, inclusief Libanon en het
gebied van de Filistijnen, dat nu de Gazastrook heet. Ze hadden het nog niet in bezit, maar
eigenlijk zei God al: "Kijk maar naar het land..." Vers 8 begint in het Hebreeuws met het woordje:
"Zie". Het betekent, dat God zei: "Ik geef jullie dit land als een geschenk, maar alleen als jullie
je houden aan de wetten die jullie via Mozes gekregen hebben." "Hij gaf hun het land van andere
volken, het bezit van vreemde naties viel hun ten deel. Zij moesten daar zijn geboden naleven en
zich houden aan zijn wet. Halleluja!" (Psalm 105:44,45)
Gods belofte t.t.v. Jozua
1 Toen Jozua op hoge leeftijd was gekomen, zei de HEER tegen hem: 'Je bent nu oud, maar er wacht nog
heel veel land dat veroverd moet worden. 2 Dit zijn de overgebleven gebieden: Allereerst alle
streken waar de Filistijnen en de Gesurieten wonen, 3 vanaf de wadi die de oostgrens van Egypte
vormt tot aan Ekron in het noorden. Dit hele gebied wordt tot Kanaän gerekend. Het wordt geregeerd
door de vijf stadsvorsten van de Filistijnen: die van Gaza, Asdod, Askelon, Gat en Ekron. Ook de
Awwieten wonen er, 4 ten zuiden van de Filistijnen. Verder is er het hele gebied van de Kanaänieten
vanaf Ara, een stad van de Sidoniërs, tot aan Afek op de grens met het land van de Amorieten. 5 Er
is bovendien het land van de Giblieten en, ten oosten daarvan, de hele Libanon vanaf Baäl-Gad aan de
voet van de Hermon tot aan Lebo-Hamat; 6 kortom, het hele berggebied van de Libanon tot aan
Misrefot-Maïm, dus met inbegrip van de streek waar de Sidoniërs wonen. Ik zal al die volken zelf
voor Israël verdrijven. Jij hoeft het land alleen maar door loting onder de Israëlieten te verdelen,
zoals ik je heb opgedragen." (Jozua 13:1-6)
Wat opvalt is, dat hier de Filistijnen tezamen met Libanon genoemd worden en dat Sidon als deel van
Libanon vermeld wordt.
In het zuiden van het toekomstige land van Israël was Egypte. In het westen zouden zij ook het land
van de Filistijnen krijgen en zou hun gebied dus tot aan de Middellandse Zee komen. In het Noorden
zou Libanon met steden als Tyrus en Sidon tot het gebied van Israël behoren.
Wat is "Libanon"?
LET OP: "Libanon" is hier nog niet HET LAND Libanon, maar het gebergte Libanon. De steden Tyrus en
Sidon lagen toen ook nog niet in het land Libanon. Dit land bestond nog niet. Het waren
Kanaänitische steden die in het land Phoenicië lagen. Dit gebied is echter het huidige Libanon,
zodat we niet op een verkeerd spoor zitten, als wij nu al vanuit deze tekst over Libanon spreken. In
de volgende verzen van Jozua 13 worden de verdere grenzen genoemd.
Hoewel Israël de hier genoemde gebieden nog niet veroverd had, wordt al wel duidelijk gezegd welk
gebied voor welke stam zou zijn. Vers 6 zegt zelfs nadrukkelijk, dat God Zelf de oorspronkelijke
volken uit de genoemde gebieden zal verdrijven en dat Hij dit zal doen na de dood van Jozua. Jozua
was 45 jaar eerder één van de verspieders geweest. Hij was nu oud. Hij zal ouder dan 80 jaar geweest
zijn. Aangenomen wordt, dat hij 82 was.
Waarom moesten de volken uit hun land verdreven worden?
Om het land in bezit te nemen, was geen verzoek van God of aanbeveling, het was een duidelijke
opdracht van de Heer! Het had ook een duidelijk reden. Eigenlijk waren er twee redenen:
1. De eerste reden was er al toen Israël nog in de woestijn was. Het gaat over grove zonden, die de
mensen daar deden. 24 Verontreinig jezelf niet door dergelijke dingen te doen. De volken die ik voor
jullie verdrijf hebben zich met al deze dingen verontreinigd, 25 waardoor het land onrein werd.
Vanwege de wandaden die er gepleegd zijn, heb ik het land geteisterd, zodat het zijn inwoners is
gaan uitbraken. 26 Jullie echter moeten mijn bepalingen en regels in ere houden, jullie mogen geen
van deze gruwelen begaan. Dat geldt zowel voor geboren Israëlieten als voor de vreemdelingen die bij
jullie wonen 27 -de mensen die vóór jullie in het land woonden hebben al deze gruwelen bedreven,
waardoor het land onrein werd- 28 anders zal het land jullie uitbraken omdat jullie het
verontreinigen, zoals het volk dat er voor jullie tijd woonde werd uitgebraakt. (Leviticus 18:24-28)
10 Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden, en
evenmin voor waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars, 11 bezweerders, en voor hen die
geesten raadplegen of doden oproepen. 12 Want de HEER verafschuwt mensen die zulke dingen doen, en
om die verfoeilijke praktijken verdrijft hij deze volken voor u. (Deuteronomium 18:10-12)
2. De tweede reden kwam nadat Israël geruime tijd in het land gewoond had. Het was de vijandschap
van de volken die Israël in zijn midden had laten wonen, die God deed besluiten hen zwaar te
straffen. De vijandschap ten tijde van de Babylonische ballingschap, ten tijde van de Romeinse
overheersing en deportaties, de tijd van de verstrooiing over de gehele aarde, ja, de gehele tijd
tot aan de komst van de Messias en het aanbreken van het Messiaanse rijk - dat is dus vanaf vandaag
gerekend: ook nog in de toekomst!
Dit geldt dus ook het land van de Filistijnen - nu: het gebied van de Palestijnen - en Libanon.
Eindtijdprofetieën OORDEELSAANKONDIGINGEN
Het zijn strafmaatregelen van God Zelf!
Oordeelsaankondiging door Ezechiel Libanon is beeld van de duivel!
Zoals Babel (het huidige Irak) in de profetie van Jesaja 14 het beeld is van de duivel, zo is
Libanon dit in Ezechiel 28. De steden Tyrus en Sidon waren steden in het gebied dat wij nu Libanon
noemen. We horen in onze dagen nog steeds over deze steden in Libanon.
1 De HEER richtte zich tot mij: 2 'Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: "Dit zegt God, de HEER:
Je bent hoogmoedig geworden, je hebt gezegd: 'Ik ben een god, ik zit op een godentroon, midden in
zee.' Je achtte jezelf een god gelijk, terwijl je een mens bent, en geen god. 3 Je denkt wijzer te
zijn dan Daniël, geen mysterie blijft voor je verborgen! 4 Door je wijsheid en inzicht ben je
welvarend geworden en heb je je schatkamers met goud en zilver gevuld. 5 Door je grote wijsheid en
je handelsgeest heb je je rijkdom nog vergroot, maar die rijkdom heeft je ook hoogmoedig gemaakt. 6
Daarom, zegt God, de HEER, omdat je jezelf een god gelijk acht, 7 zal ik vreemde volken op je
afsturen, de wreedste van alle, die met hun zwaarden al je schitterende wijsheid zullen vernietigen
en je van je luister zullen beroven. 8 Ze zullen je het graf in drijven, je zult een gewelddadige
dood sterven, in het hart van de zee. 9 Zul je blijven zeggen: 'Ik ben een god!' als je oog in oog
staat met je moordenaars? Wanneer je in de macht bent van hen die je zullen doden, zal blijken dat
je een mens bent, en geen god. 10 Je zult de dood van een onbesnedene sterven, door de hand van
vreemdelingen. Ik heb gesproken-zo spreekt God, de HEER."' 11 De HEER richtte zich tot mij: 12
'Mensenkind, hef over de koning van Tyrus een dodenklacht aan: "Dit zegt God, de HEER: Eens was jij
een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. 13 Je leefde in Eden,
in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn,
met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag
dat je geschapen werd lagen ze klaar. 14 Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je
was door mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. 15 Je was
onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad
vat op je kreeg. 16 Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je
zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande ik je van de berg van God en verdreef ik je van je
plaats tussen de vurige stenen. 17 Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en
luister verkwanseld. Daarom heb ik je op de aarde neergeworpen, als een schouwspel voor andere
koningen. 18 Door je grote schuld, door je oneerlijke handel, waren je heiligdommen ontwijd. Daarom
liet ik een vuur in je oplaaien dat je heeft verteerd, ik maakte van jou een hoop as op de grond,
voor ieder die het wil zien. 19 Alle volken die je kenden staan verbijsterd; je bent een schrikbeeld
geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn."' 20 De HEER richtte zich tot mij: 21
'Mensenkind, richt je blik op Sidon en profeteer tegen de stad. 22 Zeg: "Dit zegt God, de HEER: Ik
zal je straffen, Sidon! Zo zal ik mijn grootheid tonen. Ze zullen weten dat ik de HEER ben als ik
Sidon straf, ik zal laten zien dat ik heilig ben. 23 Ik zal de pest op de stad afsturen, het bloed
zal door de straten stromen. De stad zal vol zijn met doden en gewonden, het zwaard komt van alle
kanten; ze zullen weten dat ik de HEER ben. 24 Maar het volk van Israël zal niet meer worden
gepijnigd en geteisterd door dorens en distels, door de omringende volken die nu op hen neerkijken.
En ze zullen beseffen dat ik God, de HEER, ben. 25 Dit zegt God, de HEER: Ik zal het volk van Israël
bijeenbrengen vanuit de landen waarheen het is verstrooid-zo zal ik alle volken laten zien dat ik
heilig ben. De Israëlieten zullen weer wonen in hun eigen land, het land dat ik aan mijn dienaar
Jakob heb gegeven. 26 Wanneer ik de omringende volken die nu op hen neerkijken heb gestraft, zullen
de Israëlieten daar veilig wonen. Ze zullen er in veiligheid huizen bouwen en wijngaarden planten,
en ze zullen beseffen dat ik, de HEER, hun God ben."' (Ezechiel 28:1-26)
De oordeelsaankondiging door Amos
6 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Gaza begaan: ze hebben een heel volk in ballingschap
gedreven en uitgeleverd aan Edom. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 7 Ik zal de muren van
Gaza in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. 8 De koning van Asdod zal ik
ombrengen, en ook de heerser van Askelon breng ik om. Ik zal mij tegen Ekron keren, tot de laatste
man zullen de Filistijnen te gronde gaan-zegt God, de HEER. 9 Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad
heeft Tyrus begaan: ze hebben een heel volk als ballingen uitgeleverd aan Edom en zich niet gehouden
aan het verdrag met hun broeders. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. 10 Ik zal de muren van
Tyrus in vlammen doen opgaan; vuur zal zijn burchten verteren. (Amos 1:6-10) Merk op, dat hier de
Filistijnen en Libanon samen genoemd worden.
De oordeelsaankondiging door Joël
1 (4:1) In dezelfde tijd dat ik het lot van Juda en Jeruzalem ten goede keer, 2 (4:2) zal ik alle
volken bijeenbrengen en wegvoeren naar de vallei van Josafat om daar een oordeel over hen te vellen.
Want zij hebben mijn volk Israël, mijn eigendom, onder vreemde volken verstrooid, ze hebben mijn
land verdeeld 3 (4:3) en om mijn volk het lot geworpen; ze hebben jongens geruild tegen hoeren en
meisjes verkocht voor wijn, om zich te bedrinken. 4 (4:4) Jullie, inwoners van Tyrus en Sidon, en
jullie, Filistijnen, wat denken jullie wel? Wilden jullie je op mij wreken? Wilden jullie iets tegen
mij ondernemen? Onmiddellijk laat ik jullie daden op je eigen hoofd neerkomen. (Joel 4:1-4)
De oordeelsaankondiging door Zacharia
1 Wanneer het voorjaar wordt, vraag dan de HEER om regen. Hij is het die onweerswolken maakt, hij
schenkt de mensen stortregens en gewas op het veld. 2 Orakels zijn bedrog en waarzeggers vertellen
leugens: wat zij dromen komt niet uit, hun troost bestaat uit holle woorden. De mensen dolen rond
als schapen, ontredderd, want een herder is er niet. 3 Woedend ben ik op de herders, en de bokken
zal ik weten te vinden. De HEER van de hemelse machten zal zich ontfermen over het volk van Juda,
zijn kudde, en het tot zijn prachtig strijdros maken. 4 Uit dit volk komt de hoeksteen voort, de
tentpin en de oorlogsboog, uit dit volk komen alle overwinnaars. 5 Krijgshaftig zullen ze in de
strijd de vijand in het slijk vertrappen. Ze zullen overwinnen, want de HEER staat hen bij, maar zij
die hoog te paard zitten gaan roemloos ten onder. 6 Ik zal het volk van Juda onoverwinnelijk maken
en de nakomelingen van Jozef laten zegevieren. Ik ben vol zorg voor hen en zal hen veilig
thuisbrengen. Dan zal het weer zijn als voorheen, alsof ik hen nooit verstoten had, want ik ben de
HEER, hun God, en ik zal hun gebeden verhoren. 7 Het krijgshaftige Efraïm zal dronken zijn van
vreugde, en wanneer hun kinderen dat zien, zullen ook die zich verheugen en vol overgave juichen
voor de HEER. 8 Ik zal hen bij mij fluiten en hen samenbrengen, want ik heb hen vrijgekocht. Ze
zullen weer even talrijk worden als vroeger. 9 In den vreemde zal ik hen vrucht laten dragen, in
verre streken zullen ze mij gedenken en hun kinderen grootbrengen, en dan zullen ze terugkeren. 10
Ik zal hen terughalen uit Egypte en Assyrië, en hen samenbrengen in Gilead en de Libanon, maar daar
zal niet genoeg plaats zijn voor hen. 11 Wanneer ze door de zee trekken, die hen omspoelt, zal de
HEER de golven bedwingen en de beddingen van de Nijl zullen droogvallen. Zo wordt de hoogmoed van
Assyrië ten val gebracht en de scepter van Egypte gebroken. 12 Met mijn hulp zullen ze
onoverwinnelijk zijn, en zij zullen optrekken in mijn naam-zo spreekt de HEER.
1 Open je poorten, Libanon! Vuur zal je ceders verteren. 2 Klaag, cipres, want gevallen is de ceder:
de machtigen zijn geveld. Huil, eiken van Basan, want gevallen is het ondoordringbare woud. 3 Hoor
de herders jammeren, want verwoest is hun lustoord. Hoor de leeuwen brullen, want verwoest is de
trots van de Jordaan. 4 Dit heeft de HEER, mijn God, gezegd: 'Weid de schapen die voor de slacht
bestemd zijn. (Zacharia 10:1-11:4)
God is woedend op herders en bokken (10:3)
Herders zijn vaak het beeld van de leiders van het volk. God is echter niet vertoornd op de leiders
van Zijn eigen volk, maar op de leiders van de vijandige volken. Zij worden hier ook als bokken
uitgebeeld; stotende, vechtende bokken. Waarom is God toch zo vertoornd op de leiders van de
heidense volken, op de leiders dus ook van Libanon? Omdat ze zich als stotende bokken gedragen
hebben tegen het volk dat als schapen in het Midden-Oosten wilde leven. Wát mensen ook zeggen over
een ruzie zoekend volk dat Israël zou heten, de Bijbel beschrijft het precies andersom. Israël zoekt
vrede, maar de leiders van de omringende volken zoeken de dood van alle Joden.
God zal de schapen (de kudde) van Israël maken tot Zijn strijdros (10:3)
God Zelf zal ten strijde trekken tegen de vijandelijke volken en Hij zal hierbij gebruik maken van
Israël, dat het vervoermiddel van Zijn toorn zal zijn. Uit Israël komen de overwinnaars (10:4). De
vijandige volken zitten hoog te paard (10:5), maar Israël zal hen verslaan en hen zware nederlagen
toebrengen (10:5). Israël zal in de eindtijd een krijgshaftig volk zijn (10:7). Een volk als uit de
tijd van de verovering van Kanaän, als uit de tijd van koning David. Een klein volk, dat machtige
tegenstanders zal verslaan.
God gaat een geestelijk mooie tijd met Israël tegemoet (10:6)
Het zal zijn in de tijd als God Zijn volk in het eigen land heeft teruggebracht en zij daar weer
mogen wonen, dat God ook weer naar hen zal luisteren en hun gebeden zal verhoren. Dat zal ook een
verhoring zijn van het gebed om zonder angst voor de vijand te mogen leven. Het volk Israël zal weer
met grote vreugde in het eigen land wonen (10:7). Jong en oud zullen grote vreugde beleven.
Het zal zijn in de tijd, dat God Israël zal "fluiten" (10:8)
Dit is het beeld van de herder die naar zijn schapen fluit, zodat ze naar hem terugkomen. Dat zal
God ook doen en Zijn volk in het eigen land terugbrengen. Duidelijk blijkt, dat het hier niet gaat
over zaken die in het verleden in vervulling gegaan zouden zijn, maar over de toekomst! Het gaat
over de Messiaanse tijd.
God geeft het land van Libanon aan Israël om er te wonen (10:10)
Als de grote inzameling gaat komen en alle Joden van over de hele wereld zullen komen, moet er ook
land genoeg voor hen zijn. Het zal o.a. in de parel van het Midden Oosten zijn, in Libanon.
Gods oordeel over Libanon (11:1)
Open je poorten wil zeggen: Laat Gods oordeel maar binnenkomen. Laat het vuur van Gods oordeel maar
binnenkomen. Zoals een vuur de bomen verteert, zo zal Gods vuur, dat vanuit Israël zal komen, jullie
land verteren. Het land dat als een lustoord in het Midden Oosten was, zal verwoest worden onder de
toorn van God!
Een eerdere profetie van Zacharia
9 Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde! Je koning is in aantocht, bekleed met
gerechtigheid en zege. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een
ezelin. 10 Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen en de paarden uit Jeruzalem; de bogen worden
gebroken. Hij zal vrede stichten tussen de volken. Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot
zee, van de Rivier tot de einden der aarde. 11 Want, Sion, omwille van mijn verbond met jou, met
offerbloed bekrachtigd, zal ik de gevangenen vrijlaten uit de put zonder water. 12 Keer terug naar
de burcht, gevangenen. Jullie hoop is niet vergeefs geweest, want ook nu geldt de toezegging aan
Sion: ik zal je dubbel schadeloosstellen. 13 Juda span ik als mijn boog, Efraïm richt ik als mijn
pijl, en jouw zonen, Sion, hef ik als een heldenzwaard tegen de Grieken. 14 De HEER zal boven hen
verschijnen: zijn pijlen flitsend als bliksemschichten, zijn ramshoorn grommend als de donder trekt
God, de HEER, op in een zuiderstorm. 15 De HEER van de hemelse machten is hun schild. Ze zullen de
vijand verslinden en zijn slingerstenen verbrijzelen, ze zullen zijn bloed drinken tot ze dronken
zijn, tot ze ervan overlopen als een plengschaal en met bloed besmeurd zijn als de hoeken van een
altaar. 16 Op die dag zal God, de HEER, zijn volk als een kudde in veiligheid brengen. Als
edelstenen in een kroon zullen ze fonkelen op zijn land. 17 Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen
en vrouwen bloeien op, gesterkt door wijn en graan. (Zacharia 9:9-17)
Terwijl de Messiaanse koning er nog niet is, moet Israël al gaan juichen en uitkijken naar Zijn
komst. Gedeeltelijk in vervulling gegaan bij de intocht van de Here Jezus in Jeruzalem. Het komt nog
een keer!
In dit hoofdstuk vertelt Zacharia hoe God Zich als een strijder bemoeit met de oorlogen die Israël
te voeren heeft. Hij vertelt, hoe God net als in vroegere tijden de strijd aanbindt met Israëls
vijanden (vgl. Deuteronomium 32:42; Psalm 18:15; Habakuk 3:3v.v.)
God verschijnt als het ware als een machtig strijder in de lucht (vgl. Exodus 15:3). Zoals bliksem
door de lucht flitst, zo schiet Hij Zijn brandende pijlen. Hij blaast Zelf op de sjofar of laat een
engel op de sjofar blazen als teken dat de strijd begint of eigenlijk al begonnen is. God valt aan!
Met zo'n Goddelijke strijder boven zich, kan Israël de strijd wel aanbinden met de vijanden. Gezien
het feit, dat wij duidelijk zien, dat God in deze tijd bezig is Zijn volk voor te bereiden op het
komende Messiaanse rijk, mogen wij ook geloven, dat God nu ook de strijdkrachten van Israël
aanvoert.
Kun je dit alles in onze tijd nog geloven?
Kun je in deze tijd nog geloven, dat God als een strijder zich met het aardse strijdtoneel bemoeit?
Er zijn mensen die menen, dat dit niet meer te geloven is. Wat hier staat is al lang achterhaald. Er
zijn mensen die menen, dat wat hier beschreven is, allang geschied is. Er zijn mensen die menen, dat
het beeld van een oorlogvoerende God niet past bij de God die liefde is.
Ja, God trekt ten strijd en laat een spoor van bloed en vernieling achter Zich. Er kan alleen in de
weg van oorlog vrede komen. Alleen via chaos kan er harmonie komen. Als christenen weten wij dit
ook: Alleen na en door het kruis - de plaats van het oordeel - kan er vrede en rust gevonden worden.
Israël wacht een prachtige toekomst
16 Op die dag zal God, de HEER, zijn volk als een kudde in veiligheid brengen. Als edelstenen in een
kroon zullen ze fonkelen op zijn land. 17 Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen bloeien
op, gesterkt door wijn en graan. (Zacharia 9:16,17)
Vraag
Is dat wat nu in Libanon gebeurt al meteen het einde en de definitieve vervulling van deze
profetieën? Dat hoeft niet. Het zal waarschijnlijk een "voorvervulling" zijn, die ons nu al laat
zien, hoe het eenmaal op die grote dag zal gaan.
Een belangrijke les
1. Israël heeft indertijd het zuiden van Libanon verlaten in de hoop op vrede. Het heeft hen geen
vrede gebracht.
2. Israël heeft vorig jaar de Gazastrook verlaten in de hoop op vrede. Het heeft
geen vrede gebracht. Israël heeft het land van God afgestaan aan Gods vijanden. Politiek gezien leek
het de enige oplossing. Bijbels gezien was het absoluut verkeerd.
Laten wij daarom bidden voor Jeruzalems vrede, maar wel zó, zoals God dit wil!
God fluit ook nu
Het is een mooie gedachte, dat God Zijn volk Israël naar het heilige land "fluit". Maar God fluit
ook de niet-Joden naar Zich toe. Vandaag fluit Hij ook naar de mens, die de Here Jezus nog niet als
zijn Redder aanvaard heeft. God fluit, opdat verloren mensen bij Hem zullen komen en behouden zullen
worden.
|