|
| |
Bijbels bidden, deel 3
|

De discipelen van Johannes worstelden met dezelfde vraag, hoe zij moesten bidden. "Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt..." (Jacobus 4:3).
|
|
Bidden in Jezus' Naam
Johannes 14:13,14 en 15:16
Veel christenen eindigen hun gebed met de woorden "in Jezus' Naam" of "om Jezus' wil". Waarschijnlijk zullen velen dit zeggen, zonder er verder bij na te denken. Zij menen gewoon, dat dit bij ons bidden behoort. Anderen zullen er meer mee bedoelen en ervan uitgaan, dat als zij dit erbij zeggen, zij meer kans hebben dat hun gebed verhoord wordt! Aangenomen mag worden, dat zij menen, dat zij hiermee aan de Bijbelse voorwaarde voldaan hebben en nu rekenen mogen op gebedsverhoring.
"Bidden in Jezus' Naam" wil zeggen, dat ik een gebed bid, dat de Heer welgevallig is, dat Bijbels
gefundeerd is en dat daardoor in aanmerking komt om verhoord te worden. Wie vervolgens de gebeden in
de Bijbel bestudeert, komt tot de ontdekking, dat er veel gebeden zijn zoals wij ze gewend zijn om
te bidden, maar dat die gebeden niet in Jezus' Naam opgezonden worden. Verder komen we tot de
ontdekking, dat er veel gebeden opgezonden worden, die totaal anders van karakter en inhoud zijn,
dan wij gewend zijn om te bidden. Wie alleen al kijkt naar het gebed, dat de Here Jezus Zijn
discipelen leerde (het Onze Vader), komt snel tot de ontdekking, dat het een ander gebed is, dan wij
gewend zijn om te bidden. Er wordt niet gebeden om een fijne dag, om gezondheid, om mooi weer, om
aardige mensen te mogen ontmoeten, enz.
|
Met uitzondering van de ene regel die gaat over ons dagelijks brood, zijn alle andere regels niet op
onszelf gericht, maar uitsluitend op God!
Als wij bidden om mooi weer, kunnen wij dit dan bidden in Jezus' Naam? Als wij bidden om een hoger salaris, een prettige dag, het winnen van een wedstrijd, zoals christen-sporters tegenwoordig doen, kan dat dan in Jezus' Naam?
De Here Jezus maakte de Samaritaanse vrouw duidelijk, dat bidden een geestelijke zaak is, waarbij het aankomt op het geestelijk karakter van het gebed. De Heer zei tegen haar: "Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid." (Johannes 4:22-24)
Het was niet voor niets, dat de discipelen aan de Here Jezus vroegen om hen te leren bidden. Zij waren zich waarschijnlijk bewust, dat zij teveel gebeden baden, die niet correct waren. Zo kunnen ook wij de vraag stellen, of wij wel goed bidden, of al onze gebeden wel "in Jezus' Naam" zijn en wat dit bidden in Jezus' Naam in feite betekent.
De discipelen van Johannes worstelden met dezelfde vraag, hoe zij moesten bidden. "Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt..." (Jacobus 4:3). Het Boek geeft deze tekst als volgt weer: "U bidt Hem er wel om, maar krijgt niets. Wel, dan hebt u het Hem op een verkeerde manier gevraagd. Als u Hem alleen iets voor uw eigen genoegen vraagt, geeft Hij het niet." Dat is duidelijke taal. Wordt hier niet weergegeven, hoe onze gebeden meestal zijn? Wij bidden voor onszelf. Onze gebeden zijn vaak niet een lofprijzing aan het adres van God, maar een verlanglijst of verzoekschrift, waarin wij God vragen om het nodige voor ons te doen. Wie de Psalmen als gebeden bestudeert, ontdekt, dat zulke vraaggebeden bijna niet voorkomen in de Psalmen.
Wij hebben de belofte, dat er gebedsverhoring komt, wat wij ook bidden (1 Johannes 5:15), hoewel dit gebed wel naar Gods wil dient te zijn (1 Johannes 5:14). Dat betekent, dat ons gebed in overeenkomst moet zijn met wat de Bijbel ons over God, over Zijn wil en Zijn plannen, over onszelf en over het gebed vertelt.
Wij hebben de voorwaarde, dat wij moeten "blijven in Hem" om verhoring van ons gebed te krijgen (Johannes 15:7). Wij moeten een goede, geestelijke relatie met de Here Jezus hebben. Dat betekent, dat wij moeten weten, dat de Here de wens vervult van allen die Hem vrezen (Psalm 145:19).
Wij hebben ook de toestemming om te bidden in de Naam van de Here Jezus. "Wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Indien gij Mij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen." (Johannes 14:13,14; 15:16). Er zijn mensen die er een gewoonte van gemaakt hebben om hun gebed steeds af te sluiten met de woorden, dat zij dit alles bidden in Jezus' Naam of om Jezus' wil. Dit klinkt heel mooi en lijkt een garantie te moeten zijn om een gebedsverhoring te mogen ontvangen. Maar... zijn onze gebeden altijd in Jezus' Naam of om Jezus' wil en mag je bij elk gebed dit wel zeggen?
De woorden "in Jezus' Naam" maken in onze taal en in onze manier van denken duidelijk, dat wat gebeden wordt, namens de Here Jezus tot de Vader gezegd wordt. Als je het gebruikt bij het aanspreken van de Here Jezus, zeg je dus eigenlijk, dat je het namens Hemzelf vraagt. Als je zegt, dat je gebed "om Jezus' wil" is, zeg je tegen God de Vader, dat je één en ander aan Hem vraagt, omdat de Here Jezus dit ook wil. Het is bidden op grond van de autoriteit, het gezag van de Here Jezus. Het is bidden tot de Vader, waarbij de Here Jezus Zelf voor de gebedsverhoring garant staat. Hij zal het gebed verhoren, zo zegt Hij. Hij heeft van de Vader de autoriteit gekregen om onze gebeden te verhoren. Wij kunnen het aan Hem vragen en wij kunnen het aan de Vader vragen. De Here Jezus staat garant voor de gebedsverhoring.
Als wij een gebed opzenden "in Jezus' Naam" betekent dit, dat wij bidden "in Naam van de Here Jezus". Zoals een gezant of een minister van de koningin kan zeggen, dat hij spreekt "in naam van de koningin", zo komen wij in ons gebed bij God. Als die gezant in naam van de koningin komt, komt hij duidelijk als een gezant met een boodschap van de koningin zelf. Kan dat echt van de meeste van onze gebeden gezegd worden? Bidden wij wat de Here Jezus ons opgeroepen heeft om te bidden of bidden wij onze eigen gebeden? Zijn onze gebeden overeenkomstig de wil van God of komen wij met onze eigen wil en verlangens?
Kunnen en mogen wij bij al onze gebeden deze woorden wel gebruiken? Moeten wij niet vaker leren zeggen, wat ook de Here Jezus in de hof van Gethsemane bad: "Uw wil geschiede..."?
De Here Jezus Zelf geeft een aanvulling bij deze belofte: "Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij Mijn geboden bewaren." (Johannes 14:15). Om gebedsverhoringen te kunnen ontvangen, moet je wel op de weg van de Here Jezus wandelen en heel trouw doen wat Hij van je vraagt. Je moet leven als een trouwe volgeling van Hem. Als je een echte beelddrager van Hem bent, staat Hij garant voor de verhoring van je gebed.
"Bidden in de Naam van..." is een typisch Joodse manier van bidden, die wij al in het Oude Testament tegenkomen. "Niet ons, o HERE, niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uw goedertierenheid, om Uw trouw." (Psalm 115:1). Hier wordt aan het gebed de volgende gedachte gekoppeld: "HERE, verhoor ons, doe het niet om ons, maar om de eer van Uw Naam, verhoor ons terwille van Uw eer en om Uw goedertierenheid, om Uw trouw." Zo ook vertaalt de Willibrord vertaling dit vers: "Niet om ons, Heer, niet om ons: laat het wezen tot eer van Uw Naam, om Uw goedheid en om Uw trouw."
Wij zullen moeten leren, dat wij bij veel gebeden juist niet moeten zeggen, dat zij "in Jezus' Naam" gebeden worden.
De Joden hebben geleerd in hun gebeden God te bidden en verhoring te vragen omwille van Zijn eigen Naam. "Onze Vader die in de hemel is, bewijs ons liefde ter wille van Uw grote Naam." bidden de Joden. Als de Joden hun middaggebed opzenden, bidden zij er bij: "Doe het om Uw Naam, doe het om Uw sterke macht (dat is letterlijk: Uw rechterhand), doe het om Uw heiligheid, doe het om Uw Torah (Uw wet, Uw Woord), opdat Uw geliefden (gunstgenoten) bevrijd worden. Help met Uw rechterhand en verhoor mij."
Wat bedoelen de Joden, als zij God vragen om iets voor hen te doen "in Zijn Naam"? Zij bedoelen naast het reeds eerder genoemde ook, dat zij hierdoor Gods Naam willen leren kennen. Dat is tenslotte het doel waar het om gaat. Zij willen losgemaakt worden van alles wat tegen God ingaat om alleen God te dienen. Zij vragen dit bijvoorbeeld heel nadrukkelijk als zij bidden om de grote verlossing bij de komst van de Messias. Zij bedoelen dan te zeggen, dat zij bij de komende verlossing (in het komende Messiaanse rijk) niet direct verlangen om zelf een prettig leven te krijgen, een leven waarin geen ellende en strijd meer zijn, maar een leven waarin het gemakkelijker zal zijn om God te dienen, zoals Hij gediend wil worden!
De Joden zijn zich dan ook bewust, dat God Israël in de komende Messiaanse tijd niet zal verlossen, omdat zij het verdiend hebben of het waardig zouden zijn. Er ligt geen enkele verdienste bij hen zelf. Ze moeten het niet hebben van hun eigen verdiensten. Zij vragen God om de verlossing te brengen, opdat Zijn grote Naam in de hele wereld bekend zal worden. God heeft Israël lief en zal het volk daarom de verlossing brengen. In Zijn grote liefde voor Zijn volk en omwille van Zijn Naam zal God de komende Verlosser zenden. Als christenen mogen wij hierop reageren door te zeggen, dat God in Zijn grote liefde en omwille van Zijn Naam reeds tweeduizend jaar geleden de Verlosser voor de eerste keer gezonden heeft. Toen zond Hij Hem om te lijden en te sterven, opdat er geestelijke redding zou komen voor een verloren volk en een verloren wereld. Als Hij terugkomt, is dit om natuurlijke redding te brengen voor een in nood verkerend volk en zelfs voor een in nood verkerende wereld.
Niet voor niets leerde de Here Jezus Zijn discipelen waarvoor zij moesten bidden. Zij mochten God aanspreken als onze gemeenschappelijke Vader. Daarna moesten zij bidden voor vaststaande feiten.
1. Zij moesten bidden, dat de Naam van God geheiligd zou worden in de wereld.
2. Zij moesten bidden, dat spoedig het hemelse rijk op aarde zou komen.
3. Zij moesten bidden, dat mensen, ja ook zijzelf, zouden leven overeenkomstig de wil van God.
4. Zij moesten bidden voor hun dagelijks brood en voor alles wat daarmee te maken heeft, niet om overvloed.
5. Zij moesten bidden om vergeving van hun zonden te mogen ontvangen.
6. Zij moesten bidden om bewaard te mogen blijven voor allerlei verzoekingen en verleidingen van de duivel.
7 Zij moesten in hun gebed op een duidelijke manier Gods heerlijkheid, macht en majesteit prijzen en Hem loven met hun gehele hart.
Als zij voor deze dingen zouden bidden, zouden zij bidden in Jezus' Naam; dan zouden zij bidden naar de wil van God. Dan mochten zij hun gebed op deze manier eindigen.
Mag je ook bidden om voorspoed, opdat al je dromen waargemaakt zullen worden? Mag je bidden om een rijker leven of een hoger salaris? Mag je bidden, dat je voortaan als een prins zult mogen leven? Neen. De Here Jezus leerde ons bidden, dat wij ons dagelijks brood zouden hebben. Niets meer en ook niets minder. Geen gebrek en ook geen overvloed. Dat is in overeenstemming met de boodschap uit het Spreukenboek: "Alle woord Gods is gelouterd; hun die bij Hem schuilen, is Hij ten schild. Doe niets aan zijn woorden toe, opdat Hij u niet terechtwijze en gij een leugenaar bevonden wordt. Twee dingen vraag ik van U, onthoud ze mij niet, voordat ik sterf: houd valsheid en leugentaal verre van mij, geef mij armoede noch rijkdom, voed mij met het brood, mij toebedeeld; opdat ik, verzadigd zijnde, U niet verloochene en zegge: wie is de HERE? noch ook, verarmd zijnde, stele en mij aan de naam van mijn God vergrijpe." (Spreuken 30:5-9)
Hier leren wij, dat wij ons moeten houden (ook als het gaat om ons gebedsleven!) aan wat God in Zijn Woord ons onderwezen heeft. Wij mogen bidden om bescherming tegen de valsheid van andere mensen. En we mogen vragen om bewaard te worden voor armoede en rijkdom. Natuurlijk is het heerlijk om rijk te zijn. Wie door hard werken rijk geworden is, mag God daarvoor danken. Maar je mag God niet vragen of Hij je die rijkdom wil schenken. Je moet tevreden zijn met je dagelijks brood. Dat wil zeggen: je moet tevreden zijn met wat je in je gewone leven nodig hebt; eten, drinken, kleding, werk, gezondheid, enz. Wij mogen God bidden, dat wij een inkomen zullen hebben, zodat wij zonder zorgen kunnen leven, zodat op een eervolle manier in ons levensonderhoud voorzien wordt. Je mag bidden, dat geen ziekte je zal treffen en dat je bewaard mag blijven voor ongelukken en rampen. Als mensen lelijk tegen je doen mag je God bidden en vragen of Hij hun hart wil bewerken, zodat zij hun houding zullen veranderen. Als je ziek bent, mag je bidden om genezing. Als je moedeloos, hulpeloos of radeloos bent, mag je God bidden of Hij je wil helpen, zodat alles weer anders voor je wordt. Voor al deze zaken mag je God vragen. Je mag hem bidden om alles wat je echt nodig hebt. Meer mag je Hem niet vragen!
Wij hebben ook geen belofte, dat God ons zo maar alles zal geven, wat ons hart begeert. De leer van het positief denken en het daarmee samenhangende positief bidden als voorwaarde om al je dromen vervuld te krijgen, is absoluut onbijbels.
De Bijbel toont ons, dat gebeden soms juist niet verhoord werden door God. Mozes bad meerdere keren om het beloofde land te mogen binnengaan, maar Gods antwoord bleef "nee" (Deuteronomium 3:25v.v.). Paulus bad herhaaldelijk om bevrijd te worden van de doorn in zijn vlees, maar God vervulde zijn wens niet (2 Corinthe 12:9).
Soms mag je zelfs bidden "tegen beter weten in". Dat klinkt vreemd, maar wij zien het ook in de Bijbel. Toen David van de profeet Nathan gehoord had, dat zijn kind zou sterven, bad hij toch om herstel. Hij zei: "Misschien zal God mij toch genadig zijn en het kind laten leven." (2 Samuel 12:22). Toen God aan Abraham had laten weten, dat Hij Sodom en Gomorra zou verwoesten, bad Abraham toch om genade voor die steden (Genesis 18)! Zo mogen wij ook bidden bij ernstige zieken, die misschien door de artsen opgegeven zijn. Wij mogen toch bidden om een wonder. Maar... "Uw wil geschiede..." Zo lang de patiënt leeft, mag er gebeden worden om herstel. Dat deed David ook. "Zolang het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend, omdat ik dacht: misschien is de HERE mij genadig, zodat het kind in leven blijft." (2 Samuel 12:22).
|
|