BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Artikelen

printversie
Bijbels bidden, deel 4


"Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid." (1 Johannes 1:9)

1 Van David. Een leerdicht. (32-2) Welzalig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; 2 welzalig de mens, wie de HERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. 3 Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag; 4 want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte. sela 5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zei: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden. sela 6 Daarom bidde iedere vrome tot U ten tijde dat Gij U laat vinden; zelfs bij een stortvloed van geweldige wateren zullen die hem niet bereiken. 7 Gij zijt mij een verberging, Gij bewaart mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met jubelzangen van bevrijding. sela 8 Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; mijn oog is op u. 9 Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men bedwingt met toom en bit, opdat het u niet te na kome. 10 Talrijk zijn de smarten van de goddeloze, maar wie op de HERE vertrouwt, die omringt Hij met goedertierenheid. 11 Verheugt u in de HERE en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt allen, gij oprechten van hart.

Als wij de woorden van deze Psalm toepassen op het gebed en op ons eigen leven, zien wij een paar opmerkelijke feiten: Wij lopen het gevaar eigenwijs te zijn (:9). God geeft ons onderricht, dat klaarblijkelijk indruist tegen het leven, zoals men dit vanuit menselijk standpunt beziet (:8).
Als je echt wilt bidden, moet je "een vrome" zijn (:6). Dat is iemand die niet leeft zoals hijzelf dit wil, maar iemand, die zich door God laat onderwijzen. Dus niet leven naar je eigen inzichten (Spreuken 3:5,6). Je moet je zonden aan God bekend maken; in duidelijke taal en in duidelijke bewoordingen (:5) Je bent "zalig" (d.i. echt gelukkig) als Je overtredingen vergeven zijn Je zonden bedekt zijn De Here je de overtreding niet toerekent Je iemand bent, die de zaak van God niet bedriegt, maar die oprecht is in het dienen van God, zoals Hij dit van je vraagt en niet zoals je zelf vindt dat het ook kan.
 

In het gebed belijden wij God onze zonden, ons falen, onze tekortkomingen.

"Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zei: ik zal de HERE mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld mijner zonden. Daarom bidde iedere vrome tot U ten tijde dat Gij U laat vinden (Psalm 32:5,6; zie ook 38:19).

Er is niemand die zo goed weet, dat wij zondaars zijn, als God Zelf. "Want niemand op aarde is zo rechtvaardig, dat hij goed doet zonder te zondigen." (Prediker 7:20) Hij ziet ons als drenkelingen in het water, maar Hij drukt ons niet nog eens een keertje extra onder water. Hij steekt ons juist de hand toe om ons te redden! "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid." (1 Johannes 1:9)
 

In het gebed spreken wij met God niet alleen over onszelf, maar ook over anderen en hun nood.

Een prachtig gebed is het eerste gebed in de Bijbel, dat meteen een voorbede voor anderen is: Abraham sprak met God ten gunste van de mensen van Sodom (Genesis 18:22-33). Juist als christenen weten wij, dat de Here Jezus in de hemel voorbede voor ons doet. "Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit." (Romeinen 8:34; zie ook Hebreeën 7:25; 9:24 en 1 Johannes 2:1)

In de Bijbel leren wij, dat wij voor alle mensen mogen bidden (1 Timotheus 2:3). Speciaal bidden wij voor de medegelovigen (Ephese 6:18). Hoewel de Here Jezus Zelf zei, niet voor de wereld te bidden (Johannes 17:9) bad Jeremia wel voor de heidense stad Babel. Zijn gebed had echter een bijzonder doel: opdat de Joden er vrede zouden vinden. "Zoekt de vrede voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de HERE, want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn." (Jeremia 29:7).

Het is een goede zaak om er een gewoonte van te maken, niet alleen voor de leden van ons eigen gezin te bidden, maar ook voor de leden van de gemeente, voor de voorganger, de leden van de raad, de mensen die allerlei werk in de gemeente verrichten, de mensen op het zendingsveld, enz. Het kan heel verstandig zijn om bijvoorbeeld aan de hand van de ledenlijst telkens voor iemand anders te bidden. Juist ook in het gebed moeten wij elkaar niet vergeten!
 

In ons bidden moeten wij niet vaag zijn, maar spreken wij over concrete zaken met God.

Als wij de gebeden van velen in de Bijbel lezen, valt op, dat zij precies en duidelijk onder woorden brengen, waar zij mee zitten. Er wordt niet een beetje in het rond gepraat tegen God, maar er wordt Hem precies verteld hoe de zaak ervoor staat. Zie Genesis 24:12v.v., 26v.v.; 25:21; 32:7-12; Richteren 15:18, enz.

Aan de andere kant hoeven wij God niet allerlei details te vertellen, die erop lijken, alsof God van onze informatie afhankelijk is. Ook moeten wij in het openbare gebed God geen informatie geven, om daardoor de andere aanwezigen van bepaalde zaken op de hoogte te stellen.

De Here Jezus zei, dat wij zonder omhaal van woorden moeten bidden (Mattheus 6:7).
 

Wij moeten bedenken, dat God niet al onze gebeden kan verhoren.

Soms kan God onze gebeden niet verhoren, omdat wij bepaalde zonden in ons leven hebben, die wij niet beleden hebben. David zegt: "Had ik onrecht beoogd in mijn hart, dan zou de Here niet hebben gehoord." (Psalm 66:18)

Soms kan God onze gebeden niet verhoren, omdat wij ongehoorzaam zijn aan Zijn opdrachten, vgl. Deuteronomium 1:41-46. Het volk was ongehoorzaam geweest aan God. Daarna wilde koning Saul de Here raadplegen, "Maar op die dag antwoordde God hem niet." (1 Samuel 14:33,37)

Soms kan God onze gebeden niet verhoren, omdat wij onverschillig zijn. In Spreuken 1:22-28 wordt geschreven over onverschillige mensen. Als zij dan ineens tot God roepen en verwachten, dat God ogenblikkelijk voor hen gereed zal staan, zegt God: "Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden. Zij zullen Mij zoeken, maar Mij niet vinden."
 

Als wij bidden dienen wij met grote eerbied voor Gods aangezicht te komen.

De bidder komt niet in gesprek met een medemens, maar met de hoogste Autoriteit van het ganse heelal. Abraham was zich dit bewust. Hij verontschuldigde zich, dat hij nog wat aan God durfde vragen (Genesis 18:27,31).

Wij mogen onze gebeden niet "afraffelen". Wij dienen ons te concentreren op wat wij in het gebed tegen God zeggen. Bij het bidden moeten wij er goed aan denken, dat wij niet een gesprek met een mens voeren, maar met de Allerhoogste. Wij dienen daarom in onze gebeden met eerbied, langzaam, rustig en weloverwogen met God te spreken. Wij moeten nadenken bij alles wat wij zeggen. Het gebed is een geestelijke inspanning, waarbij wij moeten nadenken bij alle woorden, die over onze lippen komen. Een gebed, dat een aantal woorden bevat, terwijl wij maar half nadenken over wat wij zeggen, kan niet een eerbiedig spreken met God genoemd worden!
 

Het gebed en ons hart.

Het wonderlijke is, dat er nergens in de Bijbel staat: "Je moet bidden..." Toch bidden wij. Waarom? Omdat wij uit de volgende teksten begrepen hebben, dat God wil, dat wij zullen bidden. God heeft opdracht gegeven om tot Hem te bidden. Zoals Hij ons opdracht gegeven heeft om Hem lief te hebben, zo heeft Hij ons ook opdracht gegeven om tot Hem te bidden. "En dan zult gij daar de HERE, uw God, zoeken en Hem vinden, wanneer gij naar Hem vraagt met uw ganse hart en met uw ganse ziel." (Deuteronomium 4:29) Vervolgens komt nogmaals een opdracht om te bidden. Er staat: "... de HERE, uw God, liefhebt en Hem dient met uw ganse hart en uw ganse ziel..." (Deuteronomium 11:13) Hier gaat het over het gebed. Wij bidden niet, omdat wij het verlangen hebben om te bidden of omdat wij er de behoefte toe voelen. Wij bidden omdat God gebeden wil zijn. Het verlangen gaat van Hem uit. Hij verlangt ernaar om ons te ontmoeten. Zijn verlangen naar de ontmoeting met de gelovige in het gebed is veel groter dan het verlangen van de gelovige zelf. Daarom is bidden een heilige zaak!

Hier blijkt nog eens wat bidden is. Het gebed is het gesprek dat ons hart met God heeft. Het is de dienst van ons hart, waarbij ons hart op God gericht is. In het gebed komen wij met ons hart in de tegenwoordigheid van onze Schepper, Koning en Vader. Ons hart wordt voor Hem geopend. Voor niemand openen wij ons hart, zoals wij dit voor hem doen. Ons hart, onze ziel, ons innerlijk spreekt tot Hem en luistert naar Hem. Het is meer dan slechts een gesprek met ons verstand. Het gaat veel dieper. In het gebed laten wij Gods Geest toe in ons hart. Zo doorzoekt God ons hart (1 Kronieken 28:9).
 

Het gebed in de gemeente.

Naast de gebeden die mensen in hun privé-leven tot God opzonden, was in de tijd van de Bijbel de tempel de plaats waar de gebeden tot God werden opgezonden. Na de verwoesting van de eerste tempel kreeg de synagoge de functie van huis van samenkomen van het Joodse volk voor het gezamenlijk dienen van God door gebed, lezen uit de Bijbel (luisteren naar het voorlezen) en het bestuderen van de Bijbel. De synagoge heette Beth haKnesset (Huis van samenkomen), Beth Tefilla (Huis van gebed) en Beth haMidrasj (Huis van studie). Joden gedroegen en gedragen zich in de synagoge met grote eerbied voor God, alsof zij bij wijze van spreken in de tempel waren of zijn.

Christenen dienen hun kerkgebouwen ook te zien en te gebruiken als plaats van samenkomst, huis van gebed en studie van het Woord van God. In de Bijbel wordt de plaats van samenkomst van de christenen ook een synagoge genoemd. "Want stel, er kwam in uw vergadering een man binnen..." (Jacobus 2:2) Het woord dat bij ons als "vergadering" vertaald is, is het Griekse woord synagoge. De vertalers konden het waarschijnlijk niet uit hun pen krijgen, om gewoon "synagoge" te vertalen. Dat was zeker te Joods! Zie ook in het boek Handelingen hoe de apostel Paulus als christen steeds naar de synagoge ging. Wij moeten daarom als christenen bereid zijn wat van de Joden en hun synagogen te leren.
 

Het gebed hoort bij het "dienen van God".

Als wij ons realiseren, dat het bidden ons als het ware meeneemt naar de tempel, weten wij, dat daar twee groepen mensen betrokken zijn bij de offers: de offeraars en de priesters. Zoals de offerdienst "dienst" is, zo ook zijn onze gebeden "dienst" aan God. De tempeldienst en de offerdienst waren niet op vrijwillige basis, zodat de Israëlieten een tempel mochten bouwen als zij dit wilden en geen tempel hoefden te bouwen, als zij het niet wilden. Het bouwen van de tempel was "dienst". Het was een opdracht van God. En wat er in de tempel gebeurde was "dienst", het was in opdracht van God. Zo zijn ook onze samenkomsten en onze persoonlijke "godsdienstoefeningen" "dienst aan God". Niemand van de gelovigen mag zich onttrekken aan de "dienst van de gebeden", of aan de "dienst van het zingen van de lofliederen". Deze zaken geschieden niet op vrijwillige basis, zodat je je mag onttrekken aan de gebeden of even besluit niet mee te zingen. Nee, het is dienst aan God. Het is een verplichting. Het is door Hem opgedragen!

Het Hebreeuwse woord voor "dienst" is "avoda". U mag het ook schrijven als aboda. In dit woord vindt u het Hebreeuwse woord "ebed" terug, dat "knecht" betekent. Het gebed plaatst ons als knechten in de dienst van de grote Koning, waarbij wij voor Zijn aangezicht staan. Deze dienst vinden wij terug in de tekst, waarin gezegd wordt, dat wij God moeten "dienen" met heel ons hart (Deuteronomium 11:13). Wij mogen echter niet denken, dat als wij maar bidden, wij onze dienst aan God wel vervuld hebben. Dienst aan God is veel meer dan alleen bidden. God dienen betekent, dat je in je hele leven Hem toegewijd bent en bij alles wat je doet, probeert om zó te leven, als Hij dit van je vraagt.

Zowel de offeraars als de priesters hebben nu vanuit de offer-betekenis een verwijzing naar de gebeden. Hierbij hebben wij te maken met twee vragen:
1. Wat komen wij doen in de dienst van God?
2. Hoe komen wij bij Hem?
 

Wij moeten voor God verschijnen en bidden als priesters.

De bidder staat als een priester in Gods heiligdom. De Joden hebben zich altijd een koninkrijk van priesters geweten (Exodus 19:6). Hoewel alleen de levitische priesters echt hun dienst in het heiligdom verrichtten, waren alle mannen zich van hun priesterlijke taak bewust. De Joden hebben altijd geprobeerd dit niet alleen met hun hart te beleven, maar ook voor anderen zichtbaar te maken. Zij dienden God niet in het verborgene, maar openbaar. Dat hield onder andere in, dat zij door hun kleding toonden, dat zij als priesters opgingen naar Gods huis - in de meeste gevallen was dit de synagoge - om daar voor Zijn aangezicht te verschijnen. Zoals de levitische priesters herkenbaar waren aan hun kleding, zo kwamen deze "priesters" ook in hun speciale sabbatskleding naar de synagoge. De christenen in vroeger dagen hadden dit goed begrepen, als zij in hun speciale zondagse kleding naar de kerk gingen. Velen in onze tijd maken zichzelf ongeschikt voor de dienst van God om als priester voor Zijn aangezicht te staan, omdat zij eenvoudig weigeren in hun kleding zich voor te bereiden op de ontmoeting met de Koning der koningen. Zij vinden, dat God maar naar hun hart moet kijken en dat Hij niets met hun kleding te maken heeft. Alsof God zich iets door deze mensen zal laten gezeggen...

Joden tonen in hun kleding hun waardigheid als priesters van God. Hierbij denken zij zowel aan hun letterlijke kleding als aan de kleding waarover de Bijbel in beeldspraak spreekt: je levenswandel. Dan krijgen wij te maken met de klederen van het heil, de mantel der liefde en de mantel van de gerechtigheid (vgl. Jesaja 61:10,11) Psalm 19 geeft de opdracht: "Geeft de HERE de heerlijkheid van zijn naam." Hoe doe je dit? Het antwoord luidt: "Buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos." (Psalm 19:2) Het Boek zegt hier: "Trek uw mooiste feestkleding aan." David heeft eens gezegd, op welke wijze alle mensen - dus niet alleen de Israëlieten - voor God dienen te verschijnen: "Geeft de HERE de heerlijkheid van Zijn Naam, brengt offer en komt voor Zijn aangezicht. Buigt u neder voor de HERE in heilige feestdos, beef voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde: vast staat nu de wereld, zodat zij niet wankelt." (1 Kronieken 16:29,30) Het Boek heeft hier heel duidelijk: "Ja, geef de HERE de heerlijkheid die aan Zijn Naam verbonden is. Breng een offer en ga voor Hem staan; aanbid de HERE en doe dat in heilige kleding." Kleding, ja, je gehele uiterlijke verschijning, heeft dus ook te maken met het dienen van God. Wie niet in feestkleding verschijnt, moet niet denken, dat hij als een echte priester voor Gods aangezicht kan staan. Hij moet niet denken, dat God zal zeggen: "Je mag toch Mijn priester zijn. Ik kijk gewoon niet naar je kleren." Realiseer u, dat zelfs de kleine Samuel, zo jong als hij was, niet in zijn gewone kleren God mocht dienen in de tempel. Ook hij moest de speciale priesterkleding dragen.

Wie zich bewust is, dat leven voor God "dienst" (avoda) is, zoals wij zagen, zal ook met zijn kleding God gehoorzaam willen zijn. Wie zich bewust is van de heiligheid van God en toont daarmee rekening te willen houden, zal dit ook in zijn kleding tonen. Hij zal echter zich ook inspannen om het Woord van God te bestuderen, om zo als een goede en onderwezen priester in de dienst van God te staan.

De priester offert zijn reukwerk voor het aangezicht van God. Als gelovigen worden wij niet voor niets priesters genoemd (1 Petrus 2:9; Openbaring 1:6; 5:10 en 20:6). Daarom moeten wij ons priesterlijk werk ook ten uitvoer brengen. Priesterlijke dienst met ons hart. Dat is het. Dat is het gebed. Zo zijn onze gebeden offers aan God. Terwijl veel christenen menen, dat met ons lofoffer een loflied bedoeld wordt, hebben de Joden steeds gezegd, dat hiermee de gebeden bedoeld zijn. Zo heeft ook de Hebreeënbrief, waarin over een lofoffer gesproken wordt, als Joodse brief (Hebreeën!) niet gedacht aan een lied, maar aan het gebed!

Wij denken hierbij aan de volgende verwijzingen in de Bijbel. "Heb welbehagen, HERE, in de vrijwillige offers van mijn mond." (Psalm 119:108) "Laat mijn gebed als reukoffer voor Uw aangezicht staan." (Psalm 141:2) "Laten wij dan door Hem Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht onzer lippen, die zijn naam belijden (Hebreeën 13:15)." Kom daarom als een priester voor Gods aangezicht en offer uw gebed aan Hem.

De bidder staat niet alleen als een priester in het heiligdom. Hij staat er ook als een offeraar. Nu wij weten, dat de gebeden als offers gezien worden, zien wij aan de hand van de betekenis van het offer ook wat de betekenis van het gebed is. De offers waren niet bedoeld om God van eten en drinken te voorzien (Psalm 50:13). Zij waren middelen voor de mens om tot God te kunnen naderen. De offers werden "korban" genoemd; dat is een middel om tot God te naderen. De Here Jezus zei: "Maar gij zegt: indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: het is korban , dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen." (Marcus 7:11,12) Het woord korban wordt in het Oude Testament in het Hebreeuws gebruikt voor een geschenk, een gave aan God gewijd, een offer.

De offers brachten de offeraar dichterbij God. Door de offers trad hij in Gods tegenwoordigheid. Daarom werden de offers ook gebracht voor de ingang naar het Heilige. Ook wij komen door onze gebeden dichterbij God. Wij komen in Zijn heilige tegenwoordigheid. Wij komen dicht bij Hem.

De offeraar kwam onder belijdenis van zijn zonden. De offeraar kwam om als het ware zichzelf te offeren. Als hij het offerdier doodde, dacht hij eraan, dat dit met hemzelf had moeten gebeuren. Het offerdier nam echter zijn plaats in. Zo wees de offerdienst op een bijzondere wijze naar het offer, dat de Here Jezus gebracht heeft. De apostel Paulus heeft de gedachte, dat de mens zichzelf offert aan God, weergegeven met de volgende woorden: "Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst." (Romeinen 12:1) Hebben wij onszelf al als een offer in de dienst van God gebracht?

Er staat geen tempel in Jeruzalem en onze kerkgebouwen zijn ook geen tempels. Er worden geen offers meer aan God gebracht zoals dit vroeger in de tabernakel en daarna in de tempel geschiedde. Toch moet er aan God geofferd worden. Onze gebeden zijn nu de offers die wij aan God brengen. Als wij als gelovigen in onze diensten samenkomen, kunnen wij door middel van onze liederen God loven. Hier, maar ook thuis kunnen wij door middel van onze gebeden God offers brengen.

Er zal echter weer een tempel in Jeruzalem komen. Het doel van deze tempel zal weer zijn om daar gebeden als offers aan God te brengen. In deze tempel zullen niet alleen Joden hun gebeden aan God offeren, maar zullen mensen uit alle volken met dit doel naar deze tempel reizen. God zegt: "...hen zal Ik brengen naar Mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar, want Mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken." (Jesaja 56:7)


BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2010 Stichting Het Licht des Levens