BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Artikelen

printversie
Onze Erfenis

Zodra wij horen, dat wij behoren tot iemands erfgenamen en dat wij een deel van de erfenis krijgen, zijn wij enthousiast. Zo mag er ook best enthousiasme in ons leven zijn voor de geestelijke erfenis, die wij zullen ontvangen.

Opmerkelijk is, dat in de Bijbelgedeelten die over de erfenis spreken, wij "zonen" van God genoemd worden. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke gelovigen worden "zonen" genoemd. De wijze waarop in Israël met de erfenis omgegaan werd, zal ons duidelijk maken, waarom wij allen "zonen" genoemd worden.

In dit verband is er in de Bijbel sprake van De erflater, De erfgenamen, De erfenis, Het erfdeel, Erven.
 

Erven in het oude Israël

In Israël waren alleen wettige zonen erfgenamen van de ouders. Dochters deelden niet in de erfenis van hun vader, omdat het familiebezit in de familie moest blijven. Dit lijkt oneerlijk, maar was het niet. De dochters deelden in de erfenis die hun echtgenoot ontvingen van hun vader. De dochters erfden dus van hun schoonvader. Als zij ook nog van hun eigen vader zouden erven, zou een deel van het bezit van haar vader overgaan naar het bezit van haar echtgenoot. Omdat dochters dus niet deelden in de erfenis van hun vader, worden wij in de Bijbel allen als "zonen" aangesproken, zodat het gaat om de erfenis. Dit betekent, dat wij allen, mannen en vrouwen, een gelijk deel krijgen van de geestelijke erfenis.

Bij de erfenis kreeg de eerstgeborene een dubbel deel. Hij kreeg dus twee keer zoveel als zijn broers. Hij was nu het familiehoofd en moest daarom de weduwe van zijn vader en zijn ongehuwde zusters onderhouden.

In Israël kende men geen testamenten, zoals wij die kennen. Er kwam dus niet iemand als een notaris aan te pas. Het was in de meeste gevallen de vader zelf die de erfenis verdeelde als hij zijn einde voelde naderen (Genesis 24:36; 25:5; Deuteronomium 21:16). Men noemde dit wel dat men 'bevel gaf aan zijn huis' (2 Samuel 17:23; Jesaja 38:1); hoewel deze uitdrukking ook andere mondelinge besluiten kan inhouden (1 Koningen 2:1vv; 1 Kronieken 28:5vv; 9vv).

Testamenten kwamen bij de Joden pas in gebruik in de tijd, dat zij onder de Griekse- en Romeinse heerschappij gekomen waren (Galaten 3:15; Hebreeën 9:17). Vorstelijke families maakten ze voor de erfopvolging (Zie Josefus Ant. 13.16.1; 17.13.2; Bel. Jud. 2.2.3).

Als iemand geen zonen maar alleen dochters had, dan erfden zij toch ook. Dit was echter een uitzonderingsregel, waarover wij lezen in Numeri 27. In dit geval mochten deze ervende dochters alleen trouwen met een man uit hun eigen geslacht (Numeri 36:1-9). Dit was om er voor te zorgen, dat het bezit niet uit de stam zou verdwijnen.

Toch gebeurde het weleens dat een ervende dochter met een man uit een ander geslacht trouwde. Het kan zijn, dat er in dat geval geen huwbare bloedverwant was. De kinderen werden dan niet op naam van de vader, maar op die van de schoonvader in de geslachtsregisters ingeschreven. Een voorbeeld hiervan is het huwelijk van een priester met een dochter van Barzillaï (vgl. Ezra 2:61; Nehemia 7:63) Een tweede voorbeeld toont ons, dat een vader, om het uitsterven van zijn geslacht te voorkomen, zijn ervende dochter aan een buitenlandse slaaf ten huwelijk gaf (1 Kronieken 2:34v)

Als iemand geen kinderen naliet, ging het familiebezit over naar zijn broers. Als hij geen broers had, dan ging het naar de broers van zijn vader, dat waren dus zijn ooms van vaderszijde. Als zelfs dezen er niet waren, dan was het bezit voor andere verwanten uit zijn geslacht (Numeri 27:9vv; Jeremia 32:8). Uit deze bepalingen blijkt dat de weduwe of aangetrouwde verwanten nooit konden erven. Om geen verkeerde conclusies te trekken en te denken dat een weduwe onverzorgd zou achterblijven, moeten wij bedenken dat deze bepalingen alleen betrekking hadden op het vastgoed, niet op de overige bezittingen.

Was iemand kinderloos gestorven en liet hij een huwbare weduwe na, dan was volgens de wet zijn broer verplicht om het erfgoed te aanvaarden door met de weduwe te huwen. Volgens het gewoonterecht gold deze verplichting ook voor een eventuele andere erfgenaam. De eerste zoon die uit zo'n 'zwagerhuwelijk' verwekt werd, moest worden ingeschreven op naam van de overledene, en hij erfde de grond.

De conclusie die wij kunnen trekken is de volgende: Om te kunnen erven moest er een familierelatie zijn en moest je een zoon zijn. Zo is dit in geestelijk opzicht ook. Om een geestelijke erfgenaam van God te kunnen zijn, moet je tot Zijn kinderen behoren en moet Hij je hemelse Vader zijn!
 

Het erfdeel van het volk Israël

Wij komen het woord "erfdeel" bij Israël in twee betekenissen tegen. In het Hebreeuws heet het morashah, in het Grieks heet het klèros. Naast het Griekse zelfstandig naamwoord klèros, hebben wij het werkwoord klèro-oo. Dit betekent: een erfdeel in bezit nemen. Oorspronkelijk had het woord de volgende betekenissen:

1. het lot werpen, door het lot beslissen
2. door loting kiezen
3. door loting toewijzen In het Nieuwe Testament betekent het: een aandeel geven, dat is een erfdeel, een bezit geven.

God heeft het volk Israël beloofd, dat zij een erfdeel zullen ontvangen in de vorm van een bijzonder boek: de Torah, de wet. "Dit is de zegen, waarmede Mozes, de man Gods, de Israelieten voor zijn sterven gezegend heeft. Hij zei: De HERE is gekomen van Sinai en over hen opgegaan uit Seir; Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran en gekomen uit het midden van heilige tienduizenden; aan zijn rechterzijde zagen zij een brandend vuur. Ja, Hij heeft de volken lief; al zijn heiligen; in uw hand zijn zij, aan uw voeten legeren zij zich, vangen iets op van uw woorden. Mozes heeft ons de wet geboden, een bezit voor de gemeente van Jakob." (Deuteronomium 33:1-4) In vers 3 moet het kleine woordje "maar" erbij gedacht worden: "Hij heeft de volken lief; maar al zijn heiligen (dat is Israël); in uw hand zijn zij..." Het woord "bezit" is de vertaling van het Hebreeuwse woord morashah en betekent: "erfdeel". Zoals een erfdeel het wettige bezit van de erfgenaam geworden is, zo is Israël van Godswege de wettige eigenaar van de Torah, of, zoals wij het zouden zeggen: van het Woord van God, de Bijbel! Dat mogen wij nooit vergeten. Daarom dienen wij ook naar hen te luisteren als het gaat om de uitleg van dit Goddelijke Woord. Het Woord is immers als een erfenis door God Zelf onherroepelijk aan Israël gegeven en blijft daardoor altijd het eigendom van Israël. Het is daarom een heilig, Goddelijk geïnspireerd en absoluut betrouwbaar en geloofwaardig boek!

God heeft het volk Israël beloofd, dat zij een erfdeel zullen ontvangen in de vorm van een bijzonder land: het land Kanaän. "Zeg derhalve tot de Israëlieten: Ik ben de HERE, Ik zal u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleiden, u redden van hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en onder zware gerichten. Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn, opdat gij weet, dat Ik, de HERE, uw God, het ben, die u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleid. En Ik zal u brengen naar het land, waarvan Ik gezworen heb het aan Abraham, Isaak en Jakob te zullen geven, en Ik zal het u geven tot een bezitting, Ik de HERE." (Exodus 6:6-8) Het woord "bezitting" is weer de vertaling van het Hebreeuwse woord morashah en betekent dus "erfdeel".

In Deuteronomium komen wij ook het Hebreeuwse woord nachalah, dat erfdeel, grondbezit (afgeleid van het werkwoord nachal, dat erven, verwerven) betekent. "Maar de HERE werd toornig op mij om uwentwil en Hij zwoer, dat ik de Jordaan niet zou overtrekken en in het goede land niet zou komen, dat de HERE, uw God, u tot een erfdeel geven zal." (Deuteronomium 4:21) "Omdat Hij uw vaderen heeft liefgehad en hun nakroost heeft uitverkoren, heeft Hij zelf u met zijn grote kracht uit Egypte geleid, om volken, groter en machtiger dan gij, voor u uit te verdrijven, om u in hun land te brengen en het u ten erfdeel te geven, zoals dit heden het geval is." (Deuteronomium 4:37,38)

God heeft in de tijd van de aartsvaders en kort daarna de erfenis verdeeld, die op dat moment uit twee delen bestond: het land en Zijn boek. Hij heeft beide delen aan Zijn volk Israël geschonken. Zoals de Bijbel nooit van Israël afgenomen mag en kan worden, zo mag en kan en mag het Bijbelse land nooit van hen afgenomen worden en moet de Gemeente (moeten de christenen) zich in gehoorzaamheid aan het Woord van God inzetten om Israël zowel zijn land als zijn boek te laten behouden. Het is hen door God geschonken. Wie wil met God strijden en het van Israël afnemen?

Stephanus bevestigde dit met de volgende woorden over het leven van Abraham, waarin hij zei, dat hoewel God aan Abraham het land beloofd had, het pas het bezit van Abrahams kinderen geworden is, waaruit blijkt, dat het recht op deze erfenis van de vader op zijn kinderen is overgegaan. "Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeen en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont; en Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs niet een voet, maar Hij beloofde het hem en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had." (Handelingen 7:4,5)

Paulus zei hetzelfde: "De God van dit volk Israel heeft onze vaderen uitverkoren en het volk verhoogd, toen zij bijwoners waren in het land Egypte, en Hij heeft hen met hoge arm daaruit gevoerd, en Hij heeft gedurende een tijd van omstreeks veertig jaren in de woestijn hun eigenaardigheden verdragen; en na zeven volken uitgeroeid te hebben in het land Kanaän, heeft Hij hun land hun ten erfdeel gegeven..." (Handelingen 13:17-19)

De Hebreeënbrief zegt het met de volgende woorden: "Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok, zonder te weten waar hij komen zou. Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die mede-erfgenamen (met Abraham) waren van dezelfde belofte..." (Hebreeën 11:8,9)
 

Het erfdeel van de christenen

Terwijl wij van het Joodse volk lezen, dat zij hier op aarde reeds hun erfdeel ontvangen hebben, is dat niet het geval met de christenen uit de heidenen. Wel is het wonderlijk om te mogen lezen, dat ook christenen erfgenamen zijn en een erfenis ontvangen.
 

Christenen zijn eveneens erfgenamen van God en zij zijn mede-erfgenamen van Christus.

"Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking. Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden." (Romeinen 8:14-18) "En, dat gij zonen zijt, God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader. Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God." (Galaten 4:6,7)

Realiseer u, dat wij hier gezien worden als geadopteerde kinderen van God. God had al twee "zonen". De Messias wordt op een heel bijzondere manier gezien als de Zoon van God, maar ook het volk Israël gold als een zoon van God. Zie Exodus 4:4.

De erfenis waar de Gemeente recht op heeft, is anders dan de erfenis van Israël. Hoewel wij dankbaar gebruik maken en mogen maken van de Bijbel, zijn de christenen niet "het volk van het boek". Dat is Israël. Ook hebben wij als christenen geen eigen land, ook al menen sommige christenen in Nederland, dat dit land zo ongeveer het Nieuw-Testamentische heilige land is. Wij hebben ook niet echt een eigen erfenis. Wij hebben een heel bijzondere erfenis. Wij hebben recht op ons erfdeel, omdat wij van de Here Jezus zijn. Wij delen in Zijn erfdeel. Paulus zegt het als volgt: wij hebben deel aan de heerlijkheid van de Here Jezus. De heerlijkheid die de Vader aan de Zoon schonk na Zijn opstanding uit de doden, is ook ons deel geworden. "Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen." (Galaten 3:29)

"In Hem (in de Here Jezus), in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid." (Ephese 1:11-14)

De erfenis die God wil uitdelen, kan Hij alleen uitdelen aan hen "die in Christus zijn", dat wil zeggen: alleen aan hen, die de Here Jezus als "Christus (=Messias)" aanvaard hebben en die daardoor "zonen van God" geworden zijn. Alleen zij, die Hem aanvaard hebben, zoals Jesaja 53 het zegt, hebben recht op de erfenis van God. Niemand anders krijgt verder iets!

Duidelijk blijkt nu, dat de aanwezigheid van de Heilige Geest in ons leven de garantie is, dat wij deel hebben aan de erfenis. Wij hoeven nooit te twijfelen of de Heilige Geest wel in ons leven is als wij geloven in de Here Jezus. Als de Here Jezus onze Heiland is, is de Heilige Geest ook in ons leven.
 

De erfenis van de Here Jezus wordt in Hebreeën 1:2 en 4 genoemd.

"Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, zoveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft." (Hebreeën 1:1-4)

Wat hier gezegd wordt, was in het Oude Testament al aangekondigd: "Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg. Ik wil gewagen van het besluit des HEREN: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. Dient de HERE met vreze en verheugt u met beving. Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!" (Psalm 2:6-12)

Hier worden twee zaken als erfenis van de Messias van Israël genoemd: Hij zal niet alleen Koning worden over het volk Israël, maar over alle volken op aarde. Hij zal niet alleen de heerschappij krijgen over het land van Israël, maar over alle landen op aarde. Hoewel de Here Jezus erfgenaam is, heeft Hij de erfenis nog niet ontvangen.

Nu voegt de Hebreeënbrief hieraan toe, dat Hij niet alleen als erfenis dit Koningschap en deze heerschappij zal krijgen, maar dat Hij als erfdeel ook een heel bijzondere Naam en titel van God zal erven. De Naam die Hij van God gekregen heeft is: "DE ZOON". Met deze Naam wordt Zijn heel bijzondere relatie tot de Vader getoond. De titel die Hij van God gekregen heeft is: "HEER". Hoewel de Here Jezus van oudsher als "de Zoon" in de Bijbel beschreven wordt (Psalm 2:7,12), is deze Naam pas echt van grote betekenis geworden, toen Hij na Zijn opstanding uit de doden door de Vader verheerlijkt werd. En hoewel Hij van oudsher ook als "Heer" in de Bijbel beschreven wordt (Psalm 110), is deze titel pas echt van grote betekenis geworden na Zijn opstanding uit de doden.
 

De erfenis die de christenen ontvangen is niet materieel, zoals bij Israël, maar geestelijk.

"Hij heeft ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil." (Ephese 1:5) Wij zijn niet van nature, door geboorte "zonen van God", maar wij zijn het omdat God ons als Zijn kinderen geadopteerd heeft. Eerst had God Israël geadopteerd (Romeinen 9:4) en daarna heeft God ook de gelovigen uit de heidenen geadopteerd.

Hoewel de erfenis pas bij Jezus' wederkomst volledig effectief wordt, zijn wij nu reeds erfgenamen en weten wij, dat de erfenis ons niet ontgaan zal. Wij zijn al erfgenamen, maar de grote erfenis van Jezus' heerlijkheid moet nog verdeeld worden. "Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid." (Colossenzen 3:4)

De apostel Paulus vertelt, dat hij dagelijks voor de gelovigen bidt, opdat zij zullen weten hoe rijk zij zijn in Christus en zullen weten wat de erfenis inhoudt. "...u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen uws harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen." (Ephese 1:16-18) "Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht." (Colossenzen 1:9-12)

De erfenis die ons wacht bestaat uit de volgende onderdelen: Dezelfde naam als de Here Jezus: zoon van God. Dezelfde titel als Hij: christen, volgeling van de Christus (Messias). De hemelse heerlijkheid met alle zegeningen die in de hemel aanwezig zijn. Het eeuwige leven.

Christenen moeten zich bewust zijn, dat de erfenis niet slechts een persoonlijke zaak is, maar een erfenis is, die de gehele christenschare betreft.

Zoals geen enkele Jood in zijn eentje kan zeggen, dat hij eigenaar is van het heilige land of van het heilige boek, zo kan ook geen christen zeggen, dat hij in zijn eentje eigenaar is van de erfenis. De erfenis is het deel van de totale Gemeente van de Heer. Als je hoort bij Zijn Gemeente, dan is de erfenis ook jouw deel.

"Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen uws harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen." (Ephese 1:15-18)

Bij zijn afscheid van de oudsten te Ephese zei Paulus: "En nu, ik draag u op aan de Here en het woord zijner genade, aan Hem, die bij machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden." (Handelingen 20:32)

In het verslag van de gebeurtenissen bij zijn reis naar Damascus, vertelde Paulus het volgende aan koning Agrippa: "En toen ik onder die omstandigheden naar Damascus reisde met volmacht en opdracht der overpriesters, zag ik, o koning, midden op de dag onderweg een licht, schitterender dan de glans der zon, van de hemel mij en hen, die met mij reisden, omstralen; en toen wij allen ter aarde vielen, hoorde ik een stem tot mij spreken in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Het valt u zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan. En ik zei: Wie zijt Gij, Here? En de Here zei: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar richt u op en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen om u aan te wijzen als dienaar en getuige daarvan, dat gij Mij gezien hebt en dat Ik aan u verschijnen zal, u verkiezende uit dit volk en de heidenen, waarheen Ik u zend, om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij." (Handelingen 26:12-18)

Aan de gelovigen te Colosse schreef Paulus: "Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht." (Colossenzen 1:11,12)

Hoewel het velen niet opvalt, maakt de Bijbel onderscheid tussen heiligen en geheiligden. Wij hebben de woorden "heiligen" en "geheiligden" onderstreept, in de hoop, dat het u zal opvallen. Waarom maakt de Bijbel dit onderscheid en wat wordt ermee bedoeld? Het blijkt, dat met de "heiligen" de volgenden bedoeld worden: de gelovigen uit de heiden, terwijl met de "geheiligden" bedoeld worden: de gelovigen uit Israël. De Bijbel zegt nu, dat de heiligen (de gelovigen uit de heidenen) ook een deel van Gods erfenis krijgen en dat dit deel zich bevindt bij de geheiligden (de gelovige Joden). Christenen moeten zich bewust zijn, dat zij hun erfdeel krijgen bij het erfdeel van Israël.

Christenen moeten weten, dat terwijl Israël het erfdeel hier en nu reeds verkregen heeft, wij dienen te wachten, omdat wij het pas in de hemel verkrijgen.

"Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd." (1 Petrus 1:3-5)

Wat wacht ons als wij in de hemel aankomen? Wij noemen een paar feiten en raden u aan, zelf er eens over na te denken, of u ook iets kunt bedenken.

1. Wij krijgen de verlossing van ons lichaam, waarbij wij een verheerlijkt lichaam zullen ontvangen. Zie Philippenzen 3:20,21
2. De verlossing en daarmee de definitieve verbreking van de relatie met de zonde wacht ons daar. Zie Ephese 1.
3. Wij krijgen er een hemels huis, door de Here Jezus voor ons bereid. Zie Johannes 14:1-3; 2 Corinthe 5:1.
4. Er is nog veel meer, maar alles is nog niet geopenbaard. Zie 1 Johannes 3:2.
 

BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2010 Stichting Het Licht des Levens