BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Artikelen

printversie
De rechterstoel van Christus

Zodra wij nadenken over de rechterstoel van Christus, blijkt, dat dit bij een aantal christenen aversie oproept. Zij kunnen niet geloven, dat wat de Bijbel erover meedeelt, echt van God is en dat wij het moeten lezen zoals het er staat. Zij willen, ja zij eisen het bijna, dat er een andere uitleg aan gegeven wordt, ook al weten zij zelf niet welke uitleg eraan gegeven dient te worden. Het feit, dat deze zaak voor een aantal christenen haast onverteerbaar is, mag niet betekenen, dat wij er daarom maar over zwijgen en wij naar deze christenen luisteren en niet naar het Woord van God.
 

De Bijbel kent verschillende oordelen

De rechterstoel is één van vier bijzondere oordelen die in de Bijbel beschreven worden. Deze oordelen zijn:

Het oordeel dat indertijd over de Here Jezus gekomen is, toen Hij, beladen met onze zonden, aan het kruis hing en daar de God verlatenheid onderging en zo de straf droeg in onze plaats. Deze straf is eens en voor altijd gedragen. Wie gelooft in de Here Jezus kan nooit meer op deze wijze veroordeeld worden en verloren gaan. Wie gelooft, heeft dit oordeel "achter zich". (Johannes 5:24; 2 Corinthe 5:21; Galaten 3:10-13)

Voor de rechterstoel zal dus niet gaan over de vraag of zij die daar staan verloren of behouden zijn. Veel christenen zijn bang, dat ze in het laatste oordeel alsnog afgewezen zullen worden. Dat kan niet. Het oordeel van de christenen is reeds door de Here Jezus gedragen en God kan hetzelfde oordeel, hetzelfde vonnis niet twee keer laten uitvoeren. Voor de gelovige geldt, dat de straf gedragen is en dat hij voor eeuwig behouden is. Dit betekent echter niet, dat er nu helemaal geen oordeel meer is en dat er ook geen oordeel over zijn levenswandel zou zijn, waarbij het niet gaat om de vraag of hij wel of niet in de hemel mag komen, maar om de vraag hoe hij in de hemel zal zijn!

Het oordeel dat aan het eind der tijden, voordat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen, voltrokken zal worden over alle ongelovigen, vóórdat zij naar de plaats van hun eeuwige straf, de hel, gezonden worden. Dit is het oordeel voor de grote witte troon. Hier zullen alleen ongelovigen verzameld zijn. Geen gelovige zal in dit oordeel verschijnen. Geen gelovige zal dit verschrikkelijke moment meemaken. Naast het feit, dat het in dit oordeel zal gaan om een veroordeling, waarbij alle ongelovigen tot de hel veroordeeld zullen worden, zal het ook gaan, om de mate van straf, die zij in de hel zullen ondergaan. De straf zal voor de één in de hel namelijk zwaarder zijn dan voor de ander (zie Mattheus 10:15; 11:22,24). Voor dit oordeel zie Openbaring 20:11-15, vgl. Johannes 5:24.

Het oordeel over de volken, die Israël, God en de Messias - dus: de Here Jezus - vijandig gezind waren. Dit oordeel kom aan het eind van de grote verdrukking en het begin van het Messiaanse vrederijk. Zie Mattheus 25:31-46.

Zoals het oordeel voor de grote witte troon alleen voor ongelovigen bestemd is, zo kent de Bijbel ook het oordeel voor de rechterstoel van Christus, waar alleen gelovigen verzameld zijn en waar het niet zal gaan om de vraag of zij verloren of behouden zijn, want zij zijn allemaal behouden, maar waar het zal gaan om de vraag welk loon zij zullen krijgen in de hemel. Zoals voor de grote witte troon naast het vonnis, dat zij die daar staan voor eeuwig verloren zijn, er ook onderscheid zal zijn in de mate van straf, zo zal er voor hen die behouden worden, ook onderscheid, verschil zijn in de mate waarin zij loon zullen ontvangen. Dit oordeel zal plaats hebben nadat de Here Jezus zal zijn wedergekomen om Zijn Gemeente te brengen in het eeuwig Vaderhuis met de vele woningen.
 

Het oordeel bij de rechterstoel

In de Romeinenbrief hebben wij de eerste verwijzing naar deze rechterstoel. Paulus schrijft hier: "Want niemand onzer leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren. Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij en over doden en over levenden heerschappij voeren zou. Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder? Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods. Want er staat geschreven: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven. Zo zal dan een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven aan God." (Romeinen 14:7-12)

Hier gaat het over het oordeel voor de rechterstoel van Christus, waar dus alleen gelovigen verzameld zullen zijn. Hier komen alleen gelovigen en hier komen alle gelovigen; niemand van de gelovigen uitgezonderd! Zoals er voor de ongelovigen verschil zal zijn in de mate waarin zij gestraft worden, zo zal er voor de gelovigen in de hemel verschil in mate van beloning zijn, niet afhankelijk van hun geloof of van de mate van hun geloof, maar afhankelijk van hun levenswandel. Bij dit oordeel gaat het dus niet zozeer om de vraag, welke zonden wij als gelovigen nog gedaan hebben, maar om de vraag, hoe ons leven als gelovige geweest is.

Hier, bij de rechterstoel, worden onze zonden en onze verkeerde levenswandel openbaar, voor zover wij deze niet aan God beleden hebben! De zonden die wij beleden hebben zijn voor altijd weggedaan. "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid." (1 Johannes 1:9) Bij de rechterstoel gaat het dus niet om de zonden en de ontrouw die wij beleden hebben, maar om de zaken die wij juist niet beleden hebben!

Het woord "rechterstoel" is de vertaling van het Griekse woord "bema" . Het wood bema kan op verschillende manieren vertaald worden. Oorspronkelijk betekende het "een plaats om je voet neer te zetten", zoals het in Handelingen 7:5 bedoeld wordt "...en Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs niet een (plaats om zijn) voet (neer te zetten), maar Hij beloofde het hem en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had." Het kan wijzen op een verhoging, een preekstoel, een platform, maar het kan ook wijzen op de plaats waar een rechter gezeten is. Zo wordt het in de Bijbel gebruikt voor de plaats waar Pilatus gezeten was toen Hij vonnis velde (Mattheus 27:19; Johannes 19:13; Handelingen 18:12,16,17; 25:6,17). In Handelingen 12:21 is het woord bema als "troon" vertaald. In Handelingen 25:10 is het als "rechtbank" vertaald. In Romeinen 14:10 wijst het naar de plaats in de hemel waar de Here Jezus als rechter zal zitten om vonnis te vellen over de levens van Zijn volgelingen.

Voor de betekenis van wat hier bedoeld wordt, moeten wij kijken naar de manier waarop in de tijd van de Bijbel de rechtspraak in Israël geregeld was. Uitgangspunt bij de rechtspraak was, zoals Abraham eens gezegd had, dat God Zelf als Koning van het heelal de grote rechter van de ganse aarde was (Genesis 18:25). Dit werd in de loop der tijden op verschillende manieren bij het volk Israël gestalte gegeven. Eerst was het Mozes alleen die de rechter van het gehele volk was (zie Exodus 18:13 v.v.). Later kreeg hij assistentie van een aantal oversten. Toen er eenmaal een koning over het volk aangesteld was, was hij tevens de hoogste rechter over het volk. Deze koningen konden in hun eigen paleis rechtspreken, maar ook kon er rechtgesproken worden op de pleinen of in de poorten van de stad. Rechtszaken vonden dus niet in besloten kring, achter gesloten deuren, plaats, maar in het openbaar. Iedereen mocht getuige zijn van wat er gebeurd was. Elke misdadiger stond dus in het openbaar terecht. Dat was misschien wel de grootste vernedering: je stond publiekelijk voor schut.

Koning Josafat merkte dat het niet voldoende was dat er slechts één rechter over het gehele volk aangesteld was. Hij zorgde er voor, dat in alle steden rechtbanken, "Raden" aangesteld werden, die over geestelijke- en materiële zaken beslissingen dienden te nemen. Zo kreeg elke stad zijn eigen Raad, dat is: zijn eigen Sanhedrin. In Jeruzalem was het Hooggerechtshof, het grote Sanhedrin, de Hoge Raad, dat wij kennen uit de tijd van Kajafas, die als hogepriester de president van het Sanhedrin was. In die tijd bestond de Hoge Raad in Jeruzalem uit 70 mensen en de plaatselijke rechtbanken, de kleine Sanhedrins uit 23 leden.

Hier hebben wij de achtergrond van het woord bema, rechterstoel. Het maakt ons duidelijk, dat alle gelovigen eens voor de hemelse rechtbank zullen verschijnen en zich daar zullen moeten verantwoorden van hun levenswandel. Alle verkeerde gedachten, alle verkeerde daden, alle verkeerde woorden die niet met berouw aan de Heer beleden zijn, zullen daar openbaar gemaakt worden. Zoals Paulus het beschrijft, lijkt het erop, dat wij niet één voor één in een besloten vergadering ter verantwoording geroepen zullen worden, maar dat er een grote rechtszaak zal zijn, waar alle gelovigen tegelijkertijd zich zullen dienen te verantwoorden. Het zal dan een openbare rechtszitting zijn, waarbij wij getuigen zullen zijn van elkaars slordige levenswandel en ontrouw aan onze Heer. Wij zullen getuigen zijn van elkaars eigenzinnigheid, van liefdeloosheid, van wat wij gestolen hebben, van oneerlijkheid, van kwaadwilligheid, van kwaadaardigheid, van loslippigheid, van onreine gedachten, van valse beschuldigingen, van alles wat je maar aan verkeerds van een christen kunt bedenken. Het zal allemaal openbaar worden. U zult horen wat anderen allemaal verkeerd deden en anderen zullen horen wat u allemaal verkeerd deed.

Duidelijk blijkt uit wat Paulus in Romeinen 14:7-12 schrijft, dat wij als gelovigen niet voor onszelf, voor ons eigen plezier mogen leven, maar voor de Heer. De Heer heeft er recht op, omdat Hij Zijn leven voor ons gegeven heeft. Hij wil ons leven leiden besturen. Hij wil dat wij ons onderwerpen aan Zijn heilige wil. Wij mogen niet leven volgens eigen gedachten en gevoelens, maar alleen zoals Hij het wil. Wij moeten Hem in onze levenswandel verheerlijken en dienen. Doet iedere christen dit? Neen. Daarom zullen alle christenen eens op dit punt beoordeeld worden. Als alle knie zich onder het oordeel van God zal buigen, geldt dit ook de christenen, ook al zal hun oordeel op een andere plaats met een ander doel en een ander resultaat plaats vinden, dan het oordeel over de ongelovigen.

De tweede verwijzing hebben wij in de tweede brief van Paulus aan de Corinthiërs. Hier schrijft hij: "Maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen. Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Daar wij dan weten, hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen; voor God echter is ons bedoelen openbaar en, naar ik hoop, is het ook in uw geweten openbaar." (2 Corinthe 5:8-11)

Hier wijst Paulus op de consequentie van onze reis naar de hemel. Eerst heeft hij in dit hoofdstuk erop gewezen, dat het verschil tussen hemel en aarde het verschil is als tussen een huis en een tent en dat het daarom een heel bijzondere ervaring zal zijn, als wij in de hemel aankomen. Vervolgens wijst hij erop, dat wij - als reizigers naar de hemel - ons wel erop dienen voor te bereiden en zo moeten leven, dat onze Heer met vreugde naar ons kan kijken. Wij moeten Hem welgevallig leven. Wij moeten doen wat Hij wil, niet wat wijzelf willen of prettig vinden. Dan zullen de gelovigen "loon" ontvangen voor wat zij tijdens hun leven op aarde gedaan hebben, goed of kwaad. Als zij geleefd hebben zoals de Heer dit wilde, zullen zij positief loon ontvangen en als zij geleefd hebben zoals zijzelf wilden, zullen zij negatief loon ontvangen, zo blijkt uit 1 Corinthe 3.

Het gaat hier niet om goedkope adviezen en zaken, die wij als gelovigen gewoon naast ons neer kunnen leggen. Paulus wijst erop, dat wij weten hoezeer de Heer te vrezen is! De Statenvertaling geeft deze gedachte weer met de volgende woorden: "Wij dan, wetende de schrik des Heeren..."
 

Het vonnis wordt geveld

De apostel Paulus heeft over dit onderwerp ook al in de eerste brief aan de Corinthiërs geschreven: "Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt. Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt. Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen. Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro, ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken. Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen. Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig! Laat niemand zichzelf misleiden! Indien iemand onder u meent wijs te zijn in deze tijd, hij worde dwaas, om wijs te worden." (1 Corinthe 3:10-18)

Paulus schrijft hier over "de dag". Hij schrijft aan en over gelovigen. Dit betekent, dat hij het niet heeft over "de dag des Heren" die als een gesel van God over de wereld zal komen. Die dag die over de wereld komen zal, zal de tijd van de grote verdrukking zijn, waarbij de oordelen van God op aarde over de Gode vijandige volken zullen komen. Nu schrijft Paulus over de gelovigen en over de dag die de dag van de Heer met hen zal zijn. Dat is de dag waarop de Here Jezus wederkomt voor Zijn Gemeente. Nadat Hij de Zijnen in de hemelse heerlijkheid gebracht heeft, zal eerst plaats vinden, wat Paulus elders beschreef als het geplaatst worden voor de rechterstoel van Christus.

De apostel Paulus maakt duidelijk, dat het hier alleen over gelovigen gaat. Zij hebben immers allen het zelfde fundament: de Here Jezus. Zij hebben echter verschillend geleefd. De één heeft een goede kennis van de Bijbel, de ander heeft weinig of geen belangstelling voor het Woord van God gehad. De één heeft een mooi gebedsleven gehad, de ander heeft niet veel tijd genomen om met God te spreken. De één heeft trouw de opdrachten uit de Bijbel gehoorzaamd, de ander wilde zelf wel uitmaken hoe hij leven zou. De één heeft een geestelijke levenswandel gehad, de ander een vleselijke. De één heeft meegewerkt aan de opbouw van de gemeente, de ander heeft meer afbreuk aan de gemeente gedaan. De één heeft een positieve, opbouwende plaats in de gemeente ingenomen, de ander heeft een negatieve, kritische, afbrekende plaats in de gemeente ingenomen.

Het trieste is, dat allebei de soorten christenen menen, dat zij het bij het rechte eind hebben. Daar waar christenen elkaar bekritiseren en veroordelen, vergeten zij, dat de Heer gezegd heeft, dat wij elkaar niet mogen oordelen, dat wij het oordeel aan Hem moeten overlaten en dat wij geen kritische opmerkingen over elkaar mogen maken. Niemand is geestelijk genoeg om een ander te mogen veroordelen. Wij mogen geen verdeeldheid zaaien en niet uit zijn op twist en tweedracht. Wij moeten in liefde de eenheid zoeken en elkaar juist de hand reiken.

Met nadruk wijst Paulus er op een vragende manier op, dat wij niet mogen vergeten, dat wij allen de tempel van de Heilige Geest vormen. De broeder die veel werk verricht in de gemeente is net zoveel een bouwsteen in de geestelijke tempel als de broeder die weinig of geen werk verricht. Zoals het oog niet tegen de hand mag zeggen, dat hij minder belangrijk is, dus een minder belangrijk werk verricht, zo mag het ene gemeentelid het andere niet verwijten, dat zo iemand te weinig voor de Heer doet. Dat oordeel weigert God aan mensen uit handen te geven. Dat eist Hij voor Zichzelf op!

Meerdere keren wordt in de Bijbel verboden een ander te bekritiseren, te oordelen. De Here Jezus zei: "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt; want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, en met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden. Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet? Hoe zult gij dan tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, terwijl, zie, de balk in uw oog is? Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen." (Mattheus 7:1-5; zie ook Romeinen 2:1)

Zeer ernstig klinkt de waarschuwing van Paulus, dat er gelovigen zijn, die op de één of andere wijze de gemeente als tempel van God schade toebrengen (1 Corinthe 3:17). Wie een gevaar is voor de eenheid of voor het voortbestaan van de gemeente van de Heer, zal door God Zelf te gronde gebracht worden. Paulus vermeldt er niet bij, of dit tijdens het leven op aarde van zo'n mens zal zijn, of na de wederkomst van de Heer voor de rechterstoel van Christus. Met deze gemeente als tempel van de Heer wordt niet alleen de grote universele Gemeente als Lichaam van Christus bedoeld, maar ook iedere plaatselijke gemeente, die daarvan een beeld is. God ziet de gemeente als een heilige gemeente. De gelovigen zijn Zijn kinderen. Hij duldt niet, dat mensen kritiek op andere kinderen Gods hebben. Dit zal Hij zwaar bestraffen. Dat zullen deze gelovigen merken, als zij voor de rechterstoel van Christus staan en zien, dat misschien juist die door hen verguisde medegelovigen de één of andere beloning van de Heer krijgen en zijzelf schade zullen lijden. Dan zal daar openbaar worden, waarom zij schade lijden. Dan zullen ook zelfs mensen die op aarde golden als grote heiligen door de Heer ontmaskerd worden. Hiermee bedoelen wij natuurlijk niet, dat alle grote heiligen in feite onheiligen waren. Dat begrijpt u hopelijk.

In dit kader wijst de apostel Petrus op iets anders, dat hier niet vergeten mag worden. Hij schrijft: "Want indien zij, aan de bezoedelingen der wereld ontvloden door de erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus, toch weer erin verstrikt raken en erdoor overmeesterd worden, dan is hun laatste toestand erger dan de eerste. Het zou immers beter voor hen geweest zijn, geen kennis verkregen te hebben van de weg der gerechtigheid, dan met die kennis zich af te keren van het heilige gebod dat hun overgeleverd is. Hun is overkomen, wat een waar spreekwoord zegt: Een hond, die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel, of: een gewassen zeug naar de modderpoel." (2 Petrus 2:20-22) De NBV geeft dit heel typerend weer: "En als zij die zich door hun kennis van onze Heer en redder Jezus Christus hebben losgemaakt van het vuil van de wereld, daar weer in verstrikt raken en er opnieuw door worden beheerst, zijn ze er erger aan toe dan voorheen. Het was beter voor hen geweest de weg van de rechtvaardigheid nooit gekend te hebben dan die weg wel te kennen, en zich vervolgens af te wenden van het heilige gebod dat hun is overgeleverd. Op hen is het spreekwoord 'Een hond keert terug naar zijn eigen braaksel' volledig van toepassing, of 'Een gewassen zeug rolt al snel weer door de modder'."

Onze levenswandel zal dan "als door vuur" getest, beproefd worden. Zoals vuur blijvende en niet blijvende materialen test, zo zullen daar onze werken getest worden. Dit betekent niet, dat er echt zo'n vuur in de hemel is en dat onze werken in een echt vuur geworpen zullen worden. Het is een beeld, dat duidelijk wil maken, dat zoals edele materialen in het vuur niet verteren, onze goede levenswandel als edelmetaal uit het vuur zal komen, terwijl onze onjuiste levenswandel als brandmateriaal zal verteren.

Paulus geeft een voorbeeld van een bezoek aan een edelsmid. Hij vergelijkt de rechterstoel met een bezoek aan een edelsmid. Het is alsof wij allemaal op bezoek gaan bij zo'n edelsmid. De één doet bij de edelsmid zijn tasje open en haalt er een klompje goud uit. De edelsmid werpt het klompje goud in het vuur. Het smelt en het vuil komt boven drijven. Hij haalt het weg en laat het goud afkoelen. Wij hebben nu zuiver goud. Zo ook doet hij met degene die uit zijn tas een klompje zilver haalt. Dan komt er iemand, die uit zijn tas een stukje hout pakt en het aan de edelsmid geeft, die het in het vuur werpt. Het wordt heet en verbrandt. Er blijft alleen maar vieze as over. Zo ook bij degene die met hooi komt. Wie goud en zilver brachten houden zuiver goud en zuiver zilver over. Wie met hout of stro kwamen, houden niets dan vuile handen over... Zo zal het straks ook gaan met onze geestelijke bagage als wij voor de rechterstoel komen.

Paulus schrijft: "Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen." (1 Corinthe 3:14,15 NBV) Als wij blijvende werken hebben, zullen wij loon ontvangen. Hiermee in overeenstemming zijn de woorden uit 2 Johannes :8 "Let op uzelf, dat gij niet verliest wat wij verricht hebben, maar uw loon ten volle ontvangt." Dit is ook in overeenstemming met de woorden van de Here Jezus uit de gelijkenis, dat wie getrouw geweest is, loon zal ontvangen (Mattheus 25:21 en Lucas 19:17). Als wij niet-blijvende werken hebben, zullen wij schade lijden. Dat betekent niet, dat die mens toch nog verloren gaat. Het betekent, dat hij geen loon zal krijgen en openbaar wordt in de hemel als een mens-zonder-loon.

Als wij deze zaak toepassen op de huidige tijd, dan zou je kunnen zeggen, dat de mensen met hout en hooi, die dus wel wat meebrengen - het heeft alleen geen waarde voor de Heer - te vergelijken zijn met de christenen, die misschien heel enthousiast allerlei dingen voor de Heer doen, die de Heer niet van hen vraagt. Ook kunnen het mensen zijn, die een eigen levenswandel gekozen hebben en er "een goed gevoel" bij hebben. Hun gevoel zegt hen, dat het wel goed zit. Nu denken zij, dat de Heer wel tevreden met hen zal zijn. Zij missen echter de gehoorzaamheid! Wij moeten niet leven, zoals wij menen, dat het moet, maar zoals de Heer het in Zijn Woord ons opgedragen heeft. Wij moeten ook geen werk voor Hem doen, wat Hij niet van ons vraagt! Wij moeten leven en werken naar Zijn wil.

Sommige christenen zijn bewust met een ongelovige getrouwd, hoewel zij wisten dat de Heer het verboden had, maar ze hadden er een goed gevoel over. Sommige christenen hebben overspel gepleegd, hoewel zij wisten, dat de Heer het verboden had, maar zij meenden, dat het zo erg niet kon zijn. Sommige christenen hebben hun karakter niet laten bijschaven door de Heilige Geest. Zij dachten, dat zij goed genoeg waren voor de Heer, want, zo zeiden zij "Hij neemt je toch zoals je bent...?" Sommige christenen werkten niet mee in hun gemeente, want ze meenden dat er al genoeg mensen aan het werk waren. Sommige christenen deden mee met de geestelijke tijdgeest en zochten predikers, die leerden, dat je alles kunt krijgen van God als je maar positief bent en positief denkt en het duidelijk in je gebed tegen God zegt. Sommige christenen vroegen zich niet meer af, wat zij voor de Heer moesten doen, maar keken naar wat Hij voor hen kon doen.
 

Wij krijgen loon of lijden schade

De Bijbel schrijft over verschillende kronen: 1.de onvergankelijke kroon, voor wie in de geestelijke strijd de overwinning behaalt, 1 Corinthe 9:25. 2.de kroon der rechtvaardigheid, voor wie de verschijning van de Here Jezus hebben liefgehad, dat is, voor wie uitgekeken hebben naar Zijn wederkomst, 2 Timotheus 4:8, vgl. Openbaring 3:11. 3.de kroon des levens, voor wie in de verzoeking volhard heeft en trouw gebleven is en de proef dus doorstaan heeft, Jacobus 1:12; Openbaring 2:10. 4.de kroon der heerlijkheid, voor wie als dienaar van Christus op een goede wijze, als een voorbeeld voor de gelovigen, de gemeente geleid heeft, 1 Petrus 5:4.

Veel christenen zullen door de Heer beloond worden voor dat wat zij op aarde voor Hem gedaan hebben. Mogelijk zullen velen van hen zich niet eens bewust zijn geweest, dat zij iets belangrijks voor de Heer deden, maar de Heer had het gezien en Hij gaat hen ervoor belonen. Het zal zijn als met de mensen uit de gelijkenis die als het ware Hem in ziekenhuis en gevangenis bezocht hadden en er nu voor geprezen en bedankt worden door middel van een bijzonder teken, dat zij in de hemel zullen dragen.

Openbaring 4:10 vertelt, dat de 24 oudsten, die ook kronen hebben, deze kronen eens aan de voeten van de Here Jezus zullen nederwerpen. Misschien zullen wij dat ook nog eens doen. Wat zal dat een bijzonder moment zijn!

Er zullen ook mensen zijn, die geen kroon zullen krijgen. "Geen kroon" lijkt op "niet goed en niet fout", maar dat zal het niet zijn. Dan zal blijken, dat er geen neutraliteit zal zijn. "Niet goed" zal dan betekenen: "Fout". Terwijl de ene mens op een bijzondere wijze door de Heer beloond zal worden, zal deze mens "schade lijden". Het Griekse woord dat bij ons in 1 Corinthe 3:15 vertaald is als "schade lijden", wordt in de Bijbel ook vertaald met "verliezen". Zo ook vertaalt het Boek het met "verlies lijden". De Groot Nieuws Bijbel zegt, "dat hij de schade zal moeten dragen." Het kan ook vertaald worden als "straf krijgen". De NBV zegt, dat hij "de prijs zal (moeten) betalen." Palm: "Hij zal het loon missen." Terwijl de één in de hemel positief loon zal krijgen, dat als het ware op zijn geestelijke rekening zal worden bijgeschreven, zal de ander negatief loon krijgen, dat als een verlies op zijn rekening wordt bijgeschreven. Hij komt te kort.

Terwijl de Bijbel wel op een bepaalde manier duidelijk maakt, wat het verschil in loon zal zijn, nl. verschillende soorten kronen, wordt niet gezegd wat het verschil in schade zal zijn. Het betekent niet het verlies van je plaats in de hemel. Het zal mogelijk betekenen, dat je niet geschikt bent om eens met Christus te heersen en dat je een ondergeschikte plaats in de hemel zult moeten innemen.

Maar hij is niet verloren! Zelfs als iemands werk verbrandt en hij schade zal lijden, zal hij toch niet verloren gaan. "Doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen." (1 Corinthe 3:15)

Het gaat hier niet om zaken, die wij als gelovigen gewoon naast ons neer kunnen leggen. Paulus wijst erop, dat wij weten hoezeer de Heer te vrezen is! De Statenvertaling geeft deze gedachte weer met de volgende woorden: "Wij dan, wetende de schrik des Heeren..."

Wandel daarom op de wegen van de Heer en laat Hem u leiden!
 

BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2010 Stichting Het Licht des Levens