BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Artikelen

printversie
Wie heeft recht op het land Israel?



Genesis 12:1-3

Feest in Israël bij het 60 jarig bestaan van Israël. Een ramp noemen de Palestijnen het feit dat de staat Israël nu al 60 jaar bestaat. De stichting van de staat in 1948 noemen zij “de nakba”, “de ramp”, “de catastrofe”. Het zal duidelijk zijn, dat veel Joden heel blij zijn met de staat Israël, zodat zij het gevoel hebben, toch ergens bij te horen. Minder bekend is, dat er ook veel Arabieren die in Israël wonen, niet graag naar Palestijns gebied zouden willen verhuizen. Ook willen zij hun Israëlische paspoort en Israëlisch burgerschap niet graag kwijt. Ze zijn Arabieren, maar met hart en ziel ook inwoner van Israël.

Het is bekend hoe Gretta Duisenberg aankijkt tegen Joden en Palestijnen en de Joodse staat. Er zijn echter ook Joden die de mening van Gretta Duisenberg lijken te delen.

Boek

Onbegrijpelijk is het dat in 2008 de historicus Chris van der Heijden een boek schreef dat hij de titel meegaf: “Israël, een onherstelbare vergissing”. Hij meent dat de stichting van de staat Israël een vergissing is die niet meer rechtgezet kan worden. De Joden zijn in zijn ogen zó slecht, dat ze zelfs na 1948 de Palestijnen wilden uitroeien. Chris van der Heijden vindt, dat Israël de Palestijnen een schadeloosstelling dient te verstrekken. Hij schrijft echter niet over het feit, dat de Arabieren ook aan de Joden een schadeloosstelling zouden kunnen geven, omdat in de Onafhankelijkheidsoorlog van 1948 maar liefst 600.000 Joden uit Arabische landen naar Israël moesten vluchten, waarbij zij al hun bezittingen en rijkdommen bij de Arabieren moesten achterlaten.

In de ogen van veel gelovigen was de stichting van de staat Israël niet de grootste vergissing, maar was de grootste vergissing de beslissing van de Arabische Palestijnen, die op het zelfde ogenblijk een staat aangeboden kregen en hem geweigerd hebben.

Hoe moet onze houding hierin zijn? Wat vertelt de Bijbel over dit land en de rechtmatige eigenaars? Als wij kijken naar wat de Bijbel zegt, houden wij ons niet bezig met politieke motieven, maar met Goddelijke motieven.

De stichting van de Staat Israël in 1948 wordt op verschillende manieren bezien.

De oorsprong van de staat Israël: Abraham

Waar ligt de bron van het ontstaan van de staat Israël? Die ligt een kleine 4000 jaar in het verleden bij het moment dat God een man in de stad Ur duidelijk maakte, dat hij naar een ander land moest reizen om daar te gaan wonen.

“De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken, Ik zal je zegenen, Ik zal je aanzien geven, een bron van zegen zul je zijn. Ik zal zegenen wie jou zegenen, wie jou bespot, zal Ik vervloeken. Alle volken op aarde zullen wensen gezegend te worden als jij.’” (Genesis 12:1-3) Het laatste kan ook vertaald worden als “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.” (NBG)

Wat zien wij? In de eerste plaats: alles begint bij en met God!

1. God geeft Abraham opdracht naar een ander land te gaan. God Zelf zal hem duidelijk maken welk land dit is. Later blijkt, dat dit het land Kanaän is.

2. God belooft dat Abrahams nakomelingen tot een groot volk zullen worden.

3. God belooft, dat Abraham en zijn nakomelingen een grote zegen van God zullen ontvangen.

4. God belooft dat mensen en volken die Abraham en zijn nakomelingen zegenen, door God gezegend zullen worden, maar dat mensen die Abraham en zijn nakomelingen vloeken, zelf door God vervloekt zullen worden.

5. God kondigt aan, dat de andere volken op aarde jaloers zullen zijn op Abraham en zijn nakomelingen.

God heeft deze belofte herhaald:
“Ik sluit een verbond met jou en met je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond: Ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen. Heel Kanaän, het land waar je nu als vreemdeling woont, zal Ik jou en je nakomelingen voor altijd in bezit geven, en Ik zal hun God zijn.’” (Genesis 17:7,8)

1. De belofte is niet alleen voor Abraham, maar ook voor al zijn nakomelingen.

2. Het is een eeuwigdurend verbond. God Zelf maakt duidelijk, dat het verbond nooit herroepen kan worden en nooit herroepen zal worden. God maakt ook duidelijk, dat het verbond gaat tot in de eindtijd.

3. God maakt duidelijk, dat Hij Zich verbindt aan Abraham en zijn nakomelingen als hun God. Er zal een heel bijzondere relatie zijn tussen God en Abraham en zijn nakomelingen.

4. In dit verbond schenkt God het hele land Kanaän aan Abraham en zijn nakomelingen. Wij zullen nog zien, dat hiermee alleen Israël bedoeld wordt. God belooft niet voor slechts een beperkte tijd het gehele land aan Israël, maar voor altijd. Het hele land Kanaän is door God als een geschenk uitsluitend aan het volk Israël gegeven! Verschillende gebieden waar nu Palestijnen wonen en waar deze Palestijnen dit land als hun eigendom claimen, zijn dus door God ook aan Israël gegeven. Ook al wonen er Palestijnen - deze Palestijnen hebben geen eigendomsrecht op dat gebied!

5. We hebben hier het woord dat God Zelf gegeven heeft. Hier heeft God Zelf uitspraak gedaan in een kwestie waar de volken zich het hoofd over breken. Deze uitspraak heeft God gedaan in de vorm van een verbond. Let op dat het een eenzijdig verbond is. Het is een verbond waarin God geen voorwaarden aan Abraham en zijn nakomelingen stelt. God zegt niet, dat Hij het verbond zal houden als Abrahams nakomelingen zich aan de gemaakte afspraken zullen houden. Er worden geen voorwaarden aan het verbond gesteld. God zegt zonder meer, dat Hij dit zal doen. Dat betekent, dat Hij een belofte geeft op grond van Zijn eigen trouw en heiligheid. Daarom kan God dit verbond ook nooit verbreken. Als Hij het zou verbreken, zou Hij Zijn eigen heiligheid en trouw verbreken.

Abraham had twee zonen

Een belangrijke vraag: Abraham had twee zonen: Ismaël en Izaak. Abraham was officieel getrouwd met Hagar en van haar had hij een zoon gekregen. Ismaël was zelfs de oudste zoon, die dus recht moest hebben op het eerstgeboorterecht. Hij was de wettige erfgenaam. Hij was geen bastaardzoon van Abraham; hij was officieel de oudste zoon van Abraham, hij was de erfgenaam. De zegen moest dus via hem lopen. Daarom zei Abraham ook tegen God: “‘Ik zou al gelukkig zijn als Ismaël onder uw bescherming mocht staan.’” (Genesis 17:18). Wat Abraham bedoelde maakt Het BOEK duidelijk: “Och HERE, wat zou het mooi zijn als Ismaël U eerde en U hem zou zegenen.” Nog duidelijker zegt de Groot Nieuws Bijbel het: “Laat Uw belofte toch voor Ismaël gelden!” Ja, Abraham vraagt aan God, of de Goddelijke belofte aan Ismaël en zijn nakomelingen vervuld mag worden. Abraham vraagt Gods zegen voor de Arabieren.

Ismaël zou de stamvader van de latere Arabische volken zijn, die nog weer later de islamitische Arabieren zouden zijn. God was het niet eens met het voorstel van Abraham om het verbond via Ismaël te laten lopen. Daarom zei God tegen Abraham: “Nee, je vrouw Sara zal je een zoon baren, die je Isaak moet noemen, en met hem zal Ik Mijn verbond voortzetten. Het zal een eeuwigdurend verbond zijn, dat ook voor zijn nakomelingen zal gelden. En wat Ismaël betreft, Ik verhoor je: Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar maken en hem veel, heel veel nakomelingen geven. Twaalf stamvorsten zal hij verwekken en er zal een groot volk uit hem voortkomen. Maar Mijn verbond zal Ik voortzetten met Isaak, de zoon die Sara je volgend jaar omstreeks deze tijd zal baren.” (Genesis 17:19-21)

1. Niet via Ismaël zal Gods verbond lopen en de Arabische volken zullen niet Gods volk zijn. Zoals God later Jakob zal kiezen boven Ezau (die ook officieel recht zou moeten hebben op het eerstgeboorterecht), zo kiest God hier Isaak boven Ismaël. Zo heeft God dus ook de nakomelingen van Isaak (het volk Israël) gekozen boven de nakomelingen van Ismaël (de Arabieren).

2. God herhaalt dat Zijn verbond met Abraham, Izaak en hun nakomelingen - dus het volk Israël - een eeuwigdurend verbond zal zijn. Het zal nooit verbroken kunnen worden; niet door het volk Israël en niet door God Zelf!

3. Er is ook een zegen voor Ismaël en zijn nakomelingen, de Arabieren. Zij worden gezegend, omdat zij ook van Abraham afstammen. Zij zullen tot een heel groot volk worden. Wij mogen dus nooit vergeten, dat de Arabieren ook door God gezegend zijn. Hun zegen is echter een beperkte zegen: ze worden een groot volk en zullen vruchtbaar zijn.

4. Als het gaat om de vraag wie van God in het land Kanaän mag wonen, blijkt dat God een duidelijke keuze gemaakt heeft. Hij heeft land aan Isaak en zijn nakomelingen gegeven en niet aan Ismaël en zijn nakomelingen. Hij heeft het land aan de Israëlieten geschonken en niet aan de Arabieren. Wie het hier niet mee eens is, moet zich realiseren, dat dit de uitgesproken beslissing van God is. Ben je het daar niet mee eens, dan heb je een probleem, want dan ga je in tegen Gods heilige wil!

Dertien jaar lang was Ismaël de enige zoon van Abraham en leek het alsof Abrahams verlangen toch vervuld zou worden. Uit alles blijkt, dat Abraham veel van zijn zoon Ismaël hield. Hij zag hem als zijn toekomstige erfgenaam. Groot moet de verwondering geweest zijn, toen er na al die jaren nog een kind geboren werd: Isaak. Abraham had al een “grote” zoon met wie hij al veel besproken moet hebben en nu kwam er weer zo’n kleine baby bij. Nu moet Abraham zich gerealiseerd hebben, dat die kleine baby de officiële erfgenaam diende te zijn. Hij zal er waarschijnlijk ook met Ismaël over gesproken hebben. En toen kwamen de problemen, toen Izaak een jaar oud was. Toen brak de eerste “oorlog” uit tussen de nakomelingen van Abraham. Het was een oorlog die te maken gehad moet hebben met het ontvangen van Gods belofte.

Het volgende gebeurde: “Sara zag dat de zoon die Abraham bij Hagar, haar Egyptische slavin, had gekregen, spottend lachte. Daarom zei ze tegen Abraham: ‘Jaag die slavin en haar zoon weg, want ik wil niet dat mijn zoon Isaak later de erfenis moet delen met de zoon van die slavin.’ Dit voorstel beviel Abraham allerminst; het ging immers om zijn eigen zoon. Maar God zei tegen hem: ‘Je hoeft je niet bezwaard te voelen vanwege de jongen of je slavin. Alles wat Sara je vraagt moet je doen, want alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht. Maar ook uit de zoon van je slavin zal Ik een volk doen voortkomen, omdat ook hij een kind van je is.’” (Genesis 21:9-13) Let erop, dat Ismaël spottend lachte!

1. Ismaël spotte met Isaak. Er ging een zekere “vijandschap” uit van “de kleine Arabier” (Ismaël) naar “de kleine Jood” (Isaak). De “haat” ging niet uit van de kleine Isaak, maar van de jonge Ismaël. Zo zou het altijd blijven.

2. God was het eens met Sara. Isaak mocht de erfenis niet delen met Ismaël. “De” erfenis is voor het volk Israël en niet voor de Arabieren.

3. Er is een ongelooflijk “harde” oplossing voor het conflict - een oplossing waarmee God het eens was: Ismaël moet weggestuurd worden. Hij moet het land uit. Hij moet niet verzocht worden om te verhuizen, hij moet gewoon weggestuurd, weggejaagd worden. Het is begrijpelijk, dat Abraham er moeite mee had, dat hij zijn eigen zoon moest wegjagen, maar God deelde hem mee, dat hij dit echt diende te doen.

4. God dacht er anders over dan Abraham: “...alleen de nakomelingen van Isaak zullen gelden als jouw nageslacht.” Het BOEK: “Isaäk is degene met wie Ik Mijn verbond heb gesloten.” God heeft al direct Ismaël uitgeschakeld. De stamvader van de islamitische Arabieren is door God uitgeschakeld. God heeft gesproken.

Mohammed heeft gezegd, dat de Bijbel ook het boek van God was. Dat betekent, dat alle islamieten dienen te aanvaarden, dat de God van het Boek gesproken heeft en dat Zijn zegen niet via Ismaël, maar via Izaak loopt; dus via het volk Israël. Later heeft Mohammed gezegd dat de huidige Bijbel niet meer het oorspronkelijke Woord van God was, omdat de Joden en de christenen de Bijbel vervalst hebben...

De geschiedenis van Ismaël en Isaac lijkt ons een profetisch beeld te geven van wat Gods wil voor de eindtijd is. Het klinkt ongelooflijk hard: God heeft het land Kanaän niet aan de Arabieren gegeven, maar aan de Israëlieten. Het klinkt nog harder: de Arabieren zullen plaats moeten maken voor de Israëlieten. God heeft namelijk een ander gebied op het oog waar de Arabieren mogen wonen. Zij hebben heel veel gebied van God toegewezen gekregen: de woestijn. Schrik niet: de woestijn is niet een plaats waar je niet kunt leven. Het kan heel mooi zijn in de woestijn, waar prachtige bergen en mooie oasen zijn.

Ismaël, de Arabier

“Toen de zwangere Hagar eens naar de woestijn gevlucht was, kwam de Engel van de HEER bij haar en zei tegen haar: “Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn. Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want de HEER heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.” (Genesis 16:10-12)

1. De naam Ismaël is door God gekozen.

2. Ismaël, de voorvader van de Arabieren, zal een wilde ezel van een mens zijn. Hij maakt met iedereen ruzie en leeft met iedereen in onmin. Zo vader - zo zoon. Zoals Ismaël was, zo zijn de Arabieren nog steeds. Zeker tegen Israël trachtten zij als wilde ezels te schoppen en te trappen. Zij zijn degenen die ruzie zoeken en oorlogen uitlokken; niet Israël doet dit!

3. De Arabieren zullen onderling ook steeds verdeeld zijn. Onderlinge vrede en eenheid zullen zij niet beleven. Dat zit niet in hun karakter, zo maakte God hier bekend.

De profetische les uit de tent van Abraham zal ons waarschijnlijk hard in de oren klinken. Realiseer u echter: God heeft gesproken en Zijn Woord is het eind van alle tegenspraak. God heeft een stempel gedrukt op de Arabieren: het zijn ruziezoekers en ruziemakers. Het zijn mensen die leven van het zwaard, die oorlogszuchtig en oorlog zoekend zijn. Net zoals God dit later van Ezau en zijn nakomelingen zal zeggen: “Je zult leven van je zwaard.” (Genesis 27:40)

Izaak had ook twee zonen

Naast het feit dat God tegen Abraham gezegd had, dat de lijn van de eerder genoemde zegen alleen via Izaak zou lopen en niet via Ismaël, heeft God dit ook nog eens tegen Izaak zelf gezegd:

“Daar [in het land van de Filistijnen] verscheen de HEER aan hem en zei: ‘Reis niet verder naar Egypte maar blijf hier wonen, in het land dat Ik je aanwijs. Blijf voorlopig in dit land, Ik zal je ter zijde staan en je zegenen: Ik zal dit hele gebied aan jou en je nakomelingen geven en zo de eed gestand doen die Ik je vader Abraham heb gezworen. Ik zal je zoveel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn en dit hele gebied aan hen geven, en alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jouw nakomelingen. Want Abraham heeft naar mij geluisterd en zich gehouden aan wat Ik hem opdroeg, aan Mijn geboden, voorschriften en regels.’” (Genesis 26:2-5)

1. Izaak krijgt de belofte dat de aan Abraham genoemde zegen nu aan hem en zijn nakomelingen gegeven wordt.

2. Izaak krijgt de belofte dat het gehele land aan hem en zijn nakomelingen gegeven zal worden.

3. Hij krijgt de belofte, dat hij tot een zeer groot volk zal worden.

4. Alle volken op aarde zullen getuigen zijn van de zegen die God aan Izaak en zijn nakomelingen geven zal en zij zullen jaloers zijn.

5. Izaak ontvangt deze zegen omdat zijn vader Abraham zo nauwgezet de Here God gediend heeft.

Izaak had echter ook weer twee zonen. De oudste was Ezau. Hij had recht op het eerstgeboorterecht. Het liep echter anders.

a. Ezau had geen belangstelling voor het eerstgeboorterecht en deed er zelf geheel vrijwillig afstand van:

“Eens was Jakob aan het koken toen Esau uitgeput thuiskwam van de jacht. ‘Gauw, geef me wat van dat rode dat je daar kookt, ik ben doodmoe, ‘zei Esau tegen Jakob. (Daarom wordt hij ook wel Edom genoemd.) ‘Pas als jij me je eerstgeboorterecht verkoopt, ‘antwoordde Jakob. ‘Man, ik sterf van de honger, ‘zei Esau, ‘wat moet ik met dat eerstgeboorterecht?’ ‘Zweer het me nu meteen, ‘zei Jakob. Dat deed Esau, en zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. Daarop gaf Jakob hem brood en linzensoep. Esau at, dronk en ging meteen weer weg; hij hechtte geen enkele waarde aan het eerstgeboorterecht.” (Genesis 25:29-34).

b. Izaak gaf Jakob de grote zegen en Ezau slechts een ondergeschikte zegen:

Tegen Jakob zei hij:

“God geve je dauw uit de hemel en vette, vruchtbare aarde, een overvloed van koren en wijn. Volken zullen je dienen, naties zich voor je buigen. Je zult heer zijn over je broers, macht hebben over je moeders zonen. Vervloekt wie jou vervloekt, gezegend wie jou zegent.’” (Genesis 27:28,29)

Tegen Ezau zei hij: “Ver van de vette grond zul je wonen, ver van de hemelse dauw. Je zult leven van je zwaard en dienstbaar zijn aan je broer. Maar heb je je eenmaal losgerukt, dan werp je zijn juk van je nek.’” (Genesis 27:39,40)

Izaak maakt duidelijk dat de nakomelingen van Jakob zullen heersen over de nakomelingen van Ezau, die woestijnbewoners zullen worden en oorlogszuchtig zullen zijn. Dat zijn de Arabieren.

c. God maakt ook duidelijk wie Hij koos om in de lijn van de zegen van Abraham verder te gaan:

“Profetie. De woorden die de HEER tot Israël heeft gesproken bij monde van Maleachi. Ik heb jullie lief–zegt de HEER –, en jullie zeggen: ‘Waaruit blijkt die liefde dan?’ Zijn Jakob en Esau geen broers? –spreekt de HEER. Toch heb Ik Jakob liefgehad en Esau gehaat. Van Esaus bergland maakte Ik een wildernis, Edoms grondgebied heb Ik aan de jakhalzen van de woestijn gegeven. Edom kan zeggen: ‘Al zijn we verslagen, we bouwen de puinhopen weer op, ‘maar dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ze kunnen bouwen zo veel ze willen, Ik zal het weer afbreken. ‘Goddeloos land’ zal men het noemen, en ook: ‘Het volk waarop de HEER voor eeuwig verbolgen is’. Met eigen ogen zullen jullie het zien, en dan zullen jullie zeggen: ‘De HEER toont Zijn macht in Israël!’” (Maleachi 1:1-5)

Hier zegt God niet dat de mens Ezau en eventueel al zijn nakomelingen voor eeuwig verloren zijn. God zegt hier dat Ezau geen deel heeft aan de door God beloofde zegen. Tevens maakt God duidelijk, dat, zoals Hij vóór Israël, Hij tégen Ezau is. Zij worden hier in de Bijbel “goddeloos” genoemd. God is altijd vertoornd op hen! Christelijke liefde is soms veel vromer dan God Zelf is. Christenen kunnen zeggen, dat we achter iedereen op aarde moeten staan en iedereen moeten liefhebben. God zegt echter dat Hij een gruwelijke haat heeft tegen Ezau en tegen Amalek, een nakomeling van Ezau. Als God Ezau haat, moeten wij dan nadenken over naar wie onze liefde moet uitgaan? Wij moeten leren echte volgelingen van God te zijn, net zoals de Psalmist het zei over mensen, die zich duidelijk tegen God opzetten: “Zal ik niet haten wie U haten?” (Psalm 139:21)

God heeft duidelijk voor Jakob gekozen en tegen Ezau!

Jakob had veel nakomelingen

God liet de vijandige Bileam de volgende zegen over het volk Israël uitspreken: “God, die hem uit Egypte leidde, is voor hem als de horens van een wilde stier. Vijandige volken verslindt hij, hun botten verbrijzelt hij, hij valt aan en vermorzelt hen. Hij gaat liggen als een leeuw, majesteitelijk vlijt hij zich neer–wie zou hem durven wekken? Gezegend wie u zegent, vervloekt wie u vervloekt!’” (Numeri 24:8,9)

Wat God van Abraham, Izaak en Jakob gezegd had, zei God nu ook van het volk Israël.

1. Wat hier gezegd wordt, is niet gezegd door een profeet van Israël, maar door een man die zich bezig houdt met occulte zaken, een duivelskunstenaar. Bileam was geen Israëliet. Hij behoorde bij de vijanden van Israël. Hij is een man die wij vandaag in een vijandige Arabier zouden herkennen.

2. Het gaat hier over volken die zich als vijanden van Israël gedragen. Er staat niet dat Israël zich als vijand van andere volken zal gedragen, maar dat die andere volken zich als vijanden zullen gedragen. De vervulling van deze woorden zien wij tot op de dag van vandaag.

3. God belooft Israël de overwinning over deze vijanden. Bileam, de voorloper van de Arabieren moet erkennen, dat zijn volken de nederlaag zullen lijden als zij de strijd met Israël aanbinden.

4. Ook hier wordt gezegd, dat Gods zegen zal komen over mensen en volken die het volk Israël en individuele Israëlieten zullen zegenen. Maar Gods vloek zal ook komen over mensen en volken die het volk Israël en individuele Israëlieten zullen vloeken.

Zo geeft Bileam uit de oudheid zelfs een waarschuwing aan de Arabische volken en aan de Palestijnen van onze dagen.

God bepaalde welk volk in Kanaän zou wonen

God had Abraham geroepen en hem gezegd, dat het hele land voor hem en zijn nakomelingen was. “Nadat Lot was weggegaan, zei de HEER tegen Abram: ‘Kijk eens goed om je heen, kijk vanaf de plaats waar je nu staat naar het noorden, het zuiden, het oosten en het westen. Al het land dat je ziet geef Ik aan jou en je nakomelingen, voor altijd. En Ik zal je zoveel nakomelingen geven als er stof op de aarde is: ze zullen even ontelbaar zijn als alle stofdeeltjes op de aarde. Kom, doorkruis het land in zijn volle lengte en breedte, want aan jou zal Ik het geven.’” (Genesis 13:14-17)

1. Gods belofte is voor Abraham en zijn nakomelingen.

2. God geeft twee beloften:

a. Abrahams nakomelingen zullen een groot volk worden.

b. Abrahams nakomelingen krijgen van God het hele land als een geschenk.

3. God maakt duidelijk, dat Hij nooit op deze belofte zal terugkomen. Het is een belofte die altijd geldig blijft; dus ook in onze dagen!

Dit is in volkomen overeenstemming met de woorden van de Psalmist: “Hij is de HEER, onze God, Zijn besluiten gelden over de hele aarde. Tot in eeuwigheid zal Hij gedenken Zijn belofte aan duizend geslachten, het verbond dat Hij sloot met Abraham en voor Isaak bevestigde met een eed. Voor Jakob verhief Hij het tot wet, voor Israël tot een eeuwig verbond, toen Hij zei: ‘Ik zal jou Kanaän geven, dat land wordt je onvervreemdbaar bezit.’” (Psalm 105:7-11)

Mohammed erkende dat Israël door God naar Kanaän gebracht was.

Hoewel de islamieten hevig gekant zijn tegen het feit, dat er een Joodse staat is in het oude land Kanaän, bevestigt de Koran wel, dat God Zelf het volk Israël naar dit land geleid heeft. In hoofdstuk 5 staat het volgende geschreven:

“Mozes zei tegen zijn volk: “Denk aan de welwillendheid van God (Allah), dat Hij onder jullie profeten heeft uitgekozen en dat Hij sommigen van jullie tot koningen gemaakt heeft en dat jij hullie gaf wat Hij aan geen ander volk gegeven heeft.

Mijn volk, ga het heilige land dat God (Allah) jullie beloofd heeft binnen en keer het niet de rug toe, anders heb je verloren.

Ze zeiden: Mozes, er woont daar een gewelddadig volk. Zo lang zij daar zijn, zullen wij er niet in kunnen. Pas als zij vertrekken, gaan we het land in.” (Soera 5:19-22)

De islamiet moet weten, dat - zoals zijn geloof het zegt - Allah het land Kanaän aan het volk Israël gegeven heeft en dat Hij hen met grote zegeningen gezegend heeft. Maar ook, dat de andere volken het land uit moeten, opdat het volk Israël er alleen in vrede zal kunnen leven.

God bepaalde wat en waarom er iets met de toenmalige inwoners van het land zou gebeuren

Het is een wijd verbreid misverstand, dat de Israëlieten de Kanaänieten uit het land verdreven hebben, omdat zij zelf (de Israëlieten dus) hun land opeisten. In de eerste plaats hebben de Israëlieten veel Kanaänieten juist niet uit hun land verdreven (zie Richteren 1), waarbij zij ongehoorzaam waren aan de opdracht van God. In de tweede plaats hebben de Israëlieten geen oorlogen tegen Kanaänieten gevoerd om deze mensen plaats te laten maken voor de Israëlieten.

“Wanneer u in het land komt dat de HEER, uw God, u geven zal, mag u de verfoeilijke praktijken van de volken daar niet navolgen. Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die hun zoon of dochter als offer verbranden, en evenmin voor waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars, bezweerders, en voor hen die geesten raadplegen of doden oproepen. Want de HEER verafschuwt mensen die zulke dingen doen, en om die verfoeilijke praktijken verdrijft Hij deze volken voor u.” (Deuteronomium 18:9-12)

1. Opnieuw zegt God dat Hij Zelf dit land aan het volk Israël geeft.

2. God zegt, dat Hij Zelf de Kanaänietische volken uit het land zal verdrijven. Wij begrijpen, dat God hierbij gebruik zal maken van het Israëlitische leger.

3. God maakt duidelijk, dat Hij het land wil reinigen van mensen die het land met verfoeilijke praktijken ontwijden.

De conclusie moet duidelijk zijn: Het enige volk dat van Godswege recht heeft om in het beloofde land te wonen is het volk Israël.
 

BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2010 Stichting Het Licht des Levens