Elisa en de oorlog
2 Koningen 3Israëls zonden
Het volk van het tien stammenrijk had op twee manieren gezondigd:
1. Zij deden "de zonden van Jerobeam". Hij had twee gouden kalveren gemaakt als plaatsvervangers van
de twee cherubs in het heiligdom te Jeruzalem. In Jeruzalem zei men, dat God woonde tussen de beide
cherubs en Jerobeam zei, dat God woonde tussen de beide horens van de kalveren. De cherubs waren
echter door God bevolen, de beide kalveren niet.
2. Zij vereerden afgoden. Zij dankten de afgoden voor de zegeningen die zij van God hadden
ontvangen. Ook vroegen zij de afgoden om hulp, terwijl zij die hulp aan God hadden moeten vragen.
De koning van Israël
1 Joram, de zoon van Achab, werd koning van Israël in het achttiende regeringsjaar
van koning Josafat van Juda. Twaalf jaar regeerde hij in Samaria.
2 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, maar ging daarin niet zo ver als zijn vader en
moeder. De steen die zijn vader ter ere van Baäl had opgericht, liet hij verwijderen,
3 maar voor het overige hield hij vast aan de zondige praktijken van Jerobeam, de zoon van Nebat,
die de Israëlieten tot zonde had aangezet; daarmee brak hij niet.
Koning Joram was een zoon van Achab. Hoewel Izebel volledig de afgoden bleef dienen, was Achab daar
na de gebeurtenissen op de Karmel aardig van teruggekomen. Hij deed niet mee met zijn vrouw Izebel
met het dienen van de godin Asjera. Hij was weer een beetje de God van Israël gaan dienen. Zijn zoon
Joram ging echter veel verder dan vader Achab. Van Izebel lazen wij indertijd dat alle vierhonderd
profeten van Asjera bij haar aan het hof waren opgenomen (1 Koningen 18:19). Letterlijk: "Zij aten
van de tafel van Izebel!"
Wat Joram deed:
a. Hij liet de opgerichte steen ter ere van Baäl omver halen.
b. Hij bleef echter doorgaan met de dienst van God door middel van de gouden kalveren.
Joram was dus volledig teruggekeerd naar het dienen van God, maar wel op een verkeerde manier. Achab
diende op zijn manier de God van Israël en werd daarvoor zelfs gezegend. Eerst is hij door God
gestraft, daarna door Hem gezegend. Zo kreeg Israël onder zijn leiding grote macht in het Midden
Oosten. De omringende landen vreesden hem en betaalden hem belasting.
De koning van Moab
4 Koning Mesa van Moab was schapenfokker. Hij moest aan de koning van Israël
jaarlijks honderdduizend lammeren afstaan en honderdduizend ongeschoren rammen.
5 Maar na de dood van Achab kwam de koning van Moab tegen de koning van Israël in opstand.
De
Moabieten hadden in het verleden heel wat gestolen van de Israëlieten, met name schapen en geiten.
Onder het koningschap van Achab moest de koning van Moab het gestolene terugbetalen, in de vorm van
een jaarlijkse betaling van 100.000 schapen en 100.000 woldragende rammen.
Na de dood van Achab meende de koning van Moab, dat de nieuwe koning van Israël gemakkelijk te
bestrijden zou zijn en hij stopte de herstelbetalingen.
Oproep tot de strijd
6 Daarom rukte koning Joram vanuit Samaria op, nadat hij heel Israël onder de
wapenen had geroepen.
7 Aan koning Josafat van Juda liet hij de volgende boodschap overbrengen: "De koning van Moab is
tegen mij in opstand gekomen. Wilt u met mij tegen Moab ten strijde trekken?" "Ja, ik ga met u mee,
"luidde het antwoord. "U en ik zijn één; mijn leger is uw leger, mijn paarden zijn uw paarden."
Joram, de koning van Israël, riep zijn mannen onder de wapenen. Toch meende hij, dat zijn leger niet
opgewassen was tegen het leger van de Moabieten. Dus riep hij de koning van het buurland Juda te
hulp. Hoewel het Joodse volk in twee koninkrijken verdeeld was, stonden zij toch zij aan zij als er
een vijand was. Josafat zegt: "Wij zijn broeders. Wij horen bij elkaar en wij trekken samen ten
strijde. Dus werden ook de mannen van Juda gemobiliseerd.
Met een omweg naar Moab
8 Joram vroeg aan Josafat langs welke route ze het beste konden oprukken, en die
raadde hem aan dwars door de woestijn van Edom te trekken.
9 Samen met de koning van Juda en de koning van Edom rukte de koning van Israël op. Maar doordat ze
een omtrekkende beweging maakten, waren ze zeven dagen onderweg, en op het laatst was er geen water
meer voor de soldaten en voor het vee dat ze bij zich hadden.
10 "Wat zijn we begonnen!" riep de koning van Israël uit. "Heeft de HEER deze drie koningen soms
bijeengebracht om ze aan Moab uit te leveren?"
Joram vroeg Josafats advies. Dat was minstens uit beleefdheid, want Josafat was ouder dan Joram. Hij
moest dus ook meer ervaring hebben. Josafat meende, dat ze niet regelrecht naar de Moabieten moesten
gaan, maar dat ze een omweg moesten maken en Moab van een andere kant aanvallen. Zo zouden ze de
Moabieten verrassen.
Dus kwam het leger van Israël eerst naar Juda en trokken ze vervolgens door de woestijn van Juda in
zuidelijke richting. Hierdoor kwamen zij terecht in het gebied van Edom. Edom was echter weer
onderworpen aan Josafat, zodat Josafat tegen de koning van Edom kon zeggen, dat hij zich bij de
gezamenlijke legers moest aansluiten. Zo gezegd, zo gedaan. Edom sloot zich bij hen aan. Eigenlijk
was de man niet echt een koning. Hij was een gouverneur, een stadhouder. "In Edom was geen koning;
het land werd bestuurd door een stadhouder." (1 Koningen 22:47)
Nu gingen ze met een groot leger op weg om Moab aan te vallen van de kant waar hij het leger van
Israël juist niet verwachtte. Het leek een goed plan. De koningen hadden er alleen niet op gerekend,
dat zo'n omtrekkende beweging maar liefst 7 dagen zou kosten. Zeven dagen reisden ze door de
woestijn.
Toen ze vlakbij de grens van Moab waren kwam het probleem: het drinkwater was op en de mannen hadden
dorst. Op zo'n manier kun je geen strijd leveren. Aanvallen had geen zin, ze zouden zeker verliezen.
Water zoeken leverde ook niets op. Er was geen water in de buurt. Terugreizen door de woestijn was
ook geen optie. In de terugreis van 7 dagen zouden allen sterven van de dorst. Paniek! Als Moab hen
nu zou aanvallen, zou er geen soldaat in leven blijven. Het vee dat ze bij zich hadden zou in handen
van de Moabieten vallen. Wat te doen?
Joram realiseerde zich blijkbaar, dat dit alles zijn schuld was. Hij moest zo nodig ten strijde
trekken. Hij had de andere volken meegenomen. Deze verantwoordelijkheid kon hij niet dragen. Dus gaf
hij God de schuld van de problemen. Deze reactie zie je regelmatig bij allerlei mensen!
De profeet Elisa
11 Maar Josafat vroeg: "Is er hier geen profeet van de HEER, die voor ons de HEER
kan raadplegen?" Een van de dienaren van de koning van Israël zei dat Elisa, de zoon van Safat, bij
hen was, die altijd water uitgoot over de handen van Elia.
12 "Als iemand ons kan zeggen wat de HEER met ons voorheeft, is hij het wel, "zei Josafat. De koning
van Israël, Josafat en de koning van Edom gingen naar Elisa toe,
13 maar Elisa zei tegen de koning van Israël: "Wat wilt u van mij? Gaat u maar naar de profeten van
uw vader en moeder." "Nee, "zei Joram, "want het is de HEER die deze drie koningen bijeen heeft
gebracht om ze aan Moab uit te leveren."
14 Toen antwoordde Elisa: "Zo waar de HEER leeft, de HEER van de hemelse machten, in wiens dienst ik
sta, het is dat ik zoveel achting heb voor koning Josafat van Juda, anders zou ik u geen blik
waardig keuren.
Josafat wil dat er een profeet geraadpleegd wordt. Waar haal je zo gauw een profeet vandaan? Wat
blijkt? Elisa is met het leger meegereisd. Hij is als de vertegenwoordiger van God aanwezig bij het
hele gebeuren. Hij heeft ook de zeven dagen gelopen door de woestijn. Hij heeft ook geen drinken.
Hij heeft ook dorst. Maar... hij is er! Gods gezant is aanwezig! Zoals de engelen van God aanwezig
waren bij Dothan, zo is Elisa aanwezig in de woestijn bij het leger. Dat zijn mannen Gods!
Zoals Mozes eens met uitgestrekte armen bij de strijd van het volk tegen Amalek aanwezig was (Exodus
17:8vv.) en later Samuel in de tijd van koning Saul in de strijd tegen de Amalekieten (1 Samuel
7:7vv.), zo was Elisa nu aanwezig. Als de biddende man Gods was hij bij de soldaten. Een ongewapende
profeet die een vertegenwoordiger was van de God van Israël. Zo toonde Elisa, dat God Zijn volk niet
verlaten had.
Elisa is met het leger meegereisd, vrijwillig, ongevraagd en voor de koningen onopgemerkt. Hij is er
niet bij als de gezalfde oorlogspriester om de soldaten toe te spreken (Deuteronomium 20: 2 zie
:1v.v.) Het was de bijzondere leiding van God waardoor Elisa meegegaan was.
Josafat, de koning van Juda, is zich bewust, dat Elisa niet meegekomen is om als een soldaat te
strijden. Hij is zich bewust, dat God hem gezonden moet hebben. God moet hem opdracht gegeven hebben
om met het leger mee te gaan. Elisa moet er zijn om het leger te helpen, als zij in nood verkeren.
Elisa goot water uit over de handen van Elia. Wat betekent dat?
a. Hij was meer dan alleen maar een leerling van Elia. Hij was ook de persoonlijke
assistent, knecht, medewerker van Elia geweest. Als Elia de handen wilde wassen, kwam Elisa met een
kan water en goot dit water over de handen van Elia.
b. Er zijn ook geleerden die menen, dat dit een verwijzing is naar het gebeuren op de Karmel. Elisa
haalde dan daar het water en goot het over de handen van Elia, die zijn handen boven het altaar
uitgespreid hield.
Deze Elisa moet kunnen zeggen wat de HEER met ons voorheeft, zo meent Josafat. "Bij hem is het woord
/ het spreken van de Heer", zegt Josafat letterlijk. Hij bedoelt: Nu hij bij ons is, zal hij ook wel
een boodschap van God voor ons hebben. Josafat kan zich niet voorstellen, dat Elisa zonder reden bij
hen is.
Hierna gingen de drie koningen hoogst persoonlijk naar Elisa toe. Let er op, dat zij Elisa niet bij
zich ontbieden, maar dat zij naar hem toe gaan. Zo brengen zij hem eer en stellen zij zich onder het
gezag van Gods dienaar.
Let er ook op, dat er sprake is van de koning van Israël en de koning van Moab, maar dat Josafat
geen koning van Juda genoemd wordt. Hij heet gewoon Josafat (:12). De twee koningen gingen blijkbaar
in vol ornaat naar Elisa. Josafat vernederde zich en ging gewoon als nederig mens naar de profeet.
Elisa wenst niet te profeteren voor de koning van Israël. Hij vraagt zich hardop af, waarom hij zijn
tijd zou geven voor deze beide koningen; van Israël en Edom. Hij vermeldt erbij, dat hij de man is,
die voor Gods aangezicht staat. Hij is een bidder tot God en een gezant van God.
Als antwoord op deze vraag, deelt de koning van Israël aan Elisa mee, dat alles de schuld is van de
God van Elisa. God heeft hen in het ongeluk gestort.
De reactie van Elisa hierop is opnieuw opmerkelijk. Hij heeft hoge achting voor de koning van Juda,
maar niet voor de koning van Israël. Omwille van de nederige Josafat is hij bereid naar Joram van
Israël te luisteren.
De profetie van Elisa
15 Maar goed, laat een lierspeler komen." En terwijl de muzikant op de lier speelde,
werd Elisa gegrepen door de hand van de HEER
16 en hij zei: "Dit zegt de HEER: Graaf overal in de wadi kuilen.
17 Want dit zegt de HEER: Jullie zullen geen wind voelen en geen regen zien, maar toch zal deze wadi
vol komen te staan met water, zodat jullie te drinken hebben, ook jullie vee en lastdieren.
18 En dat is voor de HEER nog maar een kleinigheid: hij zal ook de Moabieten aan u uitleveren.
19 Elke sterke vesting en elke mooie stad zult u verwoesten, elke vruchtboom vellen, elke waterbron
dichtstoppen en elke vruchtbare akker volgooien met stenen."
Het is duidelijk: Elisa is boos en niet in de juiste stemming om te profeteren. Zo kan hij geen
woord van God ontvangen. Daarom moet er eerst iemand komen die op een muziekinstrument zal spelen om
het hart van Elisa rustig te maken en hem ontvankelijk te maken om de boodschap van God te
ontvangen.
Dan geeft God een heel bijzonder antwoord.
a. In de woestijn zijn droge rivieren, wadi's, die enkele keren per jaar in de winter gevuld zijn
met een snel stromende vloed water, als het ergens anders geregend heeft en het regenwater door deze
wadi's afgevoerd wordt.
b. Bij zo'n wadi hebben zij zich gelegerd, maar de beek staat droog. Elisa kondigt aan, dat er
spoedig water door de wadi zal stromen. Er zal echter geen regen komen. Er zal geen wolkje aan de
lucht te zien zijn. Toch zal er door een Godswonder water in de wadi stromen. Daarom moeten zij
overal in en mogelijk naast de wadi kuilen graven. In deze kuilen zal water blijven staan, als het
water weer uit de wadi verdwenen is.
c. Elisa deelt mee, dat dit wonder voor de almachtige God maar een kleinigheid is. Hij zal overigens
niet alleen water zenden, Hij zal de Moabieten ook aan hen overleveren.
d. Tot slot deelt Elisa mee, dat het leger de Moabieten op een verpletterende wijze moet verslaan.
Hierbij moeten ze zelfs de geboden uit de wet trotseren. Ze moeten zelfs de fruitbomen vernietigen,
waterbronnen dicht stoppen en akkers vol gooien met stenen. Dit was in de wet juist verboden.
"Als u een stad langdurig moet belegeren, mag u haar boomgaarden niet vernietigen. Laat de bijl
rusten en laat de bomen staan, want u moet er zelf van eten, en bovendien: is een boom soms een
mens, dat u tegen hem moet strijden? Alleen de bomen waarvan u weet dat ze geen vruchten geven, mag
u vernietigen of omhakken om ze te gebruiken voor de belegering van de stad waarmee u in oorlog
bent." (Deuteronomium 20:19,20)
God is zó vertoornd op Moab, dat Hij besluit dit volk anders te behandelen dan in een normale
oorlogvoering diende te geschieden.
Waarom moest Moab anders behandeld worden dan andere volken?
Het antwoord staat in de Torah: "Hetzelfde geldt voor Ammonieten en Moabieten: nooit
ofte nimmer zullen ze tot de dienst van de HEER worden toegelaten, omdat ze u op uw tocht uit Egypte
niet van voedsel en water hebben voorzien, en omdat ze Bileam, de zoon van Beor, uit Petor in
Aram-Naharalm hebben ingehuurd om u te vervloeken. Maar omdat de HEER, uw God, u liefhad, heeft hij
Bileam geen gehoor geschonken en de vervloeking in een zegening omgezet. Draag dus, zolang u leeft,
in geen enkel opzicht bij aan hun voorspoed en geluk. Edomieten moet u echter met respect
behandelen, want dat zijn uw broeders. Ook Egyptenaren moet u respectvol behandelen, want u hebt als
vreemdeling in hun land gewoond." (Deuteronomium 23:4-8)
De vervulling van de profetie
20 De volgende morgen, op het uur van het graanoffer, kwam uit de richting van Edom
plotseling water opzetten, en in minder dan geen tijd stond de vallei helemaal onder.
21 De Moabieten hadden gehoord dat de drie koningen tegen hen ten strijde waren getrokken, en allen
die oud genoeg waren om de wapens op te nemen waren opgeroepen en aan de grens opgesteld.
22 Toen zij diezelfde morgen opstonden, kleurde het eerste zonlicht het water rood als bloed, en
toen de Moabieten dat zagen
23 riepen ze uit: "Maar dat is bloed! De koningen zijn natuurlijk onderling slaags geraakt en nu
hebben ze elkaar gedood. Eropaf, Moab, op naar de buit!"
Het wonder vond plaats op het moment, waarop in Jeruzalem in de tempel het morgenoffer gebracht
werd. Het was het graanoffer, dat is het spijsoffer. Toen kwam daar in de woestijn het water door de
wadi aangestroomd.
Inmiddels hadden de Moabieten gehoord dat de gezamenlijke legers uit het zuiden hen naderden. Direct
riepen ook zij hun strijdbare mannen onder de wapenen. Ze stelden zich in slagorde op aan de grens,
van waaruit zij in de verte de gezamenlijke legers zagen.
Toen gebeurde er een wonder. Het licht van de zon had een rode gloed, mogelijk versterkt door
roodkleurige aarde op de bodem van de wadi. Het gevolg was, dat het water in de kuilen er uitzag als
bloed, zo rood. Dit maakte de Moabieten overmoedig. Zij meenden, dat de verschillende legers om een
of andere reden in strijd met elkaar gekomen waren en samen een waar bloedbad aangericht hadden. Zij
hadden geen regen gezien en wisten dat in deze tijd van het jaar de wadi droog stond en als er water
in stroomde, er geen plassen water in bleven staan, zoals zij nu zagen.
De hinderlaag en de overwinning
24 Maar toen de Moabieten bij het kamp van de Israëlieten kwamen, werden ze
overrompeld. De Israëlieten joegen de Moabieten tot in hun eigen land achterna en versloegen hen.
25 Ze verwoestten de steden, gooiden de vruchtbare akkers vol met stenen, stopten alle waterbronnen
dicht en velden elke vruchtboom. Ten slotte stond alleen Kir-Chareset nog overeind, maar de
slingeraars omsingelden ook deze stad en begonnen haar te bekogelen.
De Moabieten hadden nog nooit kuilen met rood water in de woestijn gezien. Dit moest dus iets
bijzonders zijn. Het kon niet anders, of zij zagen bloed. Daarom moeten zij met weinig wapens
uitgetrokken zijn. Zij meenden, dat de vijandelijke legers elkaar verslagen hadden. Ze kwamen dus
alleen om de buit op te halen. Om de buit te kunnen meenemen, hadden zij zo min mogelijk wapens
meegenomen, toen zij de woestijn in trokken.
De Moabieten werd een ware slag toegediend. Zo kregen zij hun uitgestelde straf voor wat zij eens de
Israëlieten in de woestijn hadden aangedaan. Er is hier sprake van "slingeraars". Dat waren geen
mannen die een steen konden wegslingeren. Het gaat hier over enorme stormrammen, grote katapulten,
waarmee men grote stenen wegslingerde.
Noodsprongen van de koning van Moab
26 Toen de koning van Moab besefte dat hij de strijd ging verliezen, probeerde hij
met zevenhonderd geoefende krijgers een uitbraak te doen naar de koning van Edom, maar tevergeefs.
Wat wilde hij? Klaarblijkelijk was het een wanhopige poging de koning van Edom te bereiken en hem om
te praten, dat hij alsnog de zijde van Moab zou kiezen. Anderen menen, dat het een wraakactie was.
De koning van Moab wilde de koning van Edom doden, omdat hij de zijde van Israël had gekozen in de
strijd.
27 Toen nam hij zijn oudste zoon, zijn troonopvolger, en offerde hem als brandoffer op de stadsmuur.
Dat wekte zo veel ontzetting bij de Israëlieten dat ze de aanval staakten en naar hun eigen land
terugkeerden.
Aan wie offerde Mesa zijn oudste zoon?
1. Aan zijn eigen afgoden? Of aan de God van Israël. Zou hij het verhaal van Abraham
kennen, die zijn zoon op het altaar gelegd had. Zou hij menen, dat hij door zijn zoon te offeren,
God kon vermurwen? God wil echter geen mensenoffers. De profeet Jeremia zei namens God: "De Judeeërs
hebben immers gedaan wat slecht is in mijn ogen-spreekt de HEER. Ze hebben de tempel waaraan mijn
naam verbonden is, met gruwelijke afgodsbeelden ontwijd, en in het Hinnomdal de offerplaats Tofet
gebouwd om er hun zonen en dochters te verbranden. Ik heb dat nooit geboden, ik heb dat nooit
gewild." (Jeremia 7:30,31)
God zegt hier: Ik heb dat nooit geboden. Dit verwijst volgens de rabbijnen naar Jefta, die zijn
dochter geofferd heeft, nadat hij een gelofte gedaan had. God wil zulke geloften niet. Jefta had
moeten weten, dat hij deze gelofte niet mocht uitvoeren. God zegt: "Dit is iets wat ik nooit heb
geboden." Ik heb dat nooit gewild. God zegt: "Dit is iets dat nooit is opgekomen in mijn hart!" Dit
verwijst naar Mesa. Zoals God niet wilde, dat Abraham zijn zoon zou offeren, zo wilde God niet, dat
Mesa dit zou doen.
2. Er zijn ook geleerden, die menen dat Mesa zijn zoon aan de afgoden offerde.
3. Er zijn zelfs mensen, die menen dat Mesa bij zijn uitval naar de koning van Edom diens zoon
ontvoerd heeft en hem nu geofferd heeft. Dit zou dan (kunnen) verwijzen naar de woorden van de
profeet Amos: "Dit zegt de HEER: Misdaad op misdaad heeft Moab begaan: ze hebben de beenderen van de
koning van Edom verbrand om er kalk van te maken. Daarom zal ik mijn vonnis niet herroepen. Ik zal
Moab in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Keriot verteren. Moab zal sterven onder
oorlogsgeraas en krijgsgeschreeuw en onder de dreigende klanken van de ramshoorn. Hun vorst breng ik
om, en met hem zal ik alle andere leiders van dat rijk doden-zegt de HEER." (Amos 2:1-3)
Wat leren wij uit deze geschiedenis?
God is bij je, door middel van Zijn gezanten. God is niet zichtbaar persoonlijk
aanwezig. Hij is er wel en Hij spreekt en je moet naar Hem luisteren! Hij zorgt ook voor een
uitkomst uit de nood.
|