Bileam en de ster van Bethlehem
Numeri 24:1-3, 16,17
“Bileam begreep dat het in de ogen van de HEER goed was als hij Israël zou zegenen. Daarom ging hij niet, zoals de keren daarvoor, op zoek naar voortekens, maar keerde hij zijn gezicht naar de woestijn. Toen hij zijn blik liet rondgaan en Israël daar gelegerd zag, stam bij stam, werd hij door de geest van God gegrepen en hief hij deze orakelspreuk aan:
‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor, zo spreekt de man wiens oog geopend is…
zo spreekt hij die Gods woorden hoort, die weet wat de Allerhoogste weet
en ziet wat de Ontzagwekkende toont, in vervoering, met ontsloten ogen:
Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij.
Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen, de kinderen van Set slaat hij neer.”
God maakte gebruik van een heidense “profeet”.
Bileam was de laatste van de niet-Joodse profeten. Vóór hem was bijvoorbeeld Henoch een niet-Joodse profeet.
De heidense volkeren hoorden nu van iemand uit hun eigen midden, wat God zou gaan doen. Nu konden ze nooit meer zeggen, dat ze Gods plan niet kenden omdat het hun niet geopenbaard zou zijn. Hun eigen profeet deelde het hun mee.
Er is een groot verschil tussen de profeten van God in Israël en de heidense profeten die in dienst van satan stonden. De profeten van God brachten altijd de boodschap van God en riepen het volk op om heilig te leven. De profeten van satan brachten de boodschap uit de onderwereld en riepen de mensen op tot zonde.
Toen Jesaja het oordeel moest aankondigen aan Moab, was zijn hart vol verdriet. Hij zei: “Als een lier klaagt mijn hart om Moab, mijn binnenste weent om Kir–Cheres.” (Jesaja 16:11) Het BOEK: “Ik zal diep in mijn binnenste huilen om Moab. Mijn rouw om Kir-Heres zal een intens treuren zijn.”
Toen Ezechiël een profetie over Tyrus moest uitspreken, deed hij dit in de vorm van een klacht, een klaaglied: “De HEER richtte zich tot mij: ‘Zing, mensenkind, een klaaglied over Tyrus.’” (Ezechiël 27:1,2)
Als de duivelse profeten over Israël profeteerden, waren het vervloekingen die zij vol haat uitspraken, zonder bewogenheid of mededogen.
Maar hun boodschap treft geen doel! Er bestaat geen vervloeking tegen Israël. “Voortekens lezen is Jakob vreemd, van waarzeggerij houdt Israël zich ver; God zelf spreekt tot Jakob, op zijn eigen tijd, God zelf zegt tegen Israël wat hij bewerken zal.” (Numeri 23:23)
NBG: “...er bestaat geen bezwering tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen Israel.”
De angst van koning Balak:
“Er is een volk uit Egypte gekomen, dat overal in mijn land is neergestreken. Kom hierheen en spreek er een vloek over uit. Misschien kan ik het dan aanvallen en verjagen.”’ (Numeri 22:11)
Moet het woord eretz hier als “land” of als “aarde” vertaald worden? Onze vertalingen hebben het als “land”. Joden vertalen het als “aarde”.
| a. |
De vraag van Balak: “Dat volk is te sterk voor
mij. Kom daarom hierheen om het voor mij te vervloeken. Misschien kan ik
het dan verslaan en het uit mijn land verjagen. Immers, wie door u wordt
gezegend is gezegend, en wie door u wordt vervloekt is vervloekt.’” (:6)
Vervloeken is in het Hebreeuws: “arah li” d.i. “vervloek (voor) mij”
met een eenvoudige vervloeking (:6). Met deze eenvoudige vervloeking
moet het volk Israël van Moab verwijderd worden. |
| b. |
De reactie van Bileam: Balak heeft gevraagd:
““Er is een volk uit Egypte gekomen, dat overal in mijn land is
neergestreken. Kom hierheen en spreek er een vloek over uit. Misschien
kan ik het dan aanvallen en verjagen.”’ (:11) Vervloeken in dit vers
is in het Hebreeuws: “kabah li” d.i. “vervloek (voor) mij” met een
zware, hartgrondige vervloeking (:11). Met deze heftige vervloeking
moet het volk Israël van de gehele aardbodem weggevaagd worden. |
Balak vroeg slechts aan Bileam om Israël te vervloeken (Numeri 22:6). Bileam ging echter verder en wilde het volk zwaar vervloeken - in de Naam van God (vgl. :11)
Gods antwoord: Bileam mag Israël zelfs niet met een eenvoudige vervloeking treffen. Vervloeken in Hebreeuws: taor. God zei als het ware:
a. Als je hen vloekt, zal de vloek op je eigen hoofd terecht komen.
b. Je hoeft hen ook niet te zegenen, want dat heb Ik al gedaan.
Bileam en zijn ezelin
Bileam zadelde zijn ezelin (Numeri 22:21). Hoewel hij ongetwijfeld knechten gehad moet hebben, die dit voor hem hadden kunnen doen, deed hij het zelf.
Hier is Bileam de tegenhanger van Abraham, die ook zelf zijn ezel zadelde, toen hij naar Moria ging (Genesis 22:3). Ook Abraham liet het zijn knechten niet doen.
Abraham is beeld van de komende Redder en Bileam is beeld van de komende antichrist.
Hier kwam de engel van de Heer tegenover Bileam te staan met een getrokken zwaard. In zekere zin was dit al een profetie over de dood die Bileam eens zou sterven. “En naast de vijf Midianitische koningen doodden ze ook Bileam, de zoon van Beor.” (Numeri 31:8)
NBG: “...ook Bileam, de zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.”
Bileam bij zijn altaar
“Daarna zei Bileam tegen Balak: ‘Blijft u hier bij uw brandoffers wachten, terwijl ik wat verderop ga. Misschien dat de HEER naar mij toe wil komen. Alles wat hij me laat zien zal ik u meedelen.’ Hij ging een kale heuvel op, waar God bij hem kwam. ‘Ik heb zeven altaren laten oprichten, ‘zei Bileam, ‘en op elk altaar heb ik een stier en een ram laten offeren.’ De HEER droeg Bileam op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest zeggen.” (Numeri 23:3-5)
Bileam bouwde zeven altaren.
De Joodse geleerden wijzen erop, dat Bileam blijkbaar wist, dat de aartsvaders ook altaren gebouwd hadden. Hij kende ook het aantal. Hij wist ook wat ze geofferd hadden. Zij hadden steeds een ram geofferd. Hij zou een ram en een stier offeren. En hij zou een zelfde aantal altaren bouwen.
1. Abraham bouwde [bij Sichem] een altaar voor de God die hem verschenen was (Genesis 12:7).
2. Abraham bouwde [tussen Bethel en Ai] een altaar en noemde Gods naam (Genesis 12:8).
3. Abraham bouwde [bij Hebron] een altaar voor de HEER (Genesis 13:18).
4. Abraham bouwde [op Moria] een altaar (Genesis 22:9).
5. Izaak bouwde [bij Bersheba] een altaar (Genesis 26:25)
6. Jacob bouwde [bij Sichem] een altaar (Genesis 33:20).
7. Jacob bouwde [ bij Bethel] een altaar (Genesis 35:7).
Bileam deed meer. Drie keer bouwde hij zeven altaren. En iedere keer offerde hij twee dieren op deze altaren. In totaal offerde hij 42 dieren.
Bileam zei:
“Hoe kan ik vervloeken wie door God niet is vervloekt?
Hoe kan ik verwensen wie door de HEER niet is verwenst?” (:8)
Het is alsof Bileam zegt: Hoe kan ik dit volk vervloeken, dat de genade van God heeft leren kennen? Toen ze met het gouden kalf gezondigd hadden, liet God hen niet aan hun lot over. Hij besloot niet om hen geen manna meer te geven of om de rots die hen van water voorzag van hen af te nemen. Hij nam de wolkkolom niet van hen weg. God bleef bij hen. Hoe zou ik hen dan kunnen vervloeken?
Bileam zegt: “Men schouwt geen onheil in Jakob, en ziet geen rampspoed in Israël. De HERE, zijn God, is met hem, en gejubel over de Koning is bij hem. God, die hen uitleidde uit Egypte, is hem als de hoornen van de wilde stier.” (Numeri 23:21,22)
Staten vertaling: “Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israel. De HEERE, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem. God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.”
In het Hebreeuws staat net als in de Staten vertaling niet dat “men” dit niet ziet, maar dat “Hij” het niet ziet. God kijkt niet naar de ongerechtigheid, naar de zonden van Zijn volk. God kijkt niet naar wat ze verkeerd doen. Hij heeft hen uit Egypte gered en nu zijn zij voor Hem een volk van kracht. God ziet ook, dat het volk Hem bejubelt als hun Koning.
God is de bewaker van Israël, die niet sluimert of slaapt. Hij bewaart Zijn volk, zodat kwade krachten dit volk niet kunnen bereiken.
Toen kwam Gods Geest
“Bileam begreep dat het in de ogen van de HEER goed was als hij Israël zou zegenen. Daarom ging hij niet, zoals de keren daarvoor, op zoek naar voortekens, maar keerde hij zijn gezicht naar de woestijn. Toen hij zijn blik liet rondgaan en Israël daar gelegerd zag, stam bij stam, werd hij door de geest van God gegrepen en hief hij deze orakelspreuk aan: ‘Zo spreekt Bileam, de zoon van Beor, zo spreekt de man wiens oog geopend is...” (Numeri 24:1-3)
Bileam zag de orde in het tentenkamp van Israel en realiseerde, dat al deze mensen van Abraham, Izaak en Jacob afstamden en dat alle twaalf stammen door God gezegend waren.
De Messiaanse profetie
Bileam sprak over iets dat pas véél en véél later zou plaats hebben.
“Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij. Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël. Hij verbrijzelt Moab de slapen, de kinderen van Set slaat hij neer.” (Numeri 24vers17)
NBG: “Ik zie hem, maar niet nu; ik schouw hem, maar niet van nabij; een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israel, en verbrijzelt Moabs slapen, en verplettert alle zonen van Set.”
Bileam zegt hier, dat hij de Messiaanse tijd al ziet.
Bileam profeteert dat een koning zal opstaan uit de stam van Jacob, die een machtig Koning zal zijn over Israel. Deze machtige koning zal niet alleen de legers van Gog van Magog verslaan, hij zal alle volken op aarde aan zich onderwerpen.
1. Bileam zegt: “Ik zal Hem zien, ik zie hem in gedachten nu al, de ster die van grote betekenis zal zijn.”
Hij zal een grote en machtige Koning zijn, die uit Jakob voortkomt.
De met deze ster bedoelde Koning zal alle vijanden van Zijn volk neerwerpen,
2. Bileam zegt: “Ik zie hem als een ster, d.i. het beeld van de macht van een heerser.” Bij de oude volken geloofde men, dat de geboorte van hen, die machtige vorsten zouden worden, door een ster werd aangekondigd.
Dit koningschap heeft zijn eerste (tijdelijke) vervulling verkregen in de Here Jezus en de ster van Bethlehem. De Wijzen uit het Oosten zeiden: "Wij hebben Zijn ster gezien in het Oosten en zijn gekomen om Hem te aanbidden." (Mattheus 2:2)
Zo sterk was in de tijd vóór en ná Christus de overtuiging gevestigd dat hiermee de Messias bedoeld was, dat een van de beruchtste valse Messiassen in de tijd van keizer Hadrianus zich de naam van Bar-Kochba, d.i. zoon van de ster, toe-eigende.
Waar het op aan komt
Wij moeten Hem ZIEN!
a. Hoe zien wij Hem?
b. Wat zien we van Hem?
Wij moeten Hem zien als het Licht dat God ons geeft om ons uit onze zondige duisternis te bevrijden en ons te brengen in het Licht van God en Zijn Zoon.
Meerdere teksten in de Bijbel spraken daar over.
“Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht.
Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen.”
(Jesaja 9:2)
“
Jezus nam opnieuw het woord. Hij zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’”
(Johannes 8:12)
“De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen, ‘heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.”
(2 Corinthe 4:6)
Gods licht wordt alleen openbaar door de Here Jezus. Het scheen indertijd al vanaf het kruis van Golgotha. Je moet Hem zien als de Heiland, die Zijn leven voor je gaf. Dan mag je voor eeuwig in Zijn licht leven.
Bileam was de laatste niet-Joodse profeet en hij kondigde de komst aan van een bijzondere ster. Die bijzondere ster was niemand anders dan de Here Jezus, die in Bethlehem geboren werd. Zijn komst werd ook door een ster aangekondigd: de ster van Bethlehem, die de wijzen uit het Oosten zagen.
|