Het geheim van de eerste christenen
Handelingen 2:32-47
Dit Schriftgedeelte valt uiteen in drie delen:
:32-36 de slotwoorden van Petrus’ eerste toespraak op de Pinksterdag,
:37-41 de luisteraars die getroffen worden door Petrus’ woorden en die
geestelijke genezing ervaren van de door hen in hun harten geslagen boodschap,
:42-47 de eerste beschrijving van de eerste Gemeente van de Heer.
Petrus’ toespraak
Petrus richt zich tot alle groepen mensen - “heel Israël”: Farizeeën,
Sadduceeën, Schriftgeleerden, leden van het Sanhedrin, priesters, levieten en
gewone mensen uit het volk.
Hij wijst hen erop
a. wat Israël met Jezus gedaan heeft en
b. wat God met Hem gedaan heeft.
Petrus begint met zijn luisteraars erop te wijzen, dat wat zij nu meemaken, de
vervulling van de profetie is (:14-21). Alle volgelingen van de Here Jezus zijn
getuigen van Zijn opstanding maken duidelijk, dat Jezus de vervulling is van de
profetie.
Petrus spreekt over Jezus - Christus - Heer (:36).
a. Jezus is Zijn Naam.
b. Christus is de taak die Hij op Zich genomen had: Redder, Verzoener zijn.
c. Heer spreekt van Zijn voornaamheid: Hij is onze Overste.
Christus
Christus verwijst naar Hem als Messias, die de Verzoener was
voor de zonden van het volk (Jesaja 53) en die komen zou als Redder van Israël -
de tweede Mozes, die een tweede uittocht zou brengen, nu sinds 1948, uit alle
volken in de gehele wereld. Als Christus is Hij aan het kruis gestorven en door
God uit de dood opgewekt. Hij is door God gezalfd om een groot werk voor Hem te
doen.
Wat is de betekenis van “zalving”?
a. In de wereld krijg je een aanstelling door middel van een
contract.
b. In de Gemeente krijg je een bediening door middel van handoplegging.
c. In Israël (in de tabernakel en bij de koningen) kreeg je je functie door
middel van zalving met heilige olie. Hogepriesters en zonen van Aäron werden met
heilige olie gezalfd. Latere priesters niet, m.u.v. de speciale oorlogspriester.
Zo ook de koningen uit het huis van David.
Nu is Jezus door God gezalfd, door God aangesteld om een groot werk voor God te
doen. Hij heeft een heilige aanstelling gekregen, van God Zelf. Dit werd
bekrachtigd door de stem uit de hemel, die zei: Dit is mijn Zoon, de geliefde,
luister naar Hem!” (NBV: En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde
Zoon, in hem vind ik vreugde.’) (Mattheus 3:17)
Met die zalving was ook de opdracht beperkt: het was een zalving in Israël en
voor Israël. Jezus werkzaamheden waren beperkt tot Israël. Hij was alleen voor
de verloren stammen van het huis Israëls gekomen. “Hij antwoordde: ‘Ik ben
alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’” (Mattheus
15:24) Als Messias van Israël eindigde Zijn taak bij de grenzen van het land en
het volk. Zoals de profeten (met uitzondering van Jona) ook alleen werkzaam
waren bij het eigen volk, zo was dit bij de Messias ook het geval.
De rabbijnen hadden de volgende vraag gesteld en beantwoord: “Als de Messias
komt, waaraan kunnen wij Hem dan herkennen?” Het antwoord was: “De Messias is te
herkennen omdat Hij buiten de poort van de stad zit temidden van de melaatsen.”
Daarom legt de Hebreeënbrief waarschijnlijk ook de nadruk op het feit, dat Hij
buiten de poort geleden heeft en gestorven is. “Daarom heeft ook Jezus, ten
einde Zijn volk door Zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden.”
(Hebreeën 13:12) Zoals Mattheus (1:21) vertelde, dat Hij gekomen was om Zijn
volk te verlossen van hun zonden, zo vertelt de Hebreeënbrief dat Hij Zijn eigen
volk geheiligd heeft. Zie ook Mattheus 8:1-4
Als er ooit iemand op aarde geweest is die grote liefde voor het volk Israël
had, was het de Here Jezus. Terwijl Hij wist dat zij Hem zouden verwerpen, bleef
Hij hen trouw en werd Hij hun Redder.
Jezus
Jezus verwijst naar Hem als mens. In de evangeliën horen wij
bijna steeds over Hem als over “Jezus”. Zo spraken mensen Hem niet aan, maar zo
wordt over Hem gesproken. Mensen spraken Hem aan als “heer” of als “rabbi”.
Alleen de demonen noemden Hem “Jezus”.
Jezus verwijst naar Hem, die op dezelfde wijze verzocht is als wij verzocht
worden. “Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden
kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is
gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde.” NBG: “Want wij
hebben geen hogepriester, die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar een,
die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te
zondigen.” (Hebreeën 4:15)
Zó zien wij Hem. NBG: “Maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de
engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods
voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond.” (Hebreeën
2:9) Wij zien Jezus! Ons oog is niet gericht op Hem als Heer, niet op Hem als
Messias, maar op Hem zoals wij ons voor de geest kunnen halen, als Jezus. NBG:
“Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des
geloofs, die, om de vreugde, welke voor Hem lag, het kruis op Zich genomen
heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon
Gods.” (Hebreeën 12:2)
In de brieven wordt over Hem echter steeds geschreven als over “Jezus Christus”,
“Christus Jezus” en “de heer Jezus Christus”. Bijna nooit horen wij in de
brieven alleen over “Jezus”.
Als bijvoorbeeld gesproken wordt over de dood van Christus, dan wordt erop
gewezen, dat de Messias is gestorven. Als gesproken wordt over de dood van
Jezus, wordt duidelijk gemaakt, dat de Messias een Naam heeft en dat Hij
aangewezen kan worden: Hij heet Jezus en komt uit Nazaret. Er waren vroeger veel
meer mensen die Jezus heten (vgl. Colossenzen 4:11). Deze Jezus wordt
onderscheiden van al die anderen als de Jezus die uit Nazareth kwam en die de
broer was van Jacobus.
Heer
Heer verwijst naar waardigheid. Er wordt op twee manieren over
Hem als “Heer” gesproken:
1. In de betekenis van “meneer”.
2. In de betekenis van “eigenaar”.
De Heiland dient netjes met “mijnheer” aangesproken te worden. Wij dienen Hem
beleefd tegemoet te treden. Wie Hem aanspreekt, dient zich bewust te zijn wie de
Meester is en wie de knecht. Jezus was als Messias Gods Knecht. Maar Hij is onze
Knecht niet. Hij is onze Eigenaar, onze Meester, onze Heer.
Petrus maakt duidelijk dat Jezus nu “Heer” geworden is niet alleen over de
discipelen, maar over geheel Israël.
Mensen komen tot bekering
De mensen zijn door de prediking geraakt in hun hart. Daarmee
moet het beginnen. Het gepredikte woord moet je hoofd en je hart bereiken.
De eerste vraag die zij stellen: Wat moeten wij doen? Met deze vraag moet het
vervolgens verder gaan. Die vraag stelde de gevangenbewaarder in Philippi ook.
Het antwoord op de gestelde vraag:
1. Bekering
2. Doop (d.i. onderdompeling).
Bekering is “tot inkeer komen”, anders gaan denken over God, over jezelf, over
de zonde in je leven. Dat is het werk van de Heilige Geest - zie Johannes 14:8.
Het is meer dan alleen maar berouw hebben van je zonden. Het betekent een totale
ommekeer in je leven, een ommekeer die inhoudt, dat je van plan bent een heel
ander leven te gaan leiden.
Bekering betekent, dat je gaat geloven in Jezus als Redder; ook als Redder voor
jou.
Doop is niet wat het vandaag in veel kerken geworden is: besprenkeling. Deze
besprenkeling kom je niet in de Bijbel tegen. Die is ook niet door God
ingesteld. Het is een traditie die de kerken overgenomen hebben van de
katholieke kerk. De katholieke kerk heeft hem weer als een inwijdingsritueel
overgenomen van de heidense priesters uit Babel. Het is ten hemel schreiend, dat
veel christenen hun behoudenis (mede) baseren op een erfenis van de afgoderij
uit Babel! (Zie mijn boek: De Bijbel en de doop)
De doop werd hier bediend “in” de Naam van Jezus. Dat is: op grond van de Naam
van Jezus, dat is: op grond van hun eigen, hun persoonlijk geloof in Jezus als
Redder.
Zo gaan hier geloof (:44), bekering (:41) en doop (:41) samen. De één kan niet
zonder de ander.
Zoals deze religieuze mensen geloof en bekering nodig hadden, zo hebben onze
religieuze mensen dit ook nodig. Zo moeten onze religieuze mensen ook gehoorzaam
zijn aan de opdracht van de Heer om zich - op grond van hun geloof - en op de
wijze zoals de Bijbel aangeeft: door onderdompeling laten dopen.
N.B. Deze opdracht tot bekering en onderdompeling is niet gegeven aan ongelovige
heidenen, maar aan zeer religieuze, God dienende mensen! Vandaag: aan de mensen
die in de kerk zitten.
Er komen mensen tot geloof uit alle groepen mensen - “heel Israël”: Farizeeën,
Sadduceeën, Schriftgeleerden, leden van het Sanhedrin, priesters, levieten en
gewone mensen uit het volk. Zelfs priesters. “Het woord van God vond steeds meer
gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide; ook een grote
groep priesters aanvaardde het geloof.” NBG: “En het woord Gods wies en het
getal der discipelen te Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van de
priesters gaf gehoor aan het geloof.” (Handelingen 6:7)
De tempel bleef een belangrijke plaats innemen in het geloofsleven van de eerste
christenen:
“Toen deze zag, dat Petrus en Johannes de tempel zouden binnengaan, verzocht hij
om een aalmoes.” (Handelingen 3:3)
“...en hij sprong op en stond en liep heen en weer en hij ging met hen de tempel
binnen, lopende en springende en God lovende.” (Handelingen 3:8)
“Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het volk al deze woorden des
levens. En zij gaven daaraan gehoor en gingen tegen de ochtend de tempel binnen
en leerden. Toen nu de hogepriester was aangekomen en die met hem waren, riepen
zij de Raad bijeen, de gehele vergadering van de oudsten der kinderen Israëls,
en zij zonden dienaars naar de kerker om hen te laten voorkomen.” (Handelingen
5:20,21)
“Maar er kwam iemand tot hen met het bericht: Zie, de mannen, die gij hebt
gevangengezet, staan in de tempel en zij leren het volk.” (Handelingen 5:25)
“...en zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tempel en aan huis, en
verkondigden het evangelie, dat de Christus Jezus is.” (Handelingen 5:42)
“Toen nam Paulus die mannen mede, en hij heiligde zich de volgende dag met hen,
ging in de tempel en deed aangifte, dat de dagen der heiliging zouden duren,
totdat voor ieder hunner het offer gebracht was.” (Handelingen 21:26)
“En het overkwam mij, toen ik te Jeruzalem was teruggekeerd en in de tempel
aanbad, dat ik in zinsverrukking geraakte...” (Handelingen 22:17)
De nieuwe “beweging”
“Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden
met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed.”
(:42)
Hoewel velen menen, dat de leden van de gemeente zich meteen losmaakten van
synagoge en tempel, was dat beslist niet het geval. Het was niet Gods wil, dat
zij zich zouden isoleren van de andere Joden. Ze hoorden als volk bij elkaar en
dienden bij elkaar te blijven.
1. Onderricht van de apostelen, dat is onderwijs in de leer van de Here
Jezus. In het jodendom waren ze al onderwezen in de boodschap van de Bijbel (het
Oude Testament) - ook al heeft een mens nooit voldoende kennis en moet ook die
kennis verder gevoed worden - nu kregen ze les in wat de Here Jezus Zijn
discipelen geleerd had. Ze leerden hoe ze niet alleen als Joden, maar ook als
volgelingen van de Heer Jezus moesten leven. Nu leerden zij, dat Jezus niet
gekomen was om hen nieuwe wetten te geven, maar dat Hij gekomen was om hen te
leren hoe zij een Gode welgevallig leven konden leiden.
Deze mensen hadden nog geen schriftelijke verslagen van wat Jezus gedaan had. Er
waren nog geen evangeliën. Er waren nog geen brieven, niet van Paulus en niet
van Petrus. Ze hadden alleen Tenach (het Oude Testament) en het mondelinge
getuigenis van de apostelen over de Here Jezus en over de toepassing van het
Oude Testament op de Heer Jezus.
Deze mensen verlangden ernaar meer van God en van de Here Jezus te leren. Zij
bestudeerden aan de hand van de boodschap van de apostelen het Oude Testament en
groeiden daardoor in hun kennis van de geestelijke zaken.
Hier kunnen wij zeker iets belangrijks van deze mensen leren. Zo moeten ook wij
het Woord van God bestuderen, aan de hand van hen die het ons kunnen
onderwijzen. Alleen door je te voeden met het Woord van God en kennis van God
kun je groeien in je kennis en kan je geloof een vast fundament houden. Zo
alleen kun je onderweg zijn om een leraar voor jonge mensen in de gemeente te
worden. “Werkelijk, u had toch inmiddels allemaal leraar moeten zijn! In plaats
daarvan hebt u er zelf een nodig om u opnieuw de grondslagen van het woord van
God bij te brengen; het is met u zo ver gekomen dat u weer aangewezen bent op
melk in plaats van op vast voedsel.” NBG: “Want hoewel gij, naar de tijd
gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste
beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig en geen
vaste spijs.” (Hebreeën 5:12)
Waar zijn in onze gemeente de oudere gelovigen die zich aanmelden om de jongere
gelovigen te onderrichten in het Woord van God? Waar zijn de ouderen die zich
erop toe gelegd hebben om onderwijs te gaan geven in de gemeente?
2. De vorming van een nieuwe gemeenschap. Ze bleven Joden en bleven met
de andere Joden in tempel en synagoge God dienen. Maar met de andere christenen
kwamen ze ook samen om God te dienen. Ze kregen het dus niet rustiger, maar
juist drukker! Ze hadden nog meer samenkomsten dan vroeger. Juist die nieuwe
samenkomsten mochten zij niet overslaan (Hebreeën 10:25).
Zij dienden zich ook te realiseren, dat zij een nieuwe familie met elkaar
vormden. In het jodendom waren zij al één grote familie. Nu “in Jezus” waren zij
op een heel andere manier een nieuwe familie.
3. Ze braken het brood. De maaltijden die zij ‘s avonds hielden stonden
steeds in het teken van de opgestane Heer. Aan deze maaltijd werd niet alleen de
kiddoesj, de heiliging en de wijding van de maaltijd uitgesproken, maar werd ook
speciaal gedacht aan het lijden en sterven van de Heer. Zo vierden zij ook de
maaltijd van de Heer.
4. Ze waren trouw in het bidden. Ze gingen verder met dat waar zij vóór
de komst van de Heilige Geest al mee bezig waren: eensgezind bidden (1:14).
Wat lijkt te ontbreken in deze lijst? Er wordt met geen woord gesproken over
zendingsdrang of evangelisatie-activiteiten. Mensen werden bereikt door het
gepredikte woord als zij kwamen luisten en zij werden bereikt door de manier
waarop de eerste christenen als een familie, een gezin met elkaar omgingen. Een
prachtig getuigenis: “In heel Judea en Galilea en Samaria leefde de gemeente in
vrede en kwam tot bloei. De gelovigen leefden in ontzag voor de Heer, en dankzij
de bijstand van de heilige Geest nam hun aantal steeds meer toe.” (Handelingen
9:31)
|