De Tabernakel
1 De HEER zei tegen Mozes:
2 ‘Vraag de Israëlieten mij geschenken te geven; neem van ieder die daartoe bereid is een bijdrage in ontvangst.
3 Je moet het volgende van hen vragen: goud, zilver en koper,
4 blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, fijn linnen garen en geitenhaar,
5 rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout,
6 lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers,
7 onyxstenen voor de priesterschort en edelstenen voor de borsttas.
8 De Israëlieten moeten een heiligdom voor mij maken, zodat ik te midden van hen kan wonen.
(Exodus 25:1-8)
Ongeveer 3300 jaar geleden werd een bijzondere tent gemaakt, die als heiligdom voor de Schepper van hemel en aarde moest dienst doen. Hier moest God gediend worden op de wijze zoals Hij Zelf het wilde. Ja, niet alleen de wijze waarop Hij gediend werd was door God Zelf bepaald, ook alle bouwmaterialen en gebruiksvoorwerpen e.d. waren door Hem Zelf opgegeven. Alles moest precies zó gemaakt worden, als Hij het gezegd had.
De naam
Wij zijn gewend om over "de tabernakel" te spreken. Dat is de vertaling van het Hebreeuwse woord "mishkan". Dit woord betekent zowel "tent" als "woonplaats". Het vertelt ons van de tent die de aardse woonplaats van God was.
"Voor Mij"
Toen Mozes op de berg de Horeb in de Sinaï was, kreeg het volk Israël bij monde van Mozes de opdracht om een tabernakel voor God te bouwen. De tabernakel was een heiligdom, een verplaatsbare tempel van God.
De tabernakel was in de eerste plaats bestemd voor God en niet voor het volk. Hij was er opdat God bij Zijn volk kon wonen.
Door het bouwen van dit heiligdom kwam God voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid op aarde wonen. Voor het eerst was er een volk dat wist, dat de enig ware God in hun midden woonde. Ja: Hij reisde zelfs met hen mee door de barre woestijn. Hij ging hen voor onderweg en Hij wees hen de plaatsen aan waar zij moesten kamperen. Hij zorgde zó goed voor hen, dat het hen nooit aan voedsel (manna) of water (uit de rots) ontbrak. Hun kleren versleten niet evenmin als hun schoenen. Nooit was er een zieke die niet meekon als de reis door de wildernis vervolgd werd. God was hun Heelmeester, die ervoor zorgde, dat er geen zieken in hun midden waren. God had gezegd: "Als jullie de woorden van de HEER, jullie God, ter harte nemen, als jullie doen wat goed is in Zijn ogen en al Zijn geboden en wetten gehoorzamen, zal Ik jullie met geen van de kwalen treffen waarmee Ik Egypte heb gestraft. Ik, de HEER, ben het die jullie geneest." (Exodus 15:26)
De tabernakel stond niet alleen precies in het midden van het tentenkamp van de Israëlieten, hij was ook het geestelijke hart van het volk. Vanuit de tabernakel kwamen de geestelijke opdrachten voor het volk en in de tabernakel vond de dienst van God plaats. Hier werden de grote feesten georkestreerd. Daar in de voorhof, konden de Israëlieten voor het aangezicht van God verschijnen en konden zij door middel van de offers vergeving voor hun zonden krijgen.
De bouw
De tabernakel werd in de Sinaï-woestijn gemaakt direct nadat de Israëlieten als slaven uit Egypte waren vertrokken. In Egypte waren zij zó van God afgedwaald en hadden zij zó nadrukkelijk kennis genomen van de Egyptische afgoden, dat zij aan Mozes moesten vragen welke God met hem gesproken had. Ook dat zij als één van de eerste daden in de woestijn een gouden kalf als god maakten, toont, hoever zij in Egypte van God afgedwaald waren!
Volgens de overlevering is de tabernakel op de eerste dag van de maand Nissan in gebruik genomen. De tabernakel is 500 jaar in gebruik geweest. Veertig jaar hiervan werd de tabernakel gebruikt in de wildernis van de Sinaï en de overige 460 jaar tijdens het verblijf van de Israëlieten in hun nieuwe land, Kanaän.
Eerst stond de tabernakel 14 jaar in Gilgal, in de buurt van Jericho. Hier stond het in de jaren dat de Israëlieten het land Kanaän moesten veroveren, vervolgens 369 jaar in Silo, waar wij de geschiedenis van Eli en Samuel kennen, dan 57 jaar in Nob en Gibeon.
De tabernakel zoals hij in Silo, Nob en Gibeon stond, bestond toen niet meer uit verplaatsbare delen voor wat de buitenwand betrof, maar was nu van stenen gebouwd. Het dak bestond echter nog steeds uit het doek dat ook de tabernakel eerder bedekt had. Het gebouw heette nu "de tempel van de HEER" en "het huis van de Heer" (1 Samuel 1:9; 3:3,15). Het had nu ook echte deurposten en deuren, zoals wij in deze teksten horen. Hij wordt nu ook "ontmoetingstent" of "tent der samenkomst" genoemd (1 Samuel 2:22).
Silo werd verwoest toen Eli hogepriester was (zie Psalm 78). De tabernakel werd verplaatst naar Nob (1 Samuel 21:2).
Daarna naar Gibeon (1 Koningen 3:4)
David wilde voor God een echte tempel bouwen
"Toen de koning zijn intrek had genomen in het paleis en de HEER hem rust had gegeven door hem van al zijn vijanden te verlossen, zei de koning (David) tegen de profeet Natan: ‘Kijk nu toch! Ik woon in een paleis van cederhout, terwijl de ark van God in een tent staat.’
Hierop zei God:
"Ik heb toch nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat Ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! Al die tijd trok Ik rond in tent en tabernakel." (2 Samuel 7:1,2,6)
Daarna kwam de tempel die Salomo liet bouwen en die dienst deed tot de verwoesting van Jeruzalem door koning Nebucadnezar uit Babel. Dit was in het jaar 586 vóór Christus.
In de onderaardse gewelven of vertrekken van deze tempel zijn de tabernakel en zijn voorwerpen. Niets uit de tabernakel werd nog in de nieuwe tempel gebruikt, met uitzondering van de ark des verbonds die in het Heilige der Heiligen stond. Terwijl Salomo alles nieuw maakte, bleef hij de oude ark des verbonds gebruiken.
Enkele tientallen jaren na de verwoesting van de tempel van Salomo door koning Nebucadnezar van Babylonië werd op dezelfde plaats in Jeruzalem een nieuwe tempel gebouwd, die door de later koning Herodes vergroot en verfraaid werd. Deze tempel werd in het jaar 70 door de Romeinse veldheer Titus verwoest. Terwijl alles in vlammen opging, heeft hij alleen de kandelaar uit de tempel meegenomen naar Rome.
De ark des verbonds is toen niet verbrand. Hoe dit kwam, zien wij verderop.
De tempel die Salomo liet bouwen wordt steeds de tempel van Salomo genoemd.
De tempel die door Herodes verfraaid en vergroot werd, wordt steeds de tempel van Herodes genoemd.
De profeet Ezechiël heeft namens God aangekondigd, dat er nog eenmaal een tempel in Jeruzalem gebouwd zal worden, op dezelfde plaats als de beide vorige tempels. Deze tempel wordt de tempel van Ezechiël genoemd. Hij zal dienst doen in het komende Messiaanse vrederijk, als de Heer Jezus lijfelijk op aarde als Koning aanwezig zal zijn.
De tabernakel was zo vernuftig gebouwd, dat hij als een modern bouwpakket in zeer korte tijd in elkaar gezet kon worden en ook snel weer afgebroken kon worden om op de reis van de Israëlieten in gemakkelijke delen vervoerd te kunnen worden.
Aan de bouw van de tabernakel hebben veel mensen van allerlei beroepen meegewerkt, mannen en vrouwen. Mannen die met hout konden werken, vrouwen die stoffen konden weven en gordijnen konden maken, zilversmeden en goudsmeden, enz.
God wilde er wonen
"Hij (Mozes) schermde de ruimte rondom de tabernakel en het altaar af en hij hing voor de ingang het gordijn op. Zo legde Mozes de laatste hand aan het werk. Toen werd de ontmoetingstent overdekt door een wolk en werd de tabernakel gevuld door de majesteit van de HEER. Mozes kon de ontmoetingstent niet meer binnengaan, want de wolk rustte daarop en de majesteit van de HEER vulde de tabernakel." (Exodus 40:33-35) God had Zijn heiligdom in gebruik genomen!
Geestelijke betekenis
De Joden beleven de ervaringen van hun voorvaderen als slaven in Egypte, de bevrijding uit de slavernij en de ervaringen in de woestijn, inclusief de tabernakel, als iets waar zij in geestelijke zin altijd bij betrokken zijn. Iedere Jood weet, dat hij uit Egypte komt, dat hij een slaaf was maar door God bevrijd is, dat hij door de woestijn getrokken is, dat hij daar van God de Torah, de wet, ontvangen heeft, dat God ook aan hem de tabernakel geschonken heeft en dat God hem door de woestijn naar het beloofde land geleid heeft. Die geloofservaring van de Joden wordt in het Nieuwe Testament nog eens beschreven en dan ook toegepast op de christenen. Ook wij als christenen hebben in geloof al deze zaken meegemaakt.
Zo wordt van de Here Jezus het volgende gezegd: "Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben Zijn grootheid (Zijn heerlijkheid) gezien, de grootheid (de heerlijkheid) van de enige Zoon van de Vader." (Johannes 1:14)
Het woord wonen in deze tekst is de vertaling van het Griekse woord skeno-oo.
Het heeft twee betekenissen:
1. Je tent opslaan, in een tent wonen, kamperen.
2. Wonen.
Het verwijst naar de tent die wij in het Oude Testament kennen als de tabernakel. De Heer Jezus heeft Zijn tent, Zijn tabernakel bij ons opgeslagen en is bij ons komen wonen.
Zo kunnen wij de boodschap van de tabernakel uit de woestijn toepassen op onze relatie met de Heer.
Zo blijken ook de gebeurtenissen uit de woestijn op ons van toepassing te zijn, zoals in het Nieuwe Testament gezegd wordt:
1. De doortocht door de Schelfzee.
2. De bescherming van de wolkkolom.
3. De doop door onderdompeling.
4. Het eten van het manna (een beeld van de Heer Jezus).
5. Het drinken van het water uit de rots (vgl. Johannes 4 - een beeld van de Heer Jezus).
6. Verbod tot het dienen van afgoden, zoals bij het gouden kalf.
7. Verbod tot ontucht, overspel en hoererij, zoals bij Moab.
8. Verbod om de Heer te verzoeken.
9. Verbod om in opstand te komen.
10. De les van de verhoogde slang te leren, die een beeld is van de Heer Jezus aan het kruis.
"Broeders en zusters, ik wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk werden beschermd en allemaal door de zee trokken, dat ze zich allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee. En ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde-en die rots was Christus. Toch wees God de meesten van hen af, want hij liet hen bezwijken in de woestijn.
Dit alles strekt ons tot voorbeeld: wij moeten niet uit zijn op het kwade, zoals zij. Dien geen afgoden, zoals een deel van hen, over wie geschreven staat: ‘Het volk ging zitten om te eten en te drinken en het stond op om te dansen.’ Laten we geen ontucht plegen, zoals een aantal van hen, want daardoor stierven er op één dag drieëntwintigduizend. En laten we Christus niet tarten, zoals anderen deden, want daardoor werden ze door slangen doodgebeten. En kom niet in opstand, zoals weer anderen deden, want daardoor werden ze door de doodsengel vernietigd. Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen." (1 Corinthe 10:1-11)
"De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, opdat iedereen die gelooft, in hem eeuwig leven heeft." (Johannes 1:14, 15)
De tabernakel spreekt van Jezus en van de gelovigen
In de tabernakel leren wij veel van de Heer Jezus. Wij leren Hem op een bijzondere manier kennen, op de manier zoals God Zelf Hem in Zijn tent geopenbaard heeft. Dat zien wij zowel bij de hogepriester als in de gehele offerdienst.
In de tabernakel leren wij ook meer van onszelf als gelovigen, als Gemeente van de Heer.
De tabernakel is een beeld van ons als gelovigen, van de Gemeente van Jezus Christus. De tabernakel en de dienst van de tabernakel kunnen en mogen wij daarom ook op onszelf toepassen. "Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ‘Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij Mijn volk.’" (2 Corinthe 6:16)
"Weet u niet dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? Indien iemand Gods tempel vernietigt, zal God hem vernietigen, want Gods tempel is heilig-en die tempel bent u zelf." (1 Corinthe 3:16,17)
"Weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u niet van uzelf bent?" (1 Corinthe 6:19)
Altaar en Wasvat
1 Mozes riep de hele gemeenschap van Israël bijeen en zei: ‘De HEER heeft opdracht gegeven om deze voorwerpen voor hem te maken.
2 Zes dagen kan daaraan gewerkt worden, maar de zevende dag, de sabbat, moet een dag van volstrekte rust zijn, gewijd aan de HEER. Iedereen die dan werkt moet ter dood gebracht worden.
3 Niemand van u mag op sabbat een vuur aansteken, waar hij ook woont.’
4 Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De HEER draagt u op
5 hem geschenken te geven. Laat iedereen die daartoe bereid is iets aan de HEER afstaan: goud, zilver of koper,
6 blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn linnen garen of geitenhaar,
7 rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout,
8 lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers,
9 onyxstenen voor de priesterschort of edelstenen voor de borsttas.
10 Alle vaklieden moeten zich melden, om alles te maken waartoe de HEER opdracht heeft gegeven:
(Exodus 35:1-10)
20 Hierop gingen de Israëlieten uiteen, en ieder die daartoe van harte bereid was, kwam bij Mozes terug met een geschenk voor de HEER als bijdrage voor de vervaardiging van de ontmoetingstent, de inrichting daarvan of de heilige kleding.
21
22 Alle mannen en vrouwen die bereid waren de HEER iets van goud af te staan, kwamen sierspelden, neusringen, vingerringen, halssieraden en allerlei andere gouden voorwerpen brengen.
23 Iedereen die in het bezit was van blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn linnen garen, geitenhaar, rood geverfde ramsvellen of zeekoevellen bracht dat ook.
24 Anderen schonken de HEER zilver of koper, en weer anderen brachten het acaciahout dat ze hadden en dat voor tal van voorwerpen nodig was.
25 Vrouwen die de kunst van het spinnen verstonden, sponnen eigenhandig blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en fijn linnen garen en stonden dat af.
26 Andere vrouwen, die dat graag deden en er bedreven in waren, sponnen geitenhaar.
27 De leiders van Israël brachten de onyxstenen voor de priesterschort en de edelstenen voor de borsttas,
28 evenals de geurige specerijen en de olie voor de verlichting, de zalfolie en de reukoffers.
29 Alle Israëlieten, mannen zowel als vrouwen, die bereid waren iets af te staan voor de werkzaamheden waartoe de HEER Mozes opdracht had laten geven, brachten de HEER vrijwillig geschenken.
30 Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De HEER heeft zijn keuze laten vallen op Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda.
31 Hij heeft hem uitzonderlijke talenten geschonken, wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied:
32 hij kan ontwerpen maken en ze uitvoeren in goud, zilver, koper en brons,
33 hij kan stenen snijden en zetten en hout bewerken en hij beheerst ook allerlei andere vaardigheden om ontwerpen uit te voeren.
34 De HEER heeft aan hem en aan Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, ook de gave geschonken hun kennis over te dragen.
35 Hij heeft hun vakmanschap geschonken op allerlei gebied: zij hebben verstand van wol weven, van borduren met blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en van het weven van fijn linnen. Ze beheersen de technieken en maken zelf de ontwerpen.
(Exodus 35:20-35)
1 Besaleël en Oholiab moeten alle voorwerpen voor de dienst in het heiligdom maken, precies zoals de HEER het heeft opgedragen. Allen die hun vak verstaan en aan wie de HEER de wijsheid en het inzicht geschonken heeft die hiervoor nodig zijn, moeten hen helpen.’
2 Hierop riep Mozes Besaleël en Oholiab bij zich, en alle vaklieden aan wie de HEER wijsheid geschonken had en die graag bereid waren het werk ter hand te nemen.
3 Zij namen van Mozes alle geschenken in ontvangst die de Israëlieten voor de bouw van het heiligdom gebracht hadden. Men bleef vrijwillig gaven brengen, iedere morgen weer,
4 totdat de vaklieden die aan het heiligdom werkten hun werk onderbraken,
5 en zij Mozes lieten weten dat de mensen veel meer bijeenbrachten dan nodig was voor het werk waartoe de HEER opdracht had gegeven.
6 Op bevel van Mozes werd toen overal in het kamp bekendgemaakt dat geen enkele man of vrouw nog iets voor het heiligdom hoefde te maken. Daarna bracht het volk geen geschenken meer.
7 Er was meer dan voldoende materiaal om al het werk te kunnen uitvoeren.
(Exodus 36:1-7)
Wat opvalt
Alleen zij DIE VAN HARTE BEREID WAREN OM VRIJWILLIG iets aan God te geven, kwamen met hun geschenken bij Mozes. Er was geen dwang om te offeren.
Als er mensen geweest zijn, die niet van harte bereid waren aan de zaak van God te geven, moet het hun hart aangeklaagd hebben.
Iedere dag kwamen er mensen met hun gaven.
Er werd veel meer gegeven dan nodig was.
De materialen
Projectleider bij de bouw van de tabernakel is Mozes, een gevluchte prins en tegenwoordig schaapherder van beroep. Maar een man die door God geleid en gebruikt wordt om grote dingen voor Hem te doen.
Het was een enorm project en Mozes ging met enorme geldbedragen om. Om een voorbeeld te geven: er is 29 talent goud gebruikt. Eén talent is ongeveer 34 kilo. We praten dus over ongeveer 1000 kilo goud. Bent u er nog?
Er werd 100 talent zilver gebruikt. Dit komt neer op ongeveer 3.500 kg zilver.
Dan is er nog 70 talent koper gebruikt, dat is dus gelijk aan ongeveer 2400 kg. koper.
Dit zijn onvoorstelbaar grote hoeveelheden, waarvan men gemakkelijk zou kunnen denken: dat kan niet. Als u het terug rekent, blijkt het mee te vallen.
Wij weten, dat er op dit moment 600.000 mannen waren. Waarschijnlijk ook 600.000 vrouwen. Als deze mannen gerekend worden vanaf de leeftijd van 13 jaar, dan zouden wij misschien kunnen spreken over 200.000 - in onze ogen - volwassen mannen en een gelijk aantal volwassen vrouwen. Als wij verder voorstellen dat als elke volwassen man goud gegeven heeft, dan komt het nog maar neer op 2 gram per man. U mag ook zeggen: 2 gram per familie/echtpaar. Verder zou het neerkomen op 8-9 gram zilver per man/gezin en op. En 5 gram koper. Dat zijn dus geen onvoorstelbare grote hoeveelheden.
Uitvoerder bij de bouw
Mozes’ rechterhand was Besaleel, de zoon van Uri, de zoon van Hur, zoals Exodus 31 zegt. Deze Hur, die weer de zoon van Kaleb was, kennen wij - meerdere keren horen wij over hem tegelijk met Aaron. Samen ondersteunen zijn Mozes’ armen bij de strijd tegen de Amalekieten. Hij en Aaron zijn verantwoordelijk voor het volk als Mozes op de berg Sinai is.
Wij horen daarna niets meer over deze Hur. Waar is hij gebleven? De Joodse overlevering vertelt, dat toen het volk een gouden kalf wilde maken, Hur kwam en het volk hiervan trachtte weerhouden. Hierop zou hij door het volk gedood zijn. Vrijwillig offerde hij zijn leven in zijn poging het volk te weerhouden van afgoderij. Daarom zou zijn kleinzoon nu de leiding bij de bouw van de tabernakel mogen hebben.
Besaleel heeft een bijzondere naam: Bet salel. Dat is: in de schaduw van God.
De deur/poort
Direct vóór de poort van de tabernakel stonden de tenten van Mozes, Aaron en van de zonen van Aaron. Er stond een extra tent waarin de doodskist met het lichaam van Jozef stond. Hij moest immers in het beloofde land begraven worden.
De tenten van de drie levietenfamilies, de familie Gershon, Kehat en Merari stonden aan de andere kanten van de tabernakel. Verder weg stonden de tenten van de andere Israëlieten.
Dit doet ons denken aan de volgende woorden van de Here Jezus:
Joh 10:1 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover;
Joh 10:2 maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen.
Joh 10:7 Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.
Joh 10:9 Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
Het altaar
Exodus 27:1,2
"Maak een altaar van acaciahout. Het moet vierkant zijn, vijf el lang en vijf el breed, en drie el hoog.
Op de vier hoeken moet het horens hebben, die er één geheel mee vormen. Bekleed het met brons."
Het altaar bestond in feite uit twee "delen":
een deel van koper
een deel van aarde.
Een heilige el heeft een andere afmeting dan de gewone el. Een el is ongeveer 60 centimeter. Vijf el is dus ongeveer 3 meter.
Het koperen altaar bestond uit twee delen, die ieder ongeveer 2 meter hoog waren. Samen dus 4 meter. Het altaar van aarde dat eronder was, was ook ongeveer 2 meter. De totale hoogte van het altaar was dus 6 meter. Voor deze afmetingen zie mijn boek "De geheimen van de offers" waarop ook te zien is, hoe het altaar opgebouwd was.
Het altaar was het hart van de tabernakel, omdat alle dienst voor God te maken had met het altaar. Alle dagelijkse offers, offers op feestdagen en offers van individuele Israëlieten werden op het altaar gebracht.
Het altaar stond later in de tempel op een bijzondere plaats, nl. Op de plaats waar Abraham zijn zoon Izaak op het altaar gelegd had - op de berg Moria, de berg die daarna "de berg des HEEREN" heet.
Het altaar was hol van binnen. Het bestond uit een koperen kist die aan de binnenkant met koperen platen bekleed was.
Op het altaar brandden 3 vuren. Drie vuurplaatsen. Eén ervan moest altijd blijven branden, omdat dit het vuur was, waarmee andere plaatsen aangestoken werden.
Als wij de in de Bijbel genoemde el rekenen als de heilige el, dan is hij niet 50 maar 60 cm. Dit betekent dat het altaar 6 meter hoog was. Priesters die op deze hoogte stonden keken uit over het tentenkamp en keken neer op het dak van de tent van God.
Priesters konden op hoogte rond het altaar lopen.
Het altaar stond op een verhoging van aarde, die "het altaar van aarde" genoemd werd. Deze aarde werd op zijn plaats gehouden door houten platen, die aan de drie buitenkanten geplaatst werden.
Een helling van stenen zorgde ervoor, dat priesters de top konden bereiken. Deze hellingbaan was ongeveer 18 meter lang.
Het altaar moest elke avond aan de buitenkant gereinigd worden en elke morgen aan de bovenzijde helemaal gereinigd worden.
Het altaar spreekt van het kruis, waaraan de Here Jezus in onze plaats de straf voor onze zonde droeg. Jezus, "die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen." (1 Petrus 2:24)
De offerdieren spreken van de Here Jezus als het Lam van God.
Johannes de Doper zei van de Heer Jezus: "De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt." (Johannes 1:29)
Het wasvat
Ex 38:8 Hij maakte het wasvat van koper, met een voetstuk van koper, van de spiegels der dienstdoende vrouwen, die dienst deden bij de ingang van de tent der samenkomst.
Ex 39:39 het koperen altaar met het bijbehorend koperen traliewerk, de draagstokken en al zijn gerei, het wasvat met zijn voetstuk,
Ex 40:7 Gij zult het wasvat tussen de tent der samenkomst en het altaar zetten en er water in doen.
Het wasvat was gemaakt van koper. Het was gemaakt van de spiegels die de vrouwen ingeleverd hadden voor de bouw van de tabernakel. Hierdoor toonden de vrouwen dat zij meer liefde hadden voor God dan voor het kijken naar hun eigen uiterlijk.
Het wasvat was voor de priesters iedere dag het eerste voorwerp in de tabernakel waarmee zij in aanraking kwamen. Voor iedere handeling moesten zij steeds eerst de handen en de voeten wassen.
Uit het wasvat kwamen twee leidingen, die als kranen gebruikt werden. Later in de tempel van Herodes had het wasvat 12 kranen, omdat toen steeds grote aantallen priester tegelijk zich moesten kunnen wassen.
Het water dat de volgende morgen nog in het wasvat aanwezig zou kunnen zijn, mocht niet meer gebruikt worden. Het wasvat moest geleegd worden en gevuld met vers water. Daarom werd het elke dag aan het eind van de dag helemaal geleegd.
Het wasvat spreekt van de dagelijkse reiniging en heiliging die wij nodig hebben. Hiervan lezen wij het volgende: "Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven." (Romeinen 6:22)
"Jaagt naar vrede met allen en naar de heiliging, zonder welke niemand de Here zal zien." (Hebreeën 12:14)
Het Heilige en het Heilige der Heiligen
"De Israëlieten moeten een heiligdom voor Mij maken, zodat Ik te midden van hen kan wonen."
(Exodus 25:8)
Ook de voorwerpen in het Heilige en in het Heilige der Heiligen - dat is: het allerheiligste - bevatten een geestelijke les, zowel voor de Israëlieten als voor ons.
Namen:
Er zijn twee namen: heilige en heilige der heiligen.
Het eerste vertrek heet "het heilige".
Alleen de priesters mochten hier binnenkomen. Gewone Israëlieten hadden geen toegang tot dit vertrek. Anders gezegd: alleen de heilige priesters mochten hier komen. Deze heiligheid van de priesters werd getoond door het feit, dat zij iedere dag vóórdat zij hun dienst begonnen en nadat zij zich gewoon gewassen hadden, zij zich moesten dopen in een doopvont met zuiver water. Pas nadat zij zich ondergedompeld hadden mochten zij hun dienst beginnen. Zelfs priesters die wel aanwezig waren maar die dag geen dienst zouden doen (later in de tempel toen het aantal priesters veel groter was) moesten zich toch eerst onderdompelen.
Alleen vanuit het heilige was het mogelijk om in het allerheiligste vertrek te komen. Alleen de hoogste priester mocht hier slechts eenmaal per jaar binnen komen, d.i. de hogepriester. Als hij binnenkwam, moest dit via een duidelijk ritueel.
Dit vertrek heette niet het allerheiligste vanwege de hogepriester, maar omdat God Zelf hier woonde - op het verzoendeksel van de ark van het verbond. Vanaf deze plaats sprak God indertijd met Mozes.
In het heilige
Drie bijzondere attributen:
1. De kandelaar die het heilige verlichtte. Zeven armen. Menorah. Niet te verwarren met de kandelaar met acht armen, d.i. de Chanoekia, die op het Chanoekafeest, het lichtfeest, gebruikt wordt.
De kandelaar was uit één stuk goud geklopt. De klomp goud woog ongeveer 34 kg. Het spreekt van het licht dat van Gods aangezicht over de wereld verspreid moet worden. Het spreekt van de woonplaats van God die het licht voor de gehele wereld moet zijn.
Later in de tempel waren heel bijzondere ramen in de dikke muren. De ramen waren aan de binnenkant klein en aan de buitenkant groot. Hierdoor kwam er weinig licht van buiten naar binnen, maar ging het licht van binnen juist naar buiten. Dát was de betekenis van de kandelaar.
2. De tafel met de toonbroden. "Leg op de tafel het toonbrood; dat moet daar altijd voor Mij liggen." (Exodus 25:30) NBG: "En gij zult op de tafel geregeld toonbrood leggen voor Mijn aangezicht." "Geef ons heden ons dagelijks brood". Brood is het beeld van dát wat wij nodig hebben om te leven. Zo liggen de toonbroden er als een teken voor God, dat Hij ons met het nodige zal voorzien.
3. Het reukofferaltaar. Hier baden de priesters waarbij hun gebeden als reukwerk opstegen voor de troon van God. Als zij hier stonden te bidden, stonden zij "voor het aangezicht van God".
Beelden van de Heer Jezus
De kandelaar spreekt ons van de Here Jezus die het Licht voor de wereld is (Johannes 8:12).
Het toonbrood spreekt ons van de Here Jezus het Brood des levens is (Johannes 6). Het spreekt ons van de Here Jezus, die met de kinderen Gods, die Hem in hun leven binnengelaten hebben de maaltijd houdt (Openbaring 3:20).
Het reukaltaar spreekt ons van de Here Jezus die onze voorspraak is, door wie ook wij toegang hebben tot de troon van de Vader (1 Johannes 2:2).
Het Heilige wijst ons erop, dat wij als gelovigen nu ook als priesters in de dienst van God moeten staan. Ook wij moeten het Licht van de Heer laten schijnen. Ook wij moeten het Brood des levens uitdelen aan mensen die geestelijke honger hebben. Ook wij moeten als biddende priesters staan voor het aangezicht van God.
In het Heilige der Heiligen
Hier zijn wij maar één voorwerp staan - een voorwerp dat in feite uit meerdere delen bestaat: de ark van het verbond. Dat is de kist, die herinnert aan het verbond dat God met de Israëlieten gesloten heeft.
Hier zien wij de ark zelf, het verzoendeksel op de ark en de beide cherubs boven het verzoendeksel. In de ark zijn de twee stenen tafelen van het verbond, de gouden kruik met het manna en de staf van Aäron die eens gebloeid heeft.
De stenen tafelen herinneren aan het eeuwigdurend verbond dat God met Zijn volk gesloten heeft.
De kruik manna herinnert aan de wijze waarop God tijdens de woestijnreis voor Zijn volk gezorgd heeft. Het vertelt ook, dat in het komende Messiaanse rijk God opnieuw op een bijzondere wijze voor Zijn volk zal zorgen.
De staf herinnert aan het feit dat alleen de nakomelingen van Aäron priester mogen zijn.
Tussen het heilige en het heilige der heiligen was een bijzondere scheiding: de voorhang.
Waar is de ark van het verbond?
Er zijn mensen die denken dat de ark van het verbond in het Vaticaan verborgen is.
Hij zou dan in 70 na Christus door de Romeinen zijn weggevoerd. Dat kan niet, omdat de ark toen al eeuwen niet meer in het Heilige der Heiligen stond (sinds de Babylonische ballingschap). Na de Babylonische ballingschap is de ark niet meer in het heilige der heiligen teruggekeerd. Vanaf die tijd was het heilige der heiligen leeg!
Anderen denken dat hij ergens in Ethiopië staat.
De Joodse overlevering vertelt, dat toen Salomo de tempel liet bouwen hij ook ondergrondse gangen en vertrekken in de tempelberg liet uithouwen. Hij gaf opdracht, dat als er gevaar voor de tempel zou zijn, alle belangrijke voorwerpen in die ondergrondse vertrekken zouden worden opgeborgen.
Ongeveer 40 jaar vóór de verwoesting van de tempel van Salomo was er al gevaar voor de tempel van buitenlandse dreiging. Koning Josia heeft toen opdracht gegeven om de ark en de kandelaar te verbergen in een geheime plaats die koning Salomo onder de tempel had laten maken. Op die plaats liet hij ook de staf van Aäron, de gouden kruik met manna, de stenen tafelen en de heilige olie opbergen.
Die plaats kan in onze tijd nog steeds niet opgezocht worden, omdat de islamieten met de Dom van de Rots het oude tempelterrein beheren.
Slot
"De Israëlieten zagen de majesteit / de heerlijkheid van de HEER als een laaiend vuur..." (Exodus 24:17) Dat was al het geval toen Mozes nog op de berg was.
Later zagen de Israëlieten deze heerlijkheid boven het Heilige der Heiligen en wisten zij, dat God met Zijn heerlijkheid in de tabernakel was.
"Op de dag [dat is in het komenden Messiaanse vrederijk] die Ik voorbereid-zegt de HEER van de hemelse machten-zullen zij (Israël) Mijn eigendom zijn. Ik zal hen sparen zoals je een kind spaart dat je gehoorzaam is....
Maar voor jullie die ontzag voor Mijn Naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt. Huppelend als kalveren die op stal hebben gestaan zullen jullie naar buiten komen."
(Maleachi 3:17; 4:2)
Dan zal opnieuw in vervulling gaan: "De Israëlieten moeten een heiligdom voor Mij maken, zodat Ik te midden van hen kan wonen." (Exodus 25:8)
"Voortaan heet de stad: ‘De HEER is daar!’" (Ezechiel 48:35)
|