Kan God Berouw hebben?
|

"Balak deed wat Bileam had gezegd. Samen met Bileam offerde hij op elk altaar een stier en een ram."
Numeri 22 |
Numeri 23:11-30
Twee vragen:
1. Kan God berouw hebben?
2. Wat lezen en leren wij in de Bijbel over berouw?
Daarom:
1. Eerst kijken naar een deel van de geschiedenis van Bileam.
2. Daarna andere teksten in de Bijbel die spreken over God en berouw.
|
De voorgeschiedenis
“De volgende morgen nam Balak Bileam mee naar Bamot–Baäl, een hooggelegen
plaats, vanwaar hij een klein deel van de Israëlieten kon zien.
Bileam droeg Balak op om daar zeven altaren te bouwen, en zeven stieren en
zeven rammen gereed te maken voor een offer. Balak deed wat Bileam had
gezegd. Samen met Bileam offerde hij op elk altaar een stier en een ram.
Daarna zei Bileam tegen Balak: ‘Blijft u hier bij uw brandoffers wachten,
terwijl ik wat verderop ga. Misschien dat de HEER naar mij toe wil komen.
Alles wat hij me laat zien zal ik u meedelen.’ Hij ging een kale heuvel op,
waar God bij hem kwam. ‘Ik heb zeven altaren laten oprichten, ‘zei Bileam,
‘en op elk altaar heb ik een stier en een ram laten offeren.’ De HEER droeg
Bileam op naar Balak terug te gaan en legde hem in de mond wat hij moest
zeggen. Toen Bileam terugkwam, stond Balak nog bij zijn brandoffers, samen
met de Moabitische leiders. Bileam hief een orakelspreuk aan en zei: ‘Balak
liet mij uit Aram komen, uit het bergland in het oosten riep Moabs koning
mij. “Kom Jakob voor mij vervloeken,
kom Israël verwensen!” Hoe kan ik vervloeken wie door God niet is vervloekt?
Hoe kan ik verwensen wie door de HEER niet is verwenst? Ik zie hen vanaf de
top van de rotsen, ik neem hen waar vanaf de heuvels, een volk dat
afgezonderd leeft, zich niet verbindt met andere naties. Wie kan Jakob
tellen, wie telt Israël?
Wie stelt de omvang van die stofwolk vast? Moge ik sterven als die
rechtvaardigen, moge ik heengaan zoals zij.’” (Numeri 22:41-23:10)
Bileam legt verantwoording af aan Balak
“Voor Jakob laat zich geen onheil schouwen, voor Israël laat zich geen
rampspoed zien. De HEER, hun God, is in hun midden, gejubel klinkt op rond
hun koning.
God, die hen uit Egypte leidde, is voor hen als de horens van een wilde
stier.
Voortekens lezen is Jakob vreemd, van waarzeggerij houdt Israël zich ver;
God zelf spreekt tot Jakob, op zijn eigen tijd, God zelf zegt tegen Israël
wat hij bewerken zal.” (Numeri 23:21-23)
NBG: “...want er bestaat geen bezwering tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen
Israël. Thans worde gezegd van Jakob en van Israël wat God doet.” (:23)
Het
BOEK: “Tovenarij doet Jakob niets en waarzeggerij heeft geen vat op Israël.
Nu zal van Israël worden gezegd: ‘Wat een wonderen heeft God voor hen
gedaan!’”
1. Bileam wijst Balak erop, dat God Zelf Israël uit Egypte geleid heeft,
terwijl er zoveel tovenaars in Egypte waren. Al deze tovenaars konden het
reddende werk van Israëls Gods niet verhinderen.
2. Bileam wijst Balak erop, dat dit iets heel bijzonders betekent: Welke
vorm van toverij je ook op Israël probeert toe te passen, het heeft geen vat
op dit volk.
3. Bileam wijst Balak erop, dat God Zelf hierin de grote Beschermer van
Israël is:
4. Zo maakt Bileam Balak duidelijk, dat het niet mogelijk is een
doeltreffende vloek over Israël uit te spreken. Geen astrologie, geen magie,
geen spiritistische macht of duivelse kracht heeft enige invloed om Israël
ten kwade te treffen.
N.B.
1. Dit wordt niet gezegd door een lieve gelovige man, die de machten van het
kwaad niet kent.
2. Dit wordt gesproken door één van de grootmeesters van het kwaad.
3. Wát een voorrecht is het, dat wij deze boodschap nu ook mogen toepassen
op de Gemeente van de Here Jezus: er bestaat geen doeltreffende vervloeking
tegen de volgelingen van de Here Jezus. Al zouden de mensen de grofste
verwensingen tegen de gelovigen uitspreken, al zouden volgelingen van de
duivel met allerlei vormen van (zwarte) magie proberen hen schade te
berokkenen, het zal hen niet deren, want hun Heer is hun grote Beschermer!
Uitspraak van Bileam over God en berouw
Plotseling zegt Bileam: “God is geen mens, dat Hij Zijn woord zou breken of
terug zou komen op Zijn besluit. Zou Hij beloven en niet vervullen, Zijn
woord geven en het niet gestand doen?” (:19)
NBG: “God is geen man, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw
zou hebben.”
Staten Vertaling: “God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen
kind, dat het Hem berouwen zou.”
De conclusie die velen trekken is: “God kent geen berouw. God heeft nooit
berouw. God heeft nooit ergens spijt van.” Deze gedachte past volledig in
het denken van veel christenen. Is het echter een juiste conclusie? Het
staat hier wel, maar wordt hier bedoeld dat God echt nooit berouw kent?
Waarover gaat het hier en wat wordt hier bedoeld?
De uitleg
Het lijkt, dat hier bedoeld wordt, dat God nooit ergens spijt over heeft.
Dat past in ons denken over de heiligheid, de almacht en de alwetendheid van
God. Hierbij denken wij al snel aan een tekst als Romeinen 11:29 die zegt:
“Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”
In beide teksten gaat het over dezelfde zaak: de zegen van God voor Israël.
In beide teksten wordt ons meegedeeld, dat als het gaat om Gods zegen voor
Israël, er bij Hem niet aan valt te tornen. Hij zal daar nooit op terug
komen.
God heeft Abraham geroepen en hem en zijn nakomelingen het land Kanaän
beloofd en zijn nakomelingen uitgekozen om Zijn volk en vertegenwoordigers
te zijn op aarde, Hij heeft Israël speciale wetten gegeven die hen moesten
helpen om heilig voor Hem temidden van de andere volken op aarde te leven,
Hij heeft hen beloofd, dat uit hun midden de Messias zal komen, Hij heeft
hen beloofd, dat zij tot een machtig koninkrijk met de Messias als Koning
zullen uitgroeien, Hij heeft hen een rijk van vrede en welvaart op aarde
beloofd. Op deze belofte kan en zal God nooit terugkomen. Als het om deze
belofte gaat, kan God geen berouw of spijt krijgen. Deze belofte kan en zal
door Hem nooit verbroken worden.
Dat zegt Bileam ook: “Hij droeg mij op te zegenen. Hij heeft gezegend–kan ik
dat keren?” (:20)
Het BOEK: “God is geen man, dat Hij zou liegen; Hij verandert niet van
gedachten zoals mensen doen. Heeft Hij ooit iets beloofd zonder Zijn belofte
na te komen? Kijk! Ik heb bevel gekregen hen te zegenen, want God heeft hen
gezegend en daar kan ik niets aan veranderen!” (:19,20)
Bileam zegt: “God zegent dit volk, hoe zou ik dan een vervloeking kunnen
uitspreken? Al zou ik zoiets doen, de vervloeking zou geen kracht of invloed
op dit volk hebben. God is als een Vader voor hen. Hij blijft hen altijd
liefhebben en beschermen.”
Vervolgens zegt Bileam: “Voor Jakob laat zich geen onheil schouwen, voor
Israël laat zich geen rampspoed zien. De HEER, hun God, is in hun midden,
gejubel klinkt op rond hun koning. God, die hen uit Egypte leidde, is voor
hen als de horens van een wilde stier.” (:21,22) Wat wordt hiermee bedoeld?
Het BOEK heeft het goed begrepen en vertaalt: “Hij ziet geen ongerechtigheid
in Jakob. Hij rekent Israël haar zonde niet aan. De HERE, hun God, is met
hen, Hij is hun Koning! God heeft hen uit Egypte geleid, Israël is zo sterk
als een wilde os!”
Een rabbijnse vertaling (van Rashie) luidt: “Hij aanschouwt geen onrecht in
Jakob, en ziet geen leed in Israël; de Eeuwige, zijn God, is bij hem en
koningsgejubel is bij hem.”
Dit wil zeggen, dat - terwijl God natuurlijk weet, dat de Israëlieten
zondige mensen zijn - Hij niet naar hun zonden kijkt!
God is niet negatief ingesteld, die steeds maar nauwkeurig de zonden, de
fouten en de tekortkomingen van Zijn mensen bestudeert. Dát doen mensen
onderling. Waarschijnlijk zijn er in elke kerkelijke gemeente mensen die
precies weten waar de fouten van anderen zitten. Aan hun eigen fouten
besteden ze blijkbaar niet zoveel aandacht. Maar o wee de fouten van
anderen. Daar weten ze alles over mee te praten en daar weten ze maar al te
goed verwijten naar al die anderen uit te spreken. Huichelaars, noemt de
Bijbel zulke mensen. Zij zien wel de splinter in het oog van een ander, maar
de balk in hun eigen ogen zien zij niet. Zij verheffen zich boven de
anderen, kijken op hoogmoedige wijze naar de anderen, die zij als schuldige
mensen ver beneden zich zien en met wie zij zich niet meer willen inlaten.
En het ergste? Ze voelen zich heel vroom en door God geleid...!
De werkelijkheid is, dat zij zelf juist ver van God zijn afgedwaald. Zij
lopen niet in de weg van de Heer. De Heer kijkt juist naar het goede bij
Zijn kinderen en weigert aandacht te besteden aan het kwaad.
Weet u wie wel veel aandacht aan de fouten van Gods kinderen besteedt? Dat
doet de duivel. Als aanklager van de gelovigen wil hij graag bij God komen
klagen over al Gods kinderen (Openbaring 12). Maar God besteedt niet veel
aandacht aan hem. Want de Here Jezus heeft de straf voor al onze zonden
gedragen.
God kijkt naar Israël. Toen Hij hen uit Egypte redde waren het mensen die de
afgoden dienden. God kenden zij niet eens meer. Zelfs Mozes moest aan God
vragen hoe Hij heette (Exodus 3).
Gods bescherming
“Voortekens lezen is Jakob vreemd, van waarzeggerij houdt Israël zich ver;
God zelf spreekt tot Jakob, op zijn eigen tijd, God zelf zegt tegen Israël
wat hij bewerken zal.” (:23)
Hier lijkt het alsof Israël zich niet met magie bezig houdt. Dat is echter
niet de bedoeling van wat Bileam zegt. Het vers moet anders vertaald worden.
De Staten Vertaling heeft het correct: “Want er is geen toverij tegen Jakob
noch waarzeggerij tegen Israël. Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden,
en van Israël, wat God gewrocht heeft.”
Het BOEK geeft het opnieuw heel mooi weer: “Tovenarij doet Jakob niets en
waarzeggerij heeft geen vat op Israël. Nu zal van Israël worden gezegd: ‘Wat
een wonderen heeft God voor hen gedaan!’”
Rabbi Yitzchok Magriso in Me‘am Lo’ez vertaalt dit vers als volgt: “Geen
zwarte magie kan effectief zijn tegen Jakob en geen occulte krachten tegen
Israël.”
Het volk Israël bedrijft geen magie en magie werkt ook niet op hen in. Zij
zijn een bijzonder volk. Zij zijn gezegend door God. Hij is hun Beschermer
en Bewaker (Psalm 122).
Israel en Gods trompet
“De HEER, hun God, is in hun midden, gejubel klinkt op rond hun koning.”
(:21)
Rashie vertaalt: “...koningsgejubel is bij hem.”
Rabbi Yitzchok Magriso in Me‘am Lo’ez vertaalt: “zij hebben de vriendschap
van de Koning.” In de verklaring zegt de rabbijn dan echter: “De Heer hun
God is bij hen en het blazen van de trompet (een alternatieve vertaling van
‘teruah’) van de Koning is van hen.”
In de Targum Jerusjalmi wordt gezegd, dat deze tekst slaat op de komst van
de koninklijke Messias. Het gejubel wijst dan op het trompetgeschal dat zal
klinken bij Zijn komst; dat is dus het klinken van Gods sjofar. Deze klank
van de sjofar die hier genoemd wordt is de klank die oproept tot inkeer, tot
bekering. Er is immers geen vergeving zonder dat er eerst inkeer, berouw is!
De geschiedenis van Bileam leert ons dat als God je als Zijn kind aangenomen
heeft, Hij je zegent en beschermt voor de boze machten van de duivel. Al
lijkt het voor velen alsof hier in het algemeen gezegd wordt, dat God nooit
ergens berouw over heeft, dit gedeelte maakt ons duidelijk, dat de
afwezigheid van Gods berouw alleen te maken heeft met de zegen die God
Israël gegeven heeft. Dat is een zegen, die ook wij als kinderen van God op
onszelf mogen toepassen.
Kent God echt nooit berouw?
Als u in de Bijbel gaat zoeken naar teksten die over berouw spreken, zal het
u opvallen, dat de meeste teksten gaan over God die ergens berouw over had.
Het woord “berouw” is de vertaling van het Hebreeuwse woord “nacham”. Het is
een woord dat u terugvindt in het woord “Menachem”, dat “trooster” betekent.
U komt het woord ook tegen in de naam “Noach”. Het is dus een heel
opmerkelijk woord. Het heeft een groot aantal betekenissen: berouw hebben,
spijt hebben, troosten, bemoedigen, ontfermen, medelijden hebben, boete
doen.
Uit de context, dus uit het hele schriftgedeelte, moet duidelijk worden, op
welke wijze wij het woord dienen te vertalen.
De eerste keer dat wij over berouw lezen in de Bijbel is niet dat een mens
berouw had, maar dat God berouw had. “De HEER zag dat alle mensen op aarde
slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. Hij kreeg er
spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst.” (Genesis
6:5,6)
De NBG heeft: “...berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt
had, en het smartte Hem in zijn hart.”
Het BOEK: “Maar de HERE bekeek met afkeer het zondige gedrag van de mensen.
Van al hun voornemens zag Hij dat de opzet boos was. Daarom had Hij er
verdriet van dat Hij hen had geschapen. Zijn onderdanen ontspoorden en Hij
was er intens verdrietig over.”
Zodra het gaat over mensen die de Heer verlaten hebben, blijkt dat God nu
juist wel naar hun zonden kijkt!
De tweede keer dat wij in de Bijbel over Gods berouw lezen is direct nadat
het volk een gouden kalf gemaakt heeft. Toen zei God tegen Mozes: “Nu al
zijn ze afgeweken van de weg die Ik hun gewezen heb. Ze hebben een
stierenbeeld gemaakt, hebben daarvoor neergeknield, er offers aan gebracht
en gezegd: “Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid!”’De HEER
zei verder tegen Mozes: ‘Ik weet hoe onhandelbaar dit volk is. Houd Mij niet
tegen: Mijn brandende toorn zal hen verteren. Maar uit jou zal Ik een groot
volk laten voortkomen.’ Mozes probeerde de HEER, zijn God, milder te
stemmen: ‘Wilt U dan Uw toorn laten woeden tegen Uw eigen volk, HEER, dat U
met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd? Wilt U dat de
Egyptenaren zeggen: “Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten,
om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen”? Wees niet
langer toornig en zie ervan af onheil over Uw volk te brengen! Denk toch aan
Uw dienaren Abraham, Isaak en Israël, aan wie U onder ede deze belofte hebt
gedaan: “Ik zal jullie zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de
hemel zijn, en het hele gebied waarvan Ik gesproken heb zal Ik hun voor
altijd in bezit geven.”’
Toen zag de HEER ervan af Zijn volk te treffen met het onheil waarmee Hij
gedreigd had.” (Exodus 32:8-14)
NBG: “En de HERE kreeg berouw over het kwaad, dat Hij gezegd had Zijn volk
te zullen aandoen.” (:14)
Rashie: “En de Eeuwige koesterde berouw over het onheil, dat Hij gezegd had,
Zijn volk te berokkenen.”
Het BOEK: “Tenslotte veranderde de HERE van gedachten en spaarde hen.”
Vervolgens komen wij op vele plaatsen tegen, dat God berouw had over
bepaalde zaken die met onheil en straf te maken hadden. De profeet Jona
kende de Here God wat dat betreft maar al te goed, toen hij zich
realiseerde, dat God weleens berouw zou kunnen krijgen over het onheil dat
Hij over Ninive had uitgesproken (Jona 3:9).
God als voorbeeld
God wil dat wij Hem navolgen en in Zijn wegen wandelen. Je zou bijna zeggen,
dat God ons voorbeelden van berouw gegeven heeft om ons te leren ook berouw
te tonen.
1. Wij moeten berouw hebben als wij tegen God gezondigd hebben. Wij moeten
dan onze overtreding bij name noemen en God vertellen, dat wij er spijt van
hebben en zeggen, dat wij ons best zullen doen om dezelfde fout nooit meer
te maken.
2. Berouw gaat dus uit van schuldbewustheid en erkenning van de eigen fout.
3. Berouw is niet een zaak alleen van je hart en je gedachten. Berouw moet
uitgesproken worden.
4. Berouw heeft dus altijd in zich, dat de mens spijt heeft van wat hij
gedaan heeft. Niet slechts spijt van het feit dat zijn fouten ontdekt zijn,
niet slechts spijt omdat een ander hem op zijn fouten heeft aangesproken,
maar spijt omdat hijzelf fout was.
5. De Bijbel leert ons, dat God de mens die berouw heeft altijd direct
vergeeft en de relatie weer volledig herstelt (1 Johannes 1:9).
6. Wij moeten ook berouw hebben als wij tegen elkaar gezondigd hebben, fout
geweest zijn tegen elkaar of elkaar onheus bejegend hebben.
Als er tussen man en vrouw iets mis gegaan is, moet hierover verdriet
zijn en moet dit uitgesproken worden. Dan moet het berouw uitgesproken
worden. En als ze allebei over de schreef gegaan zijn, moeten zij wederzijds
elkaar schuld belijden en berouw tonen.
7. Als iemand ons berouw getoond heeft, mogen wij niet aarzelen om de
barrière op te heffen en vergeving te schenken.
Probleem
Er zijn mensen die niet geleerd hebben om “het spijt mij” te zeggen.
Hierdoor maken deze mensen heel, heel veel stuk in het leven van anderen.
Wie een ander gekwetst heeft - ongeacht of het bewust of onbewust was, dus
met opzet of per ongeluk - dient een ander zijn berouw te tonen. Dat moet ik
ook. Soms vertellen mensen mij dat ze zich door mij gekwetst voelen om iets
waar ik zelf geen idee van heb. Maar zij voelen zich bezeerd. Wat moet ik
dan doen? Schouders ophalen? Gewoon verder gaan?
Natuurlijk, ik mag wat meer informatie aan hen vragen. Ik mag vragen wanneer
het was en hoe het dan ging. Als dan toch nog blijkt, dat mensen bezeerd
zijn, ook al ben ik mij nergens van bewust, dan doet mij dat verdriet en
maak ik dat aan hen kenbaar en zeg ik, dat dit mij verdriet doet en betuig
ik mijn spijt.
Maar dat betekent niet, dat iedereen met de grootste flauwekul kan proberen
mij psychisch in de vernieling te brengen. Daar doe ik niet aan mee. Als
mensen proberen mij dwars te zitten en daarom een onbenullig verhaal
bedenken, dan wijs ik hen erop, dat zij zelf verkeerd bezig zijn. Ik zeg dit
om u erop te wijzen, dat de les van berouw niet is, dat wij anderen kunnen
gaan vernielen. Dat mag niet.
Vraag
Hoe goed kunt u berouw tonen? Of zwijgt u liever een paar dagen of een week,
of misschien wel een paar weken? Hoe goed bent u het om op dit pad de Here
God te volgen?
Moet u misschien vandaag nog iemand berouw tonen en had u aan het avondmaal
willen gaan? Zó zonder uitgesproken berouw aan het avondmaal? U kunt beter
eerst in orde maken wat in orde gemaakt moet worden. Eerst berouw
uitspreken, dan de verbondenheid met de Heer beleven aan Zijn maaltijd.
Sommige mensen willen zo graag allerlei foefjes hebben, waardoor zij een
prettiger, gelukkiger en rijker leven krijgen, waarin zij meer voldaanheid
ervaren. De Bijbel leert deze dingen niet, ook al zijn er genoeg mensen die
menen, dat dit de boodschap van de Bijbel is.
De Bijbel leert ons wie God is en hoe Hij is:
1. Hij spreekt geen kwaad van Zijn kinderen. Hij wil dat wij ook geen kwaad
spreken van andere gelovigen.
2. Hij verbreekt niet Zijn belofte om Zijn kinderen te zegenen. Hij blijft
trouw aan Zijn belofte van zegen, ook voor Israël. Dat zicht op Israël
moeten ook wij behouden.
3. Hij geeft ons een aantal voorbeelden waarin Hij Zijn berouw toont en van
gedachten verandert. Wij moeten ook leren om berouw te tonen en het uit te
spreken.
4. Het grootste voorbeeld van Gods berouw vinden wij in het allereerste
begin van de Bijbel. God had gezegd, dat als Adam in het paradijs zou
zondigen, hij de eeuwige dood zou sterven. Maar God had berouw en liet Zijn
Zoon sterven in onze plaats.
|