BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Artikelen

printversie
Waar was Jezus toen Hij dood was en wat deed Hij toen?


De Heer stierf op woensdag aan het kruis.
Dit was de dag waarop alles voorbereid
werd voor het komende Pesachfeest.
Het is de 14e Nisan.

Ephese 4:8-10

Het gaat om de volgende vragen:

Hoe lang was de Here Jezus nu echt in het graf en in de dood? Drie dagen en drie nachten of slechts een dag en twee nachten?
 
Waar was Zijn ziel toen Hij dood was? Hoe is die plaats? Is die plaats er nog steeds?
 
Was Zijn ziel daar alleen of waren er anderen? Als er anderen waren, wie waren dat? Zijn zij daar nog steeds?
 
Sliep Zijn ziel of deed Hij iets in die tijd? Als Hij iets deed, wát deed Hij dan?
 
Wat betekende Jezus' opstanding voor de zielen die Hij ontmoet had?
 

Hoe lang was de Here Jezus nu echt in het graf en in de dood?
Drie dagen en drie nachten of slechts een dag en twee nachten?

De kerk gedenkt de dood van de Here Jezus steeds op een vrijdag. Dat is zo gekomen toen christenen - zonder uitleg te vragen aan de Joden - op eigen houtje vaststelden wanneer Jezus gestorven zou moeten zijn. Hij is opgestaan ná de sabbat, dus op zondagmorgen en gestorven vóór de sabbat, dus aan het eind van de vrijdagmiddag, zo was de eenvoudige beredenering van de christenen. Zij meenden dat de Joden alleen maar konden dwalen als het om de uitleg van de Bijbel ging en zij meenden, dat zij het dus beter wisten. Zij wisten echter niet, dat er bij het Joodse Pesachfeesten een speciale “Pesach-sabbat” was. Deze sabbat hoefde niet op zaterdag te vallen. Hij kon op elke dag van de week vallen.

De evangelist Johannes maakt duidelijk dat deze sabbat er echt geweest is. “Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen.” (Johannes 19:31)

NBG: “De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven (want de dag van die sabbat was groot) vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.”

Twee feiten worden genoemd:
1. Het was de voorbereidingsdag. De dag waarop Jezus stierf was de voorbereidingsdag. De dag vóór een sabbat of vóór een feest is een voorbereidingsdag. Op deze dag worden de voorbereidingen voor de sabbat of voor het feest getroffen. Dat wil zeggen, dat op deze dag de maaltijden gekookt worden.
 
2. Er is een bijzondere sabbat. De Here Jezus stierf dus vóór een feestdag, vóór een feestelijke sabbat, die niet de wekelijkse sabbat was. Deze sabbat wordt een bijzondere sabbat genoemd. Eigenlijk heet hij een grote sabbat. Dat is de vertaling van Sabbat HaGadol. Deze Sabbat haGadol is de sabbat die direct aan het Pesachfeest vooraf gaat. De volgende dag is de eerste dag van het Pesachfeest, die ook als een sabbat gevierd wordt.

Het Paasfeest heet dus eigenlijk Pesach. Het woord Pesach betekent “voorbijgaan”. Het herinnert aan het voorbijgaan van de doodsengel bij de huizen in Gosen (Egypte) waar het bloed aan de deurposten gestreken was.

De rabbijnen twisten over de vraag of het Pesachfeest oorspronkelijk hetzelfde feest is als het feest van de ongezuurde broden, of dat eerst het Pesachfeest kwam en daarna het feest van de ongezuurde broden.

In onze telling zouden wij zeggen, dat op de avond na het slachten van het paaslam dit paaslam gegeten werd. Voor de Joden was dan inmiddels de volgende dag aangebroken, omdat voor hen bij zonsondergang al de nieuwe dag aanbreekt en niet bij middernacht. Hierin hanteren zij de Bijbelse berekening, zoals wij die ook in Genesis 1 terug vinden.

Het is het feest waarop Israël herinnerd wordt aan het begin van zijn volksbestaan. Het is ook het feest waarop Israël zich bewust is van zijn taak in de wereld: het moet bekendmaken dat er van Godswege vrijheid is en mogelijk is, zoals het zelf ook de vrijheid uit de slavernij van Egypte verkregen heeft.

De weken vóór het feest zijn weken van voorbereiding. Het huis moet gereinigd worden, waarna er geen kruimeltje gerezen brood in huis is achtergebleven. In feite vindt er een grote schoonmaak plaats. Nu kan het feest beginnen.

Het feest begint op de avond van de eerste dag met een speciale maaltijd. Deze eerste avond heet de Sederavond. In een aantal kringen is ook de tweede avond nog een Sederavond. Er zijn dan twee feestdagen achter elkaar.

Het woord seder betekent “volgorde”. Het verwijst naar de volgorde van de gebeurtenissen die deze avond plaats hebben. Op deze avond worden achtereenvolgens vier vragen gesteld; vragen die verwijzen naar het feit dat deze avond zo anders is dan de andere avonden. Het antwoord op deze vragen beschrijft wat God met en voor Israël deed bij de uittocht uit Egypte. Het is een terugblikken op de verlossing uit Egypte en een vooruitkijken naar de komende verlossing als de Messias zal komen.

Het slachten van het paaslam was op de 14e Nisan.

Het feest begon op de 15e Nisan met in de avond het eten van het paaslam. Het paaslam lag in zijn geheel op tafel, dus niet in stukken gesneden.

Deze dag wordt gevierd als een sabbat. Er mag geen werk gedaan worden. Hij wordt in de Bijbel de sabbat van het Paasfeest genoemd (Leviticus 23:11 De hier genoemde sabbat is dus niet de wekelijkse sabbat = zaterdag, maar de sabbat van het Paasfeest.).

De volgende dag, de 16e Nisan ging het feest verder als voortzetting van de 15e Nisan en als een feestdag. Op deze dag wordt het eerste graan als een offer in de tempel gebracht. Direct hierna begint op dezelfde dag nog het tellen van de omer: 49 dagen tot aan het aanbreken van het Pinksterfeest op de 50e dag. Het is dan de 50e dag na de 16e Nisan.

Als wij dit reconstrueren zien wij het volgende:

14 Nisan = woensdag

15 Nisan = donderdag

16 Nisan = vrijdag

17 Nisan = zaterdag

Als wij een en ander verder uitwerken - denkend aan de duidelijke uitspraak van de Heer dat Hij drie dagen en drie nachten in het graf zou zijn - zien wij het volgende:

a. De Heer stierf op woensdag aan het kruis. Dit was de dag waarop alles voorbereid werd voor het komende Pesachfeest. Het is de 14e Nisan.
 
b. Op donderdag was de sabbat haGadol, de grote sabbat, die aan het feest vooraf ging. Het is de 15e Nisan. Aan het begin van deze dag (dus in de avond al) werd het Paaslam gegeten. Het is de sederavond.
 
c. Op vrijdag was opnieuw een feestdag en werd het eerste graan aan de God aangeboden.
 
d. Op zaterdag was de wekelijkse sabbat.
 
e. Na de hele dagen donderdag, vrijdag en zaterdag (drie dagen) en na de hele nachten (naar donderdag, naar vrijdag en naar zaterdag) stond de Heer vroeg na het eind van de zaterdag op uit het graf, toen het nog donker was en de ochtend nog niet was aangebroken.

Er is niets op tegen om op vrijdag de dood van de Heer te gedenken. Wij moeten ons wel bewust zijn, dat Hij dus niet op een vrijdag stierf.

Waar was Zijn ziel toen Hij dood was?
Hoe is die plaats? Is die plaats er nog steeds?

Tegen de ene misdadiger aan het kruis zei de Heer, dat zij daarna samen in het paradijs zouden zijn (Lucas 23:43). Wat wordt onder het paradijs verstaan? In geen geval de hel!

Wat is het paradijs?

Oorspronkelijk was het de naam voor de hof van Eden.
Later - in de tijd van het Oude Testament - werd het de plaats waar de zielen van de rechtvaardigen waren.
Tot slot werd het in de Nieuw Testamentische tijd de plaats in de hemel, waar God woont en waar de zaligen zijn. (2 Corinthe 12:4)
In de tijd van de Here Jezus was het paradijs de plaats waar de zielen van de rechtvaardigen na hun dood verbleven.

De Here Jezus vertelde hierover iets bijzonders in zijn verhaal over de rijke man en de arme Lazarus: In het dodenrijk zijn twee afdelingen. In de ene afdeling waren de onrechtvaardigen - zij leden er, en in de andere afdeling waren de rechtvaardigen - met grote vreugde.

Was Zijn ziel daar alleen of waren er anderen?
Als er anderen waren, wie waren dat? Zijn zij daar nog steeds?

Onze Heer vertelde eens het volgende. Velen menen, dat Hij een gelijkenis uitsprak, maar dat staat er niet. De Heer vertelde het als een vaststaand feit. Het moet echt gebeurd zijn. Hij vertelde:

“Er was eens een rijke man die gewoon was zich te kleden in purperen gewaden en fijn linnen en die dagelijks uitbundig feestvierde. Een bedelaar die Lazarus heette, lag voor de poort van zijn huis, overdekt met zweren. Hij hoopte zijn maag te vullen met wat er overschoot van de tafel van de rijke man; maar er kwamen alleen honden aanlopen, die zijn zweren likten. Op zekere dag stierf de bedelaar, en hij werd door de engelen weggedragen om aan Abrahams hart te rusten. Ook de rijke stierf en werd begraven. Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg, zag hij in de verte Abraham met Lazarus aan zijn zijde. Hij riep: “Vader Abraham, heb medelijden met mij en stuur Lazarus naar me toe. Laat hem het topje van zijn vinger in water dompelen om mijn tong te verkoelen, want ik lijd pijn in deze vlammen.” Maar Abraham zei: “Kind, bedenk wel dat jij je deel van het goede al tijdens je leven hebt ontvangen, terwijl Lazarus niets dan ongeluk heeft gekend; nu vindt hij hier troost, maar lijd jij pijn. Bovendien ligt er een wijde kloof tussen ons en jullie, zodat wie van hier naar jullie wil gaan dat niet kan, en ook niemand van jullie naar ons kan oversteken.” Toen zei de rijke man: “Dan smeek ik u, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt, want ik heb nog vijf broers. Hij kan hen dan waarschuwen, zodat ze niet net als ik in dit oord van martelingen terechtkomen.” Abraham zei: “Ze hebben Mozes en de profeten: laten ze naar hen luisteren!” De rijke man zei: “Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe komt, zullen ze tot inkeer komen.” Maar Abraham zei: “Als ze niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen ze zich ook niet laten overtuigen als er iemand uit de dood opstaat.”’ (Lucas 16:19- 31)

Dit dodenrijk is er nog steeds. De onrechtvaardigen zijn hier ook nog. Pas nadat zij voor de grote witte troon veroordeeld zijn gaan zij naar de poel des vuurs (de hel). De rechtvaardigen (de gelovigen) zijn er echter niet meer. Die afdeling van het dodenrijk is nu leeg - zoals wij hierna nog zullen zien.

Sliep Zijn ziel of deed Hij iets in die tijd?
Als Hij iets deed, wát deed Hij dan?

De Heer ging niet alleen naar het dodenrijk, Hij ging ook nog naar een andere plaats, zoals de Bijbels ons vertelt.

“Ook Christus immers heeft, terwijl hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen. Naar het lichaam werd hij gedood maar naar de geest tot leven gewekt. Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, om dit alles te verkondigen aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd.” (1 Petrus 3:18-20a) In het Grieks staat, dat zij in de gevangenis zijn.

Wie zijn die geesten die gevangen zaten? Het waren geen mensen met een lichaam. Deze geesten waren in de tijd van Noach ongehoorzaam - ongehoorzaam aan God natuurlijk. Het kunnen niet de geesten van overleden mensen uit de tijd van Noach zijn. Waarom zouden die op een speciale plaats bewaard worden? Het moeten geesten van demonen zijn. Hiernaar verwijst de volgende tekst:

“Immers, God heeft zelfs engelen die gezondigd hadden niet gespaard maar hen in de Tartarus geworpen. Daar, in de diepste duisternis, blijven ze opgesloten om hun vonnis af te wachten. Evenmin heeft hij de wereld uit de voortijd gespaard; alleen Noach, de heraut van de rechtvaardigheid, liet hij met zeven anderen in leven toen hij de watervloed over die wereld vol zondaars liet komen.” (2 Petrus 2:4,5)

Over deze gevallen engelen die op een speciale plaats door God in verzegelde bewaring vastgezet zijn, schrijft ook Judas: “Denk ook aan de engelen die hun oorspronkelijke positie ontrouw werden en de hun toegewezen plaats verlieten: tot het oordeel op de grote dag houdt hij hen met onverbreekbare boeien in de onderwereld gevangen.” (Judas :6)

Het zijn de geesten die wij al in het boek Genesis tegenkomen: “De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden.

Toen dacht de HEER: Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven.

In die tijd en ook daarna nog, zolang de zonen van de goden gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en kinderen bij hen kregen, leefden de giganten op aarde. Dat zijn de befaamde helden uit het verre verleden. De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht.” (Genesis 6:2-5)

De giganten die toen op aarde waren, waren reuzen; half mens en half demon. Deze gevallen engelen met de reuzen zijn toen door God in de diepste duisternis opgeborgen, opdat ze nooit zouden kunnen ontsnappen.

De Heer bezocht deze gevallenen om hen Zijn overwinning over satan en Zijn machten bekend te maken. Natuurlijk kwam de Heer hen niet het evangelie van genade prediken. Hij verkondigde daar Zijn overwinning. “Hij heeft zich ontdaan van de machten en krachten, Hij heeft hen openlijk te schande gemaakt en in Christus over hen getriomfeerd.” (Colossenzen 2:15)

Deze geesten zijn geen overleden mensen. Deze geesten zitten gevangen in een absoluut afgesloten ruimte. Zij kunnen niet ontsnappen en hebben geen contact met de buitenwereld, ook niet met de andere demonen die hier niet gevangen zitten. Zij hoorden nu van de Heer Zelf van Zijn dood en overwinning over de duistere, demonische machten.

Wat betekende Jezus' opstanding voor de zielen die Hij ontmoet had?

“Daarom staat er: ‘Toen Hij opsteeg naar omhoog, voerde Hij gevangenen mee en schonk Hij gaven aan de mensen.’ ‘Hij steeg op’ –wat betekent dat anders dan dat Hij ook is afgedaald naar wat lager ligt, naar de aarde? Hij die is afgedaald is dezelfde als Hij die opsteeg, tot boven de hemelsferen, om alles met Zijn aanwezigheid te vullen.” (Ephese 4:8-10)

NBG: “Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten?” (:8) Letterlijk staat er: “Maar wat betekent ‘Hij voer óp’ anders dan dat Hij ook is nedergedaald naar de nederste delen der aarde?” (NB)

Wat wordt in de Bijbel gezien als het lagere deel van de aarde? Dat is het dodenrijk. Denk aan de geschiedenis van Korach, Datan en Abiram die in de aarde verdwenen en zó naar het dodenrijk gingen.
De Bijbel beschrijft dit als volgt:

“ Mozes zei: ‘Nu zult u inzien dat het de HEER is die mij gezonden heeft om alles te doen wat ik heb gedaan, en dat het niet uit mijzelf is voortgekomen. Sterven deze mensen op de manier waarop iedereen sterft, treft hen hetzelfde lot als ieder ander, dan heeft de HEER mij niet gezonden. Maar als de HEER iets laat gebeuren dat nog nooit gebeurd is, als de aarde haar mond openspert en hen met al hun bezittingen opslokt en zij levend in het dodenrijk afdalen, dan zult u inzien dat die mannen de HEER hebben afgewezen.’ Nauwelijks was hij uitgesproken of de grond onder hun voeten spleet open, de aarde opende haar mond en slokte hen op, met hun families, alle mensen van Korach en alles wat ze bezaten. Zo daalden zij met allen die bij hen hoorden levend in het dodenrijk af. De aarde sloot zich boven hen, en zij waren uit de gemeenschap verdwenen. Alle Israëlieten die eromheen stonden vluchtten weg toen ze hen hoorden schreeuwen, uit angst dat de aarde ook hen zou opslokken.” (Numeri 16:28-34)

Terwijl in de andere gevallen alleen de ziel van de overledene naar het dodenrijk ging, gingen deze mensen met lichaam en ziel naar deze plaats.
Na Zijn sterven was de Here Jezus in deze plaats; in het dodenrijk. Precies zoals Hij tegen die ene misdadiger gezegd had.
Zijn de gestorven gelovigen nog steeds in het dodenrijk? Als gelovigen sterven, gaat hun ziel dan nog steeds naar het dodenrijk? Nee. De opstanding van de Heer heeft een enorme verandering teweeg gebracht.

Nu heeft de Heer na Zijn opstanding Zijn overwinningsbuit uit het dodenrijk meegenomen naar de hemel. Daarom is “het paradijs” niet langer in het dodenrijk, maar nu in de hemel. “Ik ken een volgeling van Christus die veertien jaar geleden tot in de derde hemel werd weggevoerd–in zijn lichaam of buiten zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen. Maar ik weet dat deze man–in zijn lichaam of zonder zijn lichaam, dat weet ik niet, dat weet God alleen – werd weggevoerd tot in het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mogen worden uitgesproken.” (2 Corinthe 12:2-4) Het paradijs is nu in de hemel. De derde hemel is niet de wolkenhemel - dat is de eerste hemel - niet het uitspansel - dat is de tweede hemel - maar de woonplaats van God - dat is de derde hemel.

Waarschijnlijk heeft de Heer op de opstandingsdag zelf - niet pas op de dag van Zijn hemelvaart - deze gelovigen naar de hemel gebracht. Er is namelijk iets opmerkelijks. Op de morgen van Zijn opstanding mag Hij niet aangeraakt worden, omdat Hij eerst naar Zijn Vader (in de hemel) moet opvaren, terwijl Hij later wel aangeraakt mag worden! (zie Johannes 20:17 en 27)
Dit betekent, dat de zielen van de gelovigen nu in de hemel zijn. Daarom kan Paulus het volgende schrijven:

“Want voor mij is leven Christus en sterven winst. Als ik blijf leven, kan ik vruchtbaar werk doen, maar toch weet ik niet wat ik moet kiezen. Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; anderzijds is het omwille van u beter dat ik blijf leven.” (Philippenzen 1:21-24) Als je sterft, ben je bij de Heer.

“Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel. Wij zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken.” (2 Corinthe 5:1,2)

De opstanding van de Here Jezus betekent, dat ieder die “een nieuwe schepping” is, deel heeft aan de opstanding van de Heer en na zijn sterven ook direct naar de hemel gaat.

Een belangrijke vraag

Als op de 14e Nisan de paaslammetjes geslacht werden om op de 15e Nisan gegeten te worden en de Heer met Zijn discipelen al op de 14e Nisan hun maaltijd hadden, wat voor maaltijd hielden zij dan? De Bijbel leert dat Jezus vóór het paasfeest zou sterven: “Daar beraamden ze het plan om Jezus door middel van een list gevangen te nemen en hem te doden. ‘Maar niet op het feest, ‘zeiden ze, ‘want dan komt het volk in opstand.’” (Mattheus 26:4,5)

Mattheus beschrijft de komende maaltijd echter als een maaltijd die niet vóór maar tijdens het feest gehouden zou worden en die als de sederavond gehouden zou worden: “Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt u dat wij voorbereidingen treffen zodat u het pesachmaal kunt eten?’ Hij zei: ‘Ga naar de stad en zeg tegen de persoon die jullie bekend is: “De meester zegt: ‘Mijn tijd is nabij, bij jou wil ik met Mijn leerlingen het pesachmaal gebruiken.’”’ De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal.” (Mattheus 26:17-19)

Mattheus ziet de dag van voorbereiding (zoals Johannes hem noemt) ook als een feestdag die onlosmakelijk aan het paasfeest verbonden is. En dat was hij natuurlijk ook. Maar Mattheus laat de Heer echter al op de voorbereidingsdag de sedermaaltijd gebruiken. Veel uitleggers gaan er gewoon vanuit dat de Heer al een dag eerder de paasmaaltijd gebruikte, dat is dus de sedermaaltijd. Dan blijven er toch nog vragen, zoals: wie van de discipelen moest dan als de jongste zoon de gebruikelijke vragen stellen? En waarom lezen wij niets over het eten van een lam? Heeft de Heer misschien de maaltijd gebruikt zonder een lam te eten?

Er is echter nog een andere mogelijkheid. Terwijl de discipelen de sedermaaltijd voorbereiden, die mogelijk zonder lam gegeten zal worden en een dag te vroeg gebruikt zal worden, krijgt de maaltijd een andere wending en wordt het de afscheidsmaaltijd van de Meester. De maaltijd dus, waarop de Leraar afscheid neemt van Zijn leerlingen. Zo’n maaltijd noemden de Joden: “se’udat-mitzwah”. Het is de maaltijd waarin Leraar en leerlingen een bepaald leerproces afsluiten. De toespraken die wij van Johannes 13 lezen zijn te bezien als toespraken van een Leraar die het leerproces van Zijn leerlingen afsluit.

Er zijn dus verschillende mogelijkheden voor het karakter van de gehouden maaltijd. Er valt helaas niet meer met zekerheid antwoord te geven op alle vragen.
 

BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2012 Stichting Het Licht des Levens