En Hij leerde in hun synagogen
|

Restanten van de synagoge te Kapernaum |
„En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal.” (Mattheüs 9:35)
Nasi - de eerste leider in Israël
De aartsvaders Abraham, Izaak en Jacob kenden God. Toen hun nageslacht geruime tijd in Egypte was, werd het zó sterk beïnvloed door de Egyptische godsdienst, dat men God vergat en vertrouwd raakte met het heidendom. We zien dit later, als Mozes bij de woestijnstruik staat, dan moet hij God vragen naar Zijn Naam. Ook Mozes weet dit niet meer. Als het volk later een God wil hebben, kiezen ze een gouden kalf, net als de Egyptenaren deden! Pas bij de Sinaï krijgt het volk weer zijn eigen godsdienst terug. Hier leren zij God kennen, waarbij zij diep onder de indruk zijn van Zijn majesteit.
|
In die tijd waren er al wel leiders onder het volk die groot gezag hadden en die beslissingsbevoegdheden bezaten. Deze leiders worden in de Bijbel ‘prinsen’ genoemd. Het Hebreeuwse woord hiervoor is ‘nasi’. Het woord ‘nasi’ betekent zowel hoofd, als leider, als prins. Het hoofd van de prinsen was echter geen koning. Was je vader een prins, dan was jij ook een prins - net zoals dit ging bij de priesters: erfopvolging.
Nasi heeft de betekenis van ‘verhef uzelf’. Het is afgeleid van het woord 'nasa’ dat ‘omhoog brengen’ betekent. Wij zouden het in onze taal misschien het best kunnen weergeven als ‘de verhevene’, ‘de verhoogde’, ‘de hooggeplaatste’. Hij is de voorzitter in de vergadering, de leider van zijn stam, dus: stamhoofd, hij is leider en prins.
De prins hoorde niet bij de tabernakel. In de tabernakel werden nog geen erediensten gehouden zoals dit later in de tempel zou geschieden.
De tempel: hét huis voor de dienst van God
Veel mensen weten niet beter, dan dat er maar twee tempels ooit in Israël waren. Als u even nadenkt, kent u er meer: de tempel in Silo, waar Eli de hogepriester was en de tempel in Nov, waar Saul de priesters liet uitroeien. De belangrijkste tempels waren echter de tempels die op ‘de berg des HEREN’ stonden, dat is op de berg Moria, waar God eens aan Abraham verschenen was (zie hiervoor ook 1 Kronieken 3:1).
De tempel van Salomo en de tempel van Herodes stonden op de tempelberg in Jeruzalem. Tweemaal is de Joodse tempel verwoest, de laatste keer in het jaar 70 van de gangbare jaartelling onder de Romeinse keizer Titus. Deze tempel was altijd de centrale plaats van offerdienst, samenkomst en eredienst.
Toen de eerste tempel de Tempel van Salomo verwoest werd door de Babyloniërs konden de Joden geen offers meer brengen. De Joden in Babylon stonden voor de keuze: opgaan onder de Babyloniërs en vergeten dat ze eens een tempel hadden, of trouw blijven aan het jodendom en dan eigen plaatsen van samenkomen bedenken. Dit laatst geschiedde. Voor besnijdenis, huwelijk, eredienst e.d. kwam men in de eerste tijd in huissamenkomsten bijeen. Dit bleek zo prettig te zijn, dat ze na de ballingschap toen ze weer terug waren in het eigen land, bijeen bleven komen in huissamenkomsten. De nadruk lag nu vooral op het lezen en het leren van de Torah. Zo’n huiskamer werd een synagoge genoemd wat in het Nederlands ‘huis van samenkomst’ betekent.
Later kwam men bijeen in speciaal hiervoor opgerichte gebouwen. Dit waren de eerste synagogen. Hier kwamen de Joden samen om God te dienen. Het voordeel van de synagoge was, dat die in je eigen woonplaats was. Om de tempel te kunnen bezoeken moest je vanuit het hele land naar Jeruzalem reizen. De synagoge kon je elke week - en als je wilde: elke dag - in je eigen woonplaats binnengaan. Voor de grote feesten en als je een offer moest brengen, dan diende je toch weer naar Jeruzalem te reizen. Het zal duidelijk zijn, dat de mensen in Jeruzalem in een bevoorrechte positie verkeerden: zij hadden de tempel heel dichtbij!
Ook toen na de Babylonische ballingschap de tweede tempel werd gebouwd bleef men dus bijeenkomen in de synagoge. De synagoge kan echter geen volledige vervanging van de tempel zijn, omdat de sjechina, de aanwezigheid van God, de heerlijkheid van God, juist in het allerheiligste deel van de tempel van Salomo was en omdat het verboden was om buiten de tempel van Jeruzalem offers te brengen. (In de tempel van Herodes waren de ark des verbonds en de heerlijkheid des HEREN niet meer aanwezig!) Deze heerlijkheid van God was weer niet in de synagoge aanwezig.
Synagogen:
Een synagoge (Grieks voor huis van samenkomst) wordt in het Hebreeuws Bet Knesset genoemd en in het Jiddish sjoel - dat verwijst naar het Duitse woord Schule, dat is: school. Het laat zien dat de synagoge zowel een huis van gebed alsook een plaats om (uit de Bijbel en de Talmoed) te leren. Het is een gemeenschapshuis, waar religieuze bijeenkomsten plaatsvinden. Het is ook het huis waar mensen die met elkaar verbonden zijn elkaar ontmoeten en gezellig met elkaar praten.
Met de keppel of kippah op hun hoofd tonen de mannen hun respect voor God. Dit respect brengen zij ook tot uiting door zich feestelijk te kleden als zij naar de synagoge gaan.
Heilige Arke en Bima
In elke synagoge staat een mooie kast. Deze wordt de heilige ark genoemd. Ze staan allemaal aan dezelfde kant van de synagoge. Als je recht voor de ark staat kijk je in de richting van Jeruzalem, waar in de wereld je ook bent. In de kast staan de Torahrollen.
In elke synagoge staat ook een bima, een lessenaar. Meestal is het een verhoogde plek in de synagoge. De bima (het woord betekent ‘verhoging’) bevindt zich direct voor de Heilige Arke. Het is de plek waar onder meer de Torah wordt voorgelezen.
Op de bima wordt door de ba’al koree (dat is de voorlezer) uit de Torah gelezen en wordt een deel van de dienst door de chazan (dat is de voorzanger, die soms ook uit de Thora voorleest) geleid.
Om een dienst in de synagoge te kunnen houden is een ‘minjan’ (dat is aantal van 10 Joodse mannen van 13 jaar of ouder) vereist.
Rabbijn
De titel rabbijn is een eretitel. Een rabbijn is een Joodse geleerde die een expert is op het gebied van de halacha, de Joodse wet. Letterlijk betekent rabbijn ‘leraar’. Hij is de geestelijk leider van de synagoge. Hij is de geestelijk raadgever, leraar, kenner van de Joodse wet en van daaruit de persoon die geschillen aangaande de Joodse wet beslist. Een rabbijn functioneert soms ook als chazan (voorzanger) in de synagoge en/of als ba’al koree (voordrager van de wekelijkse Torah-lezing).
De titel rabbijn wordt niet genoemd in de Torah. De voorganger (voorloper) van de rabbijn was de nasi. Omdat er geen tempel en tempeldiensten zijn doen de rabbijnen ook een deel van het werk van de priesters. Zo gaan zij voor in de gebeden en geven onderricht. In het oude jodendom werden de rabbijnen ook ‘Rabbi’ genoemd. Dat is: mijn meester.
De rol van de rabbijn na de val van de Tweede Tempel
Na de verwoesting van de Tweede Tempel door de Romeinen verdwenen zeer veel Joden uit Israël in ballingschap. In deze tijd werd het de taak van de rabbijn om het joodse volk bij elkaar te houden en te voorkomen dat het volk zou assimileren in andere volkeren en zo zou ophouden te bestaan.
Jezus in de synagoge
Vele malen stond Hij op de bima (lessenaar). Dan vervulde Hij de functie van ba’al koree (voorlezer) en die van rabbijn en was Hij de uitlegger van het gedeelte dat Hij Zelf gelezen had. Hierbij kwam steeds een centraal thema aan de orde: ‘het koninkrijk der hemelen’. Dit is niet het koninkrijk IN de hemelen, maar het koninkrijk dat VAN DE hemel naar de aarde zal komen, zoals in Daniël 7:13,14,18, 27 aangekondigd was. Jezus sprak steeds met de blik gericht op de toekomst: het aanbreken van het Messiaanse vrederijk. Opmerkelijk is, dat Jezus - net zoals de rabbijnen en andere Joden dit doen - meer sprak over het Messiaanse RIJK en minder over de Messias Zelf.
„En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk.” (Mattheüs 4:23)
„En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal.” (Mattheüs 9:35)
Vier woorden springen eruit: leren, verkondigen, evangelie en genezen. Deze woorden vertellen ons wat de Here Jezus deed in de godsdienstige samenkomsten in de synagoge.
Leren: Grieks: didaskoo
Het is
- onderwijs geven, dus onderwijzer (van volwassenen) zijn.
- mensen toespreken om hen te onderrichten, didactische (leerzame toespraken) redevoeringen houden.
- leraar zijn.
- voor mensen uitleggen wat bepaalde woorden, begrippen of Bijbelteksten betekenen.
- Bijbelstudies geven, zodat mensen weten wat hun geloof inhoudt.
Dit was het werk van de Here Jezus in de synagogen, dit is het werk van rabbijnen in de synagogen en dit moet het werk van predikanten in de gemeenten zijn. De mensen moeten geestelijk gevoed worden. Er moet iets te leren zijn in de kerk. Helaas vervallen veel christelijke samenkomsten tot een vorm van christelijk entertainment, geestelijk vermaak. Dat is wat veel christenen in allerlei kerken graag willen ontvangen. Het is niet wat de Bijbel ons opdraagt.
De prediking in de kerk moet onderwijs betekenen en mag niet een leuk verhaal zijn waarna de mensen alleen maar met een vrolijk hart naar buiten gaan. Velen willen tegenwoordig een preek die laagdrempelig is. Je mag er niet moe van worden. Ze vergeten dat God ook niet laagdrempelig is. God is zó’n groot en heilig God, dat Hij opdracht gegeven had om in tabernakel en tempel Hem te eren door middel van een serie moeilijke regels, terwijl Hij Zijn volk ook nog eens een serie moeilijke regels voor hun privé-leven gaf.
Verkondigen: Grieks: kerussoo
Het woord verwijst naar een heraut. De verkondiger treedt op als een heraut die een belangrijke boodschap van zijn zender bekend maakt. Zo maakte de Here Jezus als heraut de boodschap van God bekend.
Zo’n heraut komt met een zekere waardigheid, ernst en gezag. Hij treedt niet op als conferencier, hij is geen verhaaltjesverteller, hij wil de mensen niet op een ontspannen wijze bezig houden, nee, hij komt met een belangrijke boodschap van zijn zender. Hij maakt openlijk en duidelijk bekend wat zijn zender hem opgedragen heeft om bekend te maken. Daarbij verwijst hij niet naar zichzelf, maar verwijst hij alleen naar zijn zender.
Zó trad Jezus op. Zo trad Johannes de Doper op. Zo deden de apostelen het. En zó dienen predikers van het evangelie zich ook te gedragen.
Het evangelie: Grieks: euangelion
Letterlijk vertaald betekent het: een goed bericht, een blijde boodschap.
Het woord is in de Griekse taal verbonden aan de boodschapper die zich haast om een belangrijk bericht bekend te maken. Zo is het uit de Griekse geschiedenis bekend van een boodschapper die zich zó haastte van het slagveld om aan zijn koning bekend te maken hoe de strijd verlopen was, dat hij met zijn laatste adem de boodschap van het slagveld bekend maakte en daarna ter plekke dood neerviel.
Dit toont de betekenis van het woord ‘evangelie’ dat te maken heeft met een belangrijke boodschap die ons vanuit de hemel bekend gemaakt is en die te maken heeft met de dood van de brenger van de boodschap: Jezus! Het is de boodschap van eeuwig behoud voor ieder die gelooft in de Here Jezus.
Na de dood van de Here Jezus krijgt dit woord de betekenis van: het prediken van Jezus Christus, dat Hij aan het kruis gestorven is om de mensen eeuwig behoud in het koninkrijk van God te verschaffen, dat Hij uit de doden opgestaan en verheven is aan de rechterhand van God in de hemel, vanwaar Hij in majesteit zal terugkeren om het koninkrijk van God op aarde op te richten.
Genezen: Grieks: therapeuoo
Het maakt duidelijk dat Jezus optrad als een therapeut.
Dit woord wijst erop, dat de Heer Zich opstelde als een dienaar voor de mensen die Hem nodig hadden: de zieken, de lijdenden, de bedroefden, de rouwenden, de eenzamen, enz. Hij kwam voor de mensen die lichamelijk of psychisch leed hadden. Zijn bediening was er op gericht om helend werk te verrichten, om lichamelijke en psychisch zieken te herstellen, weer gezond te maken.
Hij deed dit echter niet met oplossingen die afgeleid waren van een psychologische benadering, maar Hij deed dit als prediker van het evangelie. Jezus bracht geen psychologische therapie. Hij bracht Bijbelse therapie. Opmerkelijk is het in dit verband, dat de Here Jezus Zichzelf ook met een geneesheer vergeleek (zie Lucas 4:23)
Wie trouw wil zijn aan God, aan de Here Jezus, aan de Bijbel en zijn boodschap, wie wil gaan in het spoor van de Heilige Geest, zal deze boodschap van de Bijbel niet zo maar naast zich neerleggen, maar zal zich - ook als luisteraar - zó door de Bijbel willen laten leiden. Dan hebben wij in de diensten van de gemeente een zekere inspanning. Maar wie zich zó inspant, zal door het woord van de Heer dat therapeutische betekenis heeft, juist ook ontspanning voor zijn ziel ontvangen.
|