Heeft God zijn verbond met de Joden verbroken?
|
 |
In oktober jl. hebben 185 bisschoppen uit het Midden-Oosten in Rome gedurende
twee weken een synodevergadering gehouden.
In de slotverklaring werd o.a. gezegd dat Israël de schuldige was in het
conflict met de Palestijnen. Israël mag zich ook niet meer beroepen op de
gedachte dat „het land” het beloofde land is. Er zijn geen uitverkoren volken
meer, zo zei bisschop Cyrille Salim Butros. Israël is dus ook niet meer het
uitverkoren volk van God.
In deze zienswijze is de kerk nu het uitverkoren volk en heeft de kerk de plaats
van Israël volkomen ingenomen. Hiermee leert de kerk dat met de komst van Jezus
de beloften die God aan Israël gegeven had, voor Israël vervallen zijn en de
eeuwige eed die God aan Israël gezworven heeft nu op een geestelijke wijze aan
de kerk is toegevallen. |
In deze kerkelijke zienswijze is helemaal geen plaats meer voor de unieke plaats
die Israël al in het Oude Testament inneemt. Alles is aan de kerk toegevallen.
Zo lezen velen ook de Bijbel. Enkele voorbeelden:
Jesaja 53 zegt dat Hij onze ziekten op Zich genomen heeft en onze smarten
gedragen heeft (:4). Wie zijn die ‘onze’? De kerk zegt: dat zijn wij, de kerk.
Jesaja zegt: dat is Israël.
Wie geldt de Immanuel - God met ons? (Mattheus 1:23)
Welk volk zou Hij redden. (Mattheus 1:21)
Christenen vergeten meestal wat de Here Jezus eens zei: „Het heil is uit de
Joden” (Johannes 4:24).
Christenen vergeten meestal wat Paulus als een principe-uitspraak opschreef:
„Eerst de Jood daarna de heiden.” (Romeinen 1:16) Christenen hebben dit
gewijzigd in: „Eerst de christen - dan een hele tijd niets - en ten slotte de
Jood.”Christelijk antisemitisme
In het jaar 325 van onze jaartelling werd de synode van Nicea
gehouden. In deze vergadering nam de kerk het besluit om het paasfeest niet
langer gelijktijdig met het joodse Paasfeest te laten vallen, maar hiervoor een
eigen datum te bepalen. Driehonderd jaar lang hadden Joden en christenen
gelijktijdig het Paasfeest gevierd. Deze datum werd aangewezen door de
maankalender zoals die in de Bijbel en door de Joden gebruikt werd. De kerk ging
nu over tot het gebruik van de Gregoriaanse kalender om de datum van het
Paasfeest te bepalen.
Bijna 2000 jaar lang heeft een groot deel van de christenen de Joden beschuldigd
dat zij Jezus gedood hebben en daardoor onder de toorn van God gekomen zijn. Men
vereenzelvigde Jezus met God en beschuldigde de Joden ervan dat zij
Godsmoordenaars waren. Het gevolg was een onvoorstelbaar antisemitisme in
boeken, in preken, in de theologie, in Bijbelvertalingen, en in allerlei vaak
wrede daden van christenen. Zelfs Adolf Hitler beriep zich op deze theologie als
motivatie om de Joden in de gehele wereld uit te roeien.
Als christenen keken naar de verbonden die God gesloten had met Israël, dan zei
de kerk keihard, dat deze verbroken waren. Vervolgens leerde de kerk dat alle
beloften uit het Oude Testament niet meer voor de Joden waren, maar nu voor de
kerk waren, dat de kerk het nieuwe Israël geworden was en dat de tijdelijke
straffen en oordelen die God over Israël uitgesproken had nu eeuwige straffen en
oordelen geworden waren. Dit betekende dat de Joden voor eeuwig vervloekt waren
en dat er geen hoop meer voor hen was. Dit noemt men de vervangingsleer, of de
vervangingstheologie. Israël is vervangen door de kerk.
Er is zelfs een groot aantal christenen geweest dat overtuigd was dat zij God
een handje dienden te helpen in het straffen, vervolgen en vermoorden van de
Joden. Zo werden Joden soms massaal uit een land verdreven. Soms werden ze
gedwongen om gescheiden van de andere mensen in getto’s te leven. Soms werden ze
gewoon omdat ze Joden waren gevangen gezet of vermoord.
Het - voornamelijk christelijk - antisemitisme heeft de weg gebaand voor de
verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog met 6 miljoen Joodse doden, waarvan
1,5 miljoen Joodse kinderen. Het waren met name de christelijke leerstellingen
uit de vervangingstheologie die zorgden voor de verschrikkingen van die tijd. Er
is wel gezegd dat zonder het christendom de Holocaust niet zou hebben plaats
gevonden. Het afschuwelijke is dat dit christelijke antisemitisme zelfs gevoed
werd door de wijze waarop een groot aantal teksten in het Nieuwe Testament
vertaald was.
Het antisemitisme schijnt nu erger te zijn dan vlak voor de Tweede Wereldoorlog!
"Kruisig Hem”
De meeste christenen hadden de domste gedachten als het ging
over het roepen „Kruisig Hem” voor Pilatus.
1. Terwijl de profeten aangekondigd hadden (zie Daniel 9:24-27) dat heidenen de
Joodse Messias zouden doden, deed de kerk alsof de Joden hun eigen Messias
gedood hadden.
2. Terwijl de Here Jezus Zelf gezegd had dat Hij alleen door de Joodse leiders -
het Sanhedrin - verworpen zou worden en door heidenen - de Romeinen - gedood zou
worden, deden deze christenen het voorkomen alsof het gehele Joodse volk - zo’n
2 miljoen mensen - met z’n allen in de tuin van Pilatus stond en daar met z’n
allen het „Kruisig Hem” geroepen heeft.
3. Terwijl de Bijbel duidelijk maakt dat de Romeinen Jezus ter dood gebracht
hebben, heeft de kerk door de eeuwen heen de Joden ervan beschuldigd.
4. Terwijl de evangeliën laten zien, dat het volk radeloos van verdriet was toen
Jezus naar het kruis geleid werd, heeft de kerk ervan gemaakt, dat dit de wil
van het volk was!
"Zijn bloed kome over ons en onze kinderen"
Er zijn enkele woorden in onze vertaling die meestal verkeerd
worden begrepen. Het zijn de vertaling van de volgende woorden:
1. Het Griekse woord ochlos, dat meestal vertaald wordt met ‘de scharen’ of ‘de
menigte’,
2. Het Griekse woord Ioudaios, dat meestal vertaald wordt als ‘Joden’.
„Toen Pilatus inzag dat zijn tussenkomst nergens toe leidde, dat het er
integendeel naar uitzag dat men in opstand zou komen, liet hij water brengen,
waste ten overstaan van de menigte zijn handen en zei: ‘Ik ben onschuldig aan de
dood van deze man. Zie het zelf maar op te lossen.’ En heel het volk antwoordde:
‘Laat zijn bloed óns dan maar worden aangerekend, en onze kinderen!’” (Mattheus
27:24,25)
NBG: „En al het volk antwoordde en zei: Zijn bloed kome over ons en over onze
kinderen.”
Twee woorden vallen op: menigte en volk, heel het volk!
‘Menigte’ is de vertaling van het Griekse woord ochlos. ‘Volk’
is de vertaling van het Griekse woord ‘laos’.
Het woord ‘menigte’ verwijst naar een (eventueel: grote) groep mensen die op dat
moment in vergadering bijeen is.
Het woord ‘volk’ kan wijzen op een heel volk, maar ook - zoals hier - wijzen op
een deel van de bevolking die nu bijeen is, de groep mensen die in de voorhof
van Pilatus staat: het Sanhedrin.
Het hier gebruikte woord ochlos (menigte) zal de weergave zijn van het
Hebreeuwse woord dat er op lijkt: ochlim. Het betekent: de mensen die er bij
zijn. Het zegt niets over een aantal. Het zegt alleen iets over de plaats waar
de mensen zijn.
„De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat Hij moet sterven, omdat Hij
Zich de Zoon van God genoemd heeft.” (Johannes 19:7)
„Pilatus zei: Neem Hem mee en veroordeel Hem volgens uw eigen wet.’ Maar de
Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet iemand ter dood te brengen’.”
(Johannes 18:31)
Wie zijn ‘de Joden’?
Het is een verkeerde weergave van het woord Ioudaios. Het zijn
de Joden uit Israël. Het zijn niet alle mensen van het Joodse volk.
Zoals een Limburger en een Fries zeggen dat zij geen ‘Hollanders’ zijn, zo
zeiden de Galileeërs dat zij geen Joden waren.
Joden waren de mensen uit de provincie Judea. Het is niet het hele volk van 2
miljoen mensen, het is een groep vooraanstaande mensen als vertegenwoordigers
van Jeruzalem en Judea. Het hele volk stond niet bij Pilatus, alleen de leden
van het Sanhedrin stonden daar. U denkt toch niet dat er 2 miljoen mensen in de
voorhof van Pilatus konden staan?
Stel dat wij dezelfde wijze van weergeven zouden toepassen op de Romeinse
soldaten. Zij waren Italianen. Nu kun je toch niet zeggen dat de Italianen Jezus
gekruisigd hebben?
Deze leer is onhoudbaar
1. Je kunt niet een heel volk in alle tijden verantwoordelijk houden voor de
uitspraken van slechts een kleine groep mensen.
2. Als je zegt dat alle Joden in alle tijden schuldig zijn aan de dood van Jezus
omdat enkelen 2000 jaar geleden om Zijn dood gevraagd hebben, dan zijn ook alle
niet-Joden (dus ook wij) schuldig aan Zijn dood omdat het niet-Joden waren
(Romeinen) die Hem mishandeld hebben, aan het kruis genageld hebben en Hem zo
hebben laten lijden en sterven.
3. Jezus Zelf had echter gezegd, dat Hij Zichzelf vrijwillig zou overgeven om te
sterven voor de zonden van de mensen. Zo kunnen wij onszelf ook de schuld geven,
want het waren onze zonden die Hem aan het kruis brachten.
4. Kort voordat Jezus stierf bad Hij: „Vader, vergeef het hun, want ze weten
niet wat ze doen.” (Lucas 23:34) Ongeacht of Jezus op dat moment aan Joden of
aan heidense Romeinen dacht, Hij bad de hemelse Vader om vergeving voor deze
mensen. Zou de hemelse Vader de Zoon niet verhoord hebben?
De boodschap wordt verdraaid
De Here Jezus heeft een aantal opmerkelijke gelijkenissen
verteld. Eén daarvan vinden wij in Mattheus 21:33-46, Marcus 12:1-12 en Lucas
20:9-19.
De vertalers hebben dit gedeelte als opschrift gegeven (in de NBG): De
gelijkenis van de onrechtvaardige pachters”. In deze gelijkenis klinken de
volgende woorden van de Here Jezus:
„Toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: “Dat is de
erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken,” en ze
grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wanneer nu de
eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan met die wijnbouwers doen?’ Ze
antwoordden: ‘De onmensen! Laat hij ze op een mensonwaardige manier ombrengen en
de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem
afdragen wanneer het daar de tijd voor is.’
Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen
die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. Dankzij de Heer is dit
gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.”
Daarom zeg ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden
aan een volk dat het wel vrucht laat dragen.” (Mattheus 21:38-43)
In Lucas 20:18 zegt de Here Jezus nog iets meer. Nadat Hij gesproken had over de
afgekeurde steen, zei Hij: „Iedereen die over die steen struikelt zal gebroken
worden, en iedereen op wie die steen valt zal worden verpletterd.”
De uitleg wordt bijna altijd als een onbijbelse uitleg gegeven. De uitleggers
zeggen dat de Joden de onrechtvaardige pachters zijn, die de Zoon van de
Eigenaar gedood hebben en nu hun straf krijgen, waarna de wijngaard - dat is het
verbond van God met Israël - gegeven is aan andere wijnbouwers, aan een ander
volk, aan de kerk.
Maar... wie worden met de pachters bedoeld? Niet het Joodse volk. De uitleg
staat er bij: „Toen de hogepriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hoorden,
begrepen ze dat hij over hen sprak. Ze wilden hem graag gevangennemen, maar ze
waren bang voor de reactie van de volksmassa, daar men hem voor een profeet
hield.” (Mattheus 21:45,46)
In Lucas 20:19,20 lezen wij het als volgt: „De schriftgeleerden en
hogepriesters, die wisten dat Jezus deze gelijkenis met het oog op hen verteld
had, wilden hem op dat moment laten grijpen, maar ze waren bang voor de reactie
van het volk.
Ze hielden hem echter in de gaten en stuurden er spionnen op uit die zich als
rechtvaardigen moesten voordoen, in de hoop hem op een onwettige uitspraak te
betrappen, zodat ze hem konden uitleveren aan de overheid, aan het gezag van de
prefect.”
De kerkvaders
Al in de tweede eeuw - vanaf het jaar 150 na Christus - als de
apostelen reeds gestorven zijn en ook reeds de meeste directe leerlingen van de
apostelen gestorven zijn komen er zogenaamde kerkvaders die nieuwe zogenaamd
geestelijke ontdekkingen doen. Zij bedenken iets nieuws, iets wat nog niet
eerder gehoord was.
Nu zijn christenen altijd ‘in’ voor iets nieuws op geestelijk gebied. Ze zijn
echter niet in staat om te controleren of de nieuwe boodschap wel in
overeenstemming met de Bijbel is. Zo ontstonden al in de beginjaren van het
christendom afwijkende meningen met betrekking tot het Joodse volk.
In de meeste kerken is de kerkvader Johannes Chrysostomos, bisschop van
Antiochië, hoog geprezen. Omdat hij zo mooi kon preken, werd hij wel de
‘Guldenmond’ of de ‘gouden tong’ genoemd. Men vergeet echter dat hij de aanzet
heeft gegeven tot de Jodenhaat en het christelijk antisemitisme. Hij ergerde
zich eraan dat sommigen van zijn gemeenteleden soms betrokken waren bij diensten
in de synagoge en dat zij de Bijbelse feesten met de Joden hielden. Hij vond dat
dit moest stoppen. Daarop schreef en hield hij 8 preken tegen de Joden. In deze
preken schreef hij o.a. „dat de synagoge niet alleen een bordeel is en een
theater, het is ook een schuilplaats van rovers en een schuilplaats voor wilde
dieren. Geen Jood eert God. Joden zijn verstokte moordenaars. Ze zijn bezeten
door de duivel. Hun slechte gewoonten en hun dronkenschap maken hen gelijk aan
zwijnen. Zij doden en verminken elkaar... Joden zijn door God verlaten. Er is
geen verzoening mogelijk voor hen die God vermoord hebben.
Hij leerde dat het hele Joodse volk schuldig was aan het doden van de Here
Jezus. De kerk is hem daarna gevolgd in zijn christelijk antisemitisme. Dit
antisemitisme kwam waarschijnlijk voort uit de gedachten die in die tijd onder
de heidenen leefden ten aanzien van het Joodse volk.
Justinus de Martelaar zei eens tegen een Jood het volgende: „De Schriften zijn
niet van jullie, maar van ons.”
Bisschop Irenaeus van Lyon schreef: „Joden zijn buiten de genade van God
gesteld.”
Tertullianus schreef in een verhandeling tegen de Joden dat God de Joden
verworpen had ten gunste van de christenen.
Eusebius schreef dat de beloften uit het Oude Testament voor de christenen waren
en niet voor de Joden en dat de oordelen en de vloeken voor de Joden waren. Hij
schreef dat de kerk de vervulling was van het Oude Testament. Zo ging de jonge
kerk zichzelf zien als het nieuwe Israël, het geestelijk Israël, eigenaar van de
goddelijke beloften. De kerk vond het nodig om nu ook het ‘vleselijke’ Israël
schade te berokkenen om zo te bewijzen dat God hen verworpen had en Zijn liefde
nu aan de christenen gegeven had.
Hier ligt het begin van de vervangingstheologie. Deze vervangingstheologie was
één van de pijlers waarop het latere antisemitisme zou rusten.
De woorden van de Here Jezus zoals gesproken in de gelijkenis van de
onrechtvaardige pachters werden verdraaid en kregen de betekenis dat Jezus Zelf
ook had gezegd dat de Joden vervloekt waren. Zij hadden de Zoon van de Eigenaar
gedood en moesten nu zelf gedood worden. Zo gingen de christenen op grond van
deze gelijkenis de Joden vervolgen en doden en zagen zij zichzelf als de nieuwe
pachters van de wijngaard.
In 313 na Christus maakte keizer Constantijn het christendom zelfs tot de
officiële staatsgodsdienst van het Romeinse rijk. Het christendom dat eerst zelf
een vervolgde minderheid was werd nu de vervolgende meerderheid, waarbij het de
Joden waren die vervolgd werden. Joden mochten niet meer in Jeruzalem wonen en
heidenen mochten niet meer overgaan tot het jodendom. Vanaf het jaar 339 was het
zelfs een misdaad om over te gaan tot het jodendom.
In 380 feliciteerde Ambrosius, de bisschop van Milaan, de menigte die net
daarvoor een synagoge in de brand gestoken had. Hij zei dat zij God een dienst
bewezen hadden.
Dit alles komen wij ook nog tegen als christenen de volgende scheiding
aanbrengen tussen de tijd vóór de Here Jezus en de tijd na Pinksteren, als zij
zeggen: „De Joden leefden onder de wet en niet onder de genade, zij leefden
zonder echte verzoening en zonder echte vergeving, maar de kerk leeft uit de
genade en heeft echte verzoening en vergeving van zonden.” Daarbij citeren zij
met extra grote instemming Johannes 1:17 (NBG) „...want de wet is door Mozes
gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen.”
Het klinkt zo mooi dat wij iets meer hebben dan de Joden ooit hadden, maar het
is zo onbijbels als maar mogelijk is. De Joden hadden dan wel de wet maar geen
genade en ook geen waarheid. Gods openbaring aan hen zou dan één grote leugen
zijn geweest, zo zegt men dan.
Zij zien over het hoofd dat er twee verschillende werkwoorden gebruikt worden:
geven en worden (in de NBG vertaald als worden en komen).
Een betere vertaling zou zijn: „De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid
(genade) en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen.”
Johannes 1:17 wil ons echter vertellen dat naast de genade die de Joden in de
tijd van het Oude Testament al hadden er nu een veel grotere genade bijgekomen
is, namelijk de genade en de waarheid van Jezus Zelf. Hij geeft niet alleen
genade en spreekt niet alleen de waarheid, Hij is Gods genade en Gods waarheid
op aarde.
De achtergrond van de gelijkenis
De Here Jezus was op het tempelterrein toen Hij deze gelijkenis
vertelde. Het was kort voordat Hij zou sterven in Jeruzalem. Hij was omringd
door de wachters van Herodes die toezicht hielden op het tempelterrein.
De Here Jezus had kort hiervoor de tempel gereinigd. Nu was Hij een bedreiging
voor de Sadduceeën, de partij van de Herodianen en hun volgelingen. Zij dreigden
hun macht over het volk te verliezen.
„Toen kwamen er in de tempel blinden en verlamden naar hem toe, en hij genas
hen. De hogepriesters en de schriftgeleerden zagen welke wonderen hij verrichtte
en hoorden de kinderen in de tempel ‘Hosanna voor de Zoon van David!’ roepen, en
ze waren hoogst verontwaardigd.” (Mattheus 21:14,15)
Op dat moment ging de Here Jezus Zijn gelijkenis vertellen. Allen zullen Hem
begrepen hebben. Het ging niet over Jezus en het volk, het ging over Jezus en de
Joodse leiders. Zij waren de pachters van de wijngaard. Zij zouden de Zoon
doden. Zij zouden er ook voor gestraft worden.
Het Sanhedrin dat in vroeger tijden een college was van trouwe Joodse leiders
was beïnvloed door koning Herodes. Herodes had 45 leiders van het Sanhedrin
laten vermoorden en hen vervangen door trouwe handlangers van hem. Het Sanhedrin
bestond nu uit een stel trouwe volgelingen van Herodes en de Romeinen.
„ De schriftgeleerden en hogepriesters, die wisten dat Jezus deze gelijkenis met
het oog op hen verteld had, wilden hem op dat moment laten grijpen, maar ze
waren bang voor de reactie van het volk.” (Lucas 20:19)
LET OP: De wijngaard was wel het beeld van het volk Israël (zie Jesaja
5:1-7), maar de wijngaard werd niet veroordeeld! De wijngaard heeft de Zoon niet
gedood en de wijngaard zal niet gestraft worden. De leden van het Sanhedrin uit
de tijd van Herodes zijn de pachters uit de gelijkenis van de Here Jezus. Zij
zullen de Hoeksteen verwerpen. Zij zullen de Zoon van de Eigenaar van de
wijngaard doden. De pachters hebben de Zoon gedood en de pachters zullen
gestraft worden. Dat is: het Sanhedrin zal door God gestraft worden! In het jaar
70 na Christus is het Sadduceese deel van Israëls overheid ten onder gegaan. De
Farizeeën zijn gebleven. Wij vinden hen in onze tijd nog steeds terug in het
orthodoxe jodendom. De Sadduceeën zijn echter volkomen verdwenen.
Christelijke onkunde
Als het gaat om de veroordeling van de Here Jezus moeten wij de
originele feiten niet verwarren met conclusies die mensen trekken op grond van
het feit dat zij het Joodse leven uit die tijd niet kennen.
Jezus is op verschillende plaatsen geweest om veroordeeld te worden: bij Kajafas
en het Sanhedrin, bij Herodes en Pilatus. Wat vertelt dit ons over het
toenmalige recht?
Het Sanhedrin was de Joodse rechtbank die alleen bevoegd was om te oordelen
inzake de godsdienstige wet. Dat is: de uitwerking van de ge- en verboden van de
Bijbel.
De Romeinse rechtbank oordeelde in strafzaken, zoals diefstal, roof, moord, e.d.
In de tijd van de Here Jezus had iedere stad zijn eigen Sanhedrin dat bestond
uit slechts drie rechters.
In Jeruzalem was echter het grote Sanhedrin, de hoge raad, dat bestond uit drie
verschillende Sanhedrins. In de hele stad was dus op drie plaatsen een Sanhedrin
gevestigd. Zo’n Sanhedrin bestond uit 23 leden.
Als het echter ging om een zaak van nationaal belang, kwamen de drie Sanhedrins
bij elkaar en werden zij samengevoegd tot één groot Sanhedrin van 69 leden. De
hogepriester werd hieraan toegevoegd, zodat het totaal uiteindelijk 70 man
bedroeg.
Eén van de drie Sanhedrins was gevestigd in het huis van Kajas, de hogepriester.
De overblijfselen van dit huis zijn teruggevonden en er is een kerk overheen
gebouwd om deze overblijfselen beter te kunnen bewaren. Deze kerk heet: St.
Peter in Calicantu, ook wel „de kerk van het hanengekraai” genoemd. Ik ben vele
keren in deze kerk en in de kelder van het huis van Kajafas geweest alsook in de
kerker in zijn huis, waarin ook Jezus moet zijn opgesloten geweest.
De grote geestelijke leiders uit die tijd waren de hogepriesters. In vroeger
tijden werden de hogepriesters op grond van hun kennis en hun geestelijke
kwaliteiten door het Sanhedrin gekozen. In deze tijden werden ze door de
Romeinen aangewezen. Zo konden er mensen aan de leiding staan als hogepriester
die niet bepaald deze plaats verdienden.
De Joden van die tijd hadden weinig op met hun toenmalige hogepriesters die aan
de leiband van Rome liepen. Daar kwam nog bij, dat het in die tijd de gewoonte
was om de hogepriester met ‘vader’ aan te spreken. Toen Jezus zei: „Noem niemand
op aarde ‘vader’, want jullie hebben maar één Vader, de Vader in de hemel.” (Mattheus
23:9) had Hij het niet over de paus die heilige vader genoemd wordt, maar had
Hij het over de hogepriesters, die corrupt waren en hand in hand liepen met de
Romeinen. Met name Kajafas moet erg corrupt zijn geweest. De Joodse
geschiedschrijver Philo vertelt dat Kajafas alleen bereid was om een zaak te
behandelen als hij geld onder de tafel kreeg toegeschoven. Vervolgens bracht hij
Pilatus op de hoogte van alle belangrijke zaken.
Paulus spreekt duidelijke taal
„Er is, broeders en zusters, een goddelijk geheim dat ik u niet
wil onthouden, omdat ik wil voorkomen dat u op uw eigen inzicht afgaat. Slechts
een deel van Israël werd onbuigzaam, en dat alleen tot het moment dat alle
heidenen zijn toegetreden.
26 Dan zal heel Israël worden gered, zoals ook geschreven staat: ‘De redder zal
uit Sion komen, en wentelt dan de schuld af van Jakobs nageslacht.
27 Dit is mijn verbond met hen, wanneer ik hun zonden wegneem.’
28 Ze zijn Gods vijanden geworden opdat het evangelie aan u kon worden
verkondigd, maar God blijft hen liefhebben omdat hij de aartsvaders heeft
uitgekozen.
29 De genade die God schenkt neemt hij nooit terug, wanneer hij iemand roept
maakt hij dat niet ongedaan.
30 Zoals u God eens ongehoorzaam was, maar door hun ongehoorzaamheid Gods
barmhartigheid hebt ondervonden,
31 zo zijn zij nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die u ondervonden hebt,
ook zelf barmhartigheid te ondervinden.”
(Romeinen 11:25-31)
Ook hier staat weer een antisemitische uitspraak in de vertaling: „Ze zijn Gods
vijanden geworden...” (:28)
NBG: „Zij zijn naar het evangelie vijanden om uwentwil, naar de verkiezing zijn
zij geliefden om der vaderen wil.”
NB: „Naar de verkondiging zijn zij vijanden, door u, maar naar de uitverkiezing
beminden, door de vaderen.”
De NBV voegt gewoon het woord ‘God’ hieraan toe, terwijl Paulus het woord ‘God’
niet noemt.
Maar... God neemt Zijn genade en beloften (die Hij hier dus aan Israël
geschonken heeft) nooit terug (:29).
Gods beloften
„Dit zegt de HEER, die de zon heeft gemaakt als het licht voor
de dag, de maan en sterren als de lichten voor de nacht, die de zee opzweept,
zodat de golven bruisen, wiens naam is HEER van de hemelse machten: Pas als deze
orde ophoudt te bestaan-spreekt de HEER bestaat ook Israël niet meer, is het
niet meer voor altijd mijn volk. Dit zegt de HEER: Zoals de hoogte van de hemel
niet gemeten wordt, de diepte van het fundament der aarde niet gepeild, zo
verwerp ik niet het nageslacht van Israël om alles wat het heeft misdaan-
spreekt de HEER.” (Jeremia 31:35-37)
Gods beloften met betrekking het land en het volk waren zonder voorwaarden en
eeuwig. Zij konden - vanwege de eed die God gezworen had - nooit gestopt worden.
Hoe ze in het land zouden leven - onder zegen of straf - dat was wel aan
voorwaarden verbonden.
„Dan is nu mijn vraag: heeft God zijn volk soms verstoten? Beslist niet. Ik ben
immers zelf een Israëliet, een nakomeling van Abraham, afkomstig uit de stam
Benjamin. God heeft zijn volk, dat hij al van tevoren uitgekozen heeft, niet
verstoten.” (Romeinen 11:1,2a)
Hier gaat het niet over de kerk, maar over Israël. God heeft Israël hoop en
toekomst gegeven. Zie Jeremia 29:11.
|