Zien

En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn eigen stad. En zie, men bracht een verlamde, op een bed liggende, tot Hem. 2 En daar Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de verlamde: Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven. 3 En zie, sommige der schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God. 4 En daar Jezus hun overleggingen kende, zei Hij: Waarom overlegt gij kwaad in uw hart? 5 Want wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 6 Maar, opdat gij weten moogt, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven, toen zei Hij tot de verlamde: Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. 7 En hij stond op en ging naar huis. 8 Toen de scharen dit zagen, vreesden zij en zij verheerlijkten God, die zulk een macht aan de mensen gegeven had. 9 En vandaar verder gaande zag Jezus iemand bij het tolhuis zitten, Matteus genaamd, en Hij zei tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem. 10 En het geschiedde toen Hij in het huis aanlag, zie, vele tollenaars en zondaars kwamen en lagen mede aan met Jezus en zijn discipelen. 11 En toen de Farizeeën dit zagen, zeiden zij tot zijn discipelen: Waarom eet uw meester met de tollenaars en zondaars? 12 Hij hoorde het en zei: Zij, die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig maar zij, die ziek zijn. 13 Gaat heen en leert, wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande; want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars. 14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem en vroegen: Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw discipelen niet? 15 Jezus zei tot hen: Kunnen soms bruiloftsgasten treuren, zolang de bruidegom bij hen is? Er zullen echter dagen komen, dat de bruidegom van hen weggenomen is, en dan zullen zij vasten. 16 En niemand zet een niet-gekrompen lap op een oud kledingstuk; want de ingezette lap scheurt iets af van het kledingstuk en de scheur wordt erger. 17 Ook doet men jonge wijn niet in oude zakken; anders barsten de zakken en de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren; maar men doet jonge wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behouden. 18 Terwijl Hij dit tot hen sprak, zie, een overste der synagoge kwam tot Hem en viel voor Hem neder, en zei: Mijn dochter is zo juist gestorven, maar kom en leg uw hand op haar en zij zal leven. 19 En Jezus stond op en volgde hem met zijn discipelen. 20 En zie, een vrouw, die reeds twaalf jaren aan bloedvloeiingen leed, kwam van achteren tot Hem en raakte de kwast van zijn kleed aan. 21 Want, zei zij bij zichzelf, indien ik slechts zijn kleed aanraak, zal ik behouden zijn. 22 Maar Jezus keerde Zich om, zag haar en zei: Houd moed, dochter, uw geloof heeft u behouden. En de vrouw was behouden van dat ogenblik af. 23 En toen Jezus in het huis van de overste kwam en de fluitspelers en het misbaar van de schare zag, 24 zei Hij: Gaat heen, want het meisje is niet gestorven, maar het slaapt. En zij lachten Hem uit. 25 Toen de schare uitgedreven was, ging Hij binnen en vatte haar hand en het meisje ontwaakte. 26 En de roep hierover verbreidde zich in die gehele streek. 27 En terwijl Jezus vandaar verder ging, volgden Hem twee blinden, al roepende en zeggende: Heb medelijden met ons, Zoon van David! 28 En toen Hij het huis was binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem, en Jezus zei tot hen: Gelooft gij, dat Ik dit doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Here. 29 Toen raakte Hij hun ogen aan en zeide: U geschiede naar uw geloof. 30 En hun ogen gingen open. En Jezus verbood hun ten strengste en zei: Ziet toe, niemand mag dit weten! 31 Maar zij gingen heen en maakten Hem in die gehele streek bekend. 32 Terwijl zij heengingen, zie, men bracht een doofstomme bezetene bij Hem. 33 En nadat de boze geest was uitgedreven, sprak de doofstomme. En de scharen verbaasden zich en zeiden: Zo iets is nog nooit in Israel voorgekomen! 34 Maar de Farizeeën zeiden: Door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit. 35 En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal. 36 Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben. 37 Toen zei Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. 38 Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst. (Mattheüs 9)

Opmerkelijk hoe vaak er over "zien" geschreven wordt in dit hoofdstuk. 13 keer wordt in het Grieks het werkwoord "zien" gebruikt. Verder wordt een keer in de Nederlandse vertaling over "zien" gesproken, waarbij in het Grieks een ander woord met een enigszins andere betekenis gegeven wordt: "En hun ogen gingen open. En Jezus verbood hun ten strengste en zei: Ziet toe, niemand mag dit weten!" (:30) Hier staat in het Grieks een uitdrukking die wil zeggen: "Let op!

In vier situaties wordt over "zien" gesproken in dit hoofdstuk. Deze vier keer kunnen als volgt ingedeeld worden: Wij worden opgeroepen om te "zien". De Farizeeën "zagen". Jezus "zag". De scharen "zagen".
 

Wij worden opgeroepen om te "zien"

"En zie, men bracht een verlamde, op een bed liggende, tot Hem." (:1 vgl. 8:34) "En zie, sommige der schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God." (:3) "En het geschiedde toen Hij in het huis aanlag, zie, vele tollenaars en zondaars kwamen en lagen mede aan met Jezus en zijn discipelen." (:10) Het huis zal het huis van Mattheüs geweest zijn. Er zal hier mogelijk een afscheidsmaaltijd gehouden zijn. Een grote maaltijd noemt Lucas 5:29 het, waaraan veel van zijn collega-tollenaars deelnamen. Het einde van de carrière van Mattheüs als tollenaar en het begin van zijn leven als discipel van de Here Jezus. Zoiets mag gevierd worden! "Terwijl Hij dit tot hen sprak, zie, een overste der synagoge kwam tot Hem en viel voor Hem neder, en zei: Mijn dochter is zo juist gestorven, maar kom en leg uw hand op haar en zij zal leven." (:18) Het gaat hier over Jaïrus, de leider van de synagoge in Kapernaüm, de man, die de Heer meerdere keren opgeroepen heeft om in de synagoge te spreken of te bidden. "En zie, een vrouw, die reeds twaalf jaren aan bloedvloeiingen leed, kwam van achteren tot Hem en raakte de kwast van zijn kleed aan." (:20) Dit was een vreselijke kwaal voor deze vrouw; niet alleen omdat hij haar zelf al die jaren zoveel ongemak bezorgd had, maar ook omdat zij hierdoor doorlopend ritueel onrein was. "Ritueel onrein" betekent niet "vies", wat mensen soms denken. Het betekent: ongeschikt om in deze staat voor het aangezicht van God te verschijnen. Zeer waarschijnlijk zal zij een gescheiden vrouw zijn geweest, omdat dit een van de redenen was waarom Joden hun huwelijk beëindigden. Het was voor een man niet mogelijk om zijn geestelijke verplichtingen na te komen en gelijktijdig met een ritueel onreine vrouw in één huis te wonen, laat staan met haar te leven. Het is daarom haast onmogelijk, dat zij geen gescheiden vrouw was. Wat een leed. Wat een verdriet! Maar Jezus kwam in haar leven!

"Wanneer een vrouw vloeit, namelijk de bloedvloeiing van haar lichaam heeft, dan zal zij zeven dagen in haar maandelijkse onreinheid blijven, en ieder die haar aanraakt, zal onrein zijn tot de avond. Alles waarop zij in haar maandelijkse onreinheid ligt, zal onrein zijn, en alles waarop zij zit, zal onrein zijn. Ieder die haar bed aanraakt, zal zijn klederen wassen, zich in water baden en onrein zijn tot de avond. Ieder die een of ander voorwerp, waarop zij gezeten heeft, aanraakt, zal zijn klederen wassen, zich in water baden en onrein zijn tot de avond. Indien hij iets aanraakt, dat zich op het bed of op het voorwerp waarop zij gezeten heeft, bevindt, dan zal hij onrein zijn tot de avond. Indien een man bij haar ligt, dan zal haar maandelijkse onreinheid op hem komen, en zeven dagen zal hij onrein zijn, en elk bed waarop hij ligt zal onrein zijn. Wanneer bij een vrouw lange tijd bloed vloeit, buiten de tijd van haar maandelijkse onreinheid, of wanneer zij langer vloeit dan haar maandelijkse onreinheid, dan zal zij gedurende al de tijd dat zij vloeit, onrein zijn als in de tijd van haar maandelijkse onreinheid; zij is onrein. Elk bed waarop zij ligt, al de tijd dat zij vloeit, zal voor haar zijn als het bed van haar maandelijkse onreinheid, en elk voorwerp waarop zij zit, zal onrein zijn als in de onreinheid van haar maandelijkse onreinheid. Ieder die deze dingen aanraakt, zal onrein zijn, zijn klederen wassen, zich baden in water, en onrein zijn tot de avond." (Leviticus 15:19-27)

Wat wij moeten zien: Zieken: een verlamde (man), een bloedvloeiende vrouw. Beiden door de Heer genezen. Dode: een dood meisje. Door de Heer levend gemaakt. Zondaars: tollenaars e.a. Door de Heer van hun zondelast bevrijd. Alle drie worden getoond in relatie met de Here Jezus. Sommige geestelijke leiders: Jezus lastert God.
 

De Farizeeën "zagen"

"En toen de Farizeeën dit zagen, zeiden zij tot zijn discipelen: Waarom eet uw meester met de tollenaars en zondaars?' (:11) De houding van de mens die zelf de Here Jezus afwijst. Even later lezen wij va hen: "Maar de Farizeeën zeiden: Door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit." (:34)
 

Jezus "zag"

22 Maar Jezus keerde Zich om, zag haar en zei: Houd moed, dochter, uw geloof heeft u behouden. En de vrouw was behouden van dat ogenblik af. Jezus ziet de noden en de problemen van de mens, zowel lichamelijk al geestelijk.

23 En toen Jezus in het huis van de overste kwam en de fluitspelers en het misbaar van de schare zag. Jezus ziet het verdriet en de rouw van de mens.

36 Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben. Jezus ziet de verlorenheid en de onrust van de mens. En Hij heeft medelijden. Het leed van de mens laat Hem niet onbewogen. Zo ook staat God niet onbewogen bij al het leed dat op aarde geschiedt. Hij lijdt mee met Zijn schepping.

2 En daar Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de verlamde: Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven. Jezus ziet ook het geloof van de mens! Het resultaat was, dat de verlamde niet alleen een lichamelijke genezing kreeg, maar ook een geestelijke genezing. Jezus schonk hem vergeving van zijn zonden. Dat kon Hij alleen, omdat Hij meer was dan alleen maar een mens. Hij was Gods Zoon, één met de Vader. In die hoedanigheid kon Hij vergeving van zonden schenken.

9 En vandaar verder gaande zag Jezus iemand bij het tolhuis zitten, Matteus genaamd, en Hij zei tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem. Jezus ziet ook wie bereid is om een echte volgeling, een discipel van Hem te zijn!

Kapernaüm lag aan "de Zeeweg", dat was de doorgaande weg van Syrië naar Egypte. In Kapernaüm was het kantoor waar voor de Romeinen de belasting geheven werd op de doorgaande goederen. Joden, die dergelijke belasting voor de gehate Romeinen inden, en er goed aan verdienden, werden gehaat door de andere Joden.
 

De scharen "zagen"

8 Toen de scharen dit zagen, vreesden zij en zij verheerlijkten God, die zulk een macht aan de mensen gegeven had. De mooiste reactie die je maar kunt bedenken: de vreze des HEREN, verheerlijking van God - door over Hem te praten tegen anderen, - door in het gebed tot Hem te praten.
 

Wij moeten Hem zien

Wij moeten Hem zien met het oog van ons geloof en wij zullen voor eeuwig behouden zijn (Johannes 3:16-18,36; 5:24). Wij moeten Hem zien met het oog van onze oprechte liefde en wij zullen bruikbaar voor Hem zijn in Zijn dienst (vgl. Petrus in Johannes 21:15-23). Wij moeten Hem zien met het oog van onze aanbidding en verheerlijking en wij zullen in nauw contact met Hem mogen leven (Johannes 15). Wij moeten Hem zien met het oog van onze toewijding en wij zullen Zijn heerlijkheid en vreugde in ons leven ervaren (Philippenzen 4:4-7). Wij zullen Hem moeten zien met het oog van onze hoop en wij zullen met vreugde ons uitstrekken naar Zijn toekomst, die ook onze toekomst zal zijn (Titus 2:13)! Wij moeten Hem zichtbaar maken

De Heer moet ook in onze tijd gezien kunnen worden. Hoewel Hij niet rondwandelt op aarde, zoals Hij 2000 jaar geleden deed, moeten mensen Hem toch kunnen zien. WIJ zijn degenen, die Hem zichtbaar moeten maken. "Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven." (Galaten 2:20)
 

Er moeten meer "medewerkers" bij de Here Jezus komen

36 Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben. 37 Toen zei Hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. 38 Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in zijn oogst.

Een andere keer zei Hij: "Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten." (Johannes 4:35) Over het algemeen wordt bij "de oogst" gedacht aan de tarwe oogst. Het woord "wit" zou misschien naar de katoenoogst kunnen verwijzen, omdat de velden dan inderdaad er volkomen wit bij staan.

De Heer zoekt nog steeds mensen, die "arbeiders voor Hem" willen zijn.