Zout in de Bijbel
Mattheüs 5:13
De Heer zei: “Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt
worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.” (Matt. 5:13)
Hier gaat het over onze verantwoordelijkheid en onze opdracht.
De Joden hebben uit deze woorden meer begrepen, dan wij zouden doen. Zij dachten aan meer dan alleen aan zout in het
voedsel. Waaraan dachten zij?
Het gebruik van zoetmiddelen en kruiden
Suiker kenden de Israëlieten niet. Honing van wilde bijen was de voornaamste zoetmaker (zie 1 Sam. 14:25-27). Maar een ander soort "honing" kon ook gemaakt worden door dadels te koken totdat een dik stroopje overbleef.
Ook zout en kruiden speelden een rol bij het koken. Zout was in grote hoeveelheden voorradig langs de zuidwestkust van de Dode Zee en het kon ook door verdamping uit zout water gewonnen worden. Zout werd gebruikt bij de dagelijkse voedselbereiding, maar vooral bij de inmaak. In de tijd van het Nieuwe Testament was er in Magdala een soort industrie ontstaan voor het zouten van vis.
Mint, dille en komijn werden als smaakmakers gebruikt. Zo kon men toch enige variatie aanbrengen in het dagelijkse voedsel. Andere kruiden waren zeldzamer, en werden dus alleen in de keuken van de rijken toegepast.
Zout was kostbaar
De oude Israëlieten wonnen zout uit de Dode Zee, die de bijnaam "Zoutzee" had. Zout was altijd een belangrijk artikel.
Zout was in bepaalde perioden zelfs onderworpen aan belasting.
Zoutdal
Het Zoutdal lag aan het zuideinde van de Dode Zee. Het vormde de grens tussen Judea en Idumea.
De bodem is leemachtig; het dal wordt soms door de Dode Zee overstroomd en kent amper plantengroei; het is zo zoutachtig, dat de bronnen dunne zoutkorsten hebben, die er uitzien als ijs. In dit Zoutdal moet de Zoutstad gelegen hebben, die samen met Engedi in Joz. 15:62 genoemd wordt.
Zout als straf
Gen. 19:26 De vrouw van Lot, die achter hem liep, keek om en veranderde in een zuil van zout.
Richt. 9:45 Na een dag van strijd nam Abimelech de stad in. Hij doodde er iedereen, maakte de stad met de grond gelijk en bestrooide de resten met zout.
Een verwoeste vijandelijke stad werd met zout bezaaid (Richt. 9:45). Dit symboliseert dat die bodem voor altijd woest en onvruchtbaar zou zijn. Men dacht namelijk dat met zout gevulde grond onvruchtbaar is (Deut. 29:23; Zef. 2:9). Woest, onvruchtbaar land werd zelfs "zout land" genoemd (Jer. 17:6; Job 39:9; Ps. 107:34). Zo’n streek in Palestina was het Zoutdal.
Dit bezaaien met zout heeft een zelfde betekenis als Jozua’s eed omtrent Jericho (Joz. 7:26), want het zout is een symbool van de eed.
Het bestrooien van de verwoeste stad met zout, wat alleen hier voorkomt, duidt een symbolische handeling, waardoor men de stad voor altijd in een onvruchtbare zoutwoestijn wilde herscheppen. Want het zout, naar zijn invretende eigenschap, is een beeld van verwoestende kracht. Zoutachtige gronden zijn onvruchtbare woestenijen (vgl. Job 29:6 Ps. 107:34).
Het zoutverbond
2 Kron. 13:5 “U zou toch moeten weten dat de HEER, de God van Israël, het koningschap over Israël voor eeuwig aan David en zijn nakomelingen heeft gegeven, in een met zout bekrachtigd verbond.”
De uitdrukking "brood en zout eten" wijst op bestendige trouw. Het zout is het oude symbool van vriendschap, ook bij de Grieken. Bij een maaltijd waarmee een gesloten verbond of vriendschap bezegeld werd, zou zout nooit ontbreken; pas het "zoutverbond" gold als onverbrekelijk.
“Van alle heilige gaven die de Israëlieten aan de HEER brengen, geef ik jou, je zonen en je dochters voor altijd een vast deel. Voor de HEER geldt dit als een eeuwigdurend, met zout bekrachtigd verbond met jou en je nakomelingen.” (Num. 18:19).
Zout en het offer
Lev. 2:13 Aan elk graanoffer moet zout worden toegevoegd: het zout, als teken voor het verbond met jullie God, mag bij het graanoffer niet ontbreken. Ook aan de andere offers moet zout worden toegevoegd.
Zout onttrekt de laatste resten bloed aan het vlees.
Uit deze opvattingen kunnen we het religieuze gebruik van zout verklaren. In het spijsoffer (Lev. 2:11-13) mocht het bederfwerende zout niet ontbreken. Volgens Lev. 2:13 was elk spijsoffer een vernieuwing van het door God met Israël gesloten verbond; de onmiddellijk volgende woorden "bij al uw offers zult gij zout offeren" slaan niet alleen op de spijsoffers. Dierenoffers werden met zout bestrooid (Ezech. 43:24; Marc. 9:49; Josefus Ant. 3.9.1). Daarom was er in de tempel altijd veel zout aanwezig (Ezr. 6:9; 7:22; Josefus Ant. 12.3.3).
Zout om te reinigen
In zeep zit als basismateriaal: zout.
Ezech. 16:4 “Op de dag dat je geboren werd, was er niemand om je navelstreng door te snijden of om je schoon te wassen,
niemand om je met zout in te wrijven of in doeken te wikkelen.”
Het zout is in de Bijbel een symbool van zuiverende kracht en van onbederflijkheid.
Over het afwrijven van pasgeboren kinderen met zout. De Hebreeuwse tekst van Ezech. 16:4 spreekt eenvoudig over het zouten
van de pasgeborenen.
En aangaande uwe geboorten: ten dage als gij geboren waart,
1. werd uw navel niet afgesneden hetgeen bij pasgeboren kinderen het eerst pleegt te geschieden; Jullie bleven verbonden
aan de placenta. Niet zo fris.
2. en gij waart niet met water gewassen, niet gereinigd van het u aanklevende vuil toen Ik u aanschouwde; gij waart
3. ook geenszins met zout gewreven, dat tot reiniging der pasgeborenen plaats heeft,
4. noch in windelen gewonden.
Door deze en andere zinnebeeldige uitdrukkingen, in dit en de volgende verzen, herinnert de Profeet, hoe verachtelijk het volk Israëls was en in welk een verloren staat, toen zij eerst naar Egypte gingen.
Van het heidense gebruik om zwakke of gebrekkige kinderen te vondeling te leggen of te doden, vinden wij dan ook in het Oude Testament geen spoor.
Zout is bederfwerend
Egypte was heel rijk aan vis. Dat feit ligt ten grondslag aan het grootse beeld in Ezech. 29:3 vv, waar Farao als een krokodil en de bewoners van de Nijlvlakte als aan zijn schubben hangende vissen voorgesteld worden. Egyptische priesters mochten geen vis eten; de andere Egyptenaren vonden verse en gezouten vis een grote lekkernij. De visserij was een belangrijk bedrijf (Jes. 19:8v). Velen leefden alleen van vis; ook voor de Israëlieten was het gedurende hun verblijf in Egypte een gewaardeerd voedingsmiddel (Num. 11:5).
Er was en is geen vis in de Dode zee; elke vis die er uit de Jordaan inkomt, sterft spoedig. Volgens Ezechiël zal de Dode Zee van vis wemelen, wanneer de rivier die in Gods woonstede ontspringt het land tot een paradijs maakt (Ezech. 47:9v). Het Meer van Gennésareth en de Jordaan waren zeer rijk aan vis. In mindere mate gold dat voor de grotere zijrivieren en de beken die in de Middellandse zee uitlopen. In het Meer van Gennésareth komen grote scholen vis voor die met hun rugvinnen boven het water uitsteken en het water enorm in beweging brengen.
Hoewel het Oude Testament weinig over vissen spreekt (vgl. Jer. 16:16; Ezech. 47:10; Pred. 9:12), mogen we toch aannemen dat men ook toen in de streken van het Meer van Gennésareth en de Jordaan vis at, net zoals ten tijde van Jezus (Matt. 7:10; 14:17; 15:34; Luc. 24:42). Dat men de vis zoutte, blijkt uit de naam van het aan het Meer van Gennésareth gelegen Tarichea. In Jeruzalem heette een poort in de noordmuur, dichtbij de noordoosthoek, de Vispoort (2 Kron. 33:14; Zef. 1:10; Neh. 3:3; 12:39). Diende het daarbij gelegen plein als vismarkt? Werd door deze poort de gezouten en in de zon gedroogde zeevis aangevoerd, die Tyrische handelaars naar Jeruzalem brachten (Neh. 13:16)? Ons maakt het duidelijk, dat wij het bederf in de wereld moeten tegengaan.
Zout als smaakmaker
Matt. 5:13 Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt
worden? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.
Marc. 9:50 Zout is goed! Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zullen jullie het zijn kracht dan teruggeven? Zorg
dat jullie het zout in jezelf niet verliezen en bewaar onder elkaar de vrede.’
13. En toch, Mijn discipelen! hoeveel hards u in de wereld wacht (vs.11), gij moogt u niet terugtrekken van de wereld, gij hebt integendeel de roeping om midden in haar te leven, want gij zijt het zout der aarde, gij zijt bestemd, om de reeds beginnende verrotting van de oude wereld te weren, en aan deze een nieuwe gezondheid te geven (Lev. 2:13; 2 Kon. 2:19vv.).
Indien nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden, hoe zal het weer zijn kracht verkrijgen om aan zijn
bestemming te voldoen? Dat was een schade voor de wereld, maar ook voor het zout zelf, want het deugt dan nergens meer toe,
zelfs niet zoals andere bedorven dingen, tot bemesting, tot niets, dan om buiten op de weg geworpen, en door de mensen
vertreden te worden (Marc. 9:50; uk. 4:34vv.).
Wij moeten een geestelijke smaak in de wereld brengen.
Wat de Heer bedoelde
Hoe gering, hoe onbeduidend gij ook in de ogen van de wereld moogt zijn, gij zijt toch de hoofdpersonen in de wereld; er is toch aan geen mens zoveel gelegen als aan u; de mensheid heeft toch aan geen mens te danken, wat zij eens u zal te danken hebben. Maar bedenkt, wat gezegd is en waakt! Wanneer gij uw verheven bestemming ontrouw werdt, wanneer gij werd, zoals zij allen zijn, wanneer gij de Geest in u uitbluste en in de alles verdervende aardse zin intrad, dan was gij het nietswaardigste van alles, wat op aarde is. Het zout is toch iets kostelijks, het is onontbeerlijk en onschatbaar; wanneer het echter smakeloos wordt, wanneer het zijn kracht, zijn scherpheid, zijn eigenaardige zout-natuur verliest, waarmee zal men het en andere dingen, die het nodig hebben, zouten? Wanneer andere dingen de smaak verliezen of geen smaak bezitten, zo verkrijgen zij door het zout smaak en scherpte, wanneer echter het zout zelf smakeloos wordt, waarmee zal men het weer zouten? Kan men het ook met een ander zout weer zout maken?
Zolang het zelf zout was en andere dingen zoutte, was het onontbeerlijk en onschatbaar, nu is het het onnuttigste en nietswaardigste van alles. Het deugt niet voor de mesthoop, waartoe men toch andere bedorvene dingen kan gebruiken, het is tot niets nut, dan dat men het wegwerpe en het van de mensen laat vertreden. Zo was het met de Joden; zij waren, zolang zij alleen de kennis van de levende en ware God en Zijn wet en belofte hadden, in zekere zin het zout der aarde. Toen zij echter een zouteloos zout gelijk werden, geen verbetering van hen tot andere mensen kon uitgaan, toen werd wat nog goed was, in de gemeente van God opgenomen, en al het overige buiten geworpen, onder de volken verstrooid, zoals een bedorven zout wordt weggeworpen, opdat het vertrede, wie voorbijgaat.
Waarschuwing:
“Neem niet de gewoonten over van het volk dat ik voor jullie verdrijf. Zij hebben al deze dingen gedaan, en daarom heb ik een afkeer van hen gekregen.” (Lev. 20:23)
Opdracht van de Bijbel vooral voor jonge mensen:
“Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid. In afwachting van mijn komst moet je je toeleggen op het voorlezen uit de Schrift, op de prediking en het onderricht.” (1 Tim. 4:12,13)
Zó moeten wij het zout zijn in een verloren wereld. Wij moeten de smaak van de Here Jezus brengen. Zijn reiniging. Duidelijk maken, dat Hij alleen kan zorgen dat ons leven niet bederft.