Uit het familiealbum van de Here Jezus

De schrijver: Mattheüs

Mattheüs - andere naam: Levi.

Wij leren hem kennen als tollenaar in Kapernaüm. Zal zeker een door de Joden gehate man zijn geweest. Toen hij de Here Jezus leerde kennen, nodigde hij veel mensen in zijn huis aan de maaltijd, zodat de mensen de Here Jezus beter konden leren kennen.
 

Zijn boodschap: Jezus is de komende Messias-Koning

Vanaf Mattheüs 1:23 horen wij hoe dit evangelie duidelijk maakt, dat Jezus de komende Messias-Koning is. 
Hierbij hoort de uitdrukking: koninkrijk der hemelen (vgl. Daniël 7). Hierbij hoort de bijzondere uitspraak van Petrus: Mattheüs 16:16-19.
 

Viervoudige bekendmaking van de Hoofdpersoon

1. Zijn Naam: Jezus, de vertaling van het Griekse woord ièsous, dat weer de vertaling is van het Hebreeuwse woord jeshoea. Dit woord betekent: De HEER is redding. de betekenis hiervan is: de Heer is je Redder, De Heer wil je Redder zijn, de Heer wil je redden. Deze redding is niet de redding van een of andere nare ziekte of ongeval, maar van de eeuwige verlorenheid.

2. Zijn functie-betekenis: „Christus”. Dit is de vertaling van het Griekse woord dat „Gezalfde” betekent. Het is de vertaling van het Hebreeuwse woord masjiach, dat wij kennen als „Messias”. Dit betekent, dat Hij Jesaja 53 zal vervullen.

3. Het bewijs dat Hij de Messias kan zijn: Hij is de Zoon van David. Hij is degene die het koningschap dat aan David beloofd was, in ere herstelt (2 Samuel 7:12,13).
„Groot is zijn heerschappij, aan de vrede zal geen einde komen. Davids troon en rijk zijn erop gebouwd, ze staan vast, in recht en gerechtigheid, van nu tot in eeuwigheid. Daarvoor zal hij zich beijveren, de HEER van de hemelse machten.” (Jesaja 9:7 in NBG: vers 6)

4. Het bewijs dat Hij niet alleen Messias voor Israël zal zijn, maar voor alle volken: Hij is de Zoon van Abraham. Jezus brengt de zegen die God via Abraham beloofd had aan de mensen: Genesis 12:3. „Met u zullen alle volken op aarde gezegend worden.”
 

De noodzaak van een geslachtsregister

Hoewel veel christenen menen, dat de vaak lange geslachtsregisters in de Bijbel min of meer overbodig zijn, is dit beslist niet het geval. Zij waren nodig om te kunnen aantonen, dat men niet tot één van de hierna genoemde groepen behoorde.

Er waren in Israël mensen, die niet binnen de geloofsgemeenschap met andere Joden in het huwelijk mochten treden. Ze mochten wel met heidenen trouwen en met mensen uit hun eigen groep. Hierbij moeten wij denken aan de volgende groepen:

1. De bastaards (mamzerim). Dat zijn de mensen die door overspel of incest verwekt zijn.

2. Zij, die weliswaar een Joodse moeder hadden, maar niet konden bewijzen wie hun vader was en dus onwettige kinderen konden zijn. Als de vader onbekend is, zou hij dus ook door overspel of incest verwekt kunnen zijn.

3. Vondelingen, die eveneens onwettig konden zijn, omdat nu beide ouders onbekend waren. Als wij alleen even denken aan de moeder, dan was het door het niet weten wie de moeder was, al mogelijk, dat het kind geboren was uit een heidense moeder en dus zelf ook een heiden was. Ook nu kon er van incest sprake zijn.

Joden moesten dus altijd kunnen bewijzen, dat zij niet tot de geestelijk onreinen behoorden en dat zij volledig acceptabel waren binnen de Joodse geloofsgemeenschap. Omdat zo’n bewijs voor alle Joden nodig was, was het zeker ook nodig voor de Messias. Hij moest zeker kunnen bewijzen, dat Hij niet ergens een overspelige relatie in Zijn voorgeslacht had.

Daarom was Melchizedek zo’n bijzonder figuur: er was geen geslachtsregister van hem bekend. Het was niet eens bekend wie zijn vader en moeder waren. Toch werd hij erkend als priester van de Allerhoogste.
 

Twee geslachtsregisters

De beide evangelisten, Mattheüs en Lucas, geven allebei een ander geslachtsregister. Aangenomen wordt, dat Mattheüs het geslachtsregister geeft van Jozef en dat Lucas het geslachtsregister geeft van Maria. Dat verklaart dan het feit, dat de beide geslachtsregisters niet gelijkluidend zijn.

Mattheüs heeft zijn evangelie geschreven voor de Joden om duidelijk te maken, dat Jezus de Joodse Messias, de Koning der Joden is. Daarom vertelt hij als enige, dat de wijzen uit het Oosten kwamen om de Koning der Joden te zoeken.

In zijn geslachtsregister laat hij daarom zien, dat Jezus een directe nakomeling is van David en Abraham. Als directe nakomeling van Abraham via Izaak en Jacob, behoort Hij volledig bij het volk van God. Zoals Abraham eens direct door God werd uitgekozen en aangewezen om een bijzondere plaats in de heilsgeschiedenis in te nemen, zo heeft ook de Here Jezus een bijzondere plaats in de heilsgeschiedenis ingenomen. Ja, Hij is Degene om Wie het ging toen er sprake was van het “zaad van Abraham”. (Genesis 13:15) “Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: en aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkelvoud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Chris­tus.” (Galaten 3:16)

Als directe nakomeling van David via Salomo en de andere genoemde koningen, maakt Hij aanspraak op de troon van David, zoals de engel ook tegen Maria gezegd heeft (Lucas 1:32,33). Eén van de titels van de Messias is ook: “Zoon van David”. (Handelingen 13:23) Zoals David door God Zelf tot zijn taak als Herder-Koning van Israël geroepen werd, zo is ook Messias Jezus tot deze taak door God Zelf geroepen.

Lucas heeft zijn evangelie echter voor de Grieken geschreven. Je kunt ook zeggen, dat hij zijn evangelie voor de mensen van de wereld geschreven heeft. In zijn evangelie laat hij zien, dat Jezus de Heiland voor de gehele wereld is. Dat maakt hij o.a. duidelijk door erop te wijzen, dat het geslachtsregister van de Here Jezus helemaal terug gaat tot Adam. Hierbij noemt hij Adam de zoon van God. Zo laat hij zien, dat de Here Jezus zowel de laatste Adam alsook de grote Zoon van God is. Hij is Zoon van God en Zoon des mensen.

Hij is de zoon van Adam en kwam als Redder voor alle mensen! Nu wordt Hij in de geboortegeschiedenis niet „de Koning van de Joden” genoemd, zoals de wijzen in het Mattheüs evangelie deden; nu wordt Hij „de Heiland” genoemd (zie Lucas 2:10,11).
 

Opmerkelijke feiten

Mattheüs: Jezus is de Zoon van Maria, David (en Abraham).
Lucas: Jezus is de zoon van Jozef, enz.

Terwijl bij Mattheüs de nadruk valt op Jezus als zoon van David, ligt bij Lucas de nadruk op het feit, dat Hij de zoon van Jozef was. Deze beide feiten tonen ons iets van de wijze waarop de Joden de Messias verwachtten:

Messias als zoon van Jozef, om te lijden en te sterven.
Messias als zoon van David, om als Koning te regeren.

Bij de Here Jezus zien wij beide.

Dit valt ook op bij de leeftijd die Lucas in zijn evangelie noemt. Als het gaat om de leeftijd van dertig jaar, die Lucas noemt, staat de Here Jezus daarmee in de lijn van enkele grote personen uit het Oude Testament. Op die leeftijd begon Jozef zijn werk als onderkoning van Egypte (Genesis 41:46) en werd David tot koning gezalfd (2 Samuel 5:4). Zo worden de twee grote “typen” van de Messias uit het Oude Testament (Jozef en David) aan Jezus verbonden. Voor de Joden zou de Messias komen als de grote Zoon van Jozef om net als Jozef door het lijden heen Zijn volk te verlossen. Ook zou Hij komen als de grote Zoon van David, die met grote heerschappij zou regeren.

Nog iets opmerkelijks is het gebruik van het getal 7. Mattheüs maakt duidelijk, dat er vanaf Abraham tot Jezus sprake is van 3x14 (= 6x7) geslachten. Opmerkelijk is, dat in de laatste groep de Here Jezus Zelf de laatste is. Jozef is de 12e, Maria de 13e en Jezus de 14e van die telling.

Enkele koningen noemt hij niet. Deze koningen hebben iets bijzonders gemeen. Zij zijn allen als straf op hun afgodendienst door de vloek van God getroffen:

Ahazia (1 Kronieken 3:11; 2 Kronieken 22:7-9),
Joas (1 Kronieken 3:11; 2 Kronieken 24:22-25),
Amazia (1 Kronieken 3:12; 2 Kronieken 25:14-16,27,28).
 

De zoon van...

In het geslachtsregister van Mattheüs wordt de Here Jezus zowel de „Zoon van David” alsook de „Zoon van Abraham” genoemd. In het geslachtsregister in het evangelie van Lucas komen wij de uitdrukking „de zoon van” doorlopend tegen. De woorden „de zoon van” hebben drie betekenissen in de Bijbel:

I. Het heeft dezelfde betekenis als bij ons. Iemand is de directe zoon van degene die genoemd wordt. Het gaat dan dus over de lijfelijke zoon.

II. Het kan ook „nakomeling” betekenen. Het is dan niet de directe zoon, maar het kan ook de kleinzoon zijn of een afstammeling veel verder in de lijn der geslachten: achterkleinkind, achter achterkleinkind, enz.

III. Het kan ook betekenen, dat iemand bepaalde kenmerken, karakteristieken heeft van een ander “ergens” uit het voorgeslacht. Zo wordt in het geslachtsregister van Mattheüs gezegd, dat bepaalde eigenschappen die kenmerkend waren voor Abraham en voor David later ook gevonden werden bij de Here Jezus. Zo is Hij de Zoon van David en van Abraham.

Wie dit weet, zal niet zo snel zeggen, dat er fouten in de (geslachtsregisters van de) Bijbel staan!
 

Enkele bijzondere vrouwen

In het geslachtsregister van de Here Jezus dat Mattheüs ons geeft, worden enkele bijzondere vrouwen genoemd. Nu is het al opmerkelijk dat vrouwen genoemd worden, maar de namen van deze vrouwen zijn helemaal opmerkelijk. Het zijn Tamar, Rachab, Ruth en de vrouw van Uria: Bathseba.

Het valt op, dat verschillende zeer belangrijke vrouwen hier niet genoemd worden: Sara, Rebekka, Lea en Rachel.

Wat is de overeenkomst tussen deze vier vrouwen? Voor velen is dat, dat zij met hoererij of overspel te maken zouden hebben. Er wordt dan gewezen op het feit, dat in het geslachtsregister van de Here Jezus de nodige grove zondaars (zondaressen) zouden voorkomen, die tezamen duidelijk maakten, hoe nodig Hij was als Redder uit de zondige verlorenheid.

Maar... de overeenkomst tussen deze vrouwen is geen overspel of hoererij. De overeenkomst is - ook al klinkt dit voor veel mensen veel minder heftig - dat zij alle vier te maken hadden met het heidendom. Vanuit de wereld van het heidendom waren zij in de geloofsgemeenschap van Israël binnengekomen. Zo laten zij hier zien, dat Jezus de Messias de Heiland wil zijn niet alleen voor mensen, die direct van Abraham afstamden, maar ook voor mensen, die vanuit het heidendom zich bekeerd hadden tot de God en het volk van Israël. Denk hierbij aan de prachtige uitspraak van Ruth: “Dring er bij mij niet op aan, dat ik u in de steek zou laten, door van u terug te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.” (Ruth 1:16)

Er is iets heel bijzonders met deze vrouwen aan de hand. Zij spelen allen - ook al is het ieder op een heel andere manier - een grote en belangrijke rol in de lijn der geslachten om te komen van Abraham tot aan de beloofde Messias.
 

Tamar

Tamar was een Filistijnse vrouw uit de stad Timma. Zij was de schoondochter van Juda. Genesis 38; 49:8-12; 1 Kronieken 2:4.
Tamar was de vrouw van Er, de oudste zoon van Juda en de broer van Ornan. Er was echter een ernstige zondaar en kreeg van God de doodstraf. Hierop zei Juda tot Ornan, de broer van de overledene, dat hij nu met Tamar moest trouwen. Hoewel de wet nog niet gegeven was, kende men al het leviraatshuwelijk. Dit leviraatshuwelijk hield toen in, dat als een man stierf en zijn vrouw had geen kinderen, dat dan zijn vader of broer met de weduwe diende te trouwen en voor nageslacht diende te zorgen, dat gold als zijn eigen nageslacht. Later zou het leviraatshuwelijk in de wet worden opgenomen in Leviticus 25:5. Ornan gehoorzaamde zijn vader, trouwde met Tamar maar weigerde kinderen op naam van zijn broer te verwekken. Ook hij kreeg hierop van God de doodstraf.

Nu diende Juda met de weduwe te trouwen om alsnog kinderen te verwekken op naam van zijn eerste zoon Er. Juda was echter bang, dat als hij met Tamar zou trouwen, hij ook zou sterven. Hij weigerde met haar het leviraatshuwelijk aan te gaan. Wel beloofde hij de weduwe, dat als het volgende kind volwassen geworden was, deze met haar zou trouwen. De jaren verstreken...

De vrouw van Juda overleed. Toen hij nog steeds geen aanstalten maakte om te zorgen voor kinderen op naam van zijn overleden zoon Er, besloot Tamar zelf tot daden over te gaan. Ze verkleedde zich als prostituee en wachtte Juda op. In die tijd was er nog geen wet die seks tussen een ongehuwde man en een vrouw verbood. Door de dood van zijn vrouw, was Juda weer een vrij man. De wet dat er geen prostituee in het land mocht zijn (Deuteronomium 23:18), was ook nog niet gegeven. Zo bestond de wet die een huwelijk met twee zusters verbood (Jacob met Rachel en Lea) ook nog niet.

Hoewel Tamar wel volgens de openbare festiviteiten eerst de vrouw van Er en later de vrouw van Ornan was geworden, hadden beide mannen geweigerd een seksuele relatie met haar aan te gaan, waardoor deze huwelijken voor de Joodse wet geen geldige huwelijken waren. Om die reden kan zelfs gezegd worden, dat Juda nooit officieel haar schoonvader was geworden.

Nu zorgde Tamar er zelf voor, dat de lijn der geslachten niet eindigde met de dood van haar man Er, maar dat deze lijn voortgezet werd en haar kind zo opgenomen was in de lijn naar de komst van de Messias. De rabbijnen vertellen, dat Juda daarna ook gedaan heeft wat hij moest doen: hij is met Tamar getrouwd, zodat de kinderen die geboren werden officieel zijn kinderen waren. De rabbijnen zeggen, dat de eerste, Peres, als zoon van Er gerekend werd en dat de tweede, Zerach, als zoon van Ornan gerekend werd. De lijn naar de Messias liep via de eerste: Peres.

Hoewel velen blijkbaar graag een smet werpen op Tamar, zullen wij daar heel voorzichtig mee moeten zijn. De Bijbel doet dit immers ook niet.
 

Rachab

Rachab was een Kanaänitische vrouw uit Jericho. Jozua 2. Zij wordt zowel een herbergierster als een hoer genoemd, maar dat is niet de reden, dat zij hier genoemd wordt. Toen Rachab uit Jericho gehaald werd en zij gered werd van de ondergang die over Jericho zou komen, bleek, dat een aantal mensen de toevlucht bij Rachab gezocht had. De Bijbel vertelt ons, dat al deze mensen dankzij Rachab gered werden (Jozua 6:22-25). Rachab is overgegaan tot het jodendom. Zij is vanuit het heidendom overgegaan tot het volk van God en is toen opgenomen in de lijn der geslachten van Abraham tot Jezus. Er wordt in de Bijbel ook met grote eerbied en bewondering over haar gesproken. [De rabbijnen vertellen ons zelfs, dat Jozua daarna met haar getrouwd is!] “Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen. (Hebreeën 11:31) “Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof. En is niet evenzo Rachab, de hoer, uit werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers in huis nam en langs een andere weg liet heengaan?” (Jacobus 2:24,25)
 

Ruth

Ruth was een Moabitische. Wij kennen de geschiedenis van de vrouw, die kwam uit het volk, dat voor eeuwig vervloekt was en waarvan nooit iemand in het Joodse volk zou mogen worden opgenomen. “Een Ammoniet of Moabiet zal niet in de gemeente des HEREN komen; zelfs hun tiende geslacht zal nimmer in de gemeente des HEREN komen.” (Deuteronomium 23:3) Maar God schonk genade aan Ruth en aanvaardde haar in Zijn volk. Dit moet voor veel Joden in die tijd een onverkwikkelijke aangelegenheid zijn geweest: de voorname Boaz die met een vrouw uit het vervloekte Moab trouwde. Met haar oprech­te bekering bleek er zelfs voor haar een plaats te zijn in de lijn der geslachten van de heilsgeschiedenis naar de komst van de Messias. Temeer daar het Sanhedrid verklaard had, dat de woorden van Deuteronomium 23:3 alleen van toepassing waren op Moabitische mannen en niet op Moabitische vrouwen, omdat ze in de mannelijke vorm geschreven waren!

David als nakomeling van Ruth moet toch blijkbaar ervaren hebben dat verschillende mensen over hem roddelden en zeiden, dat hij geen echte Jood was. Vandaar dat hij later in de Psalmen zingt over zichzelf als een steen die veracht werd, maar door God toch bruikbaar werd gevonden. Dit is een Psalm die daarna profetisch sprak over de komende Messias.
 

Bathseba

Als laatste horen wij over Bathseba. Bathseba wordt hier de vrouw van Uria genoemd en hij was een Hethiet. 2 Samuel 11:26,2­7. De geschiedenis van David en Bathseba is complexer dan wij vaak geneigd zijn om aan te nemen. Bathseba was de vrouw van Uria, maar Uria was naar het slagveld vertrokken. Nu was het de gewoonte in Israël, dat als een man naar het slagveld ging, hij zijn vrouw een “voorwaardelijke echtscheidingsakte” gaf. Deze akte was van een bepaalde datum voorzien. Als regel was dit de datum van een jaar nadat de man naar het slagveld vertrokken was. In deze akte stond, dus op die datum, dat hij scheidde van zijn vrouw en dat zij vrij was om te trouwen met wie zij wilde.

Wat was het nut van zo’n akte? Als de man zijn vrouw niet zo’n akte zou geven en hij zou op het slagveld sneuvelen en er zouden geen twee getuigen zijn, die “thuis” zouden verklaren, dat hij dood was, dan zou de vrouw nooit weduwe zijn en zou zij nooit met een andere man kunnen trouwen, hoe jong ze ook was. Ze bleef dan levenslang onverzorgd achter. Uit liefde voor hun vrouw gaven de mannen die naar het slagveld gingen daarom hun vrouw een dergelijke scheidingsakte.

Bathseba zal zeker ook zo’n akte gehad hebben. Het is zelfs mogelijk, dat de datum van ingaan van de akte al gekomen was. In dat geval zou Bathseba niet meer getrouwd zijn. Maar... Uria leefde nog wel en David was de man die een verkeerde rol vervulde. De Bijbel verklaart in deze zaak ook niet Bathseba schuldig, maar David; schuldig aan moord.
 

Voorouders om trots op te zijn?

Wie het geslachtsregister van de Here Jezus beziet, realiseert zich, dat de Heiland wel in een zondig mensengeslacht binnen gekomen is. Niet voor niets schreef de apostel Paulus in Philippenzen 2, dat de Here Jezus Zich vernederd heeft toen Hij mens werd!
 

Bij Jezus zijn ook de vrouwen belangrijk!

Een hele rij vrouwen, die allemaal iets gemeen hebben. In een tijd waarin mannen de belangrijke plaatsen innamen, worden ineens hun namen genoemd. En in een tijd waarin Israël zich juist van de heidenen afkeerde, valt het licht van de Messias ineens op deze vrouwen. Zo gaat vanuit de kribbe van Bethlehem een bijzondere boodschap klinken: kom allemaal, niet alleen mannen, maar ook vrouwen, niet alleen Joden, maar ook heidenen, kom allemaal bij de Here Jezus. Hij wil de Redder van jullie allen zijn. Deze rij mensen uit de voorgeschiedenis, maken ons duidelijk, dat het zo ook zal zijn na de komst van de Here Jezus: mannen en vrouwen, uit Joden en heidenen mogen allen komen en redding ontvangen van Hem. Zowel de Joodse herders als de heidense wijzen uit het Oosten mogen bij Hem komen.

Jezus kwam als Redder, ook voor vrouwen als Tamar, Rachab, Ruth en Bathseba. Deze vrouwen hebben waarschijnlijk hun leven lang moeten vechten om „erbij te horen”. De Bijbel verklaart echter, dat ze er zo echt bij horen, dat hun namen speciaal genoemd worden.

Ik verbaas mij over het feit, dat er regelmatig boeken geschreven worden - en blijkbaar geschreven moeten worden - om te tonen, dat vrouwen er echt mogen zijn en dat ze een beetje eigenwaarde mogen hebben.

Vrouwen, kom nou toch, laat je door niemand wijs maken dat mannen belangrijker zijn dan vrouwen. De engel Gabriël kwam bij Maria en zei haar, dat zij door God begenadigd was.

„Gabriël ging haar huis binnen en zei: ‘Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.’” (Lucas 1:28)

Canisius: „Wees gegroet, vol van genade. De Heer is met u; gij zijt de gezegende onder de vrouwen.”

GNB: „De engel ging haar huis binnen en zei tegen haar: ‘Ik groet u, u die de gunst van de Heer geniet, de Heer is met u.’”

De engel sprak Maria niet aan alsof zij maar een onbelangrijk meisje was. Hij kwam met grote eerbied voor haar. Zo moeten vrouwen zichzelf ook zien als mensen, die door God tot grote daden gebruikt kunnen worden.
 

„Ons geslachtsregister”

Ook wij moeten “ingeschreven staan”, ingeschreven in het boek des Levens, of zoals de Joden het noemen: Sefer Chajiem, het boek van de levenden! Je moet bij God ingeschreven staan in Zijn boek van de levenden, zodat je mag weten, dat je behoort tot hen die eeuwig leven hebben. “Evenwel, verheugt u niet hierover, dat de geesten zich aan u onderwerpen, maar verheugt u, dat uw namen staan opgetekend in de hemelen.” (Lucas 10:20) De Here Jezus bevestigt hier de leer van de Joden, dat de namen in de hemel opgeschreven zijn van hen, die vergeving van hun zonden ontvangen hebben. Op grote verzoendag bidden zij, dat de bidders verzegeld worden in het boek des levens. Dat betekent: dat hun namen onuitwisbaar in het boek der levenden staan ingeschreven. Zij, die de Here Jezus aanvaard hebben (Johannes 1:12) en dus ook wedergeboren zijn (Johannes 3:3) moeten weten, dat hun namen onuitwisbaar geschreven zijn in het boek der levenden. Dit is op grond van de grootste grote verzoendag die er ooit geweest is, namelijk toen de Here Jezus als het Lam Gods de zonde der wereld wegnam (Johannes 1:29).