“Hoe zoet zijn uw woorden voor mijn gehemelte, zoeter dan honing
voor mijn mond.” (Psalms 119:103)
“Het ontzag voor de HEER is zuiver, houdt stand, voor altijd.
De voorschriften van de HEER zijn waarachtig, rechtvaardig, geheel en al.
Ze zijn begeerlijker dan goud, dan fijn goud in overvloed,
en zoeter dan honing, dan honing vers uit de raat.” (Psalm 19:9,10)
“Uw woord is een lamp voor mijn voet, een licht op mijn pad.” (Psalm 119:105)
Hier hebben wij enkele bijzondere beelden van David over het Woord van God.
1. Lamp die licht geeft. - Maar je moet hem aansteken!
2. Honing die zoet is. - Je moet het proeven!
3. Waardevol als goud. - Je moet het gebruiken!
“Hoe”
Hebreeuws: mah of meh. Het is niet hetzelfde als onze vraag die met hoe begint. Ons “hoe” is een vraag, waarop een antwoord gegeven dient te worden. In het Hebreeuws kan het een kreet zijn, in de zin van: Kijk nou eens. Het is een uitroep. Dat is het ook hier.
Zoet
Hebreeuws: malats. Het betekent: glad zijn, aangenaam zijn, plezierig zijn. Zo komen wij het bij ons tegen als smakelijk, dat is zoet.
Woorden
Hebreeuws: imrah of emrah. Het betekent: een woord, een toespraak, een uitspraak, een opdracht of bevel. Zo wordt het gebruikt voor het Woord van God.
Gehemelte
Hebreeuws: chek. Het betekent: dat waarmee je proeft, dat waarmee je smaak herkent. Zo betekent het smaak, gehemelte, mond.
Honing
Hebreeuws: dabash. Het betekent honing, dat in de Bijbel soms ook honig genoemd wordt.
Mond
Hebreeuws: peh. Het betekent gewoon mond van mens en dier,
waarmee je eet, maar ook waarmee je geluid maakt. Het wordt ook gebruikt voor de
opening of de ingang van een bron of een rivier. Je mond is dus gewoon je
opening, waardoor iets naar binnen komt of naar buiten gaat.
In het Grieks heet dit: stoma. U herkent het woord bij mensen die een
kunstmatige uitgang gekregen hebben, een extra opening.
Nogmaals honing
Honing is de zoete stof die bijen uit bloemen en rijpe vruchten halen, die ze vermengen met hun speeksel en in hun cellen of raat bewaren. “Klein is de bij onder de gevleugelde dieren, maar wat ze voortbrengt is het zoetste dat er is.” (Jezus Sirach 11:3) Als de Bijbel spreekt over honing gaat het dan ook bijna altijd over bijenhoning, ook al maakte men zelf ook van vruchten een soort honing. Dit deed men van dadels en van druiven, waardoor men dadelhoning en druivenhoning verkreeg. Sommige uitleggers menen in bepaalde teksten als het over honing gaat, aan deze zelfgemaakte honing gedacht moet worden. Klaarblijkelijk doen ook de vertalers van de NBV dit in dit vers.
In Egypte kende men al de bijenteelt. Wij lezen niet, dat men in Israël eigen bijenkorven met bijen had. De bijen waren in het veld en daar moest je bij hen de honing ophalen. In het veld waren voldoende bloemen die voor de bijen geschikt waren. Wij lezen, dat Johannes de Doper o.a. van honing leefde. Dat betekende, dat hij veel in het open veld moest zijn om honing te zoeken en op te halen. “Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing.” Nu heeft de NBV wel honing en geen vruchtenstroop. “Wilde” honing, is honing uit het bos of van het veld. Men vond de honing van wilde bijen in holle bomen, rotskloven enz. “Hij legde het bergland voor hen open, de oogst van het land viel hun in de schoot. Hij laafde hen met honing uit de rotsen, met olijfolie uit steenharde rots.” (Deuteronomium 32:13; zie ook 1 Samuel 14:25) “Maar Israël zou hij voeden met de edelste tarwe– ja, jou zou ik spijzigen met honing uit de rots.” (Psalm 81:16; zie ook Spreuken 25:16) De latere Essenen deden wel aan bijenteelt.
Honing werd gebruikt, zoals wij suiker gebruiken. Honing werd dus gebruikt bij het klaarmaken van eten en drinken. Het gebakken manna smaakte als lekkernij dat met honing bereid was: “Het volk van Israël noemde het voedsel manna. Het leek op korianderzaad, maar dan wit, en het smaakte als honingkoek.” (Exodus 16:31)
Bij Simson zien wij echter, dat mensen soms ook gewoon een handje honing opaten. “Niet lang daarna maakte hij de reis opnieuw, nu om haar tot vrouw te nemen. Onderweg verliet hij even het pad om naar de dode leeuw te kijken. Daar zag hij dat zich in het kadaver een zwerm bijen had genesteld, en dat er honing in zat. Met zijn blote handen haalde hij de honing eruit, en al etend liep hij terug naar zijn ouders. Hij gaf hun er ook wat van te eten, maar hij zei er niet bij dat hij die honing uit het kadaver van een leeuw had gehaald.” (Richteren 4:8,9)
“... en die stelden op die zevende dag, vlak voor zonsondergang, aan Simson de wedervraag: ‘Wat zou er zoeter zijn dan honing en sterker dan de leeuwenkoning?’ ‘Ja ja, ‘zei Simson. ‘Jullie hebben met mijn vaars geploegd, anders waren jullie er nooit achter gekomen.’” (Richteren 14:18)
Bij de geschenken die de mensen aan de priesters gaven, behoorde ook honing: “Toen dit woord zich verbreidde, brachten de Israëlieten in grote hoeveelheid de eerstelingen van koren, most, olie, honig en van al wat het veld opleverde, en zij brachten in overvloed de tienden van alles.” (2 Kronieken 31:5 NBG) De NBV noemt “vruchtenstroop” in plaats van honing.
De honing mocht echter niet bij de offers op het altaar gebruikt worden. Leviticus 2:11 zegt: “Geen spijsoffer, dat gij de HERE brengt, zal gezuurd bereid worden, want van zuurdeeg noch honig zult gij iets als een vuuroffer voor de HERE in rook doen opgaan.” (NBG) De NBV heeft het weer over vruchtenstroop. Honing stond in dit opzicht gelijk aan zuurdeeg, omdat hij gisting veroorzaakte bij het verhitten. Gisting werd beschouwd als een teken van een beginnend bederf.
Bijen
Israël wordt in de Bijbel het land genoemd dat “overvloeide van melk en honing”. Het ging hier dus om wilde bijen en wilde honing. Ook de was van bijen wordt in de Bijbel vermeld. De naam Debora was ontleend aan de bij.
“Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren
te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen,
een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de
Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.” (Exodus 3:8)
“Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een
land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten,
de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.’” (Exodus 3:17)
(Zie ook Numeri 16:14; Deuteronomium 6:3)
Parallellisme
In de Hebreeuwse dichtkunst wordt niet gewerkt met woorden die
op elkaar rijmen, zoals wij dit doen, maar met parallellen. Zo zien wij dat
bijvoorbeeld in de Psalmen in elk vers de tweede regel iets zegt in verband met
de eerste regel. Hij kan met andere woorden de eerste regel bevestigen, hij kan
het tegenovergestelde vertellen en hij kan de eerste regel verder uitleggen.
Hier hebben wij ook dit parallelisme. U ziet het als volgt:
“Hoe:
| zoet | zijn uw | woorden | voor mijn | gehemelte, |
| zoeter | dan | honing | voor mijn | mond.” |
Zoet en zoeter horen bij elkaar, woorden en honing eveneens en zo ook gehemelte
en mond.
Het gaat om het volgende:
| 1. | Gods Woord |
| 2. | Het is zoet als honing |
| 3. | Het moet door mijn opening bij mij naar binnen |
Zoet
Ps 119:103 Hoe zoet zijn uw woorden voor mijn gehemelte,
zoeter dan honing voor mijn mond.
Wat bedoelde David
| 1. | Hij at als het ware het woord van God op en hij genoot
ervan. De geestelijke smaak van het Woord van God was niet zuur of
bitter, maar heerlijk zoet. Hij nam Gods Woord in zich op en maakte het
een deel van zichzelf. Hierdoor genoot hij van de studie van de woorden
van God. |
| 2. | Hij werd er geestelijk door verzadigd. Het deed hem
goed. Hij knapte er van op en werd er door versterkt. |
| 3. | Het betekende iets bijzonders voor zijn hart. Hij werd
door Gods Woord gestuurd om op een bijzondere manier te denken. Hij ging
geestelijk denken over God, over andere mensen en over zichzelf. |
| 4. | Het betekende iets bijzonders voor zijn verstand. Hij
kreeg meer inzicht in de bedoeling van de toenmalige Bijbel, de wet, de Torah, en hij kreeg daardoor
een beter beeld van de mensen en de wereld om hem heen. Hij ging dingen
begrijpen, die hij eerst niet kon begrijpen. Zijn verstand werd groter. |
| 5. | Het betekende ook iets bijzonders voor zijn
levenswandel. Hij kreeg meer en meer inzicht in wat goed en wat kwaad
was. Wat goed en kwaad was hoefde hij niet steeds aan de profeten te
vragen. Hij wist zelf wat God goed of verkeerd noemde. Hiernaar ging hij
leven, anders leven, geestelijker leven. |
| 6. | Het betekende ook iets voor zijn karakter en zijn ziel. Er kwam meer vreugde in zijn hart. Het zoete in de Bijbel spreekt niet alleen van honing, maar ook van wijn, zoete wijn. |
Wij zien dat laatste ook terug in de Griekse taal. Zoet is in het Grieks: glukus en zoete nieuwe wijn is gleukos. Hier herkent u weer het woord glucose in. Dit woord wordt in de medische wereld gebruikt.
Het Woord van God is voedsel voor je ziel
| 1. | Het Woord van God wordt - zoals wij zagen -
vergeleken met honing. Het geeft je kracht. |
| “Op een gegeven moment kwamen ze in een dichtbegroeid gebied waar veel
bijennesten waren, die dropen van de honing. Maar zelfs toen waagde niemand het
zijn hand uit te steken om uit die nesten, die werkelijk boordevol honing zaten,
iets te eten te halen, zo bang waren ze voor de vervloeking. Jonatan had echter
niet gehoord dat zijn vader de soldaten een eed had opgelegd. Hij doopte de punt
van zijn stok in een honingraat en bracht de honing naar zijn mond. Meteen
stonden zijn ogen weer helder.” (1 Samuel 14:25-27) |
|
| 2. | Het Woord van God wordt vergeleken met
melk. “Verlang als pasgeboren zuigelingen naar de zuivere melk van het
woord, opdat u daardoor groeit en uw redding bereikt.” (1 Petrus 2:2)De noodzakelijkheid van geestelijke groei (1
Petrus 2:1-10). |
| a. | die van het pasgeboren kind (1 Petrus 2:1-3), |
| b. | een geestelijk huis (1 Petrus 2:4-5), |
| c. | een koninklijk priesterdom (1 Petrus 2:8-9) |
| d. | en een heilig volk (1 Petrus 2:9-10). |