Pinksteren kennen wij vanuit de Bijbel als een feest voor het Joodse volk, waarop in de tijd van de apostelen de Heilige Geest van God kwam op de nieuwe gelovigen. De komst van de Heilige Geest betekende, dat de Geest mensen liet zien en overtuigde wie en hoe ze werkelijk waren - bezien vanuit Gods oog. Deze gedachten zijn daarna in de Bijbel opgenomen en zij tonen ons drie groepen mensen.
De Bijbel is als een spiegel waarin je jezelf ziet, zoals je werkelijk bent. In
een gewone spiegel zie je de buitenkant, in de Bijbel zie je je ziel, je hart,
je karakter, je neigingen ten goede en je neigingen ten kwade, je goede
voornemens en je verkeerde verlangens, je hartstochten en je verlangens om God
te dienen en heilig en rein te zijn voor Zijn aangezicht. De Bijbel als spiegel
maakt
openbaar hoe het eruit ziet in je hart.
God heeft door middel van de Heilige Geest in de brieven van de apostel Paulus
duidelijk gemaakt hoe wij er in de spiegel van God uit kunnen zien. Het blijkt
dat de mensheid in drie groepen ingedeeld kan worden en dat ieder mens zich in
één van die drie groepen bevindt. Ook blijkt, dat elke groep zich op een bepaald
niveau bevindt. De ene groep bevindt zich op het laagste
| Op het laagste niveau hebben wij de natuurlijke mens. Bij deze mens wordt het Griekse woord voor ‘ziel’ gebruikt: | |
| psuchikos. Het woord dat u terugvindt in het woord psychologie: de kennis van de ziel. | |
| Op het middelste niveau bevindt zich de vleselijke mens. Hier wordt het Griekse woord voor ‘vlees’ gebruikt. | |
| Op het hoogste niveau hebben wij de geestelijke mens. Hier wordt het Griekse woord voor ‘geest’ en ‘adem’ en | |
| ‘wind’ gebruikt, net zoals bij het Hebreeuwse woord ruach in het Oude Testament. | |
De natuurlijke mens
„Een mens die de Geest niet bezit, aanvaardt niet wat van
de Geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid. Hij kan het ook niet
begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld.” (1 Corinthe 2:14)
NBG: Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest
Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het
slechts geestelijk te beoordelen is.
Letterlijk (NB): Maar een mens van nature is niet ontvankelijk
voor alles van de Geest van God; want dat is voor hem dwaasheid, en hij is niet
bij machte het te herkennen, omdat het slechts op de wijze van de Geest
doorgrond wordt.
De Statenvertaling: „Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de
dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze
niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.”
De Canisiusvertaling noemt hem: de verstands-mens.
Het BOEK: „Maar iemand die niet gelovig is (de natuurlijke mens)
heeft geen oog voor wat de Geest van God doet. Voor hem is dat allemaal onzin.
Hij begrijpt er niets van, omdat het alleen geestelijk te doorzien is.”
Kenmerk van deze mens (Grieks: psuchikos): de ziel van hem zelf, zijn eigen
ziel. Deze mens is een ‘psychisch mens’, een ‘ziele-mens’, wat hier door
‘natuurlijke mens’ is vertaald. Wat wordt onder ‘psyche’ verstaan?
| 1. | Het beginsel van dierlijk leven, dat de mensen met de dieren gemeenschappelijk hebben. |
| 2. | De zintuiglijke natuur met zijn onderwerping aan eetlust en hartstocht. |
Het staat in contrast met wat daarna van de geestelijke mens verteld wordt.
„Maar u leeft niet zo. U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God
woont in u. Iemand die zich niet laat leiden door de Geest van Christus behoort
Christus ook niet toe.” (Romeinen 8:9)
NBG: „Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien
de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft,
die behoort Hem niet toe.”
Letterlijk: „Als iemand Christus’ Geest niet heeft, die is niet van hem.”
De natuurlijke mens:
1. Heeft de Heilige Geest niet en
2. Hoort niet bij de Here Jezus.
Conclusie:
3. Hij is een ongelovige. Hij is geen kind van God. Hij is niet wedergeboren.
Hij heeft geen eeuwig leven.
Enkele Bijbelse kenmerken van de natuurlijke mens / de ongelovige:
| 1. | Hij kent God niet eens. „Toen u God nog niet kende, was u onderworpen aan goden die helemaal geen goden zijn.” (Galaten 4:8) |
| 2. | Hij zoekt God ook niet. „...er is geen mens die God zoekt.” (Romeinen 3:11) |
| 3. | Hij kan niet begrijpen wat met God te maken heeft. „Een mens die de Geest niet bezit, aanvaardt niet wat van de Geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid. Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld.” (1 Corinthe 2:14) |
| 4. | Hij is een vijand van God. „Werden we in de tijd dat we nog Gods vijanden waren al met hem verzoend door de dood van zijn Zoon, des te zekerder is het dat wij, nu we met hem zijn verzoend, worden gered door diens leven.” (Romeinen 5:10) |
| 5. | Hij komt in het oordeel van God en wordt dan veroordeeld. „...wanneer Jezus, de Heer, vanuit de hemel verschijnt. Dan komt hij in een vlammend vuur en omringd door engelen, door wie hij zijn macht manifesteert; dan straft hij hen die God niet erkennen en het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen. Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit.” (2 Thessalonicenzen 1:7-9) |
De natuurlijke mens leeft voor zichzelf en waarschijnlijk ook voor zijn
omgeving. Er wordt hem geleerd dat hij een goed gevoel van en over zichzelf moet
hebben, dat hij moet opkomen voor zichzelf en dat hij alles uit het leven moet
halen wat erin zit. Hij leeft maar één keer en moet daarom met volle teugen van
dit leven genieten - op zoveel mogelijk terreinen.
Hij mag leven volgens zijn eigen normen en waarden en wordt verder geacht zich
te houden aan de wetten van de staat. Vinden de vrouwen dat zij baas in eigen
buik zijn - zoals enkele jaren geleden de slogan was - dan hebben ze volgens
deze normen helemaal gelijk. Willen ze een abortus, dan mag niemand hen
tegenhouden. Zijn ze ernstig ziek, is er geen genezing mogelijk en hebben ze te
maken met een ernstig lijden, dan mogen ze hun leven laten beëindigen. Zijn ze
ouder dan 70 en vinden ze dat hun leven voltooid is, dan moet het mogelijk
worden, dat ze zelf op een waardige wijze een eind aan hun leven kunnen maken.
Deze mens weet niet eens dat hij leeft volgens de normen en waarden van satan.
Hij weet niet eens dat satan de koning van zijn hart is en dat de geest die in
hem werkzaam is, de geest van de duivel is. Hij kent misschien satan niet eens -
ook al zijn er mensen die satan wel degelijk kennen.
Als je als christen naar deze mens kijkt, heb je medelijden met hem. Je ziet een
mens die op het laagste niveau van het leven zijn weg gaat. Je ziet een mens die
in duisternis leeft en in duisternis de eeuwigheid zal doorbrengen. Je ziet een
mens die het eigendom van de duivel is en de eeuwigheid met diezelfde duivel zal
doorbrengen.
De vleselijke mens
1 Maar, broeders en zusters, ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke
mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het
geloof in Christus.
2 Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe. En ook nu
nog niet,
3 want u bent nog gebonden aan de wereld. Wanneer u afgunstig en verdeeld bent,
dan bent u toch gebonden aan de wereld, dan leeft u toch als ieder ander?
4 Wanneer de een zegt: ‘Ik ben van Paulus, ‘en een ander: ‘Ik van Apollos, ‘bent
u dan niet als alle andere mensen?’
(1 Corinthe 3:1-4)
NBG:
1 En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar
slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus.
2 Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet
verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu nog niet,
3 want gij zijt nog vleselijk. Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij
dan niet vleselijk, en leeft gij niet als onveranderde mensen?
4 Want wanneer de een zegt: Ik ben van Paulus; en de ander: Ik van Apollos; zijt
gij dan niet onveranderde mensen?
Het BOEK: 1 Broeders, toen ik bij u was, kon ik u nog niet toespreken als
geestelijke mensen. U leidde uw eigen leven en deed uw eigen zin. Uw verhouding
met Christus was nog zó pril dat ik u alleen maar melk kon geven.
2 Vast voedsel was te zwaar voor u en dat is helaas nog steeds het geval. Ook nu
nog wordt u door uw eigen verlangens beheerst.
3 Want als u jaloers bent en elkaar niet kunt verdragen, wordt u blijkbaar nog
door uw eigen verlangens beheerst. Dan bent u net als de ongelovige mensen.
4 Als de een zegt bij Paulus te horen en de ander bij Apollos, is dat erg
menselijk geredeneerd.
Dit natuurlijke is de weergave van het Griekse woord sarkikos. Dit woord
verwijst naar vlees en naar de natuur van alles wat vleselijk is. Deze mens
wordt beheerst door zijn dierlijke begeerten en hartstochten. In zijn leven zit
hij zelf als een beest op de troon van zijn leven. Hij leeft alsof hij zijn
dierlijke instincten moet volgen.
De vleselijke mens
1. Is een christen, een wedergeboren mens.
2. Hij leeft als een mens van de wereld - net zoals de ongelovigen leven.
3. Hij heeft nog steeds een sterke binding met de wereld.
4. Hij wordt geleid en bestuurd door zijn eigen vlees, dat is door zijn eigen
verlangens en hartstochten.
5. Hij heeft niet het verlangen om voor de Here Jezus te leven en de wil van God
te doen, hij wil doen wat hij zelf wil.
6. Je kunt aan zijn levenswandel niet merken dat hij een kind van God is.
De vleselijke mens verkeert in twee werelden:
| a. | Met zijn ene been staat hij in het koninkrijk van God, en behoort hij bij het licht. Hij is immers een christen! Hij is een gelovige. Hij heeft eens de Here Jezus aanvaard als zijn Redder. Hij heeft zelfs de Heilige Geest ontvangen. Hij doet de Heilige Geest echter doorlopend verdriet. |
| b. | Met zijn andere been staat hij in het rijk van satan en leeft hij in de duisternis. |
De ene keer lijkt het alsof hij echt de Here Jezus wil volgen en dienen, de
andere keer merk je daar niets meer van.
Het verdrietige is, dat bij deze mens soms ook het been van de wereld met een
vroom sausje overgoten wordt. Het gaat niet om de levenswandel met God, het gaat
niet om het dienen van God, nee het gaat om bevrediging van de eigen verlangens.
Het gaat om opsmuk en show.
Denk aan de Amerikaanse prediker Benny Hinn die eens riep: ‘Vroeger predikten ze
dat we eens over de straten van goud zullen lopen. Ik heb daarboven geen goud
nodig. Ik wil het hier en nu.’
Met de Bijbel heeft deze boodschap weinig meer te maken. Welvaartspredikers hoor
je nooit praten over zelfverloochening en kruisdragen, waar Jezus veelvuldig
over sprak. Hun bood-schap lijkt eerder geïnspireerd door de bezits- en
machtsdrang van deze wereld dan door het evangelie.
Ze spreken veel en vlot over de Heilige Geest, maar de vrucht van de Geest
waarover Galaten 5:22 spreekt, is bij hen vaak niet te vinden.
Het is niet voor niets dat de apostel Paulus de vleselijke mens beschrijft in de
verzen die hieraan vooraf gaan: „Het is bekend wat onze eigen wil allemaal
teweegbrengt: ontucht, zedeloosheid en losbandigheid, afgoderij en toverij,
vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit,
afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen. Ik herhaal de
waarschuwing die ik u al eerder gaf: wie zich aan deze dingen overgeven, zullen
geen deel hebben aan het koninkrijk van God.” (Galaten 5:19-21)
Let er ook op, dat er bij de geestelijke mens gesproken wordt over vrucht (in
Galaten 5:22). Het maakt duidelijk dat het groeit in zijn leven en dat dit komt
door zijn verbondenheid aan zijn Heer. Bij de vleselijke mens wordt gesproken
over zijn daden. Het zijn ‘werken van het vlees’ zoals de NBG ze noemt.
Johannes heeft dit als volgt onder woorden gebracht in zijn brief:
„Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft,
is de liefde van de Vader niet in hem, want alles wat in de wereld
is-zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid, pronkzucht-, dat alles komt
niet uit de Vader voort maar uit de wereld.” (1 Johannes 2:15,16)
Het is een opmerkelijk maar bedroevend verschijnsel, dat mensen die zich
uiterlijk voordoen als zeer vrome christenen, nogal eens door de mand vallen
vanwege een vleselijke levenswandel!
De geestelijke mens
„Maar een mens die de Geest wel bezit, kan alles beoordelen, en zelf
wordt hij
door niemand beoordeeld.” (1 Corinthe 2:15)
NBG: „Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij
door niemand beoordeeld.”
NB: „Wie echter door de Geest verlicht wordt doorgrondt wel alle dingen, maar
zelf wordt hij door niemand doorgrond.”
Het BOEK: „Met de geestelijke mens is het anders. Die kan alles doorzien, maar
kan zelf op zijn beurt niet door de natuurlijke mensen doorzien worden.”
Kenmerk van deze mens: pneumatikos, Geest.
Dit betekent dat hij in zijn geest
| 1. | verbonden is aan God en dienst doet als een instrument in de hand van God. |
| 2. | Met zijn geest verbonden is met de Geest van God. Ja, dat hij vervuld is met de Heilige Geest, en geleid en bestuurd wordt door de Geest van God. |
De geestelijke mens
| 1. | Heeft de Heilige Geest als onderpand van God gekregen. |
| 2. | Wordt door de Heilige Geest verlicht. |
| 3. | Heeft een diep inzicht in allerlei (geestelijke) zaken. |
| 4. | De ongelovigen begrijpen niets van hem en niets van zijn leven. |
| 1. | „Met Christus ben ik gekruisigd: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.” (Galaten 2:19,20) |
| 2. | „Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedig-heid en zelfbeheersing.” (Galaten 5:22,23) |
| 3. | „Het is mijn stellige hoop en verwachting dat ik mij
nergens voor zal hoeven te schamen, maar dat Christus bij alles wat mij
overkomt in alle openheid geëerd zal worden, of ik nu in leven blijf of
moet sterven. Want voor mij is leven Christus en sterven winst. Als ik blijf leven, kan ik vruchtbaar werk doen, maar toch weet ik niet wat ik moet kiezen. Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; anderzijds is het omwille van u beter dat ik blijf leven.” (Philippenzen 1:20-24) |
| 4. | Hij is geen koning, maar een knecht. Hij is geen heer, maar een slaaf van Jezus Christus. En hij gedraagt zich als een slaaf in absolute gehoorzaamheid aan zijn Meester! |
Deze geestelijke mens staat op het hoogste niveau waarop een mens kan staan. Op dit niveau bevindt hij zich dicht bij zijn hemelse meester. Hij leeft in nauwe verbondenheid met Hem. Hij heeft het oog gericht op de Here Jezus.
Het leven van de geestelijke mens:
„Bedrieg elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt en de
nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van
zijn schepper en zo tot inzicht komt.” (Colossenzen 3:9,10)
NBG: „Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken
afgelegd, en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar
het beeld van zijn Schepper.”
Opmerkelijk beeld: oude mens en nieuwe mens.
Oude mens = ik, zoals ik als gewoon mens ben.
Nieuwe mens = ik, nu de Here Jezus en de Heilige Geest de controle hebben over
mijn denken en mijn doen.
Nieuwe mens = ik, als geestelijk mens.
Oude mens = ik met mijn dierlijke verlangens en hartstochten.
Als de Bijbel bij de mens spreekt over dierlijke hartstochten, dan gaat het over
die hartstochten die een mens tot zonde leiden. Het is natuurlijk niet zo, dat
alle verlangens die een mens heeft terug gebracht moeten worden naar het lage
niveau van het dierlijke.
Liegen/bedriegen- Grieks: pseudomai. Dat is: met opzet onwaarheden vertellen,
waardoor je een ander bedriegt.
En u?
We stonden vandaag voor de spiegel van God. Hebt u meegekeken? Hebt u zichzelf
gezien? Hoe en waar zag u uzelf? Zag u zichzelf als een geestelijk mens op het
hoogste niveau of zag u zichzelf als een vleselijk mens op het middelste niveau?
Of bevindt u zich misschien op het laagste niveau?
Is het nodig dat u van niveau moet veranderen? Bent u van plan dit te gaan doen
en kunt u God beloven dat u het ook echt gaat doen? Niet morgen maar vandaag,
nu?