Jezus is de nieuwe Hogepriester

Hebreeën 4:14 - 7:28

In Hebreeën 2:17 en 3:1 werd de Here Jezus voor het eerst hogepriester genoemd. Vanaf hoofdstuk 4 vers 14 wordt dit thema verder beschreven en uitgewerkt. Het grote verschil met Jezus en alle hogepriesters in de tempel (met uitzondering van Aäron) is, dat alle hogepriesters gekozen werden door de oudsten of het Sanhedrin, terwijl Jezus en Aäron direct door God Zelf gekozen waren. Hiernaar verwijst Hebreeën 5:1. Hebreeën 5:4 wijst erop dat een mens nooit zichzelf kon kiezen om hogepriester te worden. Ook werd hij geen hogepriester omdat hij de oudste zoon van de vorige hogepriester was. Een hogepriester werd steeds uit alle beschikbare priesters gekozen omdat hij de meeste kwaliteiten had om hogepriester te worden. Hij moest een goede reputatie hebben, rijk zijn en strikt volgens de wet leven.

Er zou een aantal taken van de hogepriester uit de tabernakel en tempel genoemd kunnen worden. In de Hebreeënbrief wordt slechts naar het werk van de hogepriester op de jaarlijkse grote verzoendag gekeken.


Eén van de grootste zorgen van de hogepriester was, dat hij ‘ergens’ in woorden, gedachten of daden gezondigd had en daardoor ongeschikt zou zijn om zijn werk voor Gods aangezicht te doen. Als God hem niet waardig zou keuren om voor Zijn aangezicht te staan in het Heilige der Heiligen, liep hij het risico dat hij ter plekke dood zou neervallen. Daarom wordt er van de Here Jezus nu speciaal gezegd, dat Hij niet gezondigd heeft (4:15). Hoewel Hij gewoon mens geworden is, was Hij een mens zonder zonden. (1 Timotheus 2:5)

De mensheid van Jezus wordt beschreven in Hebreeën 5:7,8. Hij heeft huilend gebeden. Dit verwijst niet alleen naar Gethsemané (zie Mattheus 26:36-46), maar ook naar andere gebedsmomenten. Hij was soms met vrees en toch ook met eerbied vervuld. De angsten werkten mee om Hem op het pad van de gehoorzaamheid te houden, zo vertelt de Hebreeënbrief ons hier.

Omdat Jezus een betrouwbare hogepriester is kunnen wij in het gebed tot God naderen en echt contact met Hem hebben.

Zoals het volk voor Gods aangezicht mocht naderen, zo mogen wij zonder angst in ons gebed tot God naderen en voor Zijn aangezicht staan. Zie voor het naderen van het volk in het Oude Testament: Exodus 16:9 NBG; Leviticus 9:5 NBG; Numeri 16:39,40 NBG.

Geen vergeving voor moedwillige zonden (Hebreeën 6:4-6)

Het gaat hier over mensen die echte gelovigen zijn, die wedergeboren zijn en echt kinderen van God zijn. Deze mensen zijn afvallig geworden. Het Griekse woord parapiptoo betekent, dat je afgedwaald bent, dat je van de rechte weg bent afgeweken. Je bent een geestelijke zwerver geworden. Omdat deze mensen deel hebben aan de Heilige Geest, kan niet gezegd worden, dat zij niet wisten dat zij van God afdwaalden. Ze wisten wat zij deden toen zij van de rechte weg afdwaalden. Daarom is er ook voor hen geen vergeving door middel van een offer - dus ook niet door middel van het offer van Christus. Dan zouden ze de Heer namelijk opnieuw kruisigen. Nu hebben zij straf verdiend.

Zij kunnen daarom ook niet opnieuw tot bekering komen. God verhindert dat. Het Griekse woord voor bekering is metanoia. Het is meer dan alleen tot bekering komen. Het betekent letterlijk dat je verandert van gedachten. Deze mensen hebben zichzelf op een dwaalspoor gezet met hun verkeerde denken. Ze kunnen dit dwaalspoor niet meer verlaten.

Zie ook Hebreeën 10:26-31; 13:4 en 1 Corinthe 6:10.

De Hebreeënbrief geeft hierbij een voorbeeld: Hebreeën 6:7-9. Dit zelfde schrijft de apostel Paulus: 1 Corinthe 3:11-16

Zoals Paulus hier schrijft, dat God zowel het goede als het verkeerde van ons ziet en het met ons afrekent, zo schrijft de Hebreeënbrief dit ook. Zie Hebreeën 6:10. God houdt er rekening mee wat deze Messiaanse gelovigen voor andere Messiaanse gelovigen gedaan hebben. Waarschijnlijk worden hier de gelovigen in Jeruzalem bedoeld, van wie we vaker horen dat ze financieel gesteund werden vanuit andere steden en landen (vgl. 2 Corinthe 9:1-15). Zie ook 1 Johannes 5:16,17.

Vervolgens wordt ter sprake gebracht, dat hogepriester Jezus Zijn werk op dezelfde wijze doet als de hogepriesters van tabernakel en tempel. Er waren alleen offers mogelijk voor mensen die onopzettelijk gezondigd hadden. Zie Numeri 15:22-41, eigenlijk ook nog 16:1-50.

Verschil tussen Jezus en Aäron

Hierna wordt het verschil genoemd tussen hogepriester Jezus en de aardse hogepriesters. De laatsten moesten altijd eerst voor zichzelf een offer brengen voordat zij een offer voor anderen konden brengen. Leviticus 16:6. De Hebreeënbrief wijst er nog op, dat de hogepriesters elke dag in de tempel moesten beginnen met een offer voor zichzelf, omdat zij anders hun werk niet konden doen: Hebreeën 7:26-28.

Nu wordt erop gewezen dat Jezus niet gezien kan worden binnen het hogepriesterschap van Aäron - anders gezegd: binnen de priesterschap van de nakomelingen van Aäron. Dat kan niet om verschillende redenen:

1. Jezus kan in Zijn voorgeslacht niet duidelijk maken wie Zijn aardse vader was, noch Zijn grootvader van vaderskant. Hij heeft wat dat betreft geen betrouwbaar geslachtsregister. Hij was immers niet de lijfelijke zoon van Jozef!
2. Jezus is geen nakomeling van Aäron. Hij komt niet uit een priester familie.
3. Jezus is geen nakomeling van Levi, maar van Juda. Hij komt dus uit de koninklijke familie, niet uit een levitische familie.

Jezus is volkomen onaanvaardbaar om zelfs maar als leviet dienst te doen in het aardse heiligdom. Hoe wordt dit opgelost?

Er is nog een man in de Bijbel, die geen nakomeling van Aäron is en zelfs niet van Levi, terwijl hij toch erkend en aanvaard wordt als hogepriester in dienst van God: Melchizedek. Zoals Melchizedek geen nakomeling van Aäron was, hij niet eens zijn ‘papieren kon overleggen’ - wij weten immers zelfs niet eens wie zijn vader en moeder waren - en hij ook nog koning was (en dus een dubbele functie had), zo geldt dit nu ook de Here Jezus.

Om Jezus te kunnen erkennen als hogepriester - wat bij Zijn wederkomst door geheel Israël zal geschieden - zal de wet veranderd moeten worden (Hebreeën 7:12). Trouwens Jezus is hogepriester op grond van een eed van God: Hebreeën 7:28. Terwijl de priesters in tabernakel en tempel slechts hoogstens enkele tientallen jaren dienst deden, omdat allen ten slotte stierven, is dit niet het geval bij Jezus. Hij sterft niet meer en is daarom een eeuwige hogepriester. Hij zal tot in eeuwigheid hogepriester zijn. Hij zal nooit een opvolger hebben.

Teksten over Melchizedek in de Bijbel

Melchizedek is niet een naam, maar een titel. Als je het woord vertaalt betekent het vanuit het Hebreeuws: Mijn koning is rechtvaardig. De Joodse overlevering vertelt niet alleen dat deze koning rechtvaardig was, maar ook dat hij koning was over Tzedek, een bijnaam voor Jeruzalem (Salem), omdat de stad bekend stond om zijn gerechtigheid. Er was in de tijd van deze man al een heiligdom. In de tijd van Salomo zou er de tempel gebouwd worden op Moria.

Voor Melchizedek, zie: Genesis 14:18,20; Psalm 110:1,4; Hebreeën 5:6,10; 6:20; 7:1,6,10,11,15,17

In strijd met de Joods-Bijbelse regels voor een priester, namelijk dat hij een deugdelijk bewijs van zijn voorgeslacht tot Aäron kon tonen( zie Ezra 2:62,63 en Nehemia 11), is ons van Melchizedek niets bekend. Daarom heet het op zijn Joods, dat hij geen vader en moeder heeft. Dat betekent niet dat hij een bovennatuurlijk wezen was, maar dat niet aangetoond is wie zijn vader en moeder waren, terwijl hij in de Bijbel toch erkend worden als een koning-priester van God. Ja, hij krijgt zelfs hoge eer als op zijn waardigheid gewezen wordt. Hij is koning der gerechtigheid. Ook was hij al koning van de stad Salem, het ene deel van de stad die later (met Jebus) Jeruzalem zou heten.

In de Targoem van Jonathan wordt gezegd dat Melchizedek de zoon van Noach was: Sem. Hieronymus zegt echter dat de Joden in zijn tijd zeiden dat Melchizedek de zoon van Sem was. Epiphanius bestrijdt dit en zegt dat de Samaritanen dit meenden.

Zoals Melchizedek geen naam maar een titel was, zo is volgens de rabbijnen Sem ook geen naam, maar een Hebreeuws woord. Het betekent „naam”. Het doet ons al denken aan de wijze waarop Joden vaak spreken over God: „haShem”, „de Naam”. Sem was de man die „de Naam” van God op aarde moest verkondigen. Volgens de rabbijnen is hij de leermeester geweest van Abraham, Izaak en Jacob. Hij vertelde hen hoe het leven op aarde was vóór de zondvloed en hij leerde hen alles over God.

Abraham werd door Melchizedek gezegend (Genesis 14:18-20). Rabbi Yaakov Culi (in Me’am Lo’ez) zegt ook dat Melchizedek de zoon van Noach - Sem - was. Hier had Melchizedek al een heiligdom van God: „Vermaard is God in Juda, groot is zijn naam in Israël. In Salem sloeg hij zijn tent op.” (Psalm 76:1,2) NBG: „In Salem was immers zijn tent.” Sem functioneerde niet alleen als priester van God, hij werd ook als koning gekroond over de stad Salem en kreeg daarop een nieuwe naam: „Melchizedek”, „Koning (malak) van gerechtigheid (zedek).”

Toen Abraham langs Salem reisde, bereidde Melchizedek een feestmaaltijd voor hem met brood en wijn. Melchizedek zegende Abraham en Abraham gaf een tiende deel van de opbrengst van de oorlog aan Melchizedek. God had Abraham ‘met alles’ gezegend (Genesis 24:1 NBG). Abraham gaf ‘van alles’ een tiende deel aan Melchizedek (Genesis 14:20 NBG). Izaak had ‘van alles’ gegeten (Genesis 27:33 NBG), terwijl Jacob zei dat hij ‘alles had’ (Genesis 33:11 NBG).

Waar is Jezus nu?

Hebreeën 8:1,2