Brief aan de Hebreeën

Geen boek maar een brief:
Het slot maakt duidelijk, dat het hier niet om ‘een boek’ gaat, maar om een brief: „Wist u dat onze broeder Timotheüs is vrijgelaten Als hij snel genoeg komt, zullen wij u samen kunnen bezoeken. Groet al uw leiders en alle heiligen. De gelovigen uit Italië laten u groeten. Genade zij met u allen.” (Hebreeën 13:23-25)

Schrijver:
De schrijver is onbekend. Sommigen denken dat Paulus de schrijver was, anderen menen, dat hij het juist niet geweest is. Er wordt ook gedacht dat Barnabas de schrijver was. Luther dacht dat Apollos de brief geschreven had. De grote dr. Campbell Morgan meende, dat deze brief de gedachten van Paulus bevat en de schrijfstijl van Lucas. Dr. Schofield meende dat wij in deze brief de weergave van een aantal toespraken van Paulus in een synagoge hebben.
Dr. Joiachim Heinrich Biesenthal (1804-1886) meende, dat de brief geschreven was in de taal van de Mishna, dat is in de taal van de Joodse scholen. De Messiaanse Jood Yechiel Lichtenstein was het met Biesenthal eens. De Mishna is in de Talmoed telkens het begin, dat daarna in de Gemara wordt uitgewerkt. Eigenlijk is het niet zo belangrijk wie de schrijver was. We aanvaarden de brief als door God geïnspireerd. (2 Timotheüs 3:16)

Wanneer geschreven:
Waarschijnlijk omstreeks 64 na Christus toen de tempel in Jeruzalem nog niet verwoest was. De schrijver verwijst steeds naar de tabernakel uit de woestijn, maar verwijst ook naar de tempel, alsof deze nog niet verwoest is. „In het aldus ingerichte heiligdom gaan de priesters voortdurend de voorste tent binnen om hun dienst te vervullen, maar in de tweede tent gaat alleen de hogepriester binnen, slechts eenmaal per jaar en nooit zonder het bloed dat hij offert voor zichzelf en voor de zonden die het volk uit onwetendheid heeft begaan.
Hiermee maakt de Heilige Geest duidelijk dat de weg naar het hemelse heiligdom niet zichtbaar is zolang de eerste tent nog dienst doet. Dit alles is een zinnebeeld voor de huidige tijd; er worden daar gaven en offers gebracht die het geweten van degenen die ze opdragen niet tot volmaakte zuiverheid kunnen brengen.” (Hebreeën 6:6-9)

De geadresseerden:
Het opschrift (dat niet tot de geïnspireerde tekst behoort) luidt in het Grieks: pros ebraious, dat wil zeggen: „Aan Hebreeën.” Dat betekent dat het geschreven is aan Joden die in Jezus geloofden. Wij zouden hen nu ‘Messiaanse gelovigen’ noemen. Waarschijnlijk leefden zij in Klein-Azië, wat wij nu ‘Turkije’ noemen.

Zij moeten weten, dat God in al hun noden zal voorzien, omdat ze
- moeten vasthouden aan onze hoop (3:6)
- moeten vasthouden aan ons vertrouwen (3:14)
- moeten moed houden (3:18).

Om de brief goed te kunnen begrijpen, moeten wij ons bewust zijn, dat de brief gericht is aan Joodse christenen. Alleen wie de brief met Joodse ogen leest, kan hem begrijpen. Hoewel de brief gericht is aan Joodse ‘christenen’ mogen wij hem ook toepassen op onszelf!

De Hebreeënbrief en de evangeliën: In de evangeliën zien wij Jezus te midden van het volk Israël op aarde. In de Hebreeënbrief zien wij Hem in de hemel, maar toch verbonden met Zijn volk - de Messiaanse gelovigen. In de evangeliën zien wij wat Hij voor Zijn volk deed toen Hij bij hen was. In de Hebreeënbrief zien wij wat Hij voor Zijn volgelingen doet terwijl Hij in de hemel is.

De boodschap van de brief:
De Messiaanse christenen werden vervolgd en voelden zich ontheemd van de tempel en de tempeldienst, die zij zo van harte liefhadden. Verstoken van het heiligdom, van de priesters en de offers voelden zij zich verlaten. Het lijkt wel alsof zij zich als ontheemden in de woestijn voelden, alsof zij de woestijnreis van hun voorvaders nog eens maakten. Ze hadden moeite om zonder tempel geestelijk staande te blijven. De brief is bedoeld om deze gelovigen te bemoedigen.

Reactie van de schrijver: Hij laat hen het volgende weten:
1. Hij wijst hen op de grootheid en aanwezigheid van de Here Jezus.
2. Hij wijst hen erop, dat ze niet alles kwijt zijn, maar juist rijker geworden zijn. Zie: „wij hebben” in 4:14 en 6:19; 8:1; 10:34; 13:10,14. Zo wijst hij hen erop, dat hun Jood-zijn juist nu - nu zij in Jezus geloven - tot volle ontplooiing gekomen is. Alles is nu ‘beter’ dan het voorheen was.
3. Hij wijst hen erop, dat er vele anderen zijn, die veel meer geleden hebben en staande gebleven zijn in hun geloof.

Beschrijving van de Here Jezus:
1. Hoofdstuk 1:1-3 Jezus is meer dan de profeten.
2. Hoofdstuk 1:4-11 Jezus is meer dan de engelen.
3. Hoofdstuk 3 Jezus is meer dan Mozes.
4. Hoofdstuk 4:1-13 Jezus is meer dan Jozua.
5. Hoofdstuk 4:14-10:18 Jezus is meer dan Aäron.

Beschrijving van de relatie van de Here Jezus met de gelovigen:
Dit deel beschrijft hoe volgelingen van Jezus moeten leven op grond van Zijn leven en Zijn werk.
1. Hoofdstuk 10:19-22 Zij mogen dichterbij komen.
2. Hoofdstuk 10:23 Zij moeten trouw blijven.
3. Hoofdstuk 10:24,25 Zij moeten bij elkaar blijven en acht geven op elkaar.
4. Hoofdstuk 10:26-11:40 Zij moeten vasthouden.
5. Hoofdstuk 12:1 Zij moeten de zonde afleggen.
6. Hoofdstuk 12:1,2 Zij moeten met volharding de ingeslagen weg blijven bewandelen.
7. Hoofdstuk 12:3-29 Zij moeten weten dat zij kinderen van God zijn en zo door God behandeld worden.
8. Hoofdstuk 13:1-4 Zij moeten elkaar als broeders en zusters van harte liefhebben.
9. Hoofdstuk 13:5,6 Zij moeten weten dat de Heer hen nooit in de steek zal laten.
10. Hoofdstuk 13:6-25 Zij moeten naar hun voorgangers luisteren en met allen de Heer loven. Hier komen aan het eind een paar persoonlijke woorden van de schrijver.

Er worden zaken in deze brief genoemd, die niet in de Bijbel staan, maar die onder de Joden bekend waren.
Enkele voorbeelden:
- Jezus als hogepriester - dit wordt nergens elders in de Bijbel gezegd.
- Jezus is met Zijn bloed naar de hemel gegaan - dit wordt nergens elders in de Bijbel gezegd.
- De persoon van Melchizedek. Hoe kan hij geen vader en moeder hebben?
- De indeling van het Heilige der heiligen. Waar lagen de verschillende voorwerpen?
- Het geloof als een absolute zekerheid.
- Wij hebben een wolk van getuigen om ons heen.
- Doormidden gezaagde geloofsgetuige.
Enz.

Het begrijpen van deze ‘Joodse’ brief:
Hiertoe is het nodig dat wij ons verdiepen in de leer en de boodschap van het jodendom. Dit betekent niet dat wij Joden moeten worden of als Joden moeten leven. Het betekent, dat wij naar de uitleg van de rabbijnen moeten luisteren. Hiertoe gaf de Heer Zelf ook eens de opdracht: „Daarna richtte Jezus zich tot de menigte en tot zijn leerlingen en zei: ‘De schriftgeleerden en de Farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar.’” (Mattheus 23:1-3)
Dat betekent, dat wij niet alleen moeten openstaan voor de schriftelijke boodschap zoals in de Bijbel vermeld, maar ook voor de mondelingen uitleg van de rabbijnen. Het is daarom goed om te weten, dat het orthodoxe jodendom in wezen nog het zelfde is als 2000 jaar geleden.

Er waren twee problemen voor de Joden:
1. Velen woonden ver bij Jeruzalem en de tempel vandaan en konden niet deelnemen aan de tempeldienst. De oplossing was dat Levieten en priesters rondreisden door het land om het volk de wet te leren. Zo deed Samuel het ook.
2. Met de Babylonische ballingschap was er geen tempel meer. Nu kwamen de rabbijnen op de gedachte om overal in het land - in elke plaats synagogen te bouwen als kleine heiligdommen. Deze synagogen worden door de Joden ‘sjoel’ genoemd. Dat is afgeleid van het Duitse Schule, school. Ze komen er om te leren! Dankzij deze synagogen weten wij nu ook hoe we in eigen bijeenkomsten kunnen samenkomen en wat we daar moeten doen.

Dan komt het NT:
De Messias komt als Jood voor Joden. Hij is de koning van de Joden, de Redder van Israël. Hij is Immanuel voor Israël. Hij doet alleen wonderen voor Joden en spreekt bijna alleen tegen Joden. Zijn gelijkenissen zijn tegen Joden gesproken, niet tegen de kerk en zijn alleen voor Joden van toepassing. Het gaat om het koninkrijk dat Hij voor Israël zal oprichten. Dit wordt zelfs nog op de dag van Zijn hemelvaart gesproken. „Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem; ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?” (Handelingen 1:6)

Hij sterft als koning van de Joden.
Vervolgens brengen de discipelen het evangelie alleen aan Joden. Ze gaan naar de tempel en de synagoge en leven als trouwe Joden. Ze houden zich aan de wet. Ze brengen offers en doen dus mee aan de offerdienst. „Het woord van God vond steeds meer gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide. Ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.” (Handelingen 6:7) „Daarop nam Paulus de vier mannen met zich mee. De volgende dag liet hij zich samen met hen reinigen en ging de tempel binnen, waar hij bekendmaakte wanneer de reinigingsperiode zou aflopen, zodat daarna voor ieder van hen het offer gebracht kon worden.” (Handelingen 21:26)
De gemeente van de Here Jezus was een Joodse sekte (Handelingen 24:5,14). Tienduizenden waren ijveraars voor de wet (Handelingen 21:20). Veel priesters waren volgelingen van de Here Jezus (Handelingen 6:7). Helaas begon al spoedig de weerstand van de heiden-christenen tegen de Joodse christenen. In 70 na Christus dachten de Joodse christenen aan de woorden van de Heer om Jeruzalem bij naderend onheil te verlaten (Lucas 21:20,21). Zij verlieten de stad en vluchtte naar Pella, over de Jordaan. Zo ontkwamen zij aan de slachtpartij van de Romeinen, die toen bijna een miljoen Joden vermoord hebben. De Zeloten bezagen de Joodse-christenen toen als verraders, omdat ze niet meegestreden hadden tegen de Romeinen.

In 132-135 was er opnieuw een Joodse opstand tegen de Romeinen. De Joden hadden Simon als aanvoerder. Hij werd gezien als de Messias en werd Simon de ster genoemd; Simon bar Kochba. Opnieuw haakten de Joodse christenen af, omdat ze Simon niet als Messias konden erkennen.

Heiden-christenen die niet met het jodendom opgegroeid waren en al hun gewoonten en gebruiken niet kenden en er dus ook niet aan meededen, begonnen zich steeds meer te verzetten, dat de Joodse christenen zich wel hieraan bleven houden. De heiden-christenen werden steeds vijandiger tegen de Joodse christenen. Het gevolg was, dat de kerk steeds meer een beweging van religieuze heidenen werd. Deze beweging nam niets meer van de Joodse leer over, maar haalde het heidendom naar binnen (Grieks en Babylonisch!). Het kwam zelfs zo ver, dat als een Jood toch een volgeling van de Here Jezus wilde zijn, hij de hierna volgende verklaring moest afleggen.

De kerk werd de vijand van de Joden.
Als het ging om het brengen van het Evangelie aan Joodse mensen - werd het in de vierde eeuw de gewoonte de levenswijze van Paulus niet te volgen. Het evangelie werd niet zo gebracht dat het aansloeg bij degenen voor wie het bedoeld was. Integendeel. Het was niet genoeg dat een Jood de Here Jezus als zijn Messias, Bevrijder en Heer accepteerde; hij moest zich " bekeren" tot het Christendom. Dat laatste kun je zien in de verklaring van de Kerk van Constantinopel, waarmee Joden moesten instemmen als zij zich wilden aansluiten bij de heilige gemeenschap van Jezus, de Joodse Messias:

“Ik verwerp alle gewoonten, riten, legalismen, ongezuurde broden en offers van lammeren door de Hebreeën en alle andere feesten van de Hebreeën, offers, gebeden, besprenkelingen en reinigingen, heiligingen en verzoeningen en vasten en nieuwe manen en sabbatten en bijgeloof en gezangen en gebeden, vieringen en synagogen en het voedsel, de dranken van de Hebreeën; in één woord: ik verwerp absoluut alles wat Joods is... en als ik later zou wensen dit te ontkennen en terug te keren naar Joods bijgeloof of men zal mij aantreffen terwijl ik met Joden eet of met hen feesten vier of in het geheim met hen spreek en de christelijke religie veroordeel in plaats van hen openlijk te weerleggen en hun lege geloof te veroordelen, laat dan de siddering van Kaïn en de melaatsheid van Gehazi op mij komen als ook de wettige bestraffingen waarvan ik erken dat zij dan toepasbaar zijn. En moge ik vervloekt zijn in de toekomende wereld en moge mijn ziel geplaatst worden bij de satan en de duivelen.”

Later kwamen de kruistochten en de inquisitie en werden de Joden die geen christen waren op afschuwelijke wijze vervolgd, gemarteld en vermoord.

Hebreeën 1
Als wij een indeling van dit hoofdstuk geven, zien wij het volgende:
1:1-4 De boodschap van dit hoofdstuk
1:5-14 De uitleg van de boodschap.

Van God wordt gezegd, dat Hij gesproken heeft:
a. Eerst tot de vaderen, Abraham, Izaak, Jacob, Mozes, David en andere profeten. De grote Joodse geleerde Maimonides heeft gezegd, dat de Messias Israël zal verlossen. Dat is ook de boodschap van Jezus als Messias: Hij kwam om het volk geestelijk te verlossen door hen te redden van hun zonden, de zondelast, de zondeschuld en de zondestraf. Hij zal wederkomen om het volk te verlossen van zijn natuurlijke vijanden (andere volken). God sprak vele malen. God sprak op vele (verschillende) manieren (in dromen, in visioenen e.d.). Wij weten uit 2 Timotheus 3:16 dat het altijd door middel van de Heilige Geest was.
b. In het laatst der dagen heeft Hij opnieuw gesproken. In Joodse gedachten is de komst van de Messias ‘in de eindtijd’, ‘in het laatst der dagen’, zoals de profeten dit noemen. Volgens het Nieuwe Testament zijn deze laatste dagen aangebroken met de komst van de Here Jezus op aarde. Nu sprak Hij tot ‘ons’, dat zijn de Joden die in de Here Jezus geloven en die nu in deze brief worden aangesproken. Nu sprak Hij ‘in de Zoon’. De Zoon was het voertuig waardoor God Zijn boodschap aan de mensen gaf. Let wel, dat er nu niet staat dat het door de Heilige Geest was!

De Hoofdpersoon van de Hebreeënbrief wordt niet ‘Jezus’ of ‘Christus’ genoemd, maar ‘de Zoon”.
Van de Zoon worden de volgende kenmerken gegeven:
1. Hij is de erfgenaam van alles.
2. Hij is de Middelaar van de Schepping.
3. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid.
Gods heerlijkheid kennen wij uit de tabernakeldienst en de tempeldienst. Het is een ander woord voor wat de Joden ‘de Shekinah’ noemen. Dat is de Goddelijke tegenwoordigheid. Ezechiel spreekt ook over de Shekinah van God: Ezechiel 43:2. De rabbijnen zeggen dat in de toekomende wereld (die zij olam ha-ba noemen) de rechtvaardigen met de engelen omringd zullen zijn door de heerlijkheid van God.
De Shekinah is hetzelfde als wat wij in Lucas 2 leren kennen als de heerlijkheid (de eer, de glorie) van God. Deze heerlijkheid van God is de verbindende ‘schakel’ tussen God en mensen. Het is het licht van God dat bepaalde mensen bestraalt of omstraalt (verlicht). Mozes was door dit licht geraakt toen Hij van de Horeb naar het volk kwam, terwijl ook de Here Jezus op de berg der verheerlijking door dit licht geraakt was.
4. Hij is de afdruk van Gods wezen. Het Griekse woord zegt hier dat Hij het ‘karakter’ van God is. Hij is Gods beeld (Johannes 14:9; 2 Corinthe 4:4 en Colossenzen 1:15).
5. Hij is de drager van alles - door middel van het woord van Zijn kracht.
6. Hij is de reiniger van de zonden (dat is door middel van het kruis, dat in de Hebreeënbrief gezien wordt als het Nieuw Testamentische altaar).
7. Hij is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit (dat is: God als de Koning der koningen) in de hoge. Dit verwijst naar Psalm 110:1.
8. Hij is ver boven de engelen verheven. In het Joodse werk Yalkut Shimoni 2:53:3 op Jesaja 52:13 (“Mijn dienaar zal groots zijn, hoog verheven in aanzien”) wordt gezegd, dat dit verwijst naar de Koning-Messias, die heel erg verhoogd zal worden, zodat hij hoger zal zijn dan Abraham, Mozes en de dienstdoende engelen. (Yalkut Shimoni is een verzameling van ongeveer 10.000 verhalen en commentaren uit de Talmoed en de misdrashim, die in de 13e eeuw door rabbi Shimon haDarshan - dat is Simon de uitlegger, of Simon de prediker - verzameld zijn.)
9. a. Hij is veel machtiger dan de engelen.
De engelen moeten Hem eren (Psalm 97:7), dus moet Hij wel hoger zijn dan de engelen. De Septuagint vertaalt dit vers als volgt: ‘Laat al Gods engelen Hem aanbidden’.
De engelen zijn dienende geesten (:14). Dit woord verwijst in het Hebreeuws en in het Grieks naar adem en wind. De engelen zijn de wind die door God geblazen wordt, zoals Psalm 104:4 zegt.
Bedenk: de engelen zijn dienende geesten, de Zoon is de opdrachtgever voor de engelen! Zij moeten Hem gehoorzaam zijn.
  b. Hij heeft een veel mooiere naam dan de engelen.
Dit wil zeggen dat Zijn Naam belangrijker is dan de namen die de engelen hebben. Wij kennen maar enkele engelen bij name: Gabriël en Michaël. De Joden kennen veel meer namen van engelen. Welke naar van de engelen je ook neemt, de Naam van Jezus is altijd uitmuntender!
De Naam die hier bedoeld wordt is zowel de Naam ‘Jezus’ als ‘de Zoon’. De woorden zoals ze in onze vertaling staan zijn vreemd: “Jij bent Mijn Zoon, Ik heb je vandaag verwekt”(Hebreeën 1:5). Het BOEK geeft een mooie verklarende vertaling: “U bent Mijn Zoon. Vandaag heb Ik u de eer gegeven die bij u past.” In deze tekst wordt Psalm 2:7 geciteerd. In deze Psalm wordt echter gesproken tot een aards koning: tot David. Tegen David wordt gezegd, dat hij op deze dag als een zoon van God wordt aangenomen.
Eigenlijk staat hier dat God zegt: ‘vandaag bracht Ik jou op de wereld’.
Nu wordt deze tekst toegepast - zover dit mogelijk is! - op de Messias. Dit betekent niet dat de Messias vóór de tijd van het Nieuwe Testament niet bestond. Ook Hij is eeuwig. Hij was er al vóór Abraham, zo zei Hij zelf. Toen Hij echter op aarde geboren werd, was dit het werk van God zelf. En Hij kwam zoals David kwam: als de Gezalfde van God. Toen de Here Jezus gedoopt werd én bij de verheerlijking op de berg, maakte God duidelijk bekend, dat Jezus Zijn Zoon was!

Hoe gaan rabbijnen met de tekst van de Bijbel om? Hoe leggen zij de Bijbel uit?
1. Peshat (letterlijk: eenvoudig). Ze gaan uit van de letterlijke, eenvoudige tekst van de Bijbel. Hier gaat het dus om exegese: de letterlijke uitleg van de Bijbel; de letterlijke betekenis van wat er staat en bedoeld wordt.
2. Remez (letterlijk: hint). Ze letten op speciale zaken die in de tekst voorkomen en die ze zien als een verwijzing naar een diepere waarheid. Ze gaan ervan uit dat er een diepere waarheid verborgen is (kan zijn) in de tekst. Er zit dan een diepere boodschap in de tekst opgesloten.
3. Drash of midrash (letterlijk: onderzoek). Naast exegese (letterlijke uitleg, de letterlijke betekenis) gaat het nu ook om eisegese (je eigen gedachten in de tekst leggen). Om dit te kunnen doen, dient men over heel veel Bijbelse kennis te beschikken, zodat je niet zelf er maar wat op los gaat fantaseren. Er wordt nu een allegorische of homiletische betekenis uit de tekst gehaald.
4. Sod (letterlijk: geheim). Hier komen wij op het terrein waar met de getalswaarden van de letters gewerkt wordt. Nu wordt gekeken naar allerlei woorden die - als je de letters van die woorden bij elkaar optelt - allemaal dezelfde som hebben. Dit is ook het terrein waar de kabbala zich met deze zaken bezighoudt. Zo kunnen woorden naar elkaar verwijzen.

De eerste keer in het Nieuwe Testament dat wij met een dergelijke manier van Bijbeluitleg te maken krijgen is in Mattheus 2:15. Mattheus citeert Hosea 11:1, waar het niet gaat over de komende Messias, maar waar het gaat over het verleden van Israël. Mattheus pakt nu op goed rabbijns gebruik deze tekst en past hem toe op de Messias. Mattheus gaat uit van de peshat van Hosea 11:1 (de letterlijke betekenis) en komt nu tot een remez en schrijft, dat deze tekst in feite (ook) een verwijzing is naar de komende Messias. De vlucht van Jezus is nu een ‘vervulling’ geworden van Hosea 11:1. Mattheus zegt dus niet, dat Hosea 11:1 in zijn oorspronkelijke betekenis niet op het volk Israël zou slaan.
Zo komen wij dit ook tegen in Hebreeën 2:6-8a, waar Psalm 8:5-7 geciteerd en ‘verklaard’ wordt. In de Psalm gaat het gewoon over de mens. Hebreeën laat het slaan op Jezus.

Kan een gelovige nog verloren gaan?
Wie eenmaal wedergeboren is kan nooit meer afvallen en alsnog verloren gaan. Hiervoor is een aantal redenen te noemen, o.a.:
1. De teksten die dit duidelijk en letterlijk verklaren, zoals Johannes 3:16,36; 5:24; 10:28,29, enz.
2. Vanwege het volkomen volbrachte werk van de Messias. Onze behoudenis is niet gefundeerd in ons maar in Christus. Zie Hebreeën 7:25; 9:11-15 en 10:10-14.
3. Omdat de gelovige een onlosmakelijke band gekregen heeft met God, die nu zijn hemelse Vader is en met Messias Jezus, die zijn Redder is. Zie Johannes 1:12; 15:5; Ephese 2:6; Colossenzen 1:13,14.
4. Op grond van de weg die God met Israël ging. Het volk kon ontrouw zijn, ze konden door God gestraft worden. Ze bleven altijd Gods volk en hun geestelijke identiteit kon nooit ongedaan gemaakt worden! Romeinen 11:29 zegt: "Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk."
Een gelovige kan wel ontrouw worden. God kan hem hiervoor tijdens zijn aardse leven straffen, zie Hebreeën 12:6-11. God kan hem ook eenmaal in de hemel straffen, zie 1 Corinthe 3:12-15. Zie ook Prediker 12:14.
Er is weinig troost en bemoediging uit de gedachte, dat wij eens met al onze tekortkomingen openbaar zullen worden voor God. Wie zal zonder schaamte voor Hem staan? Prachtig komen dan de majestueuze woorden uit vers 11, 17 en 18.
Wij komen hierop nog terug.

Welke gevaren zijn er voor de gelovige?
1. Het gevaar om als een schip zonder roer te zullen afdrijven (Hebreeën 2:1-3). Dit gebeurt als je geen ernst maakt met het heil dat je verkondigd is (2:3).
2. Het gevaar om ongeloof in je hart toe te laten, waardoor je God niet meer volkomen vertrouwt (Hebreeën 3:12-19 en 4:1,2). Hier hoort ook de twijfel bij! "Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde." (Romeinen 14:23) "Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt." (Jacobus 1:6)
3. Het gevaar dat je tevreden bent met je geestelijke onvolwassenheid (Hebreeën 5:11-14 en 6:1).
4. Het gevaar dat wij opzettelijk zondigen (mogelijk vanuit de gedachte dat God ons toch wel alle zonden vergeeft, Hebreeën 10:26-29). Er is vergeving voor zonden die beleden worden. Wie opzettelijk in zonde leeft en blijft leven, kan zondigen tot de dood. Dat betekent, dat je een vroegtijdige dood sterft. Zie 1 Johannes 5:16 "Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot de dood, moet hij bidden en God zal hem het leven geven, hun namelijk, die zondigen niet tot de dood. Er bestaat zonde tot de dood: daarvoor zeg ik niet, dat hij moet vragen."
5. Het gevaar dat wij ‘verachteren in de genade’ (Hebreeën 12:12-17). Hier gaat het over geestelijke slapte en achterblijven bij de andere gelovigen. We gaan zondigen, worden bittere mensen en raken onze vrede kwijt.
6. Het gevaar om niet meer echt te luisteren naar God die door middel van Zijn Woord (de Bijbel) tot ons spreekt (Hebreeën 12:18-26). God heeft twee keer op een bijzondere wijze gesproken. Eerst tot het gehele volk in de woestijn door middel van Mozes (:18-21), daarna op Zion door middel van Gods Zoon (:22-24). Wee de mens die niet (meer) luistert! (:25)

Hebreeën 2
In Hebreeën 2:2 wordt weergegeven wat Joden wisten, ook al stond het niet in de Bijbel. God heeft indertijd de wet aan engelen gegeven, die hem weer aan Mozes gegeven hebben. Zie ook Galaten 3:19 en Handelingen 7:53.
Kernachtig komt de boodschap: "Wij zien Jezus!" (2:9). Er wordt iets bijzonders van Hem getoond. Door Gods genade mocht Hij redding brengen. Het was genade dat Hij stierf. Geen genade voor de Zoon maar voor de mens. Enkele handschriften hebben in plaats van ‘door Gods genade’: ‘zonder God’, dat een verwijzing moet zijn naar de Godverlatenheid aan het kruis. Hij is de leidsman naar de behoudenis en noemt de (Messiaanse) Joden Zijn broeders (2:11,12). Hij heeft niet alleen de weg naar de behoudenis gewezen, Hij ging Zelf voorop.
Hij wordt hier voor het eerst in de Bijbel ‘hogepriester’ genoemd. (Alleen de Hebreeënbrief noemt Hem ‘hogepriester’.) Hiermee wordt Hij gezien als de vervuller van wat de aardse hogepriester deed op grote verzoendag. Op grote verzoendag viel alle aandacht alleen op de hogepriester. Hij alleen verrichtte alle werkzaamheden. Hij alleen bracht verzoening voor het gehele volk. Zo valt nu alle aandacht alleen op Jezus, de hogepriester van de nieuwe tijd. Zie hierbij ook Leviticus 16:14-16.
Door Zijn dood heeft Hij de duivel van zijn troon gestoten en allen bevrijd van de angst voor de dood (:14,15). Satan zag zichzelf als de troonbezitter over de aarde. Zó bood Hij Jezus alles koninkrijken aan (Mattheus 4:8-10). Nog steeds wordt hij de god van deze tijd genoemd (2 Corinthe 4:4). In Hebreeën 2:14 staat eigenlijk dat de duivel ‘uitgeschakeld’ is. Hij heeft geen macht meer over de gelovigen!

Hebreeën 3 en 4
NIEUWE TITELS VOOR DE HERE JEZUS EN DE GELOVIGEN
a. De gelovigen: zij zijn deelgenoten van de hemelse roeping. (zie ook Colossenzen 1:2)
b. De Here Jezus: Hij is de apostel en hogepriester van onze belijdenis.

a. De gelovigen: zij zijn deelgenoten van de hemelse roeping. Het woord ‘deelgenoten’ kan ook weergegeven worden als ‘metgezellen’- zie 1:9.
De gelovigen zijn deelgenoten 1. van de hemelse roeping 3. van de Heilige Geest (6:4) 2. van Christus (3:14) 4. van de tuchtiging (12:8).
b. De Here Jezus: Hij is de apostel en hogepriester (cohen hagadol) van onze belijdenis. Dit betekent, dat deze mensen, toen zij gedoopt werden, beleden hebben, dat de Here Jezus hun hogepriester en apostel was. In 2:17 werd al over de Heer als hogepriester geschreven.

JEZUS EN MOZES
Mozes is voor de Joden ‘de grote leraar’ (Moshe Rabbenu - onze leraar Mozes). Hij was de man die door God gekozen was om het volk te redden uit Egypte, te leiden door de woestijn, te brengen aan de grens van het beloofde land, terwijl hij hen ook nog bij God gebracht heeft en hen de wet van God gegeven heeft. Er was geen groter mens voor de Israëlieten dan Mozes. Mozes bracht de boodschap van God aan het volk. Mozes bad ook ten behoeve van het volk tot God (denk aan Exodus 32:32). Hij was een middelaar tussen God en het volk. Zo deed hij eigenlijk het werk van een priester, terwijl hij geen priester was. Toch is Jezus nog groter!
Dit groter dan Mozes zijn van Messias Jezus wordt duidelijk uit traditioneel Joodse bronnen, waarin over de Messias geschreven wordt, hoewel zij dit niet op Jezus toepassen.
In Pesikta Rabbati 33:6) staat: „Bij het begin van de schepping van de wereld was de koning Messias er al; hij was al in Gods gedachten nog voordat de wereld geschapen was.” Hoe de rabbijnen dit zien, blijkt uit het volgende citaat.

In Genesis Rabbah 2:4 staat: „En de geest van God zweefde over de wateren.” Deze woorden uit Genesis 1:2 verwijzen naar de geest van de Messias, omdat Jesaja 11:2 zegt, dat ‘de geest van de HEER op hem (de Messias) zal rusten’. Ook leren wij uit Genesis 1:2 dat de geest van de Messias komt door middel van bekering, want in Klaagliederen 2:19 staat dat bekering vergeleken kan worden met water: „Het hart van het volk schreeuwt tot de Heer. -O, muur van Sion, laat je tranen stromen als een rivier, dag en nacht, aan één stuk door; gun je ogen geen rust.”

Zelf kunnen wij uit de woorden van Genesis Rabbah een opmerkelijke conclusie trekken. De geest van God (de Ruach haKodesh, de heilige Geest) is klaarblijkelijk dezelfde als de geest van de Messias (Ruach haMashiach).
 
1. Mozes was trouw aan God in al zijn werk. Jezus is dat nog meer. (Hebreeën 3:2,3). Zie Numeri 12:7.
2. Mozes genoot grote eer en heerlijkheid (waardigheid). Jezus nog meer (Hebreeën 3:3). Mozes heeft zelfs een stralend gezicht gehad (Exodus 34:30). Deze heerlijkheid was echter tijdelijk (2 Corinthe 3:7). Jezus’ heerlijkheid is blijvend.
3. Mozes maakt deel uit van ‘het huis’ van God, Gods volk, terwijl de Here Jezus de bouwer van dit ‘huis’ is (Hebreeën 3:3). De Joden die in Jezus geloven worden hier gezien als ‘het huis van God’ (:6). Zie ook Ephese 2:20-22. De apostel Paulus noemt dit huis een tempel van God (1 Corinthe 3:16 vergelijk dit met 1 Corinthe 6:19). Ook Petrus doet dit (1 Petrus 2:5). Er is wel een voorwaarde aan verbonden: ze moeten vrijmoedig blijven (dat is: niet bang zijn om voor je geloof uit te komen) en hun hoop tot het einde vast houden. Dus niet wanhopen, maar blijmoedig de komst van de Here Jezus blijven verwachten.
4. Mozes was in het huis van God ‘slechts’ een dienaar, ook al was hij een zeer voorname dienaar. Jezus is echter meer. Hij is de Zoon van het huis. (Hebreeën 3:5)

DE GEMEENTE IN DE VERDRUKKING EN ISRAEL IN DE WOESTIJN
Hebreeën 3:7 verwijst naar Psalm 95:7-11. Dit citaat begint met de volgende woorden: „Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij zijn stem hoort...” (NBG). In de NBV heet het: „De heilige Geest zegt immers: Horen jullie vandaag zijn stem...” „Als je vandaag naar God luistert...” is een gedachte die een belangrijke rol speelt in het Joodse leven. Dat blijkt uit de volgende vertelling:
Rabbi Joshua ben Levi had eens een ontmoeting met de profeet Elia. Hij vroeg Elia wanneer de Messias zou komen. Elia zei: „Vraag het zelf aan hem.” „Waar is hij?” „Bij de poort van Rome temidden van de melaatsen.” De rabbijn reisde naar Rome en trof daar de Messias aan. Hij begroette hem en vroeg hem wanneer hij (naar Israël) kwam. „Vandaag nog” antwoordde de Messias. Verheugd ging de rabbijn terug. Ook terug naar Elia. Teleurgesteld, want de Messias was niet gekomen. Hij zei tegen Elia: „De Messias heeft tegen mij gelogen. Hij beloofde dat hij ‘vandaag’ nog zou komen (toen ik bij hem was), maar hij is niet gekomen.” Elia antwoordde: „De Messias heeft het volgende gezegd: ‘Als je vandaag naar God luistert...’”
De les die de rabbijnen uit dit verhaal trekken is tweevoudig: de Messias komt als Koning naar Jeruzalem als heel Israël zich bekeert. Ook: de Messias komt bij jou als je naar hem luistert en niet in opstand komt, zoals de Israëlieten in de woestijn deden.
Doel van het citaat uit Psalm 95 is om duidelijk te maken, dat als je behoort bij het huis van God, dat er dan verplichtingen op je rusten. Israël in de woestijn heeft zich daar niet aan gehouden. Het gevolg is dat velen in de woestijn zijn omgekomen. Hier wordt meer of minder al verwezen naar Hebreeën 12, waar staat dat God als een Vader Zijn kinderen behandelt en hen dus straft. Velen zijn niet de rust van het beloofde land binnen gegaan. Vergeleken met de woestijnreis was het beloofde land ‘rust’. Zie ook Deuteronomium 12:9. Er kan bij deze woorden ook gedacht worden aan de rustplaats van God: de ark (Psalm 132:8) en de tempel (Psalm 132:13,14). Zelfs kan aan de rust van het komende vrederijk gedacht worden („En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isai zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn.” Jesaja 11:10 NBG en 32:18). Naar deze Messiaanse rust van het komende vrederijk wordt ook verwezen in Hebreeën 4:9. Hier komt de gedachte naar voren, dat zoals de aarde in zes dagen geschapen is en er één dag rust was, zo de aarde 6000 jaar bewerkt zal worden en mensen er ‘scheppend’ (niet in de zin van iets scheppen uit niets, maar vorm geven aan bestaande materialen) aan het werk zullen zijn, waarna de zevende periode van 1000 jaar de sabbatsrust voor het volk Israël zal inhouden. Dit wordt o.a. gedacht naar aanleiding van: „Duizend jaar zijn in uw ogen als de dag van gisteren die voorbij is, niet meer dan een wake in de nacht.” (Psalm 90:4 zie ook 2 Petrus 3:3 en Openbaring 20:2-7). Zie verder Hebreeën 4:1-13.

In Hebreeën 3:12 wordt erop gewezen, dat in de woestijn een aantal Israëlieten God de rug heeft toegekeerd. Nu worden de Messiaanse gelovigen gewaarschuwd, dat zij niet ditzelfde moeten doen. Ze moeten niet ongelovig worden. Anders gezegd: ze moeten niet ophouden met hun vertrouwen in God te stellen. Doen ze dit wel, dan is dit ‘afval van God’, dan is dit „God in de steek laten”.

HET WOORD VAN GOD
Het woord van God is / de woorden van God zijn opgeschreven in een boek: de heilige Schrift, de Bijbel. Dit boek bevat echter geen dode letters. De boodschap is levend en krachtig en doet zijn werk in de harten en de levens van gelovigen. In Deuteronomium 32:47 lezen wij al dat het Woord van God leeft en leven schenkt. „Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven: door dit woord zult gij lang wonen in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen.” (NBG)
In de Bijbel verwijst ‘het woord van God’ ook naar de Here Jezus. Zowel bij Zijn eerste komst (Johannes 1:1) als bij Zijn wederkomst (Openbaring 19:11-15). In die laatste tekst gaat het ook over een tweesnijdend zwaard en ogen als een vuurvlam.
Het woord van God is als een tweesnijdend zwaard. Het veroordeelt de ongehoorzame en ongelovige mens. Het brengt een boodschap van redding aan de mens die naar God luistert. Het ontleedt alles van de mens. Dit maakt duidelijk dat voor God niets verborgen is uit ons hart en leven. Alles ligt open en bloot voor God. Letterlijk zegt dit vers: „Levend immers is het woord van God, en werkzaam en scherper snijdend dan enig tweesnijdend zwaard, en het woelt diep tussen ziel en geest, weefsels en merg, en het oordeelt overleggingen en bedoelingen van een hart.” (NB) Prof. Dr. A.F.J. Klijn (in De Prediking van het Nieuwe Testament) zegt: „De woorden ‘open en bloot’ (:13 NBG) [„en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen”] zouden we letterlijk kunnen vertalen met „bij de nek gegrepen om geslacht te worden”.
De Here Jezus werd op dezelfde wijze verzocht zoals wij verzocht worden. Op dezelfde wijze! (Hebreeën 4:14-16). Wij worden dus niet zwaarder verzocht. Ook niet lichter! „Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.” (1 Corinthiërs 10:13 NBG)
Wij worden verzocht op drie terreinen: „Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem, want alles wat in de wereld is -
(1) zelfzuchtige begeerte,
(2) afgunstige inhaligheid,
(3) pronkzucht -,
dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit de wereld.” (1 Johannes 2:15,16) De NBG zegt het als volgt: „Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is:
(1) de begeerte des vlezes,
(2) de begeerte der ogen
(3) en een hovaardig leven,
is niet uit de Vader, maar uit de wereld.”

SPREKEN IS ZILVER, ZWIJGEN IS GOUD
Psalm 34:13-15
Achtergrond van de Psalm
David is voor Saul gevlucht naar het land van de Filistijnen. Hij zoekt zijn bescherming in Gath. Het enige wapen dat hij bij zich heeft is nota bene het zwaard van Goliath. Goliath kwam uit Gath! De mensen moeten dit zwaard direct herkend hebben. Zeker de broers van Goliath moeten dit zwaard herkend hebben. Zij woonden ook in Gath en behoorden volgens de rabbijnen bij de lijfwacht van de koning. Zij zullen zeker de koning gevraagd hebben de dood van hun broer te mogen wreken en David te doden.
De geschiedenis van David in Gath wordt gemeld in 1 Samuel 21.
David bij de hogepriester: ‘Hebt u hier misschien ook een lans of een zwaard?’ vroeg David aan Achimelech. ‘Ik heb niet eens mijn zwaard en mijn andere wapens kunnen meenemen, zoveel haast was er bij de opdracht van de koning.’
9 (21:10) ‘Ik heb hier het zwaard van de Filistijn Goliat, die u in de Terebintenvallei verslagen hebt, ‘antwoordde de priester. ‘Daar hangt het, achter het priestergewaad, gewikkeld in een doek. Als u wilt kunt u het meenemen. Een ander wapen is hier niet.’ ‘Zoals dit is er geen tweede, ‘zei David. ‘Geef het mij.’ (1 Samuel 21:9,10)

De kwaadspreker in deze geschiedenis: 7 (21:8) Er bevond zich daar op die dag ook een dienaar van Saul, een zekere Doëg uit Edom, de opzichter van Sauls herders. Hij was daar vanwege een of andere verplichting aan de HEER.” (1 Samuel 21:8)

David in Gath:
10 (21:11) Nog diezelfde dag zette David zijn vlucht voor Saul voort, tot hij bij Achis kwam, de stadsvorst van Gat.
11 (21:12) De hovelingen van Achis zeiden tegen hun vorst: ‘Is dat niet David, de koning van het land? Is dat niet degene over wie ze triomfantelijk hebben gezongen: “Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden”?’
12 (21:13) Deze woorden ontgingen David niet, en hij werd bang dat Achis hem kwaad zou doen.
13 (21:14) Daarom deed hij net alsof hij gek was: toen ze hem beetpakten, ging hij als een waanzinnige tekeer, kraste tekens op de deuren van de poort en kwijlde in zijn baard.
14 (21:15) ‘Zien jullie niet dat die man gek is?’ zei Achis tegen zijn dienaren. ‘Waarom brengen jullie hem bij mij?
15 (21:16) Heb ik hier soms geen gekken genoeg, dat jullie hem bij me brengen om tegen me tekeer te gaan? Wat moet die kerel in mijn paleis?’ (1 Samuel 21:11-16)

De koning van Gath
Er worden twee namen genoemd: Achish en Abimelech.
Waarschijnlijk was Abimelech (betekenis: ‘mijn vader is koning’) de titel van alle vorsten (net als ‘farao’ bij de Egyptenaren) en was zijn naam ‘Achish’.

Enkele vragen:
Waarom ging David naar Abimelech? Herinnerde hij zich dat een vroegere Abimelech vriendelijk was geweest voor Abraham en Izaak?
Je kunt de vraag ook specificeren: hoe is het mogelijk dat David juist zijn bescherming zocht bij de Filistijnen die zijn grote vijanden waren, omdat hij zoveel Filistijnen gedood had? Hij wist toch hoe zij hem haatten? Was hij dan al krankzinnig waardoor hij als gestoorde juist naar de Filistijnen ging?
„Van David, toen hij zich aan het hof van Abimelech als een krankzinnige voordeed en pas wegging toen deze hem verjoeg.”
NBG: „Van David, toen hij zich bij Abimelek als een waanzinnige gedroeg, zodat deze hem wegjoeg, en hij heenging.”
NB: „van David, toen hij zijn verstand verdraaide voor het aanschijn van Avimelech,- — die hem wegjoeg, zodat hij kon gáán.”

De vraag kan gesteld worden hoe het mogelijk was, dat David zo dom was om juist met het zwaard van Goliath naar de stad van Goliath te gaan. Dat was immers vragen om narigheid!
De vraag kan ook gesteld worden of David echt deed alsof hij krankzinnig was, of dat de Heer hem tijdelijk waanzinnig gemaakt had. Hoe het zij, de krankzinnigheid was een wapen in de strijd tegen de koning om David weer zijn vrijheid terug te geven.
Verschillende wonderen
1. Hoe kon David zijn waanzin zó goed ‘spelen’, dat de mensen in Gath het verschil niet konden zien tussen ‘spel’ en werkelijkheid? Dat was een wonder!
2. Waarom doodden de koning van Gath en de mensen van Gath en de broers van Goliath David niet?
3. Hoe is het mogelijk dat de koning van Gath David liet gaan?

David getuigt van Goddelijke bescherming „In mijn verdrukking riep ik tot de HEER, hij heeft geluisterd en mij uit de nood gered. De engel van de HEER waakt over wie hem vrezen, en bevrijdt hen.” (vers 6,7)
NBG: „De Engel des HEREN legert Zich rondom wie Hem vrezen, en redt hen.” Willibrord: „De engel van de HEER zet wachtposten uit rond degenen die hem vrezen: zo brengt Hij redding.”

Dit is het getuigenis van David. Hij was zich bewust, dat - terwijl hij omringd was door de soldaten van de Filistijnse koning - hij een nog belangrijker omsingeling had. Hij was omsingeld door de engelen van God. Díe beschermden hem in dit grote gevaar!
Zo was later Daniël - een nakomeling van David (!) beschermd door een engel van God. De engel was om Daniël gelegerd en was als een muur voor de leeuwen. Zo waren later ook eens de vrienden van Daniël beschermd door een engel van God. De engel was als een beschermende deken tegen het vuur.

David roept op om op je woorden te passen
David herinnert ons in vers 13 wat er gebeurd is bij het heiligdom in Nob. „Onder de dienaren van Saul bevond zich ook de Edomiet Doëg. Hij nam het woord en zei: ‘Ik heb de zoon van Isaï in Nob gezien, bij Achimelech, de zoon van Achitub. Die heeft voor hem de HEER geraadpleegd en hem niet alleen leeftocht gegeven, maar ook het zwaard van de Filistijn Goliat.’” (1 Samuel 22:9,10)

Doëg heeft verraden dat David bij het heiligdom geweest is. Hij heeft verraden wat de hogepriester met de toonbroden gedaan heeft. Doëg heeft een verhaal opgehangen voor Saul waardoor Saul misleid werd. Door het praten van de mensen is koning Saul boos geworden op de priesters van het heiligdom en heeft hij ze bijna allemaal laten vermoorden. Een massale moordpartij als gevolg van het geklets van mensen. Daarom waarschuwt David nu en zegt: Mensen pas toch op wat je zegt, tegen wie je het zegt en wanneer je het zegt. Spreken is zilver, maar zwijgen is goud!

Uitleg van Davids woorden
Zijn vraag: „Hebben jullie het leven lief, wil je goede jaren genieten?” (vers 13) NBG: „Wie is de man die het leven begeert, vele dagen wenst om het goede te genieten?”

Hier gaat het over twee vormen van leven:
1. Nu op aarde.
2. Eens na dit aardse leven in de toekomstige wereld.

Als je dit wilt, moet je op je woorden passen: „Behoed dan je tong voor het kwaad, je lippen voor woorden van bedrog.” (vers 14)

Gods duidelijke opdracht en waarschuwing
„Breng het leven van een ander niet in gevaar door lasterpraat over hem rond te strooien. Ik ben de HEER.
Wees niet haatdragend. Als je iemand iets te verwijten hebt, roep hem dan ter verantwoording en laad niet omwille van een ander schuld op je door je te wreken of wrok te blijven koesteren. Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de HEER.” (Leviticus 19:16-18)

Geldt dit levensgevaar alleen letterlijk of ook geestelijk? Ik denk beide!
Wat wordt er door christenen en in families onderling veel gepraat over elkaar en daardoor schade aangericht! Kletspraat is één van de grootste zonden in de Bijbel.

Een lied en een voorbeeld
Er is een prachtig kinderlied waarin gezongen wordt: „Bewaar je oog voor wat je ziet; bewaar je oor voor wat je hoort en bewaar je mond voor wat je zegt.”

Prachtig Joods voorbeeld: De grote rabbi Shimon, de zoon van Gamaliël gaf zijn knecht Tavi opdracht om naar de markt te gaan en het mooiste stuk vlees te kopen dat er te vinden was. De knecht ging naar de markt en kwam met een runder-tong terug.
De rabbijn zei: „Ga nog een keer naar de markt en breng het slechtste mee dat er te koop is. De knecht ging weer en bracht opnieuw een tong mee.
De rabbijn zei: „Wat doe je nou? Als ik het beste vraag kom je met een tong en als ik het slechtste vraag kom je weer met een tong.”
Tavi de knecht zei: „Een tong kan heel veel goeds doen. Een tong kan ook het slechtste nieuws brengen en veel kwaad teweeg brengen. Wie zijn tong in toom houdt zegt er veel goede dingen mee. Wie zijn tong niet in toom houdt, doet er veel kwaad mee.”

„Wie zijn mond op slot houdt, waakt over zichzelf, wie zijn lippen hun gang laat gaan, stort zichzelf in het verderf.” (Spreuken 13:3)
„Wie zijn tong in toom houdt, bespaart zich in zijn leven allerlei ellende.” (Spreuken 21:23)
„Een verstandig mens is karig met zijn woorden, iemand met inzicht is bezonnen.
Een zwijgende dwaas wordt beschouwd als verstandig, men denkt dat hij wijs is als hij zijn mond houdt.” (Spreuken 17:27,28)

De gedachte van Psalm 34 in het Nieuwe Testament:
„Wie meent dat hij God dient, terwijl hij zijn tong niet kan beteugelen, zit op een dwaalspoor, en heel zijn godsdienst is vergeefse moeite.” (Jacobus 1:26) „Vergeld geen kwaad met kwaad, en als u wordt uitgescholden, scheld dan niet terug; zegen juist, opdat u ook zelf zegen ontvangt, want daartoe bent u geroepen.
Immers: ‘Wie het leven liefheeft en gelukkig wil zijn, moet geen laster of leugens over zijn lippen laten komen, hij moet het kwaad uit de weg gaan en het goede doen, en voortdurend vrede nastreven.
Want de Heer verliest de rechtvaardigen niet uit het oog en luistert naar hun gebeden, maar hij keert zich tegen wie kwaad doen.’” (1 Petrus 3:9-12) Dit is een woord voor mannen en vrouwen. Hoe wilt u zich voorbereiden op het echte leven?

TOEKOMST VOOR ISRAEL
Hoewel de Here Jezus na Zijn hemelvaart Zijn intrek genomen heeft in het heiligdom dat in de hemel is, betekent dit niet, dat er geen toekomst meer is voor een aards heiligdom. Nu moeten wij niet vergeten, dat op het moment waarop dit geschreven werd de tempel in Jeruzalem nog niet verwoest was. Vandaar dat er niet geschreven wordt over de verwoeste tempel en dat ook niet aangekondigd wordt dat er nogmaals een tempel gebouwd zal worden. Er wordt alleen geschreven over de toekomst van Israël, waarbij wij - lettend op de profetieën van Ezechiël - moeten bedenken, dat hierbij ook weer een tempel gemoeid zal zijn! God heeft beloofd dat Hij met Zijn heerlijkheid in de tempel van het Messiaanse rijk zal terugkeren.
Er wordt nu juist geschreven over de tent van God die in de hemel is (Hebreeën 8:2). De tabernakel was naar het voorbeeld van deze hemelse tent gemaakt (Exodus 25:9,40). Openbaring 21:3 vertelt dat deze hemelse tent op de nieuwe aarde bij de mensen zal zijn. De tent / tabernakel heet in het Hebreeuws ‘mishkan’. Hierin zitten twee Hebreeuwse woorden: shakhen (buurman) en Shekinah (Gods aanwezigheid en heerlijkheid). Dat betekent, dat God met Zijn heerlijkheid als je buurman bij jou aanwezig zal zijn! Exodus 25:8 zegt dat God in de tabernakel wilde wonen, opdat Hij in het midden (als in het hart) van Zijn volk zou wonen.

Er wordt gewezen op het feit, dat Jezus, toen Hij op aarde was, geen priester was en dus ook geen toegang had tot de tempel en de dienst in de tempel (Hebreeën 7:14-16). Hij was immers geen nakomeling van Levi maar van Juda. Nu Hij echter in de hemel is, geldt deze beperking niet voor Hem. Hier mag Hij wel de dienst voor God verrichten. Hier verricht Hij wel dienst in de tempel.
Naast het eenmalige offer dat Hij gebracht heeft, wordt hier niet verteld welke dienst Hij daar nog meer verricht. Gedacht zal zeker moeten worden aan Zijn taak als ‘priester-voorbidder’, waarnaar ook 1 Johannes 2:1 verwijst. Maar zeker ook wat Hebreeën 9:24 ons laat weten.

De profetie van Jeremia
In Hebreeën 8:8-12 worden de profetische woorden uit Jeremia 31:31-33 geciteerd en uitgelegd. Vers 8 begint met de mededeling dat het hier gaat om een ‘berisping’. Het Griekse woord dat hier met ‘berisping’ vertaald is betekent ook afkeuren, verwijten, uitschelden. Het is niet duidelijk waarom de schrijver van de Hebreeënbrief deze woorden van Jeremia een berisping noemt. Het Boek probeert dit op te lossen door als volgt te vertalen: „Aan het oude verbond mankeerde nogal wat. Als dat anders was geweest, zou er geen nieuw voor in de plaats gekomen zijn. Maar God was er Zelf ook niet tevreden over...” (Hebreeën 8:7,8a) Dit is zeker geen goede weergave. De gedachte dat God niet tevreden was met Zijn eigen wet, die in het Nieuwe Testament nog steeds ‘heilig en goed’ genoemd wordt, is beslist onjuist.
De berisping is hier bedoeld voor Israël, dat zich niet gehouden heeft aan de belofte om de wet na te leven. Daarom moet de wet aan hen vernieuwd worden. Deze mededeling betekent dus tevens dat zij berispt worden voor hun ongehoorzaamheid.
Belangrijk is hier dat wij zien, dat het Nieuwe Testament niet alleen bij de instellingswoorden van het avondmaal maar ook hier bevestigt, dat het nieuwe verbond voor Israël nog altijd geldig is. Bedenk dat de woorden die de Here Jezus bij de instelling van het avondmaal sprak niet gericht waren tegen de leden van de kerk, maar tegen een groep ‘Messias belijdende Joden’. Er bestond op dat moment nog geen kerk en er waren nog geen christenen! De Heer bevestigde de woorden van Jeremia over het nieuwe verbond, dat in Zijn bloed gesloten werd! Jeremia had ook gezegd dat het verbond het volk Israël gold. Hij had niet gezegd dat het voor de kerk bestemd was.
Dit betekent niet, dat wij niet deze maaltijd met deze betekeniswoorden mogen houden. Paulus is daar zeer duidelijk over, zie 1 Corinthe 11:23 v.v.

In Hebreeën 9:16 wordt ook over dit verbond geschreven. Het is de vertaling van het Griekse woord diathèkè. Het Grieks kent twee woorden voor verbond: sunthèkè en diathèkè. Suntheke betekent dat twee gelijkwaardige partners een verbond geloten hebben, waarbij beide partners afzonderlijk van elkaar het verbond kunnen verbreken.
Diatheke betekent dat het een eenzijdig verbond is, dat niet door de zwakste partij verbroken kan worden. Israël kan dit verbond nooit verbreken en God zal het niet verbreken. Hij kan het ook niet vanwege Zijn eed aan Israël gedaan. Hier blijkt de arrogantie van de kerk die het volk Israël het onbreekbare verbond liet verbreken en vervolgens God ook nog eens dit verbond liet verbreken!

Een bezoek aan de tabernakel
In de beschrijving die de Hebreeënbrief (Hebreeën 9:1 v.v.) ons vervolgens geeft van de tabernakel, blijkt hoe ‘Joods’ de schrijver is.
Het Heilige noemt hij ‘het eerste deel’ van de tent. In deze tent noemt hij slechts twee van de drie belangrijke voorwerpen: de kandelaar en de tafel der toonbroden. Het reukaltaar noemt hij niet (vgl. Exodus 30:1-10). Het reukaltaar noemt hij bij het Heilige der Heiligen, waarbij het wat zijn doel betrof ook behoorde (zie hierbij ook al Exodus 40:5). Dat is achter het tweede voorhangsel.
Het eerste gordijn hing tussen de voorhof en het Heilige. Het tweede gordijn hing tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen. Overigens hingen tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen twee gordijnen, zodat de hogepriester bij de ene wand begon om tussen de gordijnen door te lopen naar de andere wand (Talmoed, Joma 5.1).
In het Heilige der Heiligen bevonden zich het reukaltaar (figuurlijk dus) en de ark des verbonds (letterlijk). In de ark lagen een gouden kruik met manna en de staf van Aäron, die gebloeid had (:4). Volgens Exodus 16:32-34 en Numeri 17:1-11 lagen de kruik met het manna en de staf van Aäron niet in maar voor de ark. In 1 Koningen 8:9 staat dat de beide stenen tafels wel in de ark lagen, zoals ook Exodus 25:16,17 en 31:18 laten blijken.

De dienst van de hogepriester op grote verzoendag

Slechts eenmaal per jaar mocht de hogepriester in het Heilige der Heiligen binnengaan: op grote verzoendag (Leviticus 16:12-16). Beter gezegd: op de dag van de massale inkeer, als alle Joden hun zonden van het voorbije jaar aan God beleden en Hem om vergeving vroegen, ja smeekten. Als teken van ernst en oprechtheid eten en drinken zij niets gedurende 25 uur!
Het ‘slechts eenmaal’ betekent eigenlijk: slechts één dag in het jaar. Want op die ene dag ging de hogepriester verschillende keren het Heilige der Heiligen binnen (Talmoed Joma 5.1; 4.4,7). Om dit te kunnen doen diende hij eerst een offer voor zichzelf en zijn familie te brengen.

Het doel van het offer van de Here Jezus was ‘verlossing’; een eeuwige verlossing (:12). Daarom is Hij met Zijn eigen bloed het hemels heiligdom binnen gegaan. Het woord verlossing spreekt van ‘losmaken, bevrijden’. Het verwijst naar de woorden uit Lucas 1:68 en 2:8. In Hebreeën 9:12 wordt het Griekse woord lutroosis (verlossing) gebruikt.

In Hebreeën 9:15 wordt het Griekse woord apolutroosis (bevrijding, volkomen verlossing, na het betalen van de losprijs. Let op: de losprijs is niet aan satan, maar aan God betaald!) gebruikt.

Het grote probleem
Hebreeën 10:4 wijst erop, dat het onmogelijk is dat het bloed van dieren zonden kan wegnemen. Dat kan alleen het bloed van de Here Jezus. Zie Johannes 1:29. Maar door het offer van de Here Jezus zijn we eens en voor altijd geheiligd (Hebreeën 10:10).

Op grond van dit offer van de Here Jezus kunnen wij nu ingeschakeld worden in de dienst van God en kunnen de lezers van deze brief gezien worden als geestelijke priesters (Hebreeën 10:19). Zie ook 1 Petrus 2:5 en Openbaring 1:6; 5:10 en 20:6. De vraag kan gesteld worden of hier ‘alle gelovigen’ (dus ook uit de heidenen) bedoeld worden, of alleen de Joodse gelovigen! Vergeet niet dat de brief van Petrus en het boek Openbaring ook typisch Joodse geschriften zijn. In 1 Petrus 1:1 maakt Petrus duidelijk dat hij aan de verstrooide Joodse gelovigen schrijft!

In Hebreeën 10:22 wordt de doop het wassen met rein water genoemd. Dit verwijst naar de onderdompeling in het mikwe, dat als een wassing, een geestelijke reiniging gezien wordt. Zie Leviticus 11:36 NBG: „een bron echter of een put, een vergaarbak van water, zal rein zijn.” Hier hebben wij de oorsprong van het doopvont: een vergaarbak van water.

Wij zagen al eerder, dat wie opzettelijk gezondigd heeft, ook in het Nieuwe Testament, geen vergeving zonder straf krijgt. Hij moet zijn eigen straf dragen. Vergeving geschiedt op grond van de gedragen straf. Zie nu ook Hebreeën 10:26.

Deze straf kan alleen voltrokken worden als er minstens twee getuigen zijn (Hebreeën 10:28). Zijn die getuigen er niet, dan kunnen de aardse rechters geen straf opleggen en zal God Zelf eens straffen (Hebreeën 10:27).

De betekenis van ‘geloof’
Zie Hebreeën 11:1. „Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.”
Vervolgens wordt een aantal mensen genoemd die op een heel bijzondere wijze hun geloof getoond hebben.
Opmerkelijk uitspraken hierbij zijn:
- De stem van Abel is nog steeds te horen!
- Henoch wandelde met God en werd zomaar ineens door God ‘opgenomen’.
- Noach bouwde een onvoorstelbaar grote boot.
- Abraham ging emigreren naar een vreemd en onbekend land. Daar wachtte hij op een bijzondere stad.
- Sara kon het opbrengen om op haar hoge leeftijd nog moeder te worden.
- Abraham durfde het aan om zijn zoon op het altaar te leggen.
- Izaak heeft met een profetische blik zijn beide zonen gezegend.
- Jacob zegende ook met een profetische blik zijn zonen.
- Jozef geloofde in de uittocht van de Israëlieten uit Egypte.
- Mozes weigerde als een kleinzoon van de farao door het leven te gaan.
- De Israëlieten die in Egypte al het feest van de bevrijding vierden.
- De Israëlieten die door de Schelfzee durfden gaan.
- De val van de muur van Jericho.
- Rachab die de spionnen van Israël in huis nam.
Naast de lijst van overwinnaars is er ook het grote aantal slachtoffers van het geloof. Maar: allen geloofden en zijn voor God ‘overwinnaars’.

De opvoeding door God
Hebreeën 12. Zie hiervoor onze brochure ‘De Bijbel en de opvoeding’.

De voorgangers waken over de zielen van de gelovigen. (Hebreeën 13:7,17). Let op het einde van hun leven of ze ook dan nog trouw zijn aan de Heer! De gelovigen moeten hun voorgangers volgen en gehoorzamen.