|
| |
Internet Bijbel studie - Wie is Jezus?
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Wie is Jezus? - les 1
Dit evangelie is één van de belangrijkste Bijbelboeken van het Nieuwe Testament om antwoord te krijgen op de
vraag wie Jezus is en wat Hij voor ons betekend heeft en nog steeds betekent. Het laat ons zien wat de Here
Jezus gezegd en gedaan heeft toen Hij op aarde was. Ook laat het zien hoe mensen daarop reageerden. Hun reacties
waren heel verschillend, zoals dat in onze tijd nog steeds het geval is. Het laat ons zien hoe heel verschillende
mensen (werknemers en werkgevers, eenvoudige mensen en grote geleerden, mannen en vrouwen, enz.) met Hem in
contact kwamen en op een bijzondere manier onder de indruk kwamen van wat Hij zei, wat Hij deed en wie Hij was.
Wij hopen, dat u dit op dezelfde manier zult ervaren.
Bij deze cursus hebt u in ieder geval het evangelie van Johannes nodig. Het mooist is echter, als u een hele
Bijbel heeft. Om u van dienst te zijn printen wij bij iedere les het betreffende deel uit het evangelie van
Johannes uit de Nieuwe Bijbel Vertaling van 2004. Deze gedeelten uit de Bijbel vallen onder het copyright van het
Nederlands Bijbel Genootschap.
Elke les bestaat uit een inleiding gevolgd door een aantal vragen of opgaven. Soms is er een langere inleiding,
soms een kortere. Het zijn vooral de vragen die u helpen om zelf te ontdekken wat de Bijbel over bepaalde zaken
zegt. U doet er verstandig aan het gedeelte uit de Bijbel te printen en eerst zorgvuldig te lezen. Doe dit het
liefst met een pen in uw hand, zodat u alles wat u opvalt kunt onderstrepen. Op die manier zult u zelf al heel
veel opmerkelijke feiten uit de Bijbel ontdekken, zonder dat iemand u op al die bijzonderheden hoeft te wijzen.
In deze lessen bestuderen wij het evangelie van Johannes, dat is het vierde boek uit het Nieuwe Testament. Het
woord "evangelie" betekent letterlijk "goede tijding", of "blijde boodschap". Het gaat in deze lessen erom, dat
wij de blijde boodschap en het goede nieuws, dat Johannes voor ons heeft opgeschreven, leren verstaan. Daarbij
moeten wij ons realiseren, dat dit goede nieuws uiteindelijk niet het goede nieuws van Johannes is, maar het
goede nieuws dat God Zelf van Jezus Christus geeft.
Opmerkelijk is het, dat dit evangelie op dezelfde wijze begint als het boek Genesis in het Oude Testament: "In
den beginne..." Ook in zijn eerste brief schrijft Johannes over dit begin (zie 1 Johannes 1:1). Iedere keer
wordt ons getoond, dat God aan het begin van alles staat (zie Genesis 1:1 en Johannes 1:1‑3). Gods macht
en majesteit worden uit Zijn Woord openbaar.
Het evangelie van Johannes is het vierde Bijbelboek van het Nieuwe Testament. Hiervoor noemden wij reeds het
Oude Testament. Wij verdelen de Bijbel namelijk in twee delen: het Oude Testament en het Nieuwe Testament. Het
oudste deel van de Bijbel noemen wij het Oude Testament. Hierin gaat het over het volk Israël door de eeuwen
heen; van zijn ontstaan tot de laatste profeten die de komst van de Here Jezus voorzegd hebben. In dit deel
lezen wij over Gods grote liefde voor het volk Israël en over de opdrachten die Hij aan dit volk gegeven heeft,
evenals over alle zegeningen die Hij hen geschonken heeft en nog steeds zal schenken!
Het nieuwste deel van de Bijbel noemen wij het Nieuwe Testament. Hierin gaat het over de geboorte en het leven
van de Here Jezus én over het leven en geloof van Zijn volgelingen. In dit deel lezen wij over Gods liefde
voor de volgelingen van de Here Jezus, ook als die volgelingen niet tot het Joodse volk behoren. Wij lezen
hoe zij een volgeling van de Here Jezus kunnen worden, hoe zij dan dienen te leven en welke zegeningen God hen
zal geven.
Het woord "testament" betekent niet alleen "nalatenschap". Het wordt in de Bijbel met een andere betekenis
gebruikt, namelijk van "verbond". Zo vertelt het Oude Testament van het verbond dat God met het volk Israël
gesloten heeft en vertelt het Nieuwe Testament van het verbond dat God met de volgelingen van Jezus gesloten
heeft. Het verbond dat God met het volk Israël gesloten heeft was op basis van bloed. Het was een bloedverbond,
dat wil zeggen: een onverbrekelijk verbond. Wij zien dit bloedverbond in Genesis 15 bij Abraham, in Genesis
17:23-27 (de besnijdenis) en in Exodus 12:43-51 (het Paaslam in Egypte). Wij vinden het in het Nieuwe Testament
terug als de Here Jezus Zijn bloed geeft, opdat mensen die van God vervreemd waren bij Hem konden terugkomen.
Aanwijzingen
U zult de lessen van deze cursus niet moeilijk vinden. Wees er echter van verzekerd, dat de steun en de zegen,
die u door deze studie ontvangt, zullen afhangen van de ijver en de oprechtheid waarmee u het antwoord op iedere
vraag zoekt. Bestudeer de lessen en lees elk aangegeven gedeelte uit de Bijbel zorgvuldig door, voordat u de vragen
beantwoordt.
Inleiding
De schrijver
Uit Johannes 21:24 blijkt, dat de schrijver van dit evangelie de apostel Johannes is. Onder de goddelijke leiding
van de Heilige Geest heeft hij zijn boodschap te boek gesteld (zie voor de Goddelijke leiding bij het totstandkomen
van de Bijbel 2 Petrus 1:20, 21). Samen met Simon, Andreas en Jacobus behoorde hij tot de eerste discipelen van de
Here Jezus (Marcus 1:14‑20). Als jongeman van waarschijnlijk even twintig jaar werd hij achter het visnet
vandaan geroepen. Hij was dus visser van beroep.
Johannes was een broer van Jacobus en een zoon van Zebedeüs (Mattheüs 10:2 en Marcus 1:19 en 20). Zijn vader was
een vermogend man, want hij werkte met knechten! Ook Johannes was niet onbemiddeld, omdat hij een eigen huis bezat
(Johannes 19:27). Als wij Mattheüs 27:55, 56 vergelijken met Marcus 15:40, blijkt, dat zijn moeder Salome heette.
Zij was een van de vrouwen die de Heiland met haar vermogen diende (Marcus 15:41). Waarschijnlijk was zij een
zuster van Maria, de moeder van Jezus. Dan heeft ook zij bij het kruis gestaan (Johannes 19:25) en waren Jacobus en
Johannes neven van de Here Jezus.
Samen met Petrus en Jacobus behoorde Johannes tot de dierbaarste vrienden van de Heer. Als hii over zichzelf
spreekt, noemt hij zich ook: "De discipel die Jezus liefhad" (zie Johannes 13:23; 19:26; 20:2 en 21:7, 20). Johannes
was evenals zijn broer Jacobus vurig van aard; zij hadden een onstuimig temperament. Zó heftig waren zij (zie
bijvoorbeeld Lucas 9:54) dat de Heer hen zelfs "Boanerges", dat is "zonen des donders" noemde (Marcus 3:17).
Op een bijzondere manier heeft Johannes echter de genade van God ervaren. Hierdoor is zijn leven volkomen veranderd.
De leeuw werd een lam ‑ de zoon des donders werd de apostel der liefde. Hij heeft Gods liefde gezien. Het woord
liefde komt zeer vaak in zijn evangelie voor (zie bijvoorbeeld Johannes 3:16; 10:17; 13:1; 13:34 en 14:15). Ook in de
betekenis van zijn naam toont hij de genade van God. Zijn naam betekent nl.: "God is genadig".
Johannes heeft behalve dit evangelie nog drie brieven en het boek "Openbaring" geschreven. In al zijn geschriften
(evenals in de hele Bijbel) staat Jezus Christus centraal.
In zijn evangelie toont hij de Heer in wie wij moeten geloven.
In zijn brieven schrijft hij over de Heer die wij moeten liefhebben.
In de Openbaring vertelt hij over de Heer die wij moeten verwachten, omdat Hij zal wederkomen.
De lezers
Als wij het evangelie van Johannes vergelijken met de andere evangeliën, zien wij, dat Johannes aan andere mensen
schreef dan Mattheüs, Marcus en Lucas deden. Zij schreven aan ongelovigen, terwijl Johannes zich juist richt tot
gelovigen. Het doel waarom Johannes schrijft is dan ook niet om aan zijn lezers te vertellen dat de Verlosser is
geboren, gestorven en opgestaan, zoals Mattheüs, Marcus en Lucas deden, maar om de jonge christenen te versterken
in hun geloof dat er slechts Eén Verlosser is, namelijk de Heer Jezus én opdat zij zullen groeien in hun geestelijk
leven. Terwijl hij dus aan christenen schreef, is zijn evangelie eigenlijk het meest duidelijk - ook voor
niet-gelovigen - als het gaat om de vraag wie Jezus is.
Als hij op hoge ouderdom dit evangelie schrijft, zijn er zelfs al gemeenten ontstaan. Helaas waren er ook al in de
eerste eeuw na Christus dwaalleraren ‑ valse profeten ‑ die de mensen van het ware evangelie trachtten
af te leiden. Sommigen zeiden, dat Jezus niet Goddelijk was, maar slechts een gewoon mens; anderen geloofden niet
dat Hij echt mens geworden was. Ook stonden er steeds weer mensen op die zichzelf als de verlosser der wereld
aankondigden. Zij riepen het de wereld die een verlosser zocht toe: "Ik ben het!"
Johannes zegt ons hier echter, dat alleen Jezus de beloofde Redder is. Jezus alleen mag het zeggen: "Ik ben het!"
Daarom keert het "Ik ben" (zie de volgende lessen) telkens weer terug. Vooral als Hij alleen "Ik ben" zegt, geeft
Hij daarmee te kennen, dat Hij één met God de Vader is. Zie Exodus 3:14.
Het toont tevens, dat de Heer Zelf het antwoord is op de nood van de mens. Hij is niet gekomen om de mens die in
duisternis leeft het licht te tonen. Hij is het licht (Johannes 8:12). Hij is niet gekomen om de mens
die in geestelijke armoede leeft het brood te geven. Hij Zelf is het brood (Johannes 6:35, 48 en 51).
Hij is ook niet gekomen om de mens die naar verlossing en vrede met God zoekt de weg hiertoe te wijzen. Hij
is de weg (Johannes 14:6).
Zo schrijft Johannes zijn evangelie slechts met één doel, namelijk dat wij geloven dat Jezus de Messias is,
de Zoon van God (Johannes 20:31). Het "sleutelwoord" van dit evangelie is: geloven.
Het woord "geloof" of "geloven" heeft in de Bijbel niet dezelfde betekenis als het voor velen in het gewone leven
heeft. Velen verstaan onder geloof, dat je een mening hebt die je niet zeker weet. Het verwijst dan naar een bepaalde
mate van onzekerheid. Zij menen, dat als de Bijbel over geloof spreekt, in de Bijbel die onzekerheid bedoeld wordt.
Dat is echter een absoluut verkeerde gedachte. In de Bijbel betekent geloof: vertrouwen hebben in iets of iemand.
Het wil zeggen, dat je een bepaalde overtuiging hebt en dat je absoluut zeker bent, dat die overtuiging de waarheid
is. Zo wordt het ook in de Bijbel geformuleerd: "Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het
overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien." (Hebreeën 11:1) In de vertaling van 1951 wordt het nog veel
duidelijker gezegd: “Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen,
die men niet ziet." Het Boek formuleert het als volgt: "Wat is geloof? Het is de absolute zekerheid dat onze hoop ook
werkelijkheid wordt en het is het bewijs van dingen die wij niet kunnen zien." Het woord dat hier als "zekerheid"
vertaald is, is de vertaling van het Griekse woord hupostasis. Het woord betekent zowel "fundament", "het werkelijke",
"zekerheid" als "vast vertrouwen". Voor een gelovige zijn de feiten die de Bijbel noemt geen sprookjes of aardige
verhalen, maar gaat het om zaken die bewezen zijn, zoals Hebreeën 11:1 het zo duidelijk zegt. In Handelingen 16:31
horen wij (in de vertaling van 1951) Paulus het geloof als volgt onder woorden brengen: "Stel uw vertrouwen op de Here
Jezus en gij zult behouden worden."
Inmiddels bent u enkele keren het woord "Christus" tegengekomen. Als wij het over "Jezus Christus" hebben, is "Jezus"
niet Zijn voornaam en "Christus" Zijn achternaam, zoals velen denken. Zijn Naam is Jezus. Althans zo schrijven wij
Zijn Naam in onze taal. Hij kwam echter uit Israël en daar werd en wordt Zijn Naam geschreven als Jeshua (spreek uit:
Jesjoe-a). Deze Naam betekent "heil", "redding", "God redt". Hij had dus een heel mooie en zeer toepasselijke Naam.
De toevoeging "Christus" vertelt wie Hij was. Christus is de vertaling van het Hebreeuwse woord "Messias" dat "Gezalfde"
betekent. Het maakt duidelijk, dat Jezus de door God beloofde en door Israël verwachtte Messias is. Iedere keer als u
het woord "Christus" tegenkomt, dient u zich dus te realiseren, dat de Bijbel het over Gods Messias voor Israël heeft!
Johannes en de andere evangeliën
Tussen de vier evangeliën bestaat een grote overeenkomst als het bijvoorbeeld gaat om de ene Hoofdpersoon van de
verschillende boeken: Jezus Christus, terwijl er een groot verschil bestaat als het bijvoorbeeld gaat om het "hoe":
hoe zij Hem laten zien.
Mattheüs schreef aan de Joden. Hij toont ons Christus als de koning van Israël. Zie bijvoorbeeld
Mattheüs 2:2, 21:5 en 25:34. Hij toont ons de vervulling van Zacharia 9:9. "Zie uw Koning". Het sleutelwoord
is: "Koninkrijk".
Marcus schreef voor de Romeinen. Hij toont ons Christus als de Dienstknecht. Dat is de vervulling van
Jesaja 52:13: "Zie Mijn Knecht". Het sleutelwoord is: "terstond", "onmiddellijk". Het is een woord dat van toepassing
is op een knecht. Een knecht moet terstond, onmiddellijk doen wat zijn meester hem opdraagt. Zo kwam Jezus als de
Knecht van God om gehoorzaam te doen wat God de Vader Hem opdroeg.
Lucas schreef aan de Grieken. Hij toont ons Christus als de Zoon des mensen, de vervulling van enkele
bijzondere teksten uit het Oude Testament. Het is de vervulling van Daniël 7:13 en van Zacharia 6:12. In Daniël 7:13
zien wij, dat er eeuwen vóór Jezus’ komst naar de aarde in de hemel bij God een bijzonder Persoon aanwezig is. Het
is geen engel, ook niet één van de gewone mensen. Hij wordt "de Zoon des mensen" of "de Mensenzoon" genoemd. Het is
de komende Messias, die uit de hemel bij God vandaan als mens naar de aarde zal komen. De profeet Zacharia kondigt
Hem aan als "de Spruit" en zegt: "Zie een Man". Het sleutelwoord is: "Zoon des mensen".
Johannes schreef aan de jonge gemeente. Hij toont ons Christus als de Zoon van God. Hierin wordt
Jesaja 40:9 vervuld. "Zie hier is Uw God". Het sleutelwoord is: "geloven".
De hoofdpersoon
In ieder hoofdstuk tekent Johannes de Here Jezus op een andere manier. Wij noemen hierna de verschillende hoofdstukken
met daarachter de vermelding hoe de Heer in dit hoofdstuk ons getoond wordt.
1. Hij is Goddelijk, Hij is de Zoon van God (1:l‑5, 14, 18).
2. Hij is menselijk, Hij is de Zoon des mensen, de Helper (2:1‑11).
3. Hij is de Goddelijke leraar (3:2 vervolgens).
4. Hij is de zielenwinner (4:7‑29).
5. Hij is de grote geneesheer (5:1‑9).
6. Hij is het brood des levens (6:35).
7. Hij is het water des levens (7:37).
8. Hij is de vriend van zondaars en beschermer van zwakken (8:3‑11).
9. Hij is het Licht der wereld (9:l‑39 ook 8:12).
10. Hij is de Goede Herder (10:11).
11. Hij is de vorst des levens; de opstanding en het leven (11:25).
12. Hij is de koning (12:13‑15).
13. Hij is de dienstknecht (13:4, 5).
14. Hij is de trooster (14:16).
15. Hij is de ware wijnstok (15:1, 5).
16. Hij is de gever van de Heilige Geest (16:5‑15).
17. Hij is de grote voorbidder (17:20, 21).
18. Hij is de gehoorzame tot in de dood (18:11).
19. Hij is het offerlam (19:16‑19 zie ook 1:29).
20. Hij is de overwinnaar over de dood (20:9).
21. Hij is degene, die de berouwvolle zondaar in ere herstelt (21:15‑17).
opgaven les 1
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
Wie is de schrijver van dit evangelie? |
| 2. |
Wat was zijn oorspronkelijk beroep? |
| 3. |
Wat betekent zijn naam? |
| 4. |
Wat betekent het woord "evangelie"? |
| 5. |
Met welk doel is dit evangelie geschreven? |
| 6. |
Wie is de hoofdpersoon in dit boek? |
| 7. |
Johannes heeft nog meer geschreven. Telkens gaat het hem echter om de Here Jezus. |
| |
a. In zijn evangelie schrijft hij, dat wij in Hem moeten ... |
| |
b. In zijn brieven schrijft hij, dat wij Hem moeten ... |
| |
c. In de Openbaring schrijft hij, dat wij Hem moeten ... |
| 8. |
Er is een groot verschil tussen de vier evangeliën. Geef in het kort dit verschil weer. |
| |
a. Aan wie schreef Mattheüs? |
| |
b. Hoe toonde Mattheüs de Here Jezus? |
| |
c. Aan wie schreef Marcus? |
| |
d. Hoe toonde hij de Here Jezus? |
| |
e. Aan wie schreef Lucas? |
| |
f. Hoe toonde hij de Here Jezus? |
|
|
|