BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Online studies beluisteren

Online studies lezen

Internet Bijbel studie

Speciale e-mail studies

Evangelisatie serie
inhoud
1. Wie is Jezus?
2. De Goddelijkheid van de Heer Jezus
3. Jezus is het Lam van God
4. Jezus brengt vreugde in je leven
5. Jezus en de nieuwe geboorte
6. Jezus en het levende water
7. Jezus is één met God de Vader
8. Jezus geeft brood aan de hongerige
9. Jezus geeft onderwijs
10. Jezus, het Licht der wereld
11. De genezing van de blindgeborene
12. Jezus is de Goede Herder
13. De opwekking van Lazarus
14. Jezus en de zalving te Betanië
15. Jezus wast de voeten van de discipelen
16. Jezus schenkt Goddelijke hulp
17. Jezus is de ware wijnstok
18. Jezus zendt de Heilige Geest
19. Jezus bidt voor de Zijnen
20. De gevangenneming en het proces
21. Jezus de Gekruisigde
22. Jezus is de Opgestane
23. Jezus is de Leider van Zijn volgelingen
24. Jezus geeft eeuwig leven
Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 6
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de volgende les.


Antwoorden les 5
1. Vertelt u eens in het kort wie Nikodemus was.
  Nikodemus was een groot godsdienstig leider. Hij was lid van het Sanhedrin. Hij hoorde bij de Farizeeën.
2. Zei Jezus dat de Farizeeën correct in de uitleg van de Bijbel waren, of zei Hij dat zij dwaalden in de uitleg van de Bijbel?
  Zij waren correct in de uitleg van de Bijbel.
3. Was Johannes de Doper ook een rabbijn? Zo ja, in welk vers hebt u dat ontdekt? Zo nee, waarom niet?
  Ja, zie vers 26.
4. Wat is de enige manier om ooit het Koninkrijk van God te kunnen binnengaan?
  Opnieuw geboren worden. Van bovenaf (vanuit de hemel, door het werk van de Heilige Geest) geboren worden als een kind van God.
5. Leven de mensen die niet in Jezus geloven in het licht of in de duisternis?
  In de duisternis.
6. Wat zegt dit gedeelte over de levenswandel van de mens die niet in Jezus gelooft?
  Hun levenswandel is boos.
7. Wat is het grootste bewijs van Gods liefde voor ons?
  Dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft.
8. Wat krijg je als je in de Zoon van God gelooft?
  Eeuwig leven.
9. De Heer Jezus zei, dat Hij met een speciaal doel naar de aarde gekomen was. Wat was dit doel?
  Hij was niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered (:17).
10. Leerde Jezus dat je door het houden van de tien geboden en/of door veel te bidden en de Bijbel te lezen in de hemel komt?
  Nee, alleen door geloof in Hem.
11. Welke belofte hebben wij in dit hoofdstuk voor ieder die in de Here Jezus gelooft?
  Eeuwig leven.
12. Welk oordeel horen wij hier over ieder die niet in de Here Jezus gelooft?
  Eeuwig oordeel.
13. In dit hoofdstuk horen wij al, dat de Here Jezus aan Zijn volgelingen de Heilige Geest zal schenken. Hierover wordt in latere hoofdstukken van dit evangelie meer verteld. Als de Heer de Heilige Geest aan je geeft, geeft Hij je dan weinig van de Geest of juist veel?
  In overvloed!
14. In Psalm 119 lezen wij, dat David zei, dat hij Gods Woord in zijn hart opborg. Hij gaf het een plaatsje in zijn hart. Dat betekent, dat hij teksten uit de Bijbel uit het hoofd leerde. In het evangelie van Johannes staan heel bijzondere teksten, die de moeite waard zijn om uit het hoofd te leren. Wij noemen: Johannes 1:12; 3:16; 5:24; 14:6.
  Deze opdracht kunt u alleen zelf beantwoorden.
15. Wat kan Jezus voor u persoonlijk betekenen, zoals dit blijkt uit dit hoofdstuk en deze les?
  Hij wil voor mij de weg zijn tot het Vaderhart van God. Hij wil mij van eeuwig leven en de Heilige Geest schenken.



Wie is Jezus? - les 6
Jezus en het levende water

1 Toen Jezus hoorde dat aan de Farizeeën verteld werd dat hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes
2 –Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat–,
3 verliet hij Judea en ging weer naar Galilea.
4 Daarvoor moest hij door Samaria heen.
5 Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had,
6 waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur.
7 Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef mij wat te drinken.’
8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen.
9 De vrouw antwoordde: ‘Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!’ Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.
10 Jezus zei tegen haar: ‘Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.’
11 ‘Maar heer, ‘zei de vrouw, ‘u hebt geen emmer, en de put is diep–waar wilt u dan levend water vandaan halen?
12 U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’
13 ‘Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen, ‘zei Jezus,
14 ‘maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.’
15 ‘Geef mij dat water, heer, ‘zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’
16 Toen zei Jezus tegen haar: ‘Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.’
17 ‘Ik heb geen man, ‘zei de vrouw. ‘U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt, ‘zei Jezus,
18 ‘u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.’
19 Daarop zei de vrouw: ‘Nu begrijp ik, heer, dat u een profeet bent!
20 Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.’
21 ‘Geloof me, ‘zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden.
22 Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers van de Joden.
23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden,
24 want God is Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in Geest en in waarheid.’
25 De vrouw zei: ‘Ik weet wel dat de Messias zal komen’ (dat betekent ‘gezalfde’), ‘wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.’
26 Jezus zei tegen haar: ‘Dat ben ik, die met u spreekt.’
27 Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug, en ze verbaasden zich erover dat hij met een vrouw in gesprek was. Toch vroeg niemand: ‘Wat wilt u daarmee?’ of ‘Waarom spreekt u met haar?’
28 De vrouw liet haar kruik staan, ging terug naar de stad en zei tegen de mensen daar:
29 ‘Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de Messias zijn?’
30 Toen gingen de mensen de stad uit, naar hem toe.
31 Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘Rabbi, u moet iets eten.’
32 Maar hij zei: ‘Ik heb voedsel dat jullie niet kennen.’
33 ‘Zou iemand hem iets te eten gebracht hebben?’ zeiden ze tegen elkaar.
34 Maar Jezus zei: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien.
35 Jullie zeggen toch: “Nog vier maanden en dan komt de oogst”? Ik zeg jullie: kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp zijn voor de oogst!
36 De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren.
37 Hier is het gezegde van toepassing: De een zaait, de ander maait.
38 Ik stuur jullie erop uit om een oogst binnen te halen waarvoor je geen moeite hebt hoeven doen; dat hebben anderen gedaan en jullie maken hun werk af.’
39 In die stad kwamen veel Samaritanen tot geloof in hem door het getuigenis van de vrouw: ‘Hij weet alles van me.’
40 Ze gingen naar hem toe en vroegen hem bij hen te blijven. Toen bleef hij nog twee dagen.
41 Nog veel meer mensen kwamen tot geloof door wat hij zei;
42 ze zeiden tegen de vrouw: ‘Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt, maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is.’
43 Na die twee dagen trok Jezus verder naar Galilea,
44 want hij had zelf gezegd dat een profeet in zijn vaderland niet wordt geëerd.
45 Toen hij in Galilea kwam, ontvingen de mensen hem gastvrij; ze hadden alles gezien wat hij op het feest in Jeruzalem gedaan had, want daar waren ze zelf bij geweest.
46 Hij ging in Galilea weer naar Kana, waar hij van water wijn had gemaakt. Er was daar een hoveling uit Kafarnaüm wiens zoon ziek was.
47 Omdat hij gehoord had dat Jezus uit Judea naar Galilea was teruggekeerd, was hij naar hem toe gekomen, en nu vroeg hij of Jezus mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen.
48 Jezus zei tegen hem: ‘Als jullie geen tekenen en wonderen zien, geloven jullie niet!’
49 Maar de hoveling drong aan: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.’
50 ‘Ga maar naar huis, ‘zei Jezus, ‘uw zoon leeft.’ De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en ging weg.
51 En terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem al tegemoet om te zeggen dat zijn kind in leven was.
52 Hij vroeg hen sinds wanneer het beter met hem was gegaan. Ze zeiden: ‘Gisteren, een uur na de middag, is de koorts verdwenen.’
53 De vader besefte dat dat het moment was dat Jezus tegen hem gezegd had ‘uw zoon leeft’. Hij kwam tot geloof, hij en al zijn huisgenoten.
54 Dit deed Jezus toen hij uit Judea naar Galilea was teruggekeerd; het was zijn tweede wonderteken. (Johannes 4)
Er is weleens gezegd, dat Jezus’ houding tegenover en Zijn leer betreffende de vrouw, Hem al op één lijn geplaatst zou hebben met de grote leraars van deze wereld, zelfs als Hij niets anders in Zijn leven gedaan zou hebben. Een groot Joods rabbijn heeft eens gezegd: „Beter is het de Wet (de Schriften) te verbranden, dan haar te onderwijzen aan een vrouw.” Dit was een buitenissig standpunt, dat door lang niet alle Joden gedeeld werd en zeker in onze tijd niet. De Heer brak echter wel met de gewoonte van Zijn tijd, als Hij diepgaande gesprekken met vrouwen had.

In dit hoofdstuk lezen wij van een gesprek, dat de Here Jezus had met de Samaritaanse vrouw. Dit gesprek vond plaats in Sichar, dat aan de voet van de berg Ebal lag, niet ver van Sichem. Vlak bij de stad, ruim een kilometer ten westen van Sichar, lag de Jakobsbron. Deze bron lag in het veld dat Jakob indertijd aan zijn zoon Jozef had gegeven (vgl. Genesis 33:19 met Jozua 24:32). Over het ontstaan van het Samaritaanse volk kunt u lezen in 2 Koningen 17:24 41.

Dichtbij Sichar lag ook de berg Gerizim. Op deze berg werd na de Babylonische ballingschap door een Joods priester de Samaritaanse tempel gebouwd. Hoewel deze tempel in 128 vóór Christus door de Joden verwoest werd, bleef de eredienst van de Samaritanen op de Gerizim bestaan. Naar deze berg verwijst de vrouw in vers 20. De Heer bood het levend water van het eeuwige leven aan de Samaritaanse vrouw aan. In het Hebreeuws hebben wij hier een woordspeling. “Levend water” is in het Hebreeuws: “ma-jiem cha-jiem”.

Levend water is water dat uit een fontein komt. Het is helder, fris stromend water. Men kende in Israël ook water uit een put, stilstaand water. In vers 11, 12 ziet u, dat de vrouw spreekt over de put van Jakob. De Heer heeft het echter niet over de put van Jakob, als Hij spreekt over het levend water want Hij spreekt niet over een put, maar over een fontein (:14). De Heer zei haar, dat Hij levend water schenken kon; water dat fris is, dat altijd in beweging is en dat een mens volkomen kan veranderen. Met dit water bedoelde Hij iets geestelijks te zeggen. Hij sprak immers over de gave Gods, het geschenk dat God geeft. Dit levend water is de Heilige Geest (vgl. Johannes 7:37 39). Het ontvangen van het eeuwige leven en de Heilige Geest gaan samen. Er is niets mooier en meer verfrissend en verkwikkend in het leven van een mens, dan het ontvangen van de Heilige Geest en het eeuwige leven als een geschenk van God. Iedere gelovige krijgt zowel de Heilige Geest als het eeuwige leven op het moment dat hij zijn geloof (dat is: zijn vertrouwen) stelt in de Here Jezus. Het woord “geloven” in de Bijbel heeft namelijk ook de betekenis van “vertrouwen”. Wie in de Here Jezus gelooft, stelt zijn vertrouwen op Hem.

De Heer leerde deze vrouw, dat ware aanbidding geestelijk van aard is en niet beperkt wordt tot een bepaalde plaats of vorm (:21 24). Direct daarna openbaarde Hij haar, dat Hij de Messias was. Dit had Hij nog aan niemand verteld! Messias en Christus betekenen immers beide hetzelfde, nl. „Gezalfde”. Messias is de naam, die de Bijbel in de tijd van de Joodse profeten had gegeven aan de Verlosser, die God in de wereld zou zenden.

Let er op, dat de Here Jezus de vrouw voor het feit plaatst, dat zij een zondares is. Belijdenis van zonden en waarachtige bekering vormen de eerste stap naar een juiste verhouding tot God. Het levend water kan niet stromen, tenzij de zonde uit de weg geruimd wordt!

In de beschrijving van de ontmoeting van de Here Jezus met de Samaritaanse vrouw, ontdekken wij dat de Here Jezus ook echt mens was. Hij is niet alleen de machtige Zoon van God die alles weet, zoals wij lezen in de verzen 17 en 18, Hij is ook echt mens: Hij was moe en had dorst (:6,7). Zo was Hij gekomen als de Messias van Israël. In de verzen 25 en 26 lezen wij, dat Jezus voor de eerste keer in dit evangelie bevestigt dat Hij de Messias is. Zie ook vers 29. De vrouw is overtuigd, dat Jezus de Messias is. Zij is tevens overtuigd, dat Hij niet alleen voor Israël gekomen is, maar dat Hij tevens de Redder voor de hele wereld is (:42). In deze zelfde geschiedenis maken de discipelen duidelijk, dat Jezus rabbijn is, als zij Hem als rabbi aanspreken (:31).

Terwijl christenen soms wat neerbuigend over Joden kunnen praten en een houding aannemen alsof zij superieur boven de Joden zijn, iets wat de Samaritanen ook hadden (!), maakt de Here Jezus de Samaritaanse vrouw duidelijk, dat er voor niet-Joden geen eigen weg tot het heil van God is! “Het heil is uit de Joden” zo zei de Heer met nadruk (:22)! Toen de apostel Paulus in zijn brief aan de Romeinen schreef over de betekenis van het evangelie voor Joden en niet-Joden, maakte ook hij duidelijk, dat de Joden eerst kwamen! Hij schreef: “Voor dit evangelie schaam ik mij niet, want het is Gods reddende kracht voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken.” (Romeinen 1:16) Ook deelde Paulus het volgende mee: “In de eerste plaats zijn het de Joden aan wie God Zijn woord heeft toevertrouwd.” (Romeinen 3:2) en het is “het volk dat van de aartsvaders afstamt en waaruit Christus is voortgekomen. God, die boven alles verheven is, zij geprezen tot in eeuwigheid. Amen.” (Romeinen 9:5)

Het evangelie van Johannes maakt ons hier duidelijk, dat voor de christenen hun geestelijke wortels in het jodendom liggen. Christenen kunnen zich niet distantiëren van de Joden alsof de Joden minderwaardig zijn of een minderwaardig geloof hebben. Als christenen komen wij uit het jodendom voort. De eerste christenen waren allen Joden. Het christendom is ontstaan als een Joodse beweging, die pas in later tijden zonder Joden verder gegaan is. De Gemeente van Jezus Christus begon echter als een zuiver Joodse beweging. Het Hoofd van de christenen - Jezus - was een Jood die Zich volkomen aan de Joodse leer hield. De Bijbel laat duidelijk zien, dat Hij geen overtreder van de Joodse wet was, dus van de Bijbels-Joodse wet, maar dat Hij die volkomen in vervulling gebracht heeft! Jezus Zelf heeft gezegd: “Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.” (Mattheüs 5:17) Paulus schreef aan de Romeinse christenen: “De wet zelf is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed.” (Romeinen 7:12) Het gaat hierbij niet om de vraag of christenen die niet tot het Joodse volk behoren ook deze wet moeten houden. In de brief aan de Galaten maakt Paulus duidelijk, dat dit niet hoeft. Het gaat nu echter over het feit, dat christenen zich dienen te realiseren, dat zij wat hun geloof betreft, uit het jodendom zijn voortgekomen en dat de geestelijke vader van de Joden, Abraham, ook de geestelijke vader van de christenen is. “U ziet dus dat zij die geloven kinderen van Abraham zijn.” (Galaten 3:7)

In de verzen 43 tot 54 hebben wij de geschiedenis van de genezing van de zoon van de hoveling. „Hoveling” wil zeggen, dat hij in dienst stond van koning Herodes. Evenals in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk wordt ook in het tweede gedeelte de tijd genoemd volgens de Joodse wijze. Bij de Samaritaanse vrouw is dit het zesde uur, bij de zoon van de hoveling het zevende uur. De Joodse tijdrekening telde van zonsondergang tot zonsopgang, dat is de nacht, en van zonsopgang tot zonsondergang, dat is de dag. Een etmaal begon dus niet zoals bij ons om 12 uur ‘s nachts, maar bij zonsondergang. Wat bij ons “avond” is, was bij de Joden al de nieuwe dag. Dit is niet alleen de Joodse tijdrekening; het is de Bijbelse tijdrekening. U ziet dit al in Genesis 1 waar geteld wordt in avonden en morgens; eerst de avond, daarna de morgen die bij dezelfde dag hoort als de voorgaande avond. Omdat zonsondergang om ongeveer 6 uur ‘s avonds gesteld kan worden en zonsopgang om ongeveer 6 uur ‘s morgens, spreekt men gemakshalve over het begin van de nieuwe dag om 6 uur ‘s avonds en het begin van de morgen om 6 uur ‘morgens.

De genezing van de zoon van de hoveling is het tweede teken van de Here Jezus dat Johannes ons beschrijft. En ook dit tweede teken vindt plaats in Kana, waar ook het eerste teken geschiedde. De Here Jezus heeft na de bruiloft te Kana een lange reis gemaakt en is nu weer in dezelfde plaats teruggekeerd. Wij lezen, dat de hoveling „het woord geloofde, dat Jezus tot hem sprak” (:50). Deze geschiedenis laat zien, dat geloof van vitaal belang is voor hen die een zegen van Jezus willen ontvangen. De Heer had de Samaritaanse vrouw gezegd, dat het water dat Hij zou geven, zou worden tot een fontein van fris, stromend water. De uitwerking zien we bij de vrouw en bij de hoveling. Niet alleen komen zij zelf tot geloof, maar ook vele anderen! (zie :41, 42 en 53)

In deze geschiedenis leren wij de Here Jezus kennen als de grote Helper en oplosser van schijnbaar onoplosbare problemen. Wij leren Hem kennen als de grote Geneesheer. In Jesaja 53 was beloofd, dat de Messias genezing zou brengen. “Hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam... Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.” (Jesaja 53:4,5)

Er is helaas veel verwarring over deze woorden van de profeet Jesaja. Velen vergeten deze woorden over ziekte en genezing te zien in verband met de gehele profetie van Jesaja. Wie het hele boek van Jesaja leest, ontdekt dat Jesaja al aan het begin van zijn boek het volk voorhoudt, dat hun zonden zijn te vergelijken met een ernstige ziekte. Het volk is zo ziek, dat het niet meer te genezen is. Hiermee bedoelt Jesaja niet dat er een epidemie is uitgebroken en het hele volk letterlijk zal uitsterven. Hij bedoelt, dat zoals een vreselijke ziekte lijdt tot de dood, zo de zonden van de mensen de geestelijke dood als straf van God tot gevolg heeft. Maar nu komt de Messias en draagt de straf voor de zonden, die dus als ziekten het volk getroffen hebben.

Eigenlijk spreekt Jesaja over twee feiten. Hij spreekt over letterlijke ziekten, die de Messias tijdens Zijn leven op aarde zal genezen, als voorteken en bewijs, dat Hij de Messias is, die in het Messiaanse vrederijk grote gezondheid zou brengen. Vandaar dat Mattheüs ons vertelt, dat de Here Jezus al tijdens Zijn leven genezing bracht aan de mensen. Deze genezing was dus niet op grond van Zijn verzoenend lijden, want Hij was op dat moment nog niet gestorven aan het kruis, terwijl toen de profetie van Jesaja 53 reeds in vervulling gegaan was, zo laat Mattheüs 8:17 ons zien. Het was dus een vervulling die alleen voor Israël bestemd was, omdat aan Israël bewezen moest worden, dat Jezus de Messias van Israël was en de genezingen die Jezus deed alleen aan Israël geschonken werden. Zo ook zien wij dat in Mattheüs 10:5-8 de Here Jezus opdracht gaf aan Zijn leerlingen om wonderen als genezingen alleen aan Israëlieten te brengen, terwijl wij van Hem Zelf ook lezen, dat Hij Zijn wonderen en genezingen alleen voor Israëlieten deed! Tegen de Kananese vrouw (een niet-Joodse vrouw) zei Hij: “Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.” (Mattheüs 15:24)

Jesaja spreekt over ziekten die het beeld zijn van de zonden van de mens. Dit zijn dus geen letterlijke ziekten, maar “zonde-ziekten”. Voor deze zonde-ziekten is de Here Jezus aan het kruis gestorven. Nu gaat het echter niet over lichamelijke genezingen als gevolg van het kruis, maar gaat het over reiniging van onze zonden als gevolg van de verzoening. Dit maakt Petrus duidelijk als hij schrijft: “Hij (Jezus) heeft in zijn lichaam onze zonden het kruishout op gedragen, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen. Eens dwaalde u als schapen, nu bent u teruggekeerd naar hem die de herder is, naar hem die uw ziel behoedt.” (1 Petrus 2:24,25) U ziet waarover het gaat: het kruis geneest ons van de zonden. Daarom zegt vers 25 ook, dat het over onze ziel gaat. Het gaat niet over de genezing van ons lichaam, maar over de genezing van onze ziel.

Zo is Jezus ook voor u degene die uw ziel kan reinigen en genezen van alle smetten die de zonden daarop gebracht hebben. Hij is ook voor u gestorven, opdat uw ziel volkomen rein zou worden voor God. Dat was ook de bedoeling van Jesaja toen hij schreef over de reiniging van zonden als genezing van ziekten. Hij schreef: “Al zijn je zonden rood als scharlaken, ze worden wit als sneeuw, al zijn ze rood als purper, ze worden wit als wol.” (Jesaja 1:18)

In Johannes 4:45 wordt ons verteld dat mensen uit Galilea aanwezig waren in Judea op het feest dat in Johannes 2:13 genoemd wordt. Deze Galileërs geloofden en aanvaardden Jezus. De Judeeërs, dat waren de leiders van de mensen uit Judea geloofden niet dat Jezus de Messias was en aanvaardden Hem niet als Messias. Zo gingen bij Jezus de wegen van de mensen uiteen. De één geloofde en aanvaardde Jezus, de ander wees Jezus af.

Van de hoveling lezen wij, dat hij met al zijn huisgenoten in de Here Jezus geloofde, nadat zij het wonderteken gezien hadden dat de Here Jezus verricht had. Steeds weer blijkt, dat het evangelie van Johannes ons oproept om in de Here Jezus te geloven. Zo wordt ook u opgeroepen om in Hem te geloven.

In dit hoofdstuk leren wij Jezus kennen als degene die ervoor zorgt dat je jezelf leert kennen in Zijn licht. Je gaat je eigen zonde, fouten en onvolkomenheden zien als je kijkt naar Hem. Je ontdekt ook, dat Hij je wil en kan helpen om anders te worden. Daarom schenkt Hij je levend water, opdat je nooit meer geestelijke dorst zult hebben. Dan roept Hij je op om de Vader te aanbidden. Hij laat je zien, dat dit op een geestelijke manier dient te gebeuren. Daarom ontvangt de gelovige ook de Heilige Geest! En Hij schenkt genezing waar je ziek bent. Toen Hij op aarde was schonk Hij genezing aan mensen die lichamelijk ziek waren. Ons schenkt Hij soms ook genezing van lichamelijke ziekten. Maar dat heeft Hij ons niet beloofd. Hij heeft beloofd, dat Hij ons genezing zal schenken van de “zonde-ziekte”. Zo is Hij onze geestelijke Geneesheer.

Gebed:
„Heer, geef mij het water, dat Gij geeft, opdat ik nooit meer dorst zal hebben; dat in mij zal worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven. Amen.”
 

opgaven les 6


De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!

Het 24ste vers van dit hoofdstuk is zéér belangrijk. U doet er goed aan, dit vers uit het hoofd te leren.

1. Jezus gaf de voorkeur aan ander voedsel dan het voedsel dat de discipelen gekocht hadden. Hoe noemde Hij dit voedsel?
2. Jezus gaf de voorkeur aan ander voedsel dan het voedsel dat de discipelen gekocht hadden. Hoe noemde Hij dit voedsel?
  a. Eerst
  b. Later
3. Wat geloofden de Samaritanen?
4. Was hun geloof een „vermoeden”, een „hoop”, een „zeker weten” of misschien nóg iets anders?
5. Leert de Bijbel dat christenen geestelijk “boven” de Joden staan?
6. Wat was Jezus' tweede teken te Galilea?
7. Hoe lang na Jezus' woorden „Uw zoon leeft” werd de zoon van de hoveling genezen?
8. Bewijst de genezing van de zoon van de hoveling dat ook wij aanspraak kunnen maken op genezing van onze ziekten door de Here Jezus?
9. Bij de Joden begint de nieuwe dag rond zonsondergang. Bij ons begint de nieuwe dag om 12.00 uur ‘s nachts. Wanneer begint de Bijbelse nieuwe dag?
10. Was de Here Jezus gekomen om mensen van alle volken te genezen of om alleen mensen van Israël te genezen?
11. Wat kan en wil Jezus voor u persoonlijk zijn en betekenen, zoals blijkt uit dit hoofdstuk en deze studie?


BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2012 Stichting Het Licht des Levens