BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Online studies beluisteren

Online studies lezen

Internet Bijbel studie

Speciale e-mail studies

Evangelisatie serie
inhoud
1. Wie is Jezus?
2. De Goddelijkheid van de Heer Jezus
3. Jezus is het Lam van God
4. Jezus brengt vreugde in je leven
5. Jezus en de nieuwe geboorte
6. Jezus en het levende water
7. Jezus is één met God de Vader
8. Jezus geeft brood aan de hongerige
9. Jezus geeft onderwijs
10. Jezus, het Licht der wereld
11. De genezing van de blindgeborene
12. Jezus is de Goede Herder
13. De opwekking van Lazarus
14. Jezus en de zalving te Betanië
15. Jezus wast de voeten van de discipelen
16. Jezus schenkt Goddelijke hulp
17. Jezus is de ware wijnstok
18. Jezus zendt de Heilige Geest
19. Jezus bidt voor de Zijnen
20. De gevangenneming en het proces
21. Jezus de Gekruisigde
22. Jezus is de Opgestane
23. Jezus is de Leider van Zijn volgelingen
24. Jezus geeft eeuwig leven
Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 8
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de volgende les.


Antwoorden les 7
1. Tot wie heeft Jezus gezegd: “Sta op, neem uw matras op en wandel”?
  Tot een man die al 38 jaar ziek was (:5).
2. Op welke dag heeft Jezus deze man genezen?
  Op sabbat (:10).
3. Om welke twee redenen hebben de Joden geprobeerd Jezus te doden? (zie vers 18)
  a. Hij ondermijnde in hun ogen de sabbat.
  b. Hij noemde God Zijn eigen Vader en verklaarde dus dat Hij één was met God.
4. In welke verzen spreekt Jezus van het leven na de dood?
  In vers 21,24,25,28,29.
5. Jezus sprak van twee verschillende opstandingen. Hij noemde Hij deze opstandingen?
  a. om te leven, dat is de opstanding van de gelovigen, die eeuwig leven hebben.
  b. om veroordeeld te worden, dat is de opstanding van hen die veroordeeld zijn en voor eeuwig verloren zijn.
6. Aan wie heeft de Vader het gehele oordeel overgegeven?
  Aan de Zoon, dat is: aan Jezus (:22,27).
7. Jezus spreekt van verschillende getuigen, die bewijzen, dat de Vader Hem gezonden heeft. Noem minstens drie getuigen.
  a. Johannes (:33).
  b. Mozes (:46).
  c. Het werk dat Jezus doet (:19,36).
  d. God de Vader (:37).
  e. De Schriften, dat is wat wij het Oude Testament noemen.
8. Wat kan en wil Jezus voor u persoonlijk betekenen?
  Hij is degene die mij in een goede relatie met God de Vader kan brengen en Hij helpt mij om de boodschap van de Bijbel te kunnen begrijpen.



Wie is Jezus? - les 8
Jezus geeft brood aan de hongerige

1 Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea (ook wel het Meer van Tiberias genoemd).
2 Een grote menigte mensen volgde hem, omdat ze gezien hadden welke wondertekenen hij bij zieken deed.
3 Jezus ging de berg op, en ging daar met zijn leerlingen zitten.
4 Het was kort voor het Joodse pesachfeest.
5 Toen Jezus om zich heen keek en zag dat die menigte naar hem toe kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’
6 Hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen.
7 Filippus antwoordde: ‘Zelfs tweehonderd denarie zou niet voldoende zijn om iedereen een klein stukje brood te geven.’
8 Een van de leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei:
9 ‘Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen–maar wat hebben we daaraan voor zoveel mensen?’
10 Jezus zei: ‘Laat iedereen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten; er waren ongeveer vijfduizend mannen.
11 Jezus nam de broden, sprak het dankgebed uit en verdeelde het brood onder de mensen die er zaten. Hij gaf hun ook vis, zoveel als ze wilden.
12 Toen iedereen volop gegeten had zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Verzamel nu de overgebleven stukken brood, zodat er niets verloren gaat.’
13 Dat deden ze en ze vulden twaalf manden met wat overgebleven was van de vijf gerstebroden die men had gegeten.
14 Toen de mensen het wonderteken dat hij gedaan had zagen, zeiden ze: ‘Hij moet wel de profeet zijn die in de wereld zou komen.’
15 Jezus begreep dat ze hem wilden dwingen om mee te gaan en hem dan tot koning zouden uitroepen. Daarom trok hij zich terug op de berg, alleen.
16 Bij het vallen van de avond daalden zijn leerlingen af naar het meer;
17 ze stapten in een boot en zetten koers naar de overkant, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden, en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen.
18 Er stak een hevige wind op en het meer werd onstuimig.
19 Toen ze vijfentwintig of dertig stadie geroeid hadden, zagen ze plotseling Jezus over het meer lopen; hij was dicht bij de boot en ze werden bang.
20 Maar hij zei: ‘Ik ben het, wees niet bang.’
21 Ze wilden hem aan boord nemen, maar meteen kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden.
22 De volgende dag stond de menigte weer aan de oever van het meer. Ze hadden gezien dat er maar één boot was en dat Jezus niet aan boord was gegaan, maar dat zijn leerlingen alleen vertrokken waren.
23 Nu legden er andere boten uit Tiberias aan, dicht bij de plek waar ze het brood gegeten hadden nadat de Heer het dankgebed had uitgesproken.
24 Toen de mensen zagen dat Jezus en zijn leerlingen er niet waren, stapten ze in die boten en voeren ze naar Kafarnaüm om hem te zoeken.
25 Ze vonden hem aan de overkant van het meer en vroegen: ‘Rabbi, wanneer bent u hier gekomen?’
26 Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: u zoekt me niet omdat u tekenen hebt gezien, maar omdat u brood gegeten hebt en verzadigd bent.
27 U moet geen moeite doen voor voedsel dat vergaat, maar voor voedsel dat niet vergaat en eeuwig leven geeft; de Mensenzoon zal het u geven, want de Vader, God zelf, heeft hem die volmacht gegeven.’
28 Ze vroegen: ‘Wat moeten we doen? Hoe doen we wat God wil?’
29 ‘Dit moet u voor God doen: geloven in hem die hij gezonden heeft, ‘antwoordde Jezus.
30 Toen vroegen ze: ‘Welk wonderteken kunt u dan verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven. Wat kunt u doen?
31 Onze voorouders hebben immers manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven staat: “Brood uit de hemel heeft hij hun te eten gegeven.”’
32 Maar Jezus zei: ‘Waarachtig, ik verzeker u: niet Mozes heeft u het brood uit de hemel gegeven, maar mijn Vader; hij geeft u het ware brood uit de hemel.
33 Het brood van God is het brood dat neerdaalt uit de hemel en dat leven geeft aan de wereld.’
34 ‘Geef ons altijd dat brood, Heer!’ zeiden ze toen.
35 ‘Ik ben het brood dat leven geeft, ‘zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben.
36 Maar ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u me gezien.
37 Iedereen die de Vader mij geeft zal bij mij komen, en wie bij mij komt zal ik niet wegsturen,
38 want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat hij wil die mij gezonden heeft.
39 Dit is de wil van hem die mij gezonden heeft: dat ik niemand van wie hij mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat ik hen allen laat opstaan op de laatste dag.
40 Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat ik hen op de laatste dag uit de dood zal opwekken.’
41 De Joden begonnen te protesteren omdat hij zei dat hij het brood was dat uit de hemel was neergedaald.
42 ‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan hij dan zeggen dat hij uit de hemel is neergedaald?’
43 Jezus zei: ‘Ik hoor u bezwaren maken.
44 Toch kan niemand bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij me brengt, en ik zal hem op de laatste dag tot leven wekken.
45 Het staat geschreven in de Profeten: “Zij zullen allemaal door God onderricht worden.” Iedereen die naar de Vader luistert en van hem leert komt bij mij.
46 Niet dat iemand ooit de Vader gezien heeft–alleen hij die van God komt, heeft hem gezien.
47 Waarachtig, ik verzeker u: wie gelooft, heeft eeuwig leven.
48 Ik ben het brood dat leven geeft.
49 Uw voorouders hebben in de woestijn manna gegeten en toch zijn zij gestorven.
50 Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet.
51 Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; wanneer iemand dit brood eet zal hij eeuwig leven. En het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn lichaam.’
52 Nu begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren: ‘Hoe kan die man ons zijn lichaam te eten geven!’
53 Daarop zei Jezus: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt u geen leven in u.
54 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en hem zal ik op de laatste dag uit de dood opwekken.
55 Mijn lichaam is het ware voedsel en mijn bloed is de ware drank.
56 Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem.
57 De levende Vader heeft mij gezonden, en ik leef door de Vader; zo zal wie mij eet, leven door mij.
58 Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet het brood dat uw voorouders aten; zij zijn gestorven, maar wie dit brood eet zal eeuwig leven.’
59 Dit alles zei hij in de synagoge van Kafarnaüm toen hij daar onderricht gaf.
60 Veel leerlingen die het gehoord hadden zeiden: ‘Dit zijn harde woorden, wie kan daarnaar luisteren?’
61 Jezus wist wel dat zijn leerlingen protesteerden en zei tegen hen: ‘Ergeren jullie je hieraan?
62 Maar als jullie nu de Mensenzoon zouden zien opstijgen naar waar hij eerst was?
63 De Geest maakt levend, het lichaam dient tot niets. Wat ik gezegd heb is Geest, en leven.
64 Maar sommigen van jullie geloven niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet geloofden en wie hem zou uitleveren.
65 ‘Daarom heb ik jullie gezegd, ‘zei hij, ‘dat iemand alleen bij mij kan komen als het hem door de Vader gegeven is.’
66 Toen trokken veel leerlingen zich terug en gingen niet verder met hem mee.
67 Jezus vroeg nu aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’
68 Simon Petrus gaf antwoord: ‘Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven,
69 en wij geloven en weten dat u de Heilige van God bent.’
70 Jezus zei: ‘Ikzelf heb jullie alle twaalf uitgekozen, en toch is een van jullie een duivel.’
71 Hiermee doelde hij op Judas, de zoon van Simon Iskariot, want hij, een van de twaalf, zou hem uitleveren.
(Johannes 6)

Dit hoofdstuk begint met een terugblik op het wonder van de genezing die in een vorige hoofdstuk beschreven was, evenals andere genezingen, die niet beschreven worden. Er wordt nu duidelijk gemaakt, dat het doel van dit genezingswonder was, dat mensen (in geloof) Jezus zouden volgen (:2). De genezingen hadden dus een heel bijzonder en speciaal doel.

In het eerste deel van dit hoofdstuk worden twee wonderen beschreven: de spijziging van de 5000 en het wandelen van de Here Jezus over de zee. Het tweede deel van dit hoofdstuk geeft een nadere verklaring van de geestelijke betekenis van de wonderbare spijziging. Bij het wonder van de spijziging wordt vermeld, dat de aanleiding hiertoe een beproeving van het geloof van Filippus was. Geloof moet (soms of van tijd tot tijd) beproefd worden. Dat zien wij vaker in de Bijbel. Het begon al met Abraham, die zijn zoon op het altaar moest leggen (Genesis 22). Abraham wist niet, dat God de dood van Izaak niet wilde. Abraham was overtuigd, dat hij zijn zoon echt moest doden en dat hij hem later uit de dood zou terugkrijgen (zie Hebreeën 11:18). In de geschiedenis van Johannes 6 werd het geloof van Filippus beproefd. Soms moet ons geloof ook beproefd worden! Zie ook Deuteronomium 8:2,16.

Er is een groot verschil tussen een verzoeking en een beproeving. Hoewel het in de grondtaal van de Bijbel het zelfde woord is, blijkt uit de omschrijving hoe het bedoeld is: als een beproeving of als een verzoeking. Een verzoeking is negatief, terwijl een beproeving positief is. Een verzoeking is een poging om ons tot zonde te verleiden. Een beproeving is er om te laten zien, dat we bij de verleiding juist niet in de zonde vallen. Wij geven enkele voorbeelden. Geloof, liefde, trouw, oprechtheid en standvastigheid worden niet verzocht, maar beproefd. Moeiten, zorgen en verdriet kunnen van Godswege komen opdat de echtheid van je geloof blijke. Maar ze kunnen ook van satan komen om je te verleiden tot zonde. Verlangens die bij je opkomen om iets verkeerds te doen, zijn verzoekingen. Zij willen je verleiden om te zondigen, dat is: om in opstand te komen tegen God. Verleidingen zijn dus pogingen van de duivel opdat wij zullen zondigen. Zo kwam de duivel eens in de woestijn bij de Heer Jezus met het doel Hem te verleiden tot zonde. Zo kan de duivel ook bij ons komen en proberen ons tot zonde te verleiden. Het verschil is dus: het is beproeven van en verleiden tot. Het is beproeven van je geloof e.d. en verleiden tot zonde.

Het is voor ons niet altijd makkelijk om te weten, of wij door de duivel verzocht worden opdat wij zullen zondigen, of dat God ons geloof beproeft opdat de vastheid van ons geloof juist openbaar zal worden. In 1Corinthe 10:13 wordt dit Griekse woord in de ene vertaling (1951) als “verzoeking” vertaald en in de vertaling van 2004 als “beproeving”. Wij vermelden deze tekst in beide vertalingen: “U hebt geen beproevingen te doorstaan die niet voor mensen te dragen zijn. God is trouw en zal niet toestaan dat u boven uw krachten wordt beproefd: hij geeft u mét de beproeving ook de uitweg, zodat u haar kunt doorstaan.” (Nieuwe Bijbel Vertaling 2004) en “Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.” (NBG 1951) Als u deze tekst bekijkt en moet kiezen tussen beide vertalingen, wat moet het dan zijn: verzoeken of beproeven.

Het is haast vanzelfsprekend, dat ook in dit hoofdstuk opnieuw geschreven staat, dat wij in de Here Jezus moeten geloven. Dat is nota bene het belangrijkste dat een mens voor God kan doen (:28,29). Hierbij hoeft niemand bang te zijn, dat als hij zijn toevlucht bij de Here Jezus zoekt, hij door Hem zal worden afgewezen (:37). Ook is er weer een duidelijke belofte voor wie in de Here Jezus gelooft. Het is de wil van God de Vader, dat ieder die gelooft eeuwig leven zal krijgen (:40,47) en door de Here Jezus opgewekt zal worden als “de laatste dag” aangebroken zal zijn (:40).
Realiseer u, dat de 5000 die hier te eten kregen allemaal mannen waren (:10). Er zullen zeker ook vrouwen en kinderen bij geweest zijn, zodat het werkelijke aantal aanwezigen veel groter was. Al deze mensen kregen door middel van een wonder te eten van de Heer. Het wonderteken riep ook hier de mensen op tot geloof in Jezus. Het wonder dat Jezus verrichtte deed hen denken aan wat hun voorouders in de woestijn hadden meegemaakt, toen God door middel van Mozes hen het manna uit de hemel schonk. Dit realiserend, vergeleken zij Jezus met Mozes en dachten zij aan de belofte die in het vijfde boek van Mozes (Deuteronomium 18:15) gegeven was, namelijk, dat er een groot Profeet van God zou komen. Nu geloofden zij, dat Jezus de vervulling was van deze belofte van God en dat Hij de bedoelde Profeet was.

Er worden ook in dit hoofdstuk duidelijke uitspraken gedaan over de vraag wie Jezus is. Wij zagen al, dat Hij de Profeet is die door Mozes aangekondigd was. Opnieuw wordt Hij in dit hoofdstuk als rabbijn getoond als de mensen Hem als “Rabbi” aanspreken (:25). Nog opmerkelijker wordt het als Jezus Zichzelf “Ik ben” (:20) en “het brood des levens” (:35 en 48) noemt en ook nog meedeelt, dat Hij uit de hemel gekomen is (:32-35,41,42,62). Hij is dus niet slechts een gewoon mens. Hij was voordat Hij op aarde kwam al in de hemel. Dat zagen wij indertijd al in de inleiding op deze studie in Daniël 7:13. Hij is dus de Messias, zo wordt ons hier duidelijk gemaakt. Petrus was ook overtuigd, dat Jezus de Messias was en noemde Hem daarom “de Heilige van God.” (:69) In vers 69 wordt zelfs duidelijk gemaakt, dat geloof in feite hetzelfde is als weten.

Het “brood des levens” is een verwijzing naar het manna, dat als brood van de engelen uit de hemel naar de aarde gekomen was (vgl. Psalm 78:23-25). Nu is Jezus als het brood des levens uit de hemel naar de aarde gekomen (:32,41,50,51,58). En zoals de Israëlieten in de woestijn het manna moesten eten en niet opsparen, zo moet Jezus als het brood des levens ook “gegeten” worden (:52-57). Dit betekent niet, dat de Bijbel hier kannibalisme leert. Het is een manier van spreken, die duidelijk maakt, dat zoals de Israëlieten in de woestijn het manna tot zich moesten nemen, zo wij ook - op een geestelijke manier - de Here Jezus als het brood des levens tot ons moeten nemen. Het is een manier van spreken die in feite gewoon wil zeggen: wij moeten in de Here Jezus geloven. Hierbij kunnen wij ons bewust zijn, dat zoals Jezus alles weet (:64), Hij ook weet wie hier op aarde wél en wie hier níet in Hem geloven. Hij wist zelfs wie Hem zou verraden (:70,71). Hij weet alles, ook van ons. Opnieuw blijkt, hoe bij Jezus de wegen tussen gelovigen en ongelovigen uiteen gaan (:66).

Ook deelde Hij mee, dat God de Vader Zijn zegel op Hem gedrukt heeft (zoals het in de vertaling van 1951 staat). In de vertaling van 2004 wordt gezegd, dat God de Vader Hem volmacht gegeven heeft. Letterlijk staat er in het Grieks, dat God de Vader Hem verzegeld heeft of - anders gezegd - Zijn zegel op Hem gedrukt heeft. Het is een zelfde uitdrukking als ook van de gelovigen gezegd wordt. De gelovigen zijn “gemerkt met het stempel van de Heilige Geest.” (Ephese 1:13). Toen wij gelovig werden, zijn wij “verzegeld met de Heilige Geest” zoals het in de vertaling van 1951 heet. Dit betekent, dat gelovigen een merkteken van Godswege hebben: zij hebben de Heilige Geest ontvangen die het bewijs is, dat zij kinderen van God zijn. Dit merkteken geldt niet slechts een bepaald aantal gelovigen, maar alle gelovigen, zo blijkt uit Ephese 1:13. “Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde (dat is: de Messias) en ons heeft gezalfd, is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft.” (2 Corinthe 1:21,22) In de vertaling van 2004 luiden deze laatste verzen als volgt: “Het is God die u en ons Christus als fundament geeft, die ons allen heeft gezalfd, heeft gewaarmerkt als zijn eigendom en ons als voorschot de Geest gegeven heeft.”

Zonder de Here Jezus zijn de discipelen met een boot de zee van Tiberias opgegaan. Deze zee werd ook wel het meer van Galilea genoemd. Zij leggen 25-30 stadiën af, d.i. ongeveer 5 km. Eén stadie is nl. 185 meter. Het is donker, er staat een harde wind en de zee is onstuimig. De discipelen schrikken, als zij plotseling de Here Jezus over het water zien wandelen. Hij stelt hen echter gerust met de woorden: “Ik ben het, weest niet bevreesd.” De uitspraak “Ik ben” komen wij regelmatig tegen in dit evangelie. Ze openbaren de Godheid van de Here Jezus (zie de inleiding bij de eerste les). In dit hoofdstuk zien wij, dat wind en golven terugdeinzen na deze woorden. In hoofdstuk 18 zien wij, dat de soldaten in de hof van Gethsemane terugdeinzen en ter aarde vallen op diezelfde woorden.

Het is niet zonder betekenis, dat de spijziging van de 5000 plaats vond, kort voor het laatste Paasfeest dat de Here Jezus op aarde zou vieren. Op dat feest zou de Here Jezus opnieuw een brood nemen, de zegen uitspreken en het breken. Dan zou Hij zeggen: “Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt...” (Lucas 22:19)

In Lucas 4:18,19 lezen wij, dat de Here Jezus Jesaja 61:1,2 citeerde en zei, dat deze dingen op Hem van toepassing waren. In die verzen werd het werk van de Messias beschreven.
In Jesaja 58:6,7 worden dezelfde dingen genoemd, terwijl er dan aan toegevoegd wordt: “Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt...?” In Psalm 146:7 wordt ook het werk van de Messias beschreven: “...die de hongerige brood geeft.” Door het wonder met de broden werd Jezus’ Messiasschap openbaar. De rabbijnen verwachten op grond van de hiervoor genoemde teksten, dat als de Messias komen zou, Hij evenals Mozes, manna uit de hemel zou geven. Dit zou een teken zijn, dat Hij inderdaad de Messias was, van God gezonden. Jezus geeft nu niet alleen door een wonder brood, maar Hij zegt ook, dat Hij zelf het ware Manna is (Johannes 6:48-51). De Heiland heeft niet alleen hongerige mensen brood gegeven, Hij heeft ook de betekenis van deze daad bekend gemaakt. Hijzelf is van de hemel nedergedaald als het brood des levens (Johannes 6:35,38,51). Wie van dit brood eet, zal niet sterven, maar in eeuwigheid leven (Johannes 6:50,51). Zoals wij brood nodig hebben om te leven, zo hebben wij de Here Jezus nodig om eeuwig te leven. Hij is het leven (zie Johannes 1:4; 5:26; 14:6) en schenkt het leven aan ieder die in Hem gelooft. Zo is Hij het brood des levens, d.w.z. het brood dat leeft en leven geeft (Johannes 6:33,35,48,51,58). Zoals de Heer tot de Samaritaanse vrouw over het water des levens sprak en zij Hem vroeg: “Here, geef mij dit water”, zo sprak Hij hier tot de Joden over het brood des levens en vroegen zij Hem: “Here, geef ons altijd dit brood.”

In dit hoofdstuk zien wij opnieuw, dat Jezus het antwoord is op de nood en de problemen van de mens. Nooit eerder en nooit later is er iemand geweest die al de noden en problemen van de mensen, zoals wij dit in het evangelie van Johannes zien, kon oplossen. Sommige mensen konden een oplossing brengen voor enkele problemen. Niemand kon ooit zo’n oplossing brengen voor al die problemen, zoals Jezus deed. Hieruit blijkt hoe uniek Hij is en was. Zo is Hij het brood voor mensen die geestelijke honger hebben. Hij geeft hen Gods antwoord op de vragen en problemen van hun hart.
 

opgaven les 8


De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
 
1. In dit hoofdstuk vindt u de eerste van een serie uitspraken van de Here Jezus, die alle beginnen met de woorden: “Ik ben.” Welke van deze uitspraken vindt u in dit hoofdstuk? Jezus zei: “Ik ben....”
2. Hoeveel voedsel bleef er over, nadat Jezus de schare gevoed had?
3. Wat is volgens de Here Jezus “het werk van God”?
4. Als iemand tot de Here Jezus komt, zal Hij zo iemand ooit afwijzen of wegsturen?
5. Wie spreekt woorden die eeuwig leven geven?
6. Wie krijgen eeuwig leven?
7. Op welke manier reageerden velen op Jezus’ woorden?
8. Noem enkele mensen of groepen mensen uit deze studie van wie het geloof beproefd werd.
a.
b.
c.
9. Jezus en het manna waren uit dezelfde plaats gekomen. Waar vandaan?
10. Als Jezus de “Mensenzoon” of de “Zoon des mensen” is, wil dit zeggen, dat Hij vóór Zijn komst naar de aarde al bij God was. Uit welke tekst in het Oude Testament blijkt dit?
11. Petrus geeft een bijzondere titel aan Jezus. Hoe noemt hij Hem?
12. Wat bedoelt Jezus als Hij zegt, dat wij Zijn vlees moeten eten?
13. Hoeveel gelovigen zijn verzegeld met de Heilige Geest?
14. Wat kan en wil Jezus ook voor u zijn?
15. Als u 1 Corinthe 10:13 in beide vertalingen bekijkt en moet kiezen tussen beide vertalingen, wat moet het dan zijn: verzoeken of beproeven.


BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2012 Stichting Het Licht des Levens