Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 9
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 8
| 1. |
In dit hoofdstuk vindt
u de eerste van een serie uitspraken van de Here
Jezus, die alle beginnen met de woorden: “Ik ben.”
Welke van deze uitspraken vindt u in dit hoofdstuk?
Jezus zei: “Ik ben....” |
| |
“Ik ben het brood
dat leven geeft.” (:35) |
| 2. |
Hoeveel voedsel bleef
er over, nadat Jezus de schare gevoed had? |
| |
12 manden |
| 3. |
Wat is volgens de Here
Jezus “het werk van God”? |
| |
Geloven in Hem die
Hij gezonden heeft, dat is: Geloven in Jezus die God
gezonden heeft |
| 4. |
Als iemand tot de Here
Jezus komt, zal Hij zo iemand ooit afwijzen of
wegsturen? |
| |
Neen. Jezus zei:
“Wie bij Mij komt zal Ik niet wegsturen.” (:37) |
| 5. |
Wie spreekt woorden
die eeuwig leven geven? |
| |
Jezus (:68) |
| 6. |
Wie krijgen eeuwig
leven? |
| |
Allen die in Jezus
geloven (:40,47) |
| 7. |
Op welke manier
reageerden velen op Jezus’ woorden? |
| |
Veel leerlingen
trokken zich terug en gingen niet verder met Jezus
mee (:66) |
| 8. |
Noem enkele mensen of
groepen mensen uit deze studie van wie het geloof
beproefd werd. |
| |
a. Abraham |
| |
b. Het volk Israël |
| |
c. Filippus |
| 9. |
Jezus en het manna
waren uit dezelfde plaats gekomen. Waar vandaan? |
| |
Uit de hemel |
| 10. |
Als Jezus de
“Mensenzoon” of de “Zoon des mensen” is, wil dit
zeggen, dat Hij vóór Zijn komst naar de aarde al bij
God was. Uit welke tekst in het Oude Testament
blijkt dit? |
| |
Daniël 7:13 |
| 11. |
Petrus geeft een
bijzondere titel aan Jezus. Hoe noemt hij Hem? |
| |
De Heilige van God |
| 12. |
Wat bedoelt Jezus als
Hij zegt, dat wij Zijn vlees moeten eten? |
| |
Dat wij net zoals de
Israëlieten het manna niet mochten laten liggen maar
het direct moesten eten, wij ook Hem niet mogen
laten wachten, maar Hem tot ons moeten nemen, dat
wil zeggen, dat wij in Hem moeten geloven |
| 13. |
Hoeveel gelovigen zijn
verzegeld met de Heilige Geest? |
| |
Alle gelovigen |
| 14. |
Wat kan en wil Jezus
ook voor u zijn? |
| |
Hij is Gods antwoord
op de vragen, nood en problemen van mijn hart en
mijn leven. Hij is het brood van de hemel voor mijn
hongerige ziel |
| 15. |
Als u 1 Corinthe 10:13
in beide vertalingen bekijkt en moet kiezen tussen
beide vertalingen, wat moet het dan zijn: verzoeken
of beproeven. |
| |
Beproeven en niet:
verzoeken. Het is God die het doet |
Wie is Jezus? - les 9
Jezus geeft onderwijs
1 Daarna trok Jezus door
Galilea; in Judea wilde hij niet komen, omdat de Joden
daar hem wilden doden.
2 Nu naderde het Joodse Loofhuttenfeest,
3 en daarom spoorden Jezus’ broers hem aan: ‘Blijf toch
niet hier, ga naar Judea; dan zien ook je leerlingen het
werk dat je doet.
4 Niemand doet toch iets in het geheim als hij bekend
wil worden. Als je dit soort dingen doet, laat je dan
zien aan de wereld.’
5 Ook zijn broers geloofden namelijk niet in hem.
6 Maar Jezus zei: ‘Mijn tijd is nog niet gekomen, voor
jullie is elke tijd goed.
7 De wereld kan jullie niet haten, maar mij haat ze wel,
omdat ik verklaar dat wat ze doet slecht is.
8 Gaan jullie maar naar het feest; ik ga niet, omdat de
tijd voor mij nog niet rijp is.’
9 Dat zei hij, en hij bleef in Galilea.
10 Maar toen zijn broers naar het feest vertrokken
waren, ging hij zelf ook, niet openlijk, maar in het
geheim.
11 Intussen keken de Joden op het feest al naar hem uit
en ze vroegen zich af waar hij was.
12 Overal werd over hem gesproken: sommigen vonden dat
hij een goed mens was, anderen meenden dat hij het volk
misleidde.
13 Maar niemand durfde openlijk over hem te spreken uit
angst voor de Joden.
14 Toen het feest al halverwege was, ging Jezus naar de
tempel en hij gaf er onderricht.
15 De Joden waren verbaasd: ‘Hoe weet hij dat allemaal,
terwijl hij geen opleiding heeft gehad?’
16 Jezus zei: ‘Wat ik onderwijs heb ik niet van mijzelf,
maar van hem die mij gezonden heeft.
17 Wie ernaar streeft te doen wat God wil, zal weten of
mijn leer van God komt of dat ik namens mezelf spreek.
18 Wie namens zichzelf spreekt, is uit op zijn eigen
eer, maar wie uit is op de eer van wie hem gezonden
heeft is betrouwbaar; hij bedriegt niemand.
19 U hebt van Mozes toch de wet gekregen? Maar niemand
houdt zich aan de wet. Waarom probeert u mij te doden?’
20 ‘U bent bezeten!’ riepen de mensen. ‘Wie probeert u
dan te doden?’
21 Jezus antwoordde: ‘Eén ding heb ik gedaan, en u staat
allemaal versteld.
22 Nu heeft Mozes u de besnijdenis gegeven–niet dat die
van Mozes komt, ze komt van de aartsvaders–en u besnijdt
ook op sabbat.
23 Als er op sabbat besneden wordt omdat anders de wet
van Mozes wordt overtreden, waarom bent u dan kwaad
wanneer ik op sabbat iemand helemaal gezond maak?
24 Ga in uw oordeel niet op de schijn af, maar laat uw
oordeel rechtvaardig zijn.’
25 Sommige Jeruzalemmers zeiden: ‘Is dat niet die man
die ze willen doden?
26 Moet je zien, hij spreekt vrijuit en ze zeggen niets
tegen hem. Zouden onze leiders werkelijk tot de
overtuiging zijn gekomen dat hij de Messias is?
27 Wanneer de Messias komt, zal niemand weten waar hij
vandaan komt, maar van hem weten we wel waar hij vandaan
komt.’
28 Bij zijn onderricht in de tempel zei Jezus luid en
duidelijk: ‘U kent mij en u weet waar ik vandaan kom.
Maar ik ben niet namens mezelf gekomen; ik ben gezonden
door iemand die betrouwbaar is, en hem kent u niet.
29 Ik ken hem, omdat ik bij hem vandaan kom en hij mij
heeft gezonden.’
30 Toen wilden ze hem grijpen, maar niemand deed hem
iets, omdat zijn tijd nog niet gekomen was.
31 Onder het volk waren er velen in hem gaan geloven,
‘want, ‘zeiden ze, ‘wanneer de Messias komt, zal die
niet meer wondertekenen verrichten dan hij heeft
gedaan.’
32 Toen de Farizeeën hoorden hoe er door de mensen over
hem gesproken werd, stuurden zij en de hogepriesters
dienaren om hem te arresteren.
33 Jezus zei: ‘Ik zal nog een korte tijd bij u zijn, dan
ga ik naar hem die mij gezonden heeft.
34 U zult me zoeken maar me niet vinden; u zult niet
kunnen komen waar ik ben.’
35 Toen zeiden de Joden tegen elkaar: ‘Waar gaat hij dan
naar toe, dat wij hem niet kunnen vinden? Hij zal toch
niet naar de Griekse diaspora gaan om de Grieken
onderricht te geven?
36 Wat bedoelde hij dan toen hij zei: “U zult me zoeken
maar me niet vinden; u zult niet kunnen komen waar ik
ben”?’
37 Op de laatste dag, het hoogtepunt van het feest,
stond Jezus in de tempel, en hij riep: ‘Laat wie dorst
heeft bij mij komen en drinken!
38 “Rivieren van levend water zullen stromen uit het
hart van wie in mij gelooft, ”zo zegt de Schrift.’
39 Hiermee doelde hij op de Geest die zij die in hem
geloofden zouden ontvangen; de Geest was er namelijk nog
niet, want Jezus was nog niet tot Gods majesteit
verheven.
40 Toen de mensen in de menigte dit hoorden zeiden ze:
‘Dit moet wel de profeet zijn.’
41 Anderen beweerden: ‘Het is de Messias, ‘maar er werd
ook gezegd: ‘De Messias komt toch niet uit Galilea?
42 De Schrift zegt toch dat de Messias uit het
nageslacht van David komt en uit Betlehem, waar David
woonde?’
43 Zo ontstond er verdeeldheid in de menigte,
44 en sommigen wilden hem grijpen, maar niemand deed hem
iets.
45 De dienaren van de hogepriesters en de Farizeeën
gingen terug. Toen hun werd gevraagd: ‘Waarom hebben
jullie hem niet meegebracht?’
46 antwoordden ze: ‘Nog nooit heeft een mens zo
gesproken!’
47 Maar de Farizeeën zeiden: ‘Hebben jullie je ook al
laten misleiden?
48 Er is toch geen enkele leider of Farizeeër tot geloof
in hem gekomen?
49 Alleen de massa die de wet niet kent–vervloekt zijn
ze!’
50 Maar Nikodemus, die destijds bij Jezus was geweest,
iemand uit hun eigen kring, zei:
51 ‘Onze wet veroordeelt iemand toch pas als hij gehoord
is en als bekend is wat hij heeft gedaan?’
52 Ze zeiden tegen hem: ‘Kom jij soms ook uit Galilea?
Zoek het maar na, dan zul je zien dat er uit Galilea
geen profeet kan komen.’
53 Daarop ging iedereen terug naar huis.
(Johannes 7)
In het eerste vers van dit hoofdstuk blijkt wat wij al
eerder schreven, dat Galilea tegenover Judea (de Joden)
staat. Het Joodse feest is het feest dat in Jeruzalem
gevierd zal worden (:1,2). In Judea en Jeruzalem liep
Jezus gevaar. Daar wilde men Hem doden. In Galilea waren
juist veel volgelingen van Hem.
Verschillende profeten hadden voorzegd, dat wanneer de
Messias, de beloofde Verlosser zou komen Hij Israëls
Koning zou worden (zie bijv. Jesaja 9:5,6; 32:1; Micha
5:1; Zacharia 9:9) Toen de mensen de tekenen zagen die
Jezus deed, zeiden velen: “Dit is de Messias, de
Koning.” Zo ook wilden zij na de spijziging van de 5000
Hem Koning maken (6:15).
Hoe meer de mensen van het volk overtuigd raakten, dat
Jezus de Christus, de Messias was, des te meer werden de
leiders in Judea verontrust. Zij vergeleken de
uitspraken van het Oude Testament met de uitspraken van
de Here Jezus en konden verschillende dingen niet met
elkaar in overeenstemming brengen. Terwijl het Oude
Testament sprak over de Messias en Zijn lijden, maar ook
over de Messias als koning, die hen zou bevrijden van
vijandige overheersers, meenden zij, dat er twee
Messiassen zouden komen. Eén om te lijden en één om
koning te worden. De lijdende Messias noemden zij de
Zoon van Jozef en de koninklijke Messias noemden zij de
Zoon van David. Nu werd de Here Jezus echter de Zoon van
David genoemd en díe zou wel koning worden, maar niet
lijden, zo meenden zij.
De Here Jezus sprak niet over bevrijding van de
Romeinen, maar Hij sprak steeds over Zijn lijden en
sterven en over bevrijding van de macht der zonde. Zij
begrepen niet, dat in het Koninkrijk van God de
verlossing van de mens en de heerschappij van de Messias
alleen bereikt konden worden in de weg van het lijden.
Zij begrepen niet, dat er slechts één Messias zou komen.
Toch hadden de profeten dit ook duidelijk gezegd (zie
bijvoorbeeld Jesaja 53). Jezus was gekomen om eerst te
lijden en te sterven, om zo te verlossen van zonde en
schuld. Bij Zijn wederkomst zal de zichtbare
koningsheerschappij op Zijn schouders rusten. Dan brengt
Hij ook de beloofde wereldvrede.
In Johannes 7 treffen wij Jezus weer in Jeruzalem aan;
op het Loofhuttenfeest. De stad is vol mensen, die uit
het gehele land gekomen zijn om dit feest te vieren. De
evangelist Johannes noemt de feesten die men in die tijd
vierde steeds “feesten der Joden” of “Joodse feesten”
(zie Johannes 5:1; 6:4; 7:2). Hiermee bedoelt hij niet,
dat deze feesten, die in de Bijbel “feesten des Heren”
genoemd worden, vervallen zijn tot geestelijk
inhoudsloze feesten. Hij maakt duidelijk, dat het de
feesten zijn die “in Judea” dus in Jeruzalem gevierd
worden en niet bijvoorbeeld in Galilea.
Jezus heeft Zijn opleiding tot rabbijn niet aan de
wereldberoemde rabbijnenschool te Jeruzalem genoten,
waar bijvoorbeeld de apostel Paulus wel zijn opleiding
gehad heeft (Handelingen 22:3, vgl. 5:34). Hij is door
de Vader geleerd (:16) en is blijkbaar in het minder
belangrijke Galilea tot rabbijn benoemd. Vandaar dat de
mensen van Jeruzalem heel minachtend het voorstellen
alsof Jezus helemaal geen opleiding tot rabbijn genoten
heeft (:15). Hij weet echter op duidelijke rabbijnse
manier met de geleerden van Jeruzalem te spreken. Dit
blijkt als Hij uitlegt, waarom Hij geen overtreder van
de wet was, toen Hij op sabbat een zieke genas. Hij
hield deze geleerden voor, dat zij zelf ook op sabbat
werkten als een jongetje precies op sabbat acht dagen
oud was. Dan moest hij volgens de wet besneden worden.
Maar dat was ook werken. Toch werd de besnijdenis niet
een dag uitgesteld tot de negende dag. Het jongetje werd
gewoon op sabbat besneden. Hoe kun je Jezus verwijten
dat Hij op sabbat werkt als Hij op die dag - door alleen
een woord te spreken - een zieke geneest, terwijl je
zelf op sabbat een mes hanteert? Een andere keer zei Hij
op een zelfde aanklacht: “En hebt u niet in de wet
gelezen dat de priesters die op sabbat in de tempel
dienst doen en zo de sabbat ontwijden, onschuldig zijn?”
(Mattheus 12:5)
Op dit feest ontstaat heel wat onenigheid over Jezus;
sommigen beweren dat Hij de Christus (de Messias) is,
anderen zeggen dat Hij een verleider is. In dit
hoofdstuk zien wij de vijandschap van de godsdienstige
leiders ten opzichte van Jezus. Deze vijandschap zal
uitgroeien, totdat zij Hem tenslotte zullen kruisigen.
Ook zien wij dat in de familiekring van Jezus de wegen
uiteengingen. Zelfs Zijn eigen broers wezen in ongeloof
Hem af (:5). Ook zien wij, dat “overal over Hem werd
gesproken: sommigen vonden dat hij een goed mens was,
anderen meenden dat hij het volk misleidde.” (:12) Dit
betekent in feite, dat zij meenden, dat Hij een
misleider was, dat wil zeggen, dat Hij een valse messias
was. In onze woorden betekende dit, dat zij Hem als een
antichrist beschouwden! Dit gaat nog verder, als wij
horen, dat zij Hem uitmaken voor iemand die van de
duivel bezeten is (:20). Ook hier blijkt hoe ver een
ongelovige kan gaan als hij Jezus afwijst.
Zonder al te veel ruchtbaarheid eraan te geven beleden
de mensen van het gewone volk dat Jezus de Messias was.
De geestelijke leiders maakten duidelijk, dat zij deze
mening niet deelden (:31,32).
Het feit dat de geestelijke leiders in Jeruzalem Jezus
echter niet arresteren op Godslastering deed bij velen
de vraag rijzen of zij in hun hart misschien ook
overtuigd waren dat Jezus de Messias is (:26). Er
blijken onder de Joodse leiders van Jeruzalem inderdaad
mensen te zijn die geloven dat Jezus de Messias is. Eén
van hen is Nikodemus, een groot geleerde en voornaam lid
van het Sanhedrin, een man die wij al in hoofdstuk 3
leerden kennen. Zie vers 50-52. In Johannes 19:38 horen
wij, dat Jozef van Arimathea ook een volgeling van Jezus
was. Ook hij was een voornaam lid van het Sanhedrin
(Marcus 15:43).
Later op het Loofhuttenfeest zullen mensen weer
belijden, dat Jezus de Profeet moest zijn die Mozes had
aangekondigd (:40). Wij zagen dit ook al in een eerder
hoofdstuk van dit evangelie. Ook waren velen overtuigd,
dat Hij de Messias was (:41). Men wist dat Jezus uit
Galilea kwam. Men wist niet dat Hij in Betlehem geboren
was. Daarom waren er ook mensen die meenden dat Jezus
wel de Messias kon zijn vanwege de wonderen die Hij deed
en de boodschap die Hij bracht, maar toch weer niet,
omdat Hij niet in Betlehem geboren zou zijn (: 41).
Op het Loofhuttenfeest ging er iedere dag een groep
feestgangers o.l.v. de priesters naar de vijver van
Siloam. Daar vulde men een gouden kruik met water,
waarna men terugging naar het altaar in de tempel en
daar het water uitgoot. Onmiddellijk daarna werd Jesaja
12:3 gelezen en werden er lofpsalmen gezongen. Dit alles
was een herinnering aan de reis door de woestijn, waarin
God zorgde voor water uit de steenrots. Het was ook een
beeld van wat eens gebeuren zou: de uitstorting van de
Heilige Geest, die als geestelijk water over de mensen
zou komen.
Nadat men van de eerste tot de zesde dag van het feest
het water bij Siloam is gaan halen, gebeurt dit op de
zevende dag op een heel bijzondere manier. Deze zevende
dag is de grote dag van het feest. Nu gaan de mensen
onder leiding van priesters met gouden trompetten het
water halen. Dan echter staat Jezus op en roept: “Indien
iemand dorst heeft...” (Johannes 7:37-39) De stromen van
levend water waren een beeld van de werking van de
Heilige Geest in het leven van ieder die gelooft:
reinigend, verkwikkend en verfrissend. De Messias zou
o.a. te herkennen zijn aan de Heilige Geest in Zijn
leven (Jesaja 11:2; 42:1; 61:1). Bij de doop in de
Jordaan is dit op een bijzondere wijze zichtbaar gemaakt
(Johannes 1:32). De Heer belooft nu de Heilige Geest aan
ieder die in Hem gelooft (Ephese 1:13).
Wie is Jezus? Hij is degene die je kan bevrijden uit de
macht van de zonde. Hij is ook degene die je de Heilige
Geest van God kan en wil schenken, zodat je nooit meer
geestelijke dorst zult hebben.
opgaven les 9
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
In welk vers van
Johannes 7 vindt u de vervulling van Psalm 69:9? |
| 2. |
Waarom haat de wereld
de Heer Jezus? |
| 3. |
Waarover verbaasden de
Joden zich, toen Jezus het volk leerde? |
| 4. |
Van Wie had Jezus de
boodschap, die Hij aan de mensen doorgaf, ontvangen? |
| 5. |
Had reeds eerder
iemand gesproken, zoals Jezus sprak? |
| 6. |
Wanneer ontvangen
mensen de Heilige Geest? |
| 7. |
Hadden de profeten
voorzegd, dat de Messias alleen zou lijden, alleen
koning zou worden, of beide? |
| 8. |
Tot wie moeten wij
gaan, als wij dorst hebben naar levend - dat is
geestelijk - water? |
| 9. |
Noem twee leden van
het Sanhedrin die in Jezus geloofden. |
|
a. |
|
b. |
| 10. |
Noem twee belangrijke
feiten die Jezus noemde in Zijn verdediging dat Hij
op sabbat zou werken. |
|
a. |
|
b. |
| 11. |
In hun afwijzen van
Jezus gebruikt een aantal mensen vanuit hun ongeloof
twee opmerkelijke uitdrukkingen voor Jezus. Hoe
noemen zij Hem? |
|
a. |
|
b. |
| 12. |
Meerdere keren lezen
wij over “feesten van de Joden” of “Joodse feesten”.
Wat betekenen deze woorden? |
| 13. |
Wie en wat kan en wil
Jezus voor u zijn? |
|