Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 10
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 9
| 1. |
In welk vers van
Johannes 7 vindt u de vervulling van Psalm 69:9? |
| |
:5 |
| 2. |
Waarom haat de wereld
de Heer Jezus? |
| |
Omdat Hij van haar getuigt,
dat haar werken boos zijn (:7) |
| 3. |
Waarover verbaasden de
Joden zich, toen Jezus het volk leerde? |
| |
Zij meenden, dat
Hij geen opleiding genoten had (:15) |
| 4. |
Van Wie had Jezus de
boodschap, die Hij aan de mensen doorgaf, ontvangen? |
| |
Van God de Vader,
die Hem gezonden had (:16) |
| 5. |
Had reeds eerder
iemand gesproken, zoals Jezus sprak? |
| |
Nee (:46) |
| 6. |
Wanneer ontvangen
mensen de Heilige Geest? |
| |
Als zij gelovig
worden (:39) |
| 7. |
Hadden de profeten
voorzegd, dat de Messias alleen zou lijden, alleen
koning zou worden, of beide? |
| |
Allebei |
| 8. |
Tot wie moeten wij
gaan, als wij dorst hebben naar levend - dat is
geestelijk - water? |
| |
De Heer Jezus (:37) |
| 9. |
Noem twee leden van
het Sanhedrin die in Jezus geloofden. |
| |
a. Nikodemus |
| |
b. Jozef van
Arimathea |
| 10. |
Noem twee belangrijke
feiten die Jezus noemde in Zijn verdediging dat Hij
op sabbat zou werken. |
| |
a. Een jongetje werd
door hen op sabbat besneden als dit de achtste dag
was. |
| |
b. De priesters in de
tempel werken ook op sabbat. |
| 11. |
In hun afwijzen van
Jezus gebruikt een aantal mensen vanuit hun ongeloof
twee opmerkelijke uitdrukkingen voor Jezus. Hoe
noemen zij Hem? |
| |
a. Een misleider of
verleider, dat is een valse messias, een antichrist. |
| |
b. Bezeten door de
duivel. |
| 12. |
Meerdere keren lezen
wij over “feesten van de Joden” of “Joodse feesten”.
Wat betekenen deze woorden? |
| |
Het betekent, dat deze
feesten in Jeruzalem gevierd dienden te worden (bij
de tempel) en dat de mensen uit het hele land voor
zo’n feest naar Jeruzalem dienden te reizen. |
| 13. |
Wie en wat kan en wil
Jezus voor u zijn? |
| |
Hij kan mij bevrijden
uit de macht van de zonde. Hij is ook degene die mij
de Heilige Geest van God kan en wil schenken, zodat
ik nooit meer geestelijke dorst zal hebben. Hij wil
mij de Heilige Geest schenken als een stroom van
levend water, dat reinigend, verkwikkend en
verfrissend is. |
Wie is Jezus? - les 10
Jezus, het Licht der wereld
1 Jezus ging naar de
Olijfberg,
2 en vroeg in de morgen was hij weer in de tempel. Het
hele volk kwam naar hem toe, hij ging zitten en gaf hun
onderricht.
3 Toen brachten de schriftgeleerden en de Farizeeën een
vrouw bij hem die op overspel betrapt was. Ze zetten
haar in het midden en
4 zeiden tegen Jezus: ‘Meester, deze vrouw is op
heterdaad betrapt toen ze overspel pleegde.
5 Mozes draagt ons in de wet op zulke vrouwen te
stenigen. Wat vindt u daarvan?’
6 Dit zeiden ze om hem op de proef te stellen, om te
zien of ze hem konden aanklagen. Jezus bukte zich en
schreef met zijn vinger op de grond.
7 Toen ze bleven aandringen, richtte hij zich op en zei:
‘Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een
steen naar haar werpen.’
8 Hij bukte zich weer en schreef op de grond.
9 Toen ze dat hoorden gingen ze weg, een voor een, de
oudsten het eerst, en ze lieten hem alleen, met de vrouw
die in het midden stond.
10 Jezus richtte zich op en vroeg haar: ‘Waar zijn ze?
Heeft niemand u veroordeeld?’
11 ‘Niemand, heer, ‘zei ze. ‘Ik veroordeel u ook niet,
‘zei Jezus. ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet
meer.’
12 Jezus nam opnieuw het woord. Hij zei: ‘Ik ben het
licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in
de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’
13 De Farizeeën wierpen tegen: ‘Uw getuigenis is niet
betrouwbaar, want u getuigt over uzelf.’
14 Maar Jezus ging verder: ‘Ook al getuig ik over
mezelf, toch is mijn getuigenis betrouwbaar, omdat ik
weet waar ik vandaan gekomen ben en waar ik naar toe ga.
Maar u weet niet waar ik vandaan kom of waar ik naar toe
ga.
15 U oordeelt met menselijke maatstaven, maar ik oordeel
over niemand.
16 En wanneer ik toch een oordeel vel, is mijn oordeel
betrouwbaar, omdat ik niet alleen ben, maar samen met de
Vader die mij gezonden heeft.
17 In uw wet staat geschreven dat het getuigenis van
twee mensen betrouwbaar is.
18 Wel, ik getuig over mezelf, en de Vader die mij
gezonden heeft, getuigt over mij.’
19 Toen vroegen ze: ‘Waar is uw vader dan?’ ‘U kent noch
mij, noch mijn Vader, ‘antwoordde Jezus. ‘Als u mij zou
kennen zou u mijn Vader ook kennen.’
20 Dit zei hij in de schatkamer van de tempel, waar hij
onderricht gaf. Niemand greep hem, want zijn tijd was
nog niet gekomen.
21 Hij nam opnieuw het woord en zei: ‘Ik ga weg, en u
zult me zoeken. Maar u zult in uw zonde sterven. Waar ik
naar toe ga, daar kunt u niet komen.’
22 De Joden zeiden: ‘Hij zal toch geen zelfmoord plegen,
dat hij zegt dat hij ergens naartoe gaat waar wij niet
kunnen komen?’
23 Jezus vervolgde: ‘U bent van beneden, ik ben van
boven; u hoort bij deze wereld, ik hoor niet bij deze
wereld.
24 Ik heb tegen u gezegd dat u in uw zonden zult
sterven, want als u niet gelooft dat ik het ben, zult u
inderdaad in uw zonden sterven.’
25 ‘Wie bent u dan?’ vroegen ze. Jezus zei: ‘Wat ik
vanaf het begin al tegen u gezegd heb.
26 Ik heb veel over u te zeggen, en veel in uw nadeel,
maar ik zeg tegen de wereld wat ik gehoord heb van hem
die mij gezonden heeft, en hij is betrouwbaar.’
27 De mensen begrepen niet dat hij over de Vader sprak.
28 ‘Wanneer u de Mensenzoon hoog verheven hebt, ‘ging
Jezus verder, ‘dan zult u weten dat ik het ben, en dat
ik niets uit mijzelf doe, maar over deze dingen spreek
zoals de Vader het mij geleerd heeft.
29 Hij die mij gezonden heeft is bij mij; hij heeft me
niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat hij wil.’
30 Toen hij deze dingen zei, kwamen velen tot geloof in
hem.
31 En tegen de Joden die in hem geloofden zei Jezus:
‘Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn
leerlingen.
32 U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u
bevrijden.’
33 Ze zeiden: ‘Wij zijn nakomelingen van Abraham en we
zijn nooit iemands slaaf geweest–hoe kunt u dan zeggen
dat wij bevrijd zullen worden?’
34 Jezus antwoordde: ‘Waarachtig, ik verzeker u:
iedereen die zondigt is een slaaf van de zonde.
35 Nu blijft een slaaf niet voor eeuwig in huis, maar de
Zoon blijft wel voor eeuwig.
36 Dus wanneer de Zoon u vrij zal maken, zult u
werkelijk vrij zijn.
37 Ik weet wel dat u nakomelingen van Abraham bent. Toch
wilt u mij doden, omdat er in u geen ruimte is voor wat
ik zeg.
38 Ik spreek over wat ik gezien heb bij de Vader, u doet
wat u gehoord hebt van uw Vader.’
39 ‘Onze vader is Abraham, ‘zeiden ze. Maar Jezus zei:
‘Als u echt kinderen van Abraham bent, zou u moeten doen
wat Abraham deed.
40 Maar nee, u wilt mij, iemand die u de waarheid heeft
gezegd die hij van God gehoord heeft, doden–zoiets heeft
Abraham niet gedaan.
41 Maar u doet inderdaad wat úw vader deed!’ Ze zeiden:
‘Wij zijn geen bastaardkinderen! We hebben maar één
Vader: God.’
42 ‘Als God uw Vader was, ‘zei Jezus tegen hen, ‘zou u
mij liefhebben, want ik ben bij God vandaan gekomen toen
ik hiernaar toe kwam. Ik ben niet namens mezelf gekomen,
maar hij heeft mij gezonden.
43 Waarom begrijpt u niet wat ik zeg? Omdat u mijn
woorden niet kunt aanhoren.
44 Uw vader is de duivel, en u doet maar al te graag wat
uw vader wil. Hij is vanaf het begin een moordenaar
geweest. Hij hoort niet bij de waarheid, omdat er geen
waarheid in hem is. Wanneer hij liegt, spreekt hij zoals
hij is: een aartsleugenaar, de vader van de leugen.
45 Maar mij gelooft u niet, want ik spreek de waarheid.
46 Kan een van u mij van zonde beschuldigen? Als ik de
waarheid spreek, waarom gelooft u me dan niet?
47 Wie van God is, luistert naar de woorden van God. U
luistert niet, omdat u niet van God bent.’
48 De Joden riepen: ‘Zeggen we soms ten onrechte dat u
een Samaritaan bent, en dat u bezeten bent?’
49 ‘Ik ben niet bezeten, ‘zei Jezus. ‘Ik eer mijn Vader,
maar u eert mij niet.
50 Ik ben niet uit op eigen eer; iemand anders is uit op
mijn eer en hij zal oordelen.
51 Waarachtig, ik verzeker u: als iemand mijn woord
bewaart zal hij de dood nooit zien.’
52 Toen zeiden de Joden: ‘Nu weten we zeker dat u
bezeten bent! Abraham is gestorven, en de profeten ook,
en u zegt: “Wie mijn woord bewaart zal de dood nooit
proeven”!
53 Bent u soms meer dan onze vader Abraham, die
gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven. Wie denkt
u wel dat u bent?’
54 Jezus antwoordde: ‘Wanneer ik mezelf zou eren, zou
mijn eer niets betekenen, maar het is de Vader die mij
eert, de Vader van wie u zegt dat hij onze God is,
55 hoewel u hem niet kent. Ik ken hem. Als ik zou zeggen
dat ik hem niet ken, zou ik een leugenaar zijn, net als
u. Maar ik ken hem wel, en ik bewaar zijn woord.
56 Abraham, uw vader, verheugde zich op mijn komst, en
toen hij die meemaakte was hij blij.’
57 De Joden zeiden: ‘U bent nog geen vijftig en u zou
Abraham gezien hebben?’
58 ‘Waarachtig, ik verzeker u, ‘antwoordde Jezus, ‘van
voordat Abraham er was, ben ik er.’
59 Toen raapten ze stenen op om naar hem te gooien. Maar
Jezus wist onopgemerkt uit de tempel te ontkomen.
(Johannes 8)
Dit hoofdstuk begint met de geschiedenis van de vrouw
die overspel gepleegd had. De godsdienstige leiders
brachten haar bij de Here Jezus, die in de tempel was,
om zo een reden te vinden, om Hem te kunnen
beschuldigen. Als Hij zou bevelen wat Mozes in de wet
had voorgeschreven, hoe kon Hij dan zeggen, dat Hij vol
liefde gekomen was om het verlorene te zoeken en te
redden? Als Hij echter de vrijlating van de vrouw zou
bepleiten, dan zou Hij ongehoorzaam zijn aan de wet. Vol
aandacht kijken de mensen, hoe de Here Jezus dit
probleem zal oplossen.
Zoals Jezus op sabbat altijd naar de synagoge ging, zo
ging Hij, als Hij in Jeruzalem was, meestal naar de
tempel om daar de mensen onderricht te geven. Dat hoeft
ons niet te verwonderen, want de tempel was het Huis van
Zijn Vader, zoals Hij gezegd had. Hier was Jezus de
leraar, de rabbijn en waren de aanwezigen Zijn
leerlingen. Daarom staat er ook, dat Jezus zat als Hij
onderwijs gaf. Een leraar zat bij het geven van Zijn
lessen. Mensen konden ook zitten, maar konden ook staan.
Vaak stonden zij naar de leraar te luisteren. Dat Jezus
ook nu weer als rabbijn erkend wordt, blijkt uit vers 4,
waar wij opnieuw lezen dat Hij als “Meester”, dat is als
“Rabbi” wordt aangesproken.
De Bijbel leerde het Joodse volk, dat als iemand een
overtreding begaan had en gestraft diende te worden, er
altijd minstens twee getuigen dienden te zijn, die
allebei letterlijk hetzelfde hadden gehoord en/of
gezien. “Eén enkel getuigenis dat iemand een overtreding
heeft begaan of een misdrijf of wat dan ook, is niet
geldig. Een aanklacht krijgt pas rechtsgeldigheid op
grond van de verklaring van ten minste twee getuigen.”
(Deuteronomium 19:15) Zonder deze beide getuigen was het
onmogelijk iemand te straffen. De doodstraf was dus ook
alleen mogelijk als twee getuigen vanaf dezelfde plaats
getuigen waren geweest van het misdrijf. Daarnaast
dienden zij ook nog tevoren de overtreder gewaarschuwd
te hebben. Pas als de overtreder na gewaarschuwd te zijn
toch de zonde beging en nu door twee getuigen betrapt
was, kon hij door de rechters veroordeeld worden. U
begrijpt dat met zo’n strenge wetgeving het niet
gemakkelijk was om iemand ter dood te veroordelen.
Terwijl in het Oude Testament zware straffen op ernstige
overtredingen aangekondigd worden, zijn deze straffen
niet vaak ten uitvoer gebracht.
In de wet van Mozes stond geschreven, dat in een geval
van overspel, zowel de overspelige man als de
overspelige vrouw ter dood gebracht moesten worden
(Leviticus 20:10; Deuteronomium 22:22). De
schriftgeleerden en Farizeeërs brachten echter alleen de
overspelige vrouw bij de Heer en vroegen Hem, wat er nu
met haar moest gebeuren. Maar... waar was de overspelige
man? Het lijkt wel, of hij een bekende van de Farizeeërs
en de schriftgeleerden was en daarom buiten schot kon
blijven. De Here Jezus toonde echter, dat Hij zowel de
wet als ook de harten van deze mannen kende. Zonder iets
te zeggen, begon Hij op de grond te schrijven.
In Jeremia 17:13 lezen wij: “Wie afwijken, zullen in de
aarde geschreven worden.” Dit bleek nog niet genoeg te
zijn voor deze mannen, zodat de Here Jezus ook nog moest
zeggen: “Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een
steen op haar.” De ooggetuige moest nl. als iemand
gestenigd werd, altijd de executie beginnen en de eerste
steen werpen. Nu roept de Heer de ooggetuige naar voren.
Waar is nu de man, die met wellust deze vrouw op
overspel heeft willen betrappen? Waar is de man die
uiterlijk rein, maar innerlijk zondig is? De man kwam
echter niet naar voren!
Toen gingen ze allemaal weg. De Heer keurde de zonde van
deze vrouw niet goed. Hij maakte deze mannen echter
duidelijk, dat zij even zondig waren. Tegen de vrouw zei
Hij: “Zondig van nu af niet meer.” Hij zegt tot allen
die tot Hem komen: “Zondig niet meer.” Hij is het Licht
voor de wereld, dat gekomen is om de duisternis van de
zonde te verdrijven. Licht openbaart vuil, maar reinigt
ook. De heiligheid van Christus is een veroordeling van
de zonde van de mens. De macht van de Heer reinigt van
zonde. De Joden geloofden, dat als de Messias komen zou,
Zijn Licht voor allen zou schijnen. De Heer bevestigt de
juistheid van hun gedachten als Hij die opmerkelijke
uitspraak doet: “Ik ben het Licht voor de wereld.”
Naast het feit dat Jezus meedeelt dat Hij het Licht voor
de gehele wereld is, en dat wie Hem volgt nooit meer in
de duisternis loopt, maar licht heeft dat leven geeft
(:12), zegt Hij ook, dat Hij niet van onze wereld is
(:23). Hij is van boven gekomen, dat wil zeggen: van
God, uit de hemel. Hij zal echter in deze wereld het
werk verrichten waartoe Hij gekomen is. Hij zal aan het
kruis verhoogd worden. Zoals de koperen slang indertijd
in de woestijn verhoogd werd waarna ieder die naar de
slang keek gezond werd (zie Johannes 3:14), zo zal Jezus
aan het kruis verhoogd worden (:28). Ieder die in geloof
naar Hem aan dat kruis zal kijken, zal gered worden.
Opmerkelijk is, dat er nu ook Judeeërs tot geloof in
Jezus komen (:30,31). Anderen wezen Hem nadrukkelijk af.
Nu blijkt, dat zij die Hem aanvaardden “licht”
ontvingen; licht van God, terwijl zij die Hem afwezen
“verduisterd werden in hun denken”. De ongelovigen
werden als het ware verblind. Ze konden niet helder meer
denken. Dat blijkt als zij beweren, dat zij niemands
slaven waren of zijn. Dat waren en zijn zij juist wel.
Zij waren de slaven van de Egyptenaren, van de
Babyloniërs, van de Grieken en op dit moment van de
Romeinen. Zonde verblindt je verstand waardoor je leeft
in een onwerkelijke wereld, terwijl je denkt, dat je
helemaal helder bent. Dat zien wij nog vaak bij veel
zogenaamd verlichte ongelovigen. Zij menen dat gelovigen
dom en dwaas zijn en dat zij de werkelijke wijzen zijn.
Welk licht hebben zij dan? Wat is de oplossing voor hun
zondeprobleem? Het is er niet! Nee, wie de zonde doet,
is een slaaf van de zonde (:34,36). Alleen de Zoon van
God kan werkelijke vrijheid schenken.
Ook hier gaan de wegen uiteen. De gelovigen hebben Jezus
lief en God is hun Vader (:42). De ongelovigen hebben
Jezus niet lief en de duivel is hun vader (:44). De
duivel is een mensen moordenaar en een aartsleugenaar.
Hij heeft met zijn leugens de ongelovigen zo verblind,
dat zij niet eens meer het verschil kunnen zien tussen
Gods Waarheid en satans leugens! Bij de scheiding tussen
gelovigen en ongelovigen zoals in dit hoofdstuk blijkt,
gaan de ongelovigen zelfs zo ver, dat zij Jezus uitmaken
voor een Samaritaan en zeggen dat hij van de duivel
bezeten is (:52). Ongelovigen kunnen de gelovigen en de
Bijbel soms verwijten, dat er zo’n resoluut oordeel over
hen uitgesproken wordt. Zij vergeten echter, dat zij
zelf ook van die harde woorden kunnen zeggen.
De wegen gaan zelfs zover uiteen, dat de ongelovigen
zelfs proberen in een wilde poging Jezus te stenigen. Er
is geen proces geweest. Het is gewoon een ordinair
oproer dat deze mensen willen. Het is een zelfde
volksoproer als later bij Stefanus zal plaats vinden
(Handelingen 7:54-60), die ook zonder enige vorm van
proces ter dood gebracht werd. Het is echter Jezus tijd
nog niet om te sterven en Hij zal niet sterven door een
volksoproer, maar op Zijn tijd en op Zijn plaats.
Wie is Jezus? Hij is het Licht voor de wereld, die
mensen die in duisternis gezeten zijn uit hun duisternis
haalt en hen in het licht van God brengt. Hij geeft
licht als het donker is in je hart. Merkt u hoe positief
alles is wat Jezus is en doet? In ieder hoofdstuk zien
wij, dat Hij bevrijdend en reddend naar ons toe komt om
te helpen. Ook in dit hoofdstuk wordt Jezus getoond als
de grote “Ik ben”. Ik ben het licht voor de hele
wereld. Betekent dit, dat de hele wereld het licht van
Jezus heeft? Nee. Het betekent, dat het aan de hele
wereld, aan ieder mens wordt aangeboden en dat het
alleen zo ervaren wordt door hen die in Jezus geloven.
De vijandschap tegen Jezus wordt sterker. Men scheldt
Hem zeer grof uit (Johannes 8:48,52 zie ook 7:20,25),
men tracht Hem zelfs te stenigen (8:59). Dit heeft men
later opnieuw geprobeerd (Johannes 10:31,39). Terecht
noemde Jezus Jeruzalem de stad die de profeten doodt
(Mattheus 23:31,37). Nog een korte tijd, dan zal
Jeruzalem ook de grote Profeet (Johannes 6:14), de
Gezalfde van God - dat is: de Messias, doden.
Hun vijandschap tegen de Here Jezus werd ons behoud.
Hierdoor “is het heil tot de heidenen gekomen” (Romeinen
11:11). Laten wij dat nooit vergeten! Het MOEST zo
geschieden. Dank God daarvoor.
opgaven les 10
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
De schriftgeleerden en
Farizeeën trachtten Jezus op de proef te stellen.
Wie werden echter werkelijk op de proef gesteld? |
| 2. |
Welke belofte geeft
Jezus aan allen die Hem volgen? |
| 3. |
Wie is een slaaf van
de zonde? |
| 4. |
Wat gebeurt er met hen
die niet geloven? |
| 5. |
Wie alleen is in staat
ons van zonden te bevrijden? |
| 6. |
Heeft de Here Jezus
ooit gezondigd? |
| 7. |
Heeft de Here Jezus
geleerd, dat ALLE MENSEN kinderen van God zijn? |
| 8. |
Wie is de vader der
leugen? |
| 9. |
Wie is de vader van de
ongelovigen? |
| 10. |
Wat bedoelde Jezus,
toen Hij zei: “Eer Abraham was, ben Ik.”? (Abraham
is de stamvader van het volk Israël. Hij leefde
ongeveer 2000 jaar vóór Christus.) |
| 11. |
Als God uw Vader is,
wie moet u dan liefhebben? |
| 12. |
Hoe vaak ging Jezus op
sabbat naar de synagoge? |
| 13. |
Wat was de Bijbelse
voorwaarde om iemand in Israël te kunnen straffen en
welke voorwaarde hadden de Joden daaraan nog
toegevoegd? |
| 14. |
Wie leven volgens de
Bijbel “in het licht”: de gelovigen of de
ongelovigen? |
| 15. |
Wie wil Jezus ook voor
u zijn? |
|