Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 11
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 10
| 1. |
De schriftgeleerden en Farizeeën trachtten
Jezus op de proef te stellen. Wie werden echter werkelijk op de proef gesteld? |
| |
Zijzelf |
| 2. |
Welke belofte geeft Jezus aan allen die Hem volgen? |
| |
Hij zal nooit meer in de duisternis lopen (:12)
Dit wordt geestelijk bedoeld: Hij zal in zijn leven niet in de geestelijke duisternis verkeren. |
| 3. |
Wie is een slaaf van de zonde? |
| |
Iedereen die zondigt (:34) |
| 4. |
Wat gebeurt er met hen die niet geloven? |
| |
Zij zullen in hun zonde sterven (:21,24) Hiermee
wordt niet de gewone dood bedoeld, maar de geestelijke dood, dat is de eeuwige verlorenheid. |
| 5. |
Wie alleen is in staat ons van zonden te bevrijden? |
| |
De Zoon (:36), dat is Jezus Zelf. |
| 6. |
Heeft de Here Jezus ooit gezondigd? |
| |
Neen |
| 7. |
Heeft de Here Jezus geleerd, dat ALLE MENSEN kinderen
van God zijn? |
| |
Neen, alleen zij die in de Heer Jezus geloven
(vgl. Johannes 1:12) |
| 8. |
Wie is de vader der leugen? |
| |
De duivel |
| 9. |
Wie is de vader van de ongelovigen? |
| |
De duivel |
| 10. |
Wat bedoelde Jezus, toen Hij zei: "Eer
Abraham was, ben Ik."? (Abraham is de stamvader van het volk Israël. Hij leefde ongeveer 2000
jaar vóór Christus.) |
| |
Hij bedoelde, dat Hij van eeuwigheid is |
| 11. |
Als God uw Vader is, wie moet u dan liefhebben? |
| |
De Heer Jezus (:42) |
| 12. |
Hoe vaak ging Jezus op sabbat naar de synagoge? |
| |
Altijd, iedere sabbat |
| 13. |
Wat was de Bijbelse voorwaarde om iemand in
Israël te kunnen straffen en welke voorwaarde hadden de Joden daaraan nog toegevoegd? |
| |
Er moesten minstens twee getuigen zij die
letterlijk hetzelfde hadden gehoord en/of gezien en zij moesten tevoren de overtreder gewaarschuwd hebben
om de overtreding niet te begaan. |
| 14. |
Wie leven volgens de Bijbel "in het
licht": de gelovigen of de ongelovigen? |
| |
De gelovigen. |
| 15. |
Wie wil Jezus ook voor u zijn? |
| |
Gods licht in mijn leven. In een wereld waarin
veel geestelijke duisternis is, wil de Heer Jezus mijn licht zijn, zodat ik nooit in geestelijke duisternis
hoef te leven. |
Wie is Jezus? - les 11
De genezing van de blindgeborene
1 In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was.
2 Zijn leerlingen vroegen: "Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij
zelf gezondigd of zijn ouders?"
3 "Hij niet en zijn ouders ook niet, "was het antwoord van Jezus, "maar Gods werk moet
door hem zichtbaar worden.
4 Zolang het dag is, moeten we het werk doen van hem die mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan
niemand iets doen.
5 Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht voor de wereld."
6 Na deze woorden spuwde hij op de grond. Met het speeksel maakte hij wat modder, hij streek die op de
ogen van de blinde
7 en zei tegen hem: "Ga naar het badhuis van Siloam en was u daar." (Siloam is in onze taal
"gezondene".) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien.
8 Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: "Is dat niet de man die altijd zat
te bedelen?"
9 De een zei: "Ja, die is het, "en de ander: "Nee, maar hij lijkt er wel op." De man
zelf zei: "Ik ben het echt."
10 Toen vroegen ze: "Hoe zijn je ogen opengegaan?"
11 Hij zei: "Iemand die Jezus heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: "Ga naar
Siloam om u te wassen." Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien."
12 Ze vroegen: "Waar is die man?" "Dat weet ik niet, "zei hij.
13 Toen namen ze de man die blind geweest was mee naar de Farizeeën.
14 De dag dat Jezus modder gemaakt had en zijn ogen geopend had, was namelijk een sabbat.
15 Ook de Farizeeën vroegen hoe het kwam dat hij kon zien. En weer vertelde hij: "Hij heeft wat
modder op mijn ogen gedaan, ik heb me gewassen en nu kan ik zien."
16 Sommige Farizeeën meenden: "Zo iemand komt niet van God, want hij houdt zich niet aan de
sabbat, "maar anderen zeiden: "Hoe zou een zondig mens zulke wondertekenen kunnen doen?"
Er ontstond verdeeldheid.
17 Daarop vroegen ze aan de blinde: "Wat denk jij van die man? Het zijn immers jouw ogen die hij genezen
heeft." "Hij is een profeet, "was zijn antwoord.
18 Maar de Joden wilden niet geloven dat hij blind geweest was en nu kon zien. Ze riepen zijn ouders
19 en vroegen hun: "Is dat uw zoon die blind geboren zou zijn? Hoe kan hij dan nu zien?"
20 "Dit is onze zoon, "zeiden zijn ouders, "en hij is blind geboren, dat weten we zeker.
21 Maar hoe hij nu kan zien, dat weten we niet, en wie zijn ogen geopend heeft, weten we ook niet. Vraag het
hem zelf maar. Hij is oud genoeg om voor zichzelf te spreken."
22 Dat zeiden de ouders omdat ze bang waren voor de Joden, omdat die toen al besloten hadden dat ze iedereen
die Jezus als de Messias zou erkennen uit de synagoge zouden zetten.
23 Daarom zeiden de ouders dus dat hij oud genoeg was en dat ze het hem zelf moesten vragen.
24 Toen riepen ze de man die blind geweest was weer bij zich. "Geef Gód de eer, "zeiden ze,
"die man is een zondaar, dat weten we toch."
25 "Of hij een zondaar is weet ik niet, "zei hij, "maar één ding weet ik wel: ik was
blind en nu kan ik zien."
26 Ze drongen aan: "Wat heeft hij met je gedaan? Hoe heeft hij je ogen geopend?"
27 "Dat heb ik u toch al verteld, "zei hij, "maar u luistert niet! Wat wilt u nog meer horen?
Wilt u soms leerling van hem worden?"
28 Nu vielen ze tegen hem uit: "Je bent zelf een leerling van hem! Wij zijn leerlingen van Mozes.
29 Van Mozes weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt."
30 De man antwoordde: "Wat vreemd dat u niet begrijpt waar hij vandaan komt, terwijl hij mijn ogen geopend
heeft.
31 We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die vroom is en zijn wil doet.
32 Dat de ogen van iemand die blind geboren is geopend worden–dat is nog nooit vertoond!
33 Als die man niet van God kwam, zou hij dit toch niet hebben kunnen doen?"
34 Toen riepen ze: "Jij, sinds je geboorte een en al zonde, wil jij ons de les lezen?" En ze joegen
hem weg.
35 Jezus hoorde dat en zocht hem op. Hij vroeg: "Gelooft u in de Mensenzoon?"
36 "Als ik wist wie het was, heer, zou ik in hem geloven, "zei hij.
37 "U kijkt naar hem en u spreekt met hem, "zei Jezus.
38 Toen zei de man: "Ik geloof, Heer, "en hij boog zich voor Jezus neer.
39 Jezus zei: "Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en
zij die zien, zullen blind worden."
40 Een paar Farizeeën die bij hem stonden en dat hoorden, zeiden: "Wij zijn toch zeker niet blind!"
41 "Was u maar blind, "zei Jezus, "dan zou u zonder zonde zijn. Maar u beweert dat u kunt zien,
en dus blijft uw zonde."
(Johannes 9)
In Johannes 8:12 lazen wij, dat Jezus gezegd had: "Ik
ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit
meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven
geeft." Dit is het tweede grote "Ik ben" van
Jezus. De laatste woorden van dit vers hebben aan deze
Bijbelstudie haar naam gegeven.
In het vijfde vers van dit hoofdstuk lezen wij een
herhaling van deze belangrijke woorden. Hieruit blijkt,
dat de genezing van de blindgeborene een illustratie is
van de betekenis van Jezus' woorden: "Ik ben het licht
voor de wereld." De blindgeborene gaat van de duisternis
over in het licht. Zo is Jezus gekomen, om mensen die in
geestelijke duisternis leven, over te brengen in het
licht van God. Ook voor ons wil Jezus "het" Licht zijn!
In de eerste verzen van dit hoofdstuk worden wij opnieuw
bepaald bij de relatie tussen zonde en ziekte. Het
blijkt, dat er ook bij deze man geen enkele relatie is
tussen eigen zonden of zonden van het voorgeslacht
waardoor hij blind zou zijn. Het tegenovergestelde is
zelfs waar. De blindheid van deze man moet leiden tot
meer eer voor God. Gods heerlijkheid, ja God Zelf, moet
openbaar worden bij de genezing van deze man. Om genezen
te kunnen worden, moest hij echter eerst blind worden.
Zo kunnen onze tegenslagen soms (dus niet altijd!) een
diepere betekenis of bedoeling hebben, namelijk dat God
ook in ons leven openbaar zal worden. Hebt u zich dat
weleens gerealiseerd als u ziek was of te kampen had met
tegenslagen of tegenspoed?
De vijver Siloam lag ten Zuiden van de tempel. Siloam
betekent "uitgezonden" of "afgezonden" (:7), omdat het
water voortkwam uit de tempelberg. Voor de Joden had dit
een diepere betekenis, omdat ook het heil als water uit
Gods troon voortkomt.
Als Johannes deze dingen opschrijft, wijst hij van
Siloam (:7) naar Jezus Christus, Die Gods gezondene is
(Johannes 5:36; 6:57; 7:29) en door Wie geestelijk
blinden het heil van God gaan zien. De prijs voor het
aannemen van Jezus is soms hoog. Deze man die Jezus'
geschenk aannam, werd uit de tempel gebannen. Men noemt
dit wel excommunicatie, d.w.z. hij werd buiten het
geestelijk leven gesloten. Hij mocht ook niet meer in de
synagoge komen en men moest hem mijden. Hij werd
gestraft voor het feit dat hij in Jezus geloofde (zie
:34). Hierdoor werd, volgens de gedachte van deze
mensen, deze man ook buiten het koninkrijk van God
gesloten. De deur naar het leven met God was voor hem
dicht gegaan. In het volgende hoofdstuk zult U lezen,
dat de Here Jezus bekend maakte, dat er een nieuwe deur
in deze wereld was opengegaan, waardoor mensen het
koninkrijk van God kunnen binnengaan (10:9).
Vijandschap tegen Jezus en ongeloof kan leiden tot
leugen en bedrog. Mensen zeiden, dat zij wisten dat
Jezus een zondaar was (:24). Van welke zonden waren zij
dan op de hoogte? Van geen enkele. Het was grootspraak,
leugen, fantasie en bedrog. Ja, deze mensen gingen zelfs
over tot een ordinaire scheldpartij (:28). Ze wisten
inderdaad niet vanwaar Jezus gekomen was, omdat ze in
ongeloof Hem afwezen.
Hiertegenover staat echter, dat geloof leidt tot
aanbidding van God (:38). Wie gelooft, erkent dat Hij de
"Mensenzoon" is (:35-37). Jezus is degene die Daniël
indertijd aan de rechterhand van God de Vader in de
hemel gezien heeft (zie Daniël 7:13). Het vertelt, dat
Hij de Messias is, die van God uit de hemel naar de
aarde gekomen is.
Ook de genezing van deze man vond plaats op sabbat
(:14). Het gevolg is opnieuw, dat er verdeeldheid
ontstaat, nu zelfs onder de geestelijke leiders (:16).
Voor de genezen man is het echter geen vraag wie Jezus
is. Hij ziet Hem als een profeet (:17), dat wil zeggen:
als iemand die door God gezonden is. Dat was Jezus
inderdaad: door God gezonden!
De vijandschap neemt toe onder de Judeeërs van
Jeruzalem.
Wie is Jezus? In dit hoofdstuk blijkt opnieuw dat Hij de
Messias is, die van God uit de hemel naar de aarde
gekomen is. Hij is door God gezonden en vertegenwoordigt
de hemelse Vader bij de mensen. Zo is Hij een "apostel",
een door God gezondene, een ambassadeur van God, zoals
wij het zouden zeggen. Zie Hebreeën 3:1. Hij is degene
door wie mensen God de Vader gaan zien en gaan laten
zien. Hij is degene die geestelijk blinden het zicht
geeft. Ook onze "ogen" wil Hij openen.
Als U dit hoofdstuk hebt gelezen, probeer dan voor U
zelf eens te formuleren, waarom deze man vond, dat de
prijs die hij moest betalen, waard was om betaald te
worden. De houding van de Farizeeën zal ons moeten
leren, heel voorzichtig te zijn met het vasthouden aan
wat wij soms zelf zien als de waarheid. Het eerst
belangrijke is niet, wat wij van allerlei zaken menen,
maar wat God in Zijn Woord ervan zegt. Deze Farizeeën
hielden vast aan hun waarheid, maar zij waren blind voor
Gods Waarheid; zij erkenden De Waarheid niet (Johannes
14:6). Hiermee waren zij in feite de echte blinden.
Zijn Uw ogen al geopend voor De Waarheid, Jezus
Christus, het Licht der wereld?
opgaven les 11
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
De Bijbel leert, dat ziekte soms het gevolg is van de één of andere zonde, die men gedaan
heeft. Was dit ook het geval bij de blindgeborene? |
| 2. |
In vers 16 lezen wij over een meningsverschil onder
de Farizeeërs. |
| |
a. Sommigen zeiden: |
| |
b. Anderen zeiden: |
| 3. |
Zei Jezus, dat wij iedere kans om God te dienen,
moeten benutten? |
| 4. |
Wat hadden de Joodse leiders besloten te doen met
mensen die beleden dat Jezus de Christus (d.i. de
Messias) was? |
| 5. |
Naar wie luistert God volgens de blindgeborene? |
| 6. |
Toen de blinde man voor de tweede keer bij de
Farizeeën geroepen werd, was er naar zijn zeggen
iets, dat hij wist en iets dat hij niet wist. Wat
wist hij wel en wat niet? Hij zei: |
| |
a. Ik weet |
| |
b. Ik weet niet |
| 7. |
Toen Jezus de man vond, nadat hij uitgebannen was,
wat vroeg Hij hem toen? |
| 8. |
Wat antwoordde de man daarop? |
| 9. |
Er zit een diepere betekenis in het wonder, dat de
Here Jezus verrichtte.
Hoe zei de Here Jezus dit? |
| 10. |
Wat is de betekenis van Jezus in dit hoofdstuk? |
|