Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 12
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 11
| 1. |
De Bijbel leert, dat ziekte soms het gevolg is van de één of andere zonde, die men gedaan
heeft. Was dit ook het geval bij de blindgeborene? |
| |
Nee |
| 2. |
In vers 16 lezen wij over een meningsverschil onder de Farizeeërs. |
| |
a. Sommigen zeiden: Hij komt niet van God (omdat Hij in hun ogen de sabbat niet hield). |
| |
b. Anderen zeiden: Hoe zou een zondig mens zulke wondertekenen kunnen doen? Hij kan dus
geen gewoon mens zijn, bedoelden zij. |
| 3. |
Zei Jezus, dat wij iedere kans om God te dienen, moeten benutten? |
| |
Ja (:4) |
| 4. |
Wat hadden de Joodse leiders besloten te doen met
mensen die beleden dat Jezus de Christus (d.i. de Messias) was? |
| |
Uit de synagoge zetten (:22), dat wil zeggen: hij werd buitengesloten uit de
Joodse geestelijke gemeenschap. |
| 5. |
Naar wie luistert God volgens de blindgeborene? |
| |
God luistert naar wie vroom is en Gods wil doet. (:31) |
| 6. |
Toen de blinde man voor de tweede keer bij de
Farizeeën geroepen werd, was er naar zijn zeggen iets, dat hij wist en iets dat hij niet wist. Wat
wist hij wel en wat niet? Hij zei: |
| |
a. Ik weet dat ik blind was en nu kan zien. |
| |
b. Ik weet niet of Hij een zondaar is. (:25) |
| 7. |
Toen Jezus de man vond, nadat hij uitgebannen was,
wat vroeg Hij hem toen? |
| |
Geloof je in de Mensenzoon (:35), dat is: Geloof je in de Messias? |
| 8. |
Wat antwoordde de man daarop? |
| |
Als ik wist wie de Mensenzoon is, zou ik in Hem geloven (:36) De man wist nog niet
dat Jezus de Messias was. |
| 9. |
Er zit een diepere betekenis in het wonder, dat de
Here Jezus verrichtte. Hoe zei de Here Jezus dit? |
| |
Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij niet zien
(dat is: die denken dat zij geestelijk blind zijn) zien en zij die (zichzelf verheffen en denken dat ze
geestelijk zien), zullen blind worden. (:39) |
| 10. |
Wat is de betekenis van Jezus in dit hoofdstuk? |
| |
Hij is de vertegenwoordiger van God op aarde;
een apostel, een ambassadeur van God. |
Wie is Jezus? - les 12
Jezus is de Goede Herder
1 ‘Waarachtig, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet
binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen
klimt, is een dief of een rover.
2 Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de
schapen.
3 Voor hem doet de bewaker open. De schapen luisteren naar
zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en
leidt ze naar buiten.
4 Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft,
loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn
stem kennen.
5 Iemand anders volgen ze niet, ze lopen juist van hem weg
omdat ze de stem van een vreemde niet kennen.’
6 Jezus vertelde hun deze gelijkenis, maar ze begrepen niet
wat hij bedoelde.
7 Hij ging verder: ‘Waarachtig, ik verzeker u: ik ben de
deur voor de schapen.
8 Wie vóór mij kwamen waren allemaal dieven en rovers, maar
de schapen hebben niet naar hen geluisterd.
9 Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij
gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond
vinden.
10 Een dief komt alleen om te roven, te slachten en te
vernietigen, maar ik ben gekomen om hun het leven te geven
in al zijn volheid.
11 Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven
voor de schapen.
12 Een huurling, iemand die geen herder is, en die niet de
eigenaar van de schapen is, laat de schapen in de steek en
slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen. De wolf
valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen;
13 de man is een huurling en de schapen kunnen hem niets
schelen.
14 Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn
schapen kennen mij,
15 zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken. Ik geef mijn
leven voor de schapen.
16 Maar ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze
schaapskooi komen. Ook die moet ik hoeden, ook zij zullen
naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één
herder.
17 De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het
ook weer terug te nemen.
18 Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij
om het te geven en om het weer terug te nemen–dat is de
opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen.’
19 Opnieuw ontstond er verdeeldheid onder de Joden om wat
hij zei.
20 Veel mensen zeiden: ‘Hij is bezeten, hij is gek. Waarom
luisteren jullie nog naar hem?’
21 Maar anderen zeiden: ‘Dit zijn niet de woorden van iemand
die bezeten is, en een demon kan de ogen van blinden niet
openen.’
22 In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd;
het was winter.
23 Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
24 Daar kwamen de Joden om hem heen staan, en ze vroegen
hem: ‘Hoe lang houdt u ons nog in het onzekere? Als u de
Messias bent, zeg het ons dan ronduit.’
25 Jezus antwoordde: ‘Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft
het niet. Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij,
26 maar u wilt me niet geloven, omdat u niet bij mijn
schapen hoort.
27 Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij
volgen mij.
28 Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en
niemand zal ze uit mijn hand roven.
29 Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven,
niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven,
30 en de Vader en ik zijn één.’
31 Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze hem wilden
stenigen,
32 zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u
gedaan; waarom wilt u me stenigen?’
33 ‘Voor een goede daad zullen we u niet stenigen,
‘antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: u bent een
mens, maar u beweert dat u God bent!’
34 Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb
gezegd: ‘U bent goden’”?
35 De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie
God spreekt goden genoemd worden,
36 hoe kunt u mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld
gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer ik zeg
dat ik Gods Zoon ben?
37 Als wat ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan
niet,
38 maar als dat wel het geval is en u gelooft me toch niet,
geloof dan tenminste wat ik doe. Dan zult u begrijpen dat de
Vader in mij is en dat ik in de Vader ben.’
39 En weer wilden ze hem grijpen, maar hij ontsnapte.
40 Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de
plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef hij.
41 Veel mensen kwamen naar hem toe; ze zeiden: ‘Johannes
heeft weliswaar geen wonderteken gedaan, maar alles wat hij
over deze man gezegd heeft is waar.’
42 En velen kwamen daar tot geloof in hem.
(Johannes 10)
Dit hoofdstuk sluit aan op het vorige hoofdstuk, in het
bijzonder op 9:40,41.
In Israël waren schapen en schaapherders een vertrouwd
beeld. Daarom wordt zowel in het Oude als in het Nieuwe
Testament Gods zorg voor Zijn volk vergeleken met de zorg
van een herder voor zijn schapen. Zie bijvoorbeeld Psalm
23:1; 80:1; 95:7; Jesaja 40:11; Ezechiël 34:11,12 en Micha
2:12. Meerdere keren werd Israël ook vergeleken met dwalende
schapen die geen herder hadden. Zie l Koningen 22:17,
Ezechiël 34:6 en Mattheus 9:36. Zowel in het Oude als in het
Nieuwe Testament werd Israël gewaarschuwd voor ontrouwe
herders. Zie Jeremia 23:1 en Johannes 10:12,13. Dit beeld
van schapen en herder zou zijn hoogtepunt bereiken in de
komst van de Messias, de zoon van David, die werkelijk de
Goede Herder zou zijn. Zie Ezechiël 37:24, Johannes
10:11,14,15 en Hebreeën 13:20. In het bijzonder werd de naam
“herder” gebruikt voor de koningen van Israël. Was niet
Israëls grote koning een herder (dit was David), terwijl ook
Mozes herder was voordat hij de leiding kreeg over het volk
Israël en de redder van het volk werd? En heeft David niet
als een herder zijn kudde, zijn volk geweid? Vandaar, dat
men in Israël over de toekomstige grote Koning, de Messias,
ook sprak als over de Herder. Nu zei de Here Jezus; “Ik ben
de goede Herder.” Dat wil zeggen: “Ik ben de Messias
Koning.”
Het beeld dat hier geschilderd wordt gaat over een
schaapskooi. Deze schaapskooi is het beeld van de behoudenis
(:9). Jezus is de deur naar deze schaapskooi. Hij zei van
Zichzelf: “Ik ben de deur.” (:7,9) Ook noemde Hij Zichzelf
de Goede Herder. Deze Goede Herder geeft Zijn schapen een
overvloedig leven in het heden (:10) en eeuwig leven dat
voortgaat na de dood (:27 29). Dit doet Hij door Zijn leven
te geven voor Zijn schapen. Dit verwijst al naar Zijn
komende dood aan het kruis. De volgelingen van Jezus worden
gezien als de schapen. De valse herders, de dieven en de
rovers, die stelen, slachten en verdelgen zijn het beeld van
de geestelijke leiders in Judea, die wel herders wilden
zijn, maar het volk niet echt een rijk geestelijk leven
bezorgden. Deze herders werden gezien als huurlingen
(:12,13).
De goede Herder kent Zijn schapen en zijn schapen kennen Hem
(:14), net zoals de Vader en de Zoon elkaar kennen (:15).
Dit betekent dat de geestelijke band tussen de Heer en de
gelovigen heel bijzonder is. Deze band is sterk en
zegenrijk.
Opmerkelijk in dit hoofdstuk is ook, dat de Here Jezus over
Zichzelf spreekt als over “de deur”. Dit is een reactie op
de gebeurtenissen van hoofdstuk 9, waar verteld wordt, dat
de blindgeborene door de Farizeeën werd uitgescholden en
uitgeworpen (Johannes 9:28,34). Dit uitwerpen betekende, dat
ze de blindgeborene buiten het geestelijke leven van het
volk sloten. Hij werd dus “uitgebannen”. Deze Farizeeën
sloten de deur naar het geestelijke leven, naar God en naar
de eeuwige heerlijkheid als het ware dicht voor deze man.
Hij werd buiten het koninkrijk Gods gestoten door deze
“huurlingen”, zoals ze in hoofdstuk 10 genoemd zouden
worden. Nu grijpt de Here Jezus in en predikt, dat niet de
Farizeeën of andere geestelijke leiders iemand de toegang
tot God kunnen verlenen, dan wel van God weghalen, maar dat
Hij alleen de deur tot God en Zijn heerlijkheid is.
In feite verklaarde de Here Jezus met deze woorden, dat de
Farizeeën blinde leidslieden waren.
De blindgeborene was genezen, maar deze leiders bleven
blind. Heel duidelijk zei de Here Jezus ook, dat de enige
weg tot God loopt via Hem Zelf, zoals Hij in Johannes 14:6
het opnieuw zou zeggen. De enige weg tot behoud is in Jezus
Christus (Handelingen 4:12).
Toen de Here Jezus op een later tijdstip in de zuilengang
van de tempel wandelde, deed Hij een paar uitspraken, die de
eeuwige behoudenis van de gelovigen heel duidelijk in het
licht stelde. Hij zei, dat de gelovigen zowel in Zijn hand
als in de hand van de Vader zijn en dat niemand ze daaruit
kan roven, want “Ik en de Vader zijn één.” (:28 30)
Duidelijk blijkt opnieuw wie Jezus is en wie en wat Hij ook
voor ons wil zijn. Hij is zowel de deur om het eeuwige leven
binnen te gaan als de goede Herder die ons als gelovigen
leidt en ons leven bestuurt. Hij is de echte goede Herder en
heeft dit bewezen en bereikt door Zijn leven voor ons te
geven. Nu is Hij de leider van Zijn volgelingen. In Zijn
eenheid met de hemelse Vader brengt Hij zo ook de Vader heel
dicht bij ons.
In het tweede deel van dit hoofdstuk wordt ons nog meer over
Jezus verteld. Als mensen aan Hem vragen of Hij de Messias
is (:24), bevestigt Hij dit door te zeggen, dat Hij dat al
vaker gezegd heeft (:25).
Als Jezus in vers 34 spreekt over “uw wet” bedoelt Hij
daarmee niet, dat Hij Zich distantieert van hun wet. Wij
zagen al eerder, dat Hij juist gekomen was om die wet te
volbrengen. Het is een manier van spreken die wij ook
kennen. Wij zeggen soms ook tegen iemand: “Kijk eens, hoe
staat dat in jouw Bijbel?” Daarmee bedoelen wij niet, dat u
een andere Bijbel hebt. Het is gewoon een manier van
spreken. Wij bedoelen, net zoals Jezus bedoelde: “Lees nou
eens wat er staat.”
Telkens weer als gezegd wordt, dat wie gelooft het eeuwige
leven heeft, dienen wij ons te realiseren, dat dit een
exclusieve uitspraak van de Here Jezus is. Er is alleen
behoudenis door Hem. Er is niemand die een voorspraak voor
je kan zijn, waardoor je het eeuwige leven zult ontvangen.
Hoe fijn het ook is als mensen voor je bidden, er is niemand
die je de hemel in kan bidden. Bijbel lezen en gebed op zich
heel goede zaken brengen je niet in de hemel. Alleen Jezus
schenkt de behoudenis en Hij schenkt die alleen aan mensen
die in Hem geloven.
Geen wonder dat er opnieuw scheiding komt tussen gelovigen
en ongelovigen. Terwijl velen in Hem geloven (:42) zijn er
zelfs mensen die Jezus uitmaken voor iemand die van de
duivel bezeten is en krankzinnig is (:19,21). Er komt zelfs
weer een oproer (:31) en nog een keer (:39). De reden is,
dat mensen Hem van Godslastering beschuldigen. Zij begrijpen
dat Hij Zich als Messias één met de Vader in de hemel
verklaart, maar weigeren dat te aanvaarden.
Jezus verdedigt Zich op een typisch rabbijnse manier. Hij
citeert Psalm 82:6, waar de engelen in het Hebreeuws
“elohim” genoemd worden. Elohim betekent zowel God, als
engelen en rechters. Als rechters en engelen “elohim”
(goden) genoemd mogen worden, waarom zou Jezus Zich dan niet
“Zoon van God” mogen noemen?
opgaven les 12
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
Wat doet de Goede Herder voor Zijn schapen? |
| 2. |
In dit gedeelte lezen wij het derde en het vierde
“Ik ben” van de Here Jezus. Hoe luiden deze? |
| |
a. Ik ben... |
| |
b. Ik ben... |
| 3. |
a. Wat moeten wij doen om behouden te worden? |
| |
b. Wat zou dit betekenen? |
| 4. |
In de verzen 11, 15 en 17 lezen wij, dat de Goede
Herder Zijn leven zou “geven” voor de schapen.
Wanneer deed de Heer Jezus dit? |
| 5. |
a. Is het volgens dit hoofdstuk mogelijk, dat iemand
die eens een kind van God geworden is, later toch
weer verloren gaat? |
| |
b. In welk vers leest u dit? |
| 6. |
Is Jezus werkelijk één met de Vader? |
| 7. |
Wat wilden de Joden doen met de Here Jezus, toen Hij
over Zijn eenheid met de Vader gesproken had? |
| 8. |
De Heer Jezus noemt Zichzelf in dit hoofdstuk de
Goede Herder. De Joden waren gewend aan geestelijke-
en politieke leiders, die als gewone herders
begonnen waren. Noem eens twee van deze mensen. |
| 9. |
Waarvan is de veilige schaapskooi een beeld? |
| 10. |
Wie of wat is de enige weg tot de eeuwige
behoudenis? |
| 11. |
Nam de Heer Jezus afstand van de Joods-Bijbelse wet
of hield Hij Zichzelf ook volkomen aan deze wet? |
| 12. |
Hoe wordt Jezus in dit hoofdstuk openbaar? Wie en
wat wil Hij ook voor u zijn? |
|