BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Online studies beluisteren

Online studies lezen

Internet Bijbel studie

Speciale e-mail studies

Evangelisatie serie
inhoud
1. Wie is Jezus?
2. De Goddelijkheid van de Heer Jezus
3. Jezus is het Lam van God
4. Jezus brengt vreugde in je leven
5. Jezus en de nieuwe geboorte
6. Jezus en het levende water
7. Jezus is één met God de Vader
8. Jezus geeft brood aan de hongerige
9. Jezus geeft onderwijs
10. Jezus, het Licht der wereld
11. De genezing van de blindgeborene
12. Jezus is de Goede Herder
13. De opwekking van Lazarus
14. Jezus en de zalving te Betanië
15. Jezus wast de voeten van de discipelen
16. Jezus schenkt Goddelijke hulp
17. Jezus is de ware wijnstok
18. Jezus zendt de Heilige Geest
19. Jezus bidt voor de Zijnen
20. De gevangenneming en het proces
21. Jezus de Gekruisigde
22. Jezus is de Opgestane
23. Jezus is de Leider van Zijn volgelingen
24. Jezus geeft eeuwig leven
Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 13
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de volgende les.


Antwoorden les 12
1. Wat doet de Goede Herder voor Zijn schapen?
  Hij roept zijn eigen schapen bij hun naam, leidt ze naar buiten en loopt voor ze uit (:3,4). Ook geeft hij zijn leven voor de schapen (:11,15,17).
2. In dit gedeelte lezen wij het derde en het vierde “Ik ben” van de Here Jezus. Hoe luiden deze?
  a. Ik ben de deur (:7,9)
  b. Ik ben de goede herder (:11,14)
3. a. Wat moeten wij doen om behouden te worden?
  Door Jezus binnengaan in de “stal” (::9)
  b. Wat zou dit betekenen?
  Jezus aanvaarden (aannemen) als Redder om zo voor eeuwig behouden te worden (vgl. Johannes 1:12).
4. In de verzen 11, 15 en 17 lezen wij, dat de Goede Herder Zijn leven zou “geven” voor de schapen. Wanneer deed de Heer Jezus dit?
  Toen Hij stierf aan het kruis op Golgotha
5. a. Is het volgens dit hoofdstuk mogelijk, dat iemand die eens een kind van God geworden is, later toch weer verloren gaat?
  Nee
  b. In welk vers leest u dit?
  :28,29
6. Is Jezus werkelijk één met de Vader?
  Ja (:30,38)
7. Wat wilden de Joden doen met de Here Jezus, toen Hij over Zijn eenheid met de Vader gesproken had?
  Stenigen (:3)
8. De Heer Jezus noemt Zichzelf in dit hoofdstuk de Goede Herder. De Joden waren gewend aan geestelijke- en politieke leiders, die als gewone herders begonnen waren. Noem eens twee van deze mensen.
  Mozes en David
9. Waarvan is de veilige schaapskooi een beeld?
  Van de eeuwige behoudenis
10. Wie of wat is de enige weg tot de eeuwige behoudenis?
  De Here Jezus, zie Handelingen 4:12
11. Nam de Heer Jezus afstand van de Joods-Bijbelse wet of hield Hij Zichzelf ook volkomen aan deze wet?
  Hij hield Zich volkomen aan de Joods-Bijbelse wet. Hij had ook nooit kritiek op de wet; wel soms op hoe mensen met de wet omgingen.
12. Hoe wordt Jezus in dit hoofdstuk openbaar? Wie en wat wil Hij ook voor u zijn?
  Hij is de deur naar de hemel. Hij is de Herder om mijn leven te leiden. Hij is de Verlosser die voor mij aan het kruis gestorven is. En de Heer kent mij net zo goed zoals Vader en Zoon elkaar kennen. Als gelovige ben ik voor eeuwig veilig zowel in de hand van God de Vader als in de hand van de Heer Jezus. Niets en niemand kan mij ooit daaruit weg krijgen.



Wie is Jezus? - les 13
De opwekking van Lazarus

1 Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar Maria en haar zuster Marta woonden
2 –dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer.
3 De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’
4 Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God geëerd zal worden.’
5 Jezus hield veel van Marta en haar zuster, en van Lazarus.
6 Maar toen hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef hij toch nog twee dagen waar hij was.
7 Daarna zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’
8 ‘Maar rabbi, ‘protesteerden de leerlingen, ‘de Joden wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naar toe?’
9 Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze wereld,
10 maar wie ‘s nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’
11 Nadat hij dat gezegd had zei hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen, ik ga hem wakker maken.’
12 De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’
13 Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was.
14 Toen zei hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven,
15 en om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe gaan.’
16 Tomas (dat betekent ‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’
17 Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.
18 Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadie,
19 en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was.
20 Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria thuisbleef.
21 Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn.
22 Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u vraagt.’
23 Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’
24 ‘Ja, ‘zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan.’
25 Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft,
26 en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je dat?’
27 ‘Ja Heer, ‘zei ze, ‘ik geloof dat u de Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
28 Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’
29 Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe,
30 die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen.
31 Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar te weeklagen.
32 Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’
33 Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen
34 vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’
35 Jezus begon ook te huilen,
36 en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’
37 Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen voorkomen?’
38 Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een spelonk met een steen voor de opening.
39 Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’
40 Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je gelooft?’
41 Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog en zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord.
42 U verhoort mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat u mij gezonden hebt.’
43 Daarna riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’
44 De dode kwam te voorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
45 Veel Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in hem.
46 Maar enkelen gingen naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had.
47 Daarop riepen de hogepriesters en de Farizeeën het Sanhedrin bijeen: ‘Wat moeten we doen? Deze man doet veel wondertekenen,
48 en als we hem zijn gang laten gaan, zal iedereen in hem gaan geloven. Straks grijpen de Romeinen in; dan zullen ze onze tempel en ons volk vernietigen.’
49 Een van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tegen de anderen: ‘Jullie begrijpen het niet!
50 Besef toch dat het in jullie eigen belang is dat één man sterft voor het hele volk, zodat niet het hele volk verloren gaat.’
51 Dat zei hij niet uit zichzelf: als hogepriester in dat jaar sprak hij de profetie dat Jezus zou sterven voor het volk,
52 en niet alleen voor het volk, maar ook om de verstrooide kinderen van God bijeen te brengen.
53 Vanaf die dag overlegden ze hoe ze hem zouden doden.
54 Jezus trad onder de Joden niet meer in het openbaar op, maar vertrok naar de omgeving van de woestijn, naar de stad Efraïm. Daar bleef hij met zijn leerlingen.
55 Het was kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, en veel mensen uit de omgeving gingen al vóór het feest naar Jeruzalem om zich te reinigen.
56 Daar keken ze uit naar Jezus; ze stonden in de tempel en zeiden tegen elkaar: ‘Wat denk je? Zou hij niet meer naar het feest komen?’
57 De hogepriesters en de Farizeeën hadden opdracht gegeven hem aan te geven als men wist waar hij was, zodat ze hem konden arresteren.
(Johannes 11)

Ook in dit hoofdstuk krijgen wij te horen over de relatie die er is tussen zonde en ziekte. Lazarus is gestorven. Hij is eerst ziek geworden, zo blijkt uit vers 4 en is daarna overleden. Aan welke ziekte hij overleden is, is niet belangrijk. Het gaat erom, dat hij ziek geworden is en overleden is. Nu kan de vraag gesteld worden, welke zonde Lazarus gedaan heeft (of zijn voorouders), dat hij vroegtijdig stierf. Het antwoord blijkt opnieuw heel duidelijk: het heeft niets met persoonlijke zonde te maken. Het gaat om de eer en de verheerlijking van God, zo blijkt uit vers 4.

De geschiedenis vindt plaats bij enkele bijzondere mensen, van wie wij in het volgende hoofdstuk lezen, dat Jezus er met Zijn leerlingen een maaltijd gebruikte, waarbij Maria de voeten van de Here Jezus met olie zou zalven. Dit feit wordt nu al even in Johannes 11:2 genoemd. Haar broer, Lazarus wordt door Jezus “onze vriend” genoemd. Dat is heel bijzonder. Er worden maar enkele mensen in de Bijbel zo vriendschappelijk bezien.
1. De eerste in de Bijbel die een vriend van God genoemd werd, was Abraham (zie Jacobus 2:23). Hij werd een vriend van God genoemd, omdat hij God geloofde. Dit geloof betekent niet, dat hij in het bestaan van God geloofde, maar dat hij geloofde wat God tegen hem gezegd had.
2. De tweede in de Bijbel over wie op deze manier gesproken wordt, is Mozes (zie Exodus 33:11). God ging heel vriendschappelijk met hem om en sprak met hem zoals vrienden met elkaar spreken.

3. De derde is Lazarus (Johannes 11:11). Jezus zegt hier eigenlijk: Lazarus is Mijn vriend! Vervolgens staat er, dat Jezus weende bij zijn graf (:35). Dat spreekt van een enorme betrokkenheid tussen Jezus en Lazarus. Jezus zegt ook “Hij is onze vriend”. Dat wil zeggen, dat als je de vriend van de Here Jezus bent, Hij je plaatst in een grotere kring van vrienden. Al Jezus’ vrienden zijn nu ook jouw vrienden! Dat betekent, dat de grote kring van al Jezus’ volgelingen als het ware één grote vriendschap met elkaar vormen: de Gemeente van Jezus!

In dit hoofdstuk leren wij Jezus kennen als degene die macht heeft over de dood en dode mensen het leven kan geven. Dan kan Hij zeker ook geestelijk dode mensen een bijzonder leven schenken. Hier zien wij echter eerst, dat Hij een “vriend” is. In Mattheus 11:19 wordt zelfs gezegd, dat Hij een vriend van zondaars is. Als vriend van zondaars zou Hij voor deze zondaars - Zijn vrienden! - sterven. Precies zoals Johannes 10 gezegd had, dat Hij Zijn leven zou geven voor Zijn schapen. Nu is het opmerkelijk, dat er niet staat, dat Jezus de Vriend is van een bepaald aantal zondaars. Nee, Hij is de Vriend van alle zondaars. Hij stierf ook voor alle zondaars, zoals Romeinen 5:8 laat zien. Als u een zondaar bent - en dat bent u toch - dan is Jezus ook voor u gestorven en wil Hij ook uw vriend zijn.

In de Romeinenbrief schrijft de apostel Paulus, dat alle mensen gezondigd hebben en daarom de heerlijkheid van God moeten missen (Romeinen 3:23) en dat het loon dat de zonde geeft, de dood is (Romeinen 6:23). Wie echter de Here Jezus kent als zijn Redder en Heer, hoeft niet bevreesd te zijn voor de dood. Voor zo iemand is de dood van zijn angstaanjagende macht beroofd. De Here Jezus is voor ons de dood ingegaan. Hij heeft de dood overwonnen en heeft het graf achter Zich gelaten. Hij verrees uit de dood. Hij leeft. Daarom zegt Hij nu tot iedere gelovige: “Ik leef en gij zult leven.” (Johannes 14:19) Wat mooi is het om opnieuw te horen, dat de Heer een duidelijk “Ik ben” uitsprak (:25,26).

In hoofdstuk 11 zien wij Jezus’ macht over de dood. Hij riep Lazarus terug tot het leven, hoewel Lazarus al vier dagen dood was. Voordat dit gebeurde, wist Jezus al dat Hij Lazarus uit de dood zou opwekken (:11,13-15). De dood en de opwekking van Lazarus hebben opnieuw tot doel om mensen op te roepen tot geloof (:14,15). Ook in dit hoofdstuk gaat het dus over geloof. Wij zien, dat Marta ook duidelijk de inhoud van haar geloof onder woorden bracht. Zij geloofde, dat Jezus de Messias is (:27). Opmerkelijk is, dat tevens gezegd wordt, dat wie gelooft, de grootheid, dat is de heerlijkheid van God zal zien (:40). Ongelovigen zien deze grootheid van God niet. Zij zijn er blind voor. Alleen gelovigen hebben hier oog voor. Mooi, dat veel Judeeërs in Jezus geloofden en dus de grootheid van God leerden kennen (:45,46). Jammer dat anderen de Heer in ongeloof afwezen.

Dit is het zevende teken, waarvan Johannes melding maakt en in zekere zin is dit het grootste. Leven is misschien wel het grootste wonder en het grootste mysterie. In de opwekking van Lazarus zien wij, dat de Here Jezus de Gever van het leven is. Ook zien wij dat er toekomst en hoop is voor wie gelooft. In zekere zin toonde de Here Jezus hier aan, wat er eens zal gebeuren met hen die “in Jezus ontslapen zijn.” Zoals Lazarus nu door de Heer uit het graf werd geroepen, zo zullen eens allen die in Christus gestorven zijn uit het graf worden geroepen. Dat zal zijn op de grote dag van Jezus' wederkomst. Zie l Corinthe 15:1 34 en 1 Thessalonicenzen 4:13 18.

In dit gedeelte lezen wij, dat zowel Maria, de Joden, als de Here Jezus weenden aan Lazarus' graf (:33,35). De wijze waarop over het wenen van de Here Jezus gesproken wordt in vers 33 (“diep bewogen”) maakt ons duidelijk, dat Hij diep ontroerd was en hard gehuild heeft. Geen wonder, dat later in de Hebreeënbrief geschreven kon worden, dat de Here Jezus werkelijk met ons kan meevoelen (Hebreeën 4:15). Drie keer lezen wij in de Bijbel, dat de Here Jezus weende.
1. Hij weende als een vriend aan het graf van Lazarus.
2. Hij weende als profeet over de stad Jeruzalem (Lucas 19:41 44)
3. en Hij weende als Middelaar toen Hij het offer voor de zonde bracht (Hebreeën 5:7-10).

Opnieuw zien wij in dit hoofdstuk dat Jezus “Rabbi” genoemd wordt (:8). Telkens weer worden wij erop gewezen welke plaats Jezus in het jodendom innam. Dit betekent, dat ook wij niet buiten het jodendom om kunnen als wij Jezus’ volgelingen willen zijn.

In dit hoofdstuk horen wij voor het eerst over hogepriesters in het meervoud. In de vertaling van 1951 worden zij “overpriesters” genoemd. Er worden echter inderdaad “hogepriesters” bedoeld. Het gaat hierbij over de hogepriester Annas die door de Romeinen als hogepriester was afgezet, maar door de Joden nog steeds als hogepriester beschouwd werd. En het gaat over zijn schoonzoon Kajafas, die de hogepriester bij de gratie van de Romeinen was. Deze laatste hogepriester deed in deze tijd een bijzondere uitspraak, die als een profetie gezien kan worden (:49-52). Zonder zich de verstrekkende betekenis van zijn woorden te realiseren, maakte hij hier in feite al de grote betekenis van Jezus’ sterven bekend.
 

opgaven les 13


De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
 
1. In dit hoofdstuk lezen wij het vijfde “Ik ben” van de Here Jezus. Hij zei: “Ik ben...”
2. In het gesprek met de discipelen noemde de Here Jezus drie bijzondere redenen voor de ziekte van Lazarus. Welke redenen noemde Hij?
  a.
  b.
  c.
3. Hoeveel dagen was Lazarus al gestorven, toen de Heer Jezus bij zijn graf kwam?
4. Wat verwachtten de discipelen, dat er met henzelf zou gebeuren, als zij met de Here Jezus naar Judea zouden reizen?
5. Toen de discipelen hierover met de Here Jezus spraken, herinnerden zij Hem aan wat er de vorige keer in Judea gebeurd was. Wat was er toen gebeurd?
6. Wie ging de Here Jezus tegemoet: Maria of Martha?
7. De Here Jezus had een gesprek met Martha. Aan het eind van dat gesprek beleed zij haar geloof. Wat geloofde zij?
8. Wat zullen wij zien als wij geloven?
9. Kajafas heeft als hogepriester een bijzondere profetie uitgesproken betreffende het sterven van de Here Jezus. Wat zei hij?
10. Erkenden de hogepriesters en de Farizeeën dat de Here Jezus wonderen deed?
11. Noem een beter woord voor “overpriesters”.
12. Noem drie mensen die in de Bijbel een vriend van God of van de Here Jezus genoemd worden.
13. Drie keer lezen wij in de Bijbel, dat de Heer Jezus weende. Waarover weende Hij?
14. Stierf de Heer Jezus voor zondaars of voor rechtvaardigen?
15. Wat is voor u in dit hoofdstuk de betekenis van de Here Jezus?


BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2010 Stichting Het Licht des Levens