Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 13
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 12
| 1. |
Wat doet de Goede Herder voor Zijn schapen? |
| |
Hij roept zijn
eigen schapen bij hun naam, leidt ze naar buiten en
loopt voor ze uit (:3,4). Ook geeft hij zijn leven
voor de schapen (:11,15,17). |
| 2. |
In dit gedeelte lezen wij het derde en het vierde
“Ik ben” van de Here Jezus. Hoe luiden deze? |
| |
a. Ik ben de deur
(:7,9) |
| |
b. Ik ben de goede herder (:11,14) |
| 3. |
a. Wat moeten wij doen om behouden te worden? |
| |
Door Jezus
binnengaan in de “stal” (::9) |
| |
b. Wat zou dit betekenen? |
| |
Jezus aanvaarden
(aannemen) als Redder om zo voor eeuwig behouden te
worden (vgl. Johannes 1:12). |
| 4. |
In de verzen 11, 15 en 17 lezen wij, dat de Goede
Herder Zijn leven zou “geven” voor de schapen.
Wanneer deed de Heer Jezus dit? |
| |
Toen Hij stierf aan
het kruis op Golgotha |
| 5. |
a. Is het volgens dit hoofdstuk mogelijk, dat iemand
die eens een kind van God geworden is, later toch
weer verloren gaat? |
| |
Nee |
| |
b. In welk vers leest u dit? |
| |
:28,29 |
| 6. |
Is Jezus werkelijk één met de Vader? |
| |
Ja (:30,38) |
| 7. |
Wat wilden de Joden doen met de Here Jezus, toen Hij
over Zijn eenheid met de Vader gesproken had? |
| |
Stenigen (:3) |
| 8. |
De Heer Jezus noemt Zichzelf in dit hoofdstuk de
Goede Herder. De Joden waren gewend aan geestelijke-
en politieke leiders, die als gewone herders
begonnen waren. Noem eens twee van deze mensen. |
| |
Mozes en David |
| 9. |
Waarvan is de veilige schaapskooi een beeld? |
| |
Van de eeuwige
behoudenis |
| 10. |
Wie of wat is de enige weg tot de eeuwige
behoudenis? |
| |
De Here Jezus, zie
Handelingen 4:12 |
| 11. |
Nam de Heer Jezus afstand van de Joods-Bijbelse wet
of hield Hij Zichzelf ook volkomen aan deze wet? |
| |
Hij hield Zich
volkomen aan de Joods-Bijbelse wet. Hij had ook
nooit kritiek op de wet; wel soms op hoe mensen met
de wet omgingen. |
| 12. |
Hoe wordt Jezus in dit hoofdstuk openbaar? Wie en
wat wil Hij ook voor u zijn? |
| |
Hij is de deur naar
de hemel. Hij is de Herder om mijn leven te leiden.
Hij is de Verlosser die voor mij aan het kruis
gestorven is. En de Heer kent mij net zo goed zoals
Vader en Zoon elkaar kennen. Als gelovige ben ik
voor eeuwig veilig zowel in de hand van God de Vader
als in de hand van de Heer Jezus. Niets en niemand
kan mij ooit daaruit weg krijgen. |
Wie is Jezus? - les 13
De opwekking van Lazarus
1 Er was
iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp waar
Maria en haar zuster Marta woonden
2 –dat was de Maria die Jezus met olie gezalfd heeft en zijn
voeten met haar haar heeft afgedroogd; de zieke Lazarus was
haar broer.
3 De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap:
‘Heer, uw vriend is ziek.’
4 Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt niet uit
op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God
geëerd zal worden.’
5 Jezus hield veel van Marta en haar zuster, en van Lazarus.
6 Maar toen hij gehoord had dat Lazarus ziek was, bleef hij
toch nog twee dagen waar hij was.
7 Daarna zei hij tegen zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan
naar Judea.’
8 ‘Maar rabbi, ‘protesteerden de leerlingen, ‘de Joden
wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naar toe?’
9 Jezus zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag
loopt, struikelt niet, want hij ziet het licht van deze
wereld,
10 maar wie ‘s nachts loopt, struikelt doordat hij geen
licht heeft.’
11 Nadat hij dat gezegd had zei hij: ‘Onze vriend Lazarus is
ingeslapen, ik ga hem wakker maken.’
12 De leerlingen zeiden: ‘Als hij slaapt, zal hij wel beter
worden, Heer.’
13 Zij dachten dat hij het over slapen had, terwijl Jezus
bedoelde dat hij gestorven was.
14 Toen zei hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven,
15 en om jullie ben ik blij dat ik er niet bij was: nu
kunnen jullie tot geloof komen. Laten we dan nu naar hem toe
gaan.’
16 Tomas (dat betekent ‘tweeling’) zei tegen de anderen:
‘Laten ook wij maar gaan, om met hem te sterven.’
17 Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier
dagen in het graf lag.
18 Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van
ongeveer vijftien stadie,
19 en er waren dan ook veel Joden naar Marta en Maria
gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was.
20 Toen Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem
tegemoet, terwijl Maria thuisbleef.
21 Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou
mijn broer niet gestorven zijn.
22 Maar zelfs nu weet ik dat God u alles zal geven wat u
vraagt.’
23 Jezus zei: ‘Je broer zal uit de dood opstaan.’
24 ‘Ja, ‘zei Marta, ‘ik weet dat hij bij de opstanding op de
laatste dag zal opstaan.’
25 Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie
in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft,
26 en ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven.
Geloof je dat?’
27 ‘Ja Heer, ‘zei ze, ‘ik geloof dat u de Messias bent, de
Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
28 Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria
apart en zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’
29 Zodra Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe,
30 die nog niet in het dorp was, maar op de plek waar Marta
hem tegemoet was gekomen.
31 Toen de Joden die bij haar in huis waren om haar te
troosten, Maria zo haastig zagen weggaan, liepen ze achter
haar aan, want ze dachten dat ze naar het graf ging om daar
te weeklagen.
32 Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag,
viel ze aan zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was
geweest, Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn!’
33 Jezus zag hoe zij en de Joden die bij haar waren
weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen
34 vroeg hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze
zeiden: ‘Kom maar kijken, Heer.’
35 Jezus begon ook te huilen,
36 en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem
gehouden!’
37 Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een
blinde geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus
kunnen voorkomen?’
38 Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een
spelonk met een steen voor de opening.
39 Hij zei: ‘Haal de steen weg.’ Marta, de zuster van de
dode, zei: ‘Maar Heer, de stank! Hij ligt er al vier dagen!’
40 Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods
grootheid zult zien als je gelooft?’
41 Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog en
zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord.
42 U verhoort mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter
wille van al die mensen hier, opdat ze zullen geloven dat u
mij gezonden hebt.’
43 Daarna riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’
44 De dode kwam te voorschijn, zijn handen en voeten in
linnen gewikkeld, en zijn gezicht bedekt door een doek.
Jezus zei tegen de omstanders: ‘Maak de doeken los, en laat
hem gaan.’
45 Veel Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien
hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in hem.
46 Maar enkelen gingen naar de Farizeeën om hun te vertellen
wat Jezus gedaan had.
47 Daarop riepen de hogepriesters en de Farizeeën het
Sanhedrin bijeen: ‘Wat moeten we doen? Deze man doet veel
wondertekenen,
48 en als we hem zijn gang laten gaan, zal iedereen in hem
gaan geloven. Straks grijpen de Romeinen in; dan zullen ze
onze tempel en ons volk vernietigen.’
49 Een van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei
tegen de anderen: ‘Jullie begrijpen het niet!
50 Besef toch dat het in jullie eigen belang is dat één man
sterft voor het hele volk, zodat niet het hele volk verloren
gaat.’
51 Dat zei hij niet uit zichzelf: als hogepriester in dat
jaar sprak hij de profetie dat Jezus zou sterven voor het
volk,
52 en niet alleen voor het volk, maar ook om de verstrooide
kinderen van God bijeen te brengen.
53 Vanaf die dag overlegden ze hoe ze hem zouden doden.
54 Jezus trad onder de Joden niet meer in het openbaar op,
maar vertrok naar de omgeving van de woestijn, naar de stad
Efraïm. Daar bleef hij met zijn leerlingen.
55 Het was kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, en veel
mensen uit de omgeving gingen al vóór het feest naar
Jeruzalem om zich te reinigen.
56 Daar keken ze uit naar Jezus; ze stonden in de tempel en
zeiden tegen elkaar: ‘Wat denk je? Zou hij niet meer naar
het feest komen?’
57 De hogepriesters en de Farizeeën hadden opdracht gegeven
hem aan te geven als men wist waar hij was, zodat ze hem
konden arresteren.
(Johannes 11)
Ook in dit hoofdstuk krijgen wij te horen over de relatie
die er is tussen zonde en ziekte. Lazarus is gestorven. Hij
is eerst ziek geworden, zo blijkt uit vers 4 en is daarna
overleden. Aan welke ziekte hij overleden is, is niet
belangrijk. Het gaat erom, dat hij ziek geworden is en
overleden is. Nu kan de vraag gesteld worden, welke zonde
Lazarus gedaan heeft (of zijn voorouders), dat hij
vroegtijdig stierf. Het antwoord blijkt opnieuw heel
duidelijk: het heeft niets met persoonlijke zonde te maken.
Het gaat om de eer en de verheerlijking van God, zo blijkt
uit vers 4.
De geschiedenis vindt plaats bij enkele bijzondere mensen,
van wie wij in het volgende hoofdstuk lezen, dat Jezus er
met Zijn leerlingen een maaltijd gebruikte, waarbij Maria de
voeten van de Here Jezus met olie zou zalven. Dit feit wordt
nu al even in Johannes 11:2 genoemd. Haar broer, Lazarus
wordt door Jezus “onze vriend” genoemd. Dat is heel
bijzonder. Er worden maar enkele mensen in de Bijbel zo
vriendschappelijk bezien.
1. De eerste in de Bijbel die een vriend van God genoemd
werd, was Abraham (zie Jacobus 2:23). Hij werd een vriend
van God genoemd, omdat hij God geloofde. Dit geloof betekent
niet, dat hij in het bestaan van God geloofde, maar dat hij
geloofde wat God tegen hem gezegd had.
2. De tweede in de Bijbel over wie op deze manier gesproken
wordt, is Mozes (zie Exodus 33:11). God ging heel
vriendschappelijk met hem om en sprak met hem zoals vrienden
met elkaar spreken.
3. De derde is Lazarus (Johannes 11:11). Jezus zegt hier
eigenlijk: Lazarus is Mijn vriend! Vervolgens staat
er, dat Jezus weende bij zijn graf (:35). Dat spreekt van
een enorme betrokkenheid tussen Jezus en Lazarus. Jezus zegt
ook “Hij is onze vriend”. Dat wil zeggen, dat als je
de vriend van de Here Jezus bent, Hij je plaatst in een
grotere kring van vrienden. Al Jezus’ vrienden zijn nu ook
jouw vrienden! Dat betekent, dat de grote kring van al
Jezus’ volgelingen als het ware één grote vriendschap met
elkaar vormen: de Gemeente van Jezus!
In dit hoofdstuk leren wij Jezus kennen als degene die macht
heeft over de dood en dode mensen het leven kan geven. Dan
kan Hij zeker ook geestelijk dode mensen een bijzonder leven
schenken. Hier zien wij echter eerst, dat Hij een “vriend”
is. In Mattheus 11:19 wordt zelfs gezegd, dat Hij een vriend
van zondaars is. Als vriend van zondaars zou Hij voor deze
zondaars - Zijn vrienden! - sterven. Precies zoals Johannes
10 gezegd had, dat Hij Zijn leven zou geven voor Zijn
schapen. Nu is het opmerkelijk, dat er niet staat, dat Jezus
de Vriend is van een bepaald aantal zondaars. Nee, Hij is de
Vriend van alle zondaars. Hij stierf ook voor alle
zondaars, zoals Romeinen 5:8 laat zien. Als u een zondaar
bent - en dat bent u toch - dan is Jezus ook voor u
gestorven en wil Hij ook uw vriend zijn.
In de Romeinenbrief schrijft de apostel Paulus, dat alle
mensen gezondigd hebben en daarom de heerlijkheid van God
moeten missen (Romeinen 3:23) en dat het loon dat de zonde
geeft, de dood is (Romeinen 6:23). Wie echter de Here Jezus
kent als zijn Redder en Heer, hoeft niet bevreesd te zijn
voor de dood. Voor zo iemand is de dood van zijn
angstaanjagende macht beroofd. De Here Jezus is voor ons de
dood ingegaan. Hij heeft de dood overwonnen en heeft het
graf achter Zich gelaten. Hij verrees uit de dood. Hij
leeft. Daarom zegt Hij nu tot iedere gelovige: “Ik leef en
gij zult leven.” (Johannes 14:19) Wat mooi is het om opnieuw
te horen, dat de Heer een duidelijk “Ik ben” uitsprak
(:25,26).
In hoofdstuk 11 zien wij Jezus’ macht over de dood. Hij riep
Lazarus terug tot het leven, hoewel Lazarus al vier dagen
dood was. Voordat dit gebeurde, wist Jezus al dat Hij
Lazarus uit de dood zou opwekken (:11,13-15). De dood en de
opwekking van Lazarus hebben opnieuw tot doel om mensen op
te roepen tot geloof (:14,15). Ook in dit hoofdstuk gaat het
dus over geloof. Wij zien, dat Marta ook duidelijk de inhoud
van haar geloof onder woorden bracht. Zij geloofde, dat
Jezus de Messias is (:27). Opmerkelijk is, dat tevens gezegd
wordt, dat wie gelooft, de grootheid, dat is de heerlijkheid
van God zal zien (:40). Ongelovigen zien deze grootheid van
God niet. Zij zijn er blind voor. Alleen gelovigen hebben
hier oog voor. Mooi, dat veel Judeeërs in Jezus geloofden en
dus de grootheid van God leerden kennen (:45,46). Jammer dat
anderen de Heer in ongeloof afwezen.
Dit is het zevende teken, waarvan Johannes melding maakt en
in zekere zin is dit het grootste. Leven is misschien wel
het grootste wonder en het grootste mysterie. In de
opwekking van Lazarus zien wij, dat de Here Jezus de Gever
van het leven is. Ook zien wij dat er toekomst en hoop is
voor wie gelooft. In zekere zin toonde de Here Jezus hier
aan, wat er eens zal gebeuren met hen die “in Jezus
ontslapen zijn.” Zoals Lazarus nu door de Heer uit het graf
werd geroepen, zo zullen eens allen die in Christus
gestorven zijn uit het graf worden geroepen. Dat zal zijn op
de grote dag van Jezus' wederkomst. Zie l Corinthe 15:1 34
en 1 Thessalonicenzen 4:13 18.
In dit gedeelte lezen wij, dat zowel Maria, de Joden, als de
Here Jezus weenden aan Lazarus' graf (:33,35). De wijze
waarop over het wenen van de Here Jezus gesproken wordt in
vers 33 (“diep bewogen”) maakt ons duidelijk, dat Hij diep
ontroerd was en hard gehuild heeft. Geen wonder, dat later
in de Hebreeënbrief geschreven kon worden, dat de Here Jezus
werkelijk met ons kan meevoelen (Hebreeën 4:15). Drie keer
lezen wij in de Bijbel, dat de Here Jezus weende.
1. Hij weende als een vriend aan het graf van Lazarus.
2. Hij weende als profeet over de stad Jeruzalem (Lucas
19:41 44)
3. en Hij weende als Middelaar toen Hij het offer voor de
zonde bracht (Hebreeën 5:7-10).
Opnieuw zien wij in dit hoofdstuk dat Jezus “Rabbi” genoemd
wordt (:8). Telkens weer worden wij erop gewezen welke
plaats Jezus in het jodendom innam. Dit betekent, dat ook
wij niet buiten het jodendom om kunnen als wij Jezus’
volgelingen willen zijn.
In dit hoofdstuk horen wij voor het eerst over hogepriesters
in het meervoud. In de vertaling van 1951 worden zij
“overpriesters” genoemd. Er worden echter inderdaad
“hogepriesters” bedoeld. Het gaat hierbij over de
hogepriester Annas die door de Romeinen als hogepriester was
afgezet, maar door de Joden nog steeds als hogepriester
beschouwd werd. En het gaat over zijn schoonzoon Kajafas,
die de hogepriester bij de gratie van de Romeinen was. Deze
laatste hogepriester deed in deze tijd een bijzondere
uitspraak, die als een profetie gezien kan worden (:49-52).
Zonder zich de verstrekkende betekenis van zijn woorden te
realiseren, maakte hij hier in feite al de grote betekenis
van Jezus’ sterven bekend.
opgaven les 13
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
In dit hoofdstuk lezen
wij het vijfde “Ik ben” van de Here Jezus.
Hij zei: “Ik ben...” |
| 2. |
In het gesprek met de
discipelen noemde de Here Jezus drie bijzondere
redenen voor de ziekte van Lazarus. Welke redenen
noemde Hij? |
| |
a. |
| |
b. |
| |
c. |
| 3. |
Hoeveel dagen was
Lazarus al gestorven, toen de Heer Jezus bij zijn
graf kwam? |
| 4. |
Wat verwachtten de
discipelen, dat er met henzelf zou gebeuren, als zij
met de Here Jezus naar Judea zouden reizen? |
| 5. |
Toen de discipelen
hierover met de Here Jezus spraken, herinnerden zij
Hem aan wat er de vorige keer in Judea gebeurd was.
Wat was er toen gebeurd? |
| 6. |
Wie ging de Here Jezus
tegemoet: Maria of Martha? |
| 7. |
De Here Jezus had een
gesprek met Martha. Aan het eind van dat gesprek
beleed zij haar geloof. Wat geloofde zij? |
| 8. |
Wat zullen wij zien
als wij geloven? |
| 9. |
Kajafas heeft als
hogepriester een bijzondere profetie uitgesproken
betreffende het sterven van de Here Jezus. Wat zei
hij? |
| 10. |
Erkenden de
hogepriesters en de Farizeeën dat de Here Jezus
wonderen deed? |
| 11. |
Noem een beter woord
voor “overpriesters”. |
| 12. |
Noem drie mensen die
in de Bijbel een vriend van God of van de Here Jezus
genoemd worden. |
| 13. |
Drie keer lezen wij in
de Bijbel, dat de Heer Jezus weende. Waarover weende
Hij? |
| 14. |
Stierf de Heer Jezus
voor zondaars of voor rechtvaardigen? |
| 15. |
Wat is voor u in dit
hoofdstuk de betekenis van de Here Jezus? |
|