Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 14
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 13
| 1. |
In dit hoofdstuk lezen
wij het vijfde “Ik ben” van de Here Jezus.
Hij zei: “Ik ben...” |
| |
“Ik ben de opstanding
en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook
wanneer hij sterft, en ieder die leeft en in mij
gelooft zal nooit sterven.” (:25,26) |
| 2. |
In het gesprek met de
discipelen noemde de Here Jezus drie bijzondere
redenen voor de ziekte van Lazarus. Welke redenen
noemde Hij? |
| |
a. De eer van God en de eer van de Zoon van God (:4) |
| |
b. De discipelen moesten hierdoor tot geloof in de Heer
Jezus komen (:15). Natuurlijk is dit wonder
geschied, opdat ook wij in de Heer Jezus zullen
geloven. |
| |
c. Opdat mensen Gods grootheid (heerlijkheid) zullen
zien als zij geloven (:40) |
| 3. |
Hoeveel dagen was
Lazarus al gestorven, toen de Heer Jezus bij zijn
graf kwam? |
| |
Vier (:39). Als u
bedenkt dat dit in een warm land was, kunt u zich
voorstellen, dat een lichaam na vier dagen al tot
ontbinding overgegaan was. |
| 4. |
Wat verwachtten de
discipelen, dat er met henzelf zou gebeuren, als zij
met de Here Jezus naar Judea zouden reizen? |
| |
Zij verwachtten, dat
zij met Jezus zouden sterven in Judea (:16). Zij
verwachtten dat zij allen daar gedood zouden worden.
Toch gingen zij met Jezus mee. Zo groot was hun
liefde voor Hem! |
| 5. |
Toen de discipelen
hierover met de Here Jezus spraken, herinnerden zij
Hem aan wat er de vorige keer in Judea gebeurd was.
Wat was er toen gebeurd? |
| |
De Joden wilden Hem
toen stenigen (:8) |
| 6. |
Wie ging de Here Jezus
tegemoet: Maria of Martha? |
| |
Martha (:20) |
| 7. |
De Here Jezus had een
gesprek met Martha. Aan het eind van dat gesprek
beleed zij haar geloof. Wat geloofde zij? |
| |
“Ik geloof dat u de
Messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou
komen.” (:27) |
| 8. |
Wat zullen wij zien
als wij geloven? |
| |
Gods grootheid, dat
is: Gods heerlijkheid (:40) |
| 9. |
Kajafas heeft als
hogepriester een bijzondere profetie uitgesproken
betreffende het sterven van de Here Jezus. Wat zei
hij? |
| |
“Besef toch dat het in
jullie eigen belang is dat één man sterft voor het
hele volk, zodat niet het hele volk verloren gaat.”
(:50) |
| 10. |
Erkenden de
hogepriesters en de Farizeeën dat de Here Jezus
wonderen deed? |
| |
Ja (:47) |
| 11. |
Noem een beter woord
voor “overpriesters”. |
| |
Hogepriesters (nl.
Annas en Kajafas) |
| 12. |
Noem drie mensen die
in de Bijbel een vriend van God of van de Here Jezus
genoemd worden. |
| |
Abraham, Mozes en
Lazarus |
| 13. |
Drie keer lezen wij in
de Bijbel, dat de Heer Jezus weende. Waarover weende
Hij? |
| |
a. Hij weende als
vriend bij het graf van Lazarus |
| |
b. Hij weende als
profeet over de stad Jeruzalem (Lucas 19:41-44) |
| |
c. Hij weende als
Middelaar toen Hij het offer voor de zonde bracht
(Hebreeën 5:7-10) |
| 14. |
Stierf de Heer Jezus
voor zondaars of voor rechtvaardigen? |
| |
Hij stierf voor
zondaars (Romeinen 5:8) |
| 15. |
Wat is voor u in dit
hoofdstuk de betekenis van de Here Jezus? |
| |
Dit is een
persoonlijke vraag waarop u een persoonlijk antwoord
mag geven. In ieder geval ziet u de Here Jezus als
de grote Redder en Helper en als Overwinnaar over de
dood, die bij Zijn wederkomst ook ons lichaam eens
uit de dood zal terugbrengen. |
Wie is Jezus? - les 14
Jezus en de zalving te Betanië
1 Zes
dagen voor Pesach ging Jezus naar Betanië, naar Lazarus die
hij uit de dood had opgewekt.
2 Daar hield men ter ere van hem een maaltijd; Marta
bediende, en Lazarus was een van de mensen die met hem
aanlagen.
3 Maria nam een kruikje kostbare, zuivere nardusolie, zalfde
de voeten van Jezus en droogde ze af met haar haar. De geur
van de olie trok door het hele huis.
4 Judas Iskariot, een van de leerlingen, degene die hem zou
uitleveren, vroeg:
5 ‘Waarom is die olie niet voor driehonderd denarie verkocht
om het geld aan de armen te geven?’
6 Dat zei hij niet omdat hij zich om de armen bekommerde–hij
was een dief: hij beheerde de kas en stal eruit.
7 Maar Jezus zei: ‘Laat haar, ze doet dit voor de dag van
mijn begrafenis;
8 de armen zijn immers altijd bij jullie, maar ik niet.’
9 Intussen hadden de Joden gehoord dat Jezus daar was en ze
gingen in groten getale naar hem toe, niet alleen om
hemzelf, maar ook om Lazarus te zien die hij uit de dood had
opgewekt.
10 De hogepriesters beraamden intussen een plan om ook
Lazarus te doden,
11 omdat hij er de oorzaak van was dat veel Joden bij Jezus
kwamen en in hem gingen geloven.
12 De volgende dag was er al een grote menigte in Jeruzalem
voor het feest. Toen ze hoorden dat Jezus ook zou komen,
13 haalden ze palmtakken en liepen ze de stad uit, hem
tegemoet, terwijl ze riepen: ‘Hosanna! Gezegend hij die komt
in de naam van de Heer, de koning van Israël.’
14 Jezus zag een ezel staan en ging erop zitten, zoals
geschreven staat:
15 ‘Vrees niet, Sion, je koning is in aantocht, en hij zit
op een ezelsveulen.’
16 Zijn leerlingen begrepen dit aanvankelijk niet, maar
later, toen Jezus tot majesteit verheven was, herinnerden ze
zich dat dit over hem geschreven stond, en dat het zo ook
gebeurd was.
17 De mensen die erbij waren geweest toen hij Lazarus uit
het graf riep en uit de dood opwekte, waren van die
gebeurtenis blijven getuigen.
18 Daarom ging de menigte hem ook tegemoet, omdat ze gehoord
hadden dat hij dit wonderteken had gedaan.
19 En de Farizeeën zeiden tegen elkaar: ‘Je ziet dat we
niets bereikt hebben: kijk maar, de hele wereld loopt achter
hem aan.’
20 Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen
om God te aanbidden.
21 Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en
vroegen hem of ze Jezus konden ontmoeten.
22 Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze
naar Jezus.
23 Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot
majesteit wordt verheven.
24 Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de
aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar
wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.
25 Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze
wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven.
26 Wie mij dient moet mij volgen: waar ik ben zal ook mijn
dienaar zijn, en wie mij dient zal door de Vader geëerd
worden.
27 Nu ben ik doodsbang. Wat moet ik zeggen? Vader, laat dit
ogenblik aan mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben ik juist
gekomen.
28 Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er
een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en ik
zal mijn grootheid weer tonen.’
29 De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een
donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een
engel was die tegen hem gesproken had.
30 Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor mij gesproken, maar
voor u.
31 Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de
heerser van deze wereld uitgebannen worden.
32 Wanneer ik van de aarde omhooggeheven word, zal ik
iedereen naar mij toe halen.’
33 Daarmee bedoelde hij de wijze waarop hij zou sterven.
34 ‘Maar wij hebben uit de wet begrepen dat de messias
eeuwig blijft leven, ‘zeiden de mensen, ‘waarom zegt u dan
dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? Wie is die
Mensenzoon?’
35 ‘Nog een korte tijd is het licht bij u, ‘antwoordde
Jezus. ‘Ga uw weg zolang het licht is en laat de duisternis
u niet overvallen; wie in het donker loopt weet niet waar
hij heen gaat.
36 Geloof in het licht zolang u het licht bij u hebt, dan
bent u kinderen van het licht.’ Na deze woorden ging Jezus
weg en hij hield zich voor hen schuil.
37 Ondanks de wondertekenen die hij voor hun ogen gedaan
had, geloofden ze niet in hem.
38 Zo gingen de woorden van de profeet Jesaja in vervulling,
die zei:
‘Heer, wie heeft onze boodschap geloofd?
Aan wie is de macht van de Heer geopenbaard?’
39 Ze konden niet tot geloof komen, want Jesaja heeft ook
gezegd:
40 ‘Hij heeft hun ogen verblind
en hun hart gesloten,
anders zouden zij met hun ogen zien
en met hun hart begrijpen,
zij zouden zich omkeren
en ik zou hen genezen.’
41 Jesaja doelde op Jezus toen hij dit zei, omdat hij zijn
majesteit zag.
42 Toch waren er ook veel leiders die wel in hem geloofden,
maar vanwege de Farizeeën kwamen ze daar niet openlijk voor
uit, omdat ze niet uit de synagoge gezet wilden worden.
43 Ze stelden meer prijs op de eer van mensen dan op de eer
van God.
44 Jezus had luid en duidelijk gezegd: ‘Wie in mij gelooft,
gelooft niet in mij, maar in hem die mij gezonden heeft,
45 en wie mij ziet, ziet hem die mij gezonden heeft.
46 Ik ben het licht dat naar de wereld is gekomen, opdat
iedereen die in mij gelooft niet meer in de duisternis is.
47 Als iemand mijn woorden hoort maar ze niet bewaart, zal
ik niet over hem oordelen. Ik ben immers niet gekomen om
over de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden.
48 Wie mij afwijst en mijn woorden niet aanneemt heeft al
een rechter: alles wat ik gezegd heb zal op de laatste dag
over hem oordelen.
49 Ik heb niet namens mezelf gesproken, maar de Vader die
mij gezonden heeft, heeft me opgedragen wat ik moest zeggen
en hoe ik moest spreken.
50 Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven betekent. Alles
wat ik zeg, zeg ik zoals de Vader het mij verteld heeft.’
(Johannes 12)
Zes dagen voor Pesach zoals de Joden het Paasfeest noemen,
bezocht de Heiland nogmaals de plaats waar Lazarus met zijn
beide zusters woonde: Betanië. Aan de maaltijd probeerde
Maria haar dankbaarheid te tonen door de voeten van de Here
Jezus te zalven met kostbare nardusmirre. Deze kostbare zalf
werd door reizigers meegebracht uit het Himalaya gebergte
van India.
In Lucas 10:39 lezen wij, dat Maria aan de voeten van de
Here Jezus gezeten, luisterde naar Zijn woord.
In Johannes 11:32 lezen wij, dat zij aan de voeten van de
Here Jezus weende.
In Johannes 12:3 lezen wij, dat zij aan de voeten van de
Here Jezus Hem diende.
De woorden van vers 7 kunnen betekenen, dat Maria nog wat
mirre bewaard heeft voor de begrafenis van de Here Jezus.
Ook kan bedoeld zijn, dat zij nu reeds de Heiland grote eer
bewezen heeft in verband met Zijn begrafenis. Opmerkelijk is
in ieder geval, dat de voetzalving van Maria in hoofdstuk 13
gevolgd wordt door de voetwassing van de Here Jezus!
De volgende dag reed de Here Jezus op een ezel van Betanië
naar Jeruzalem. Hiermee toonde Hij, dat Hij de beloofde
Messias Koning was, want deze zou op een ezel Zijn intocht
maken (Zacharia 9:9; Johannes 12:15). Het volk begreep, dat
Jezus de Mesias Koning was en haalde Hem al jubelend
Jeruzalem binnen (:13). Hierbij riep het volk twee
opmerkelijke dingen:
16. Hosanna, wat betekent: “Red nu.” Dit is naar aanleiding
van Psalm 118:25,26. De Here Jezus zou hen inderdaad redden,
nl. toen Hij stierf aan het kruis.
17. De Koning van Israël. Terwijl heidenen steeds spraken
over de koning der Joden (zie Mattheus 2:2; Johannes 19:19),
spraken de Joden zelf over de Koning van Israël, d.i. de
Mesias Koning, de Zoon van David (Johannes 1:50 en 12:13).
Ook in dit hoofdstuk gaat het over geloof. In vers 9-11 zien
wij, dat het wonder bij Lazarus mensen tot geloof moest
leiden. Bij zijn dood en opwekking zien wij, dat mensen de
heerlijkheid en de grootheid ontdekt hebben in dit wonder.
Er wordt zelfs gesproken over het feit, dat als het ware “de
hele wereld” Jezus achterna loopt (:19). Er komen zelfs
“Grieken” die willen weten wie Jezus is (:20,21). Deze
Grieken zijn Joden die uit Griekenland gekomen zijn om het
Paasfeest in Jeruzalem te vieren. Zij zullen Jezus zien, zo
deelt de Heer mee, over enkele dagen als Hij zal hangen aan
het kruis op Golgotha (:23). Ja, wie Jezus echt wil zien,
moet Hem zien aan het kruis, zoals ook Johannes 3:14 ons
toen al liet weten.
God Zelf zorgt er ook voor dat mensen in Zijn Zoon de
heerlijkheid van Vader en Zoon zullen zien. Er komt een stem
uit de hemel - de stem van God de Vader - die verklaart, dat
Jezus Zijn Zoon is. Juist op dat punt rezen er problemen.
Jezus had verklaard dat Hij de Zoon van God was. De
gelovigen waren ook overtuigd dat Hij de Zoon van God was.
De ongelovigen konden hierin echter niet meegaan. Nu kwam
God Zelf, die duidelijk maakte, dat Jezus inderdaad Zijn
Zoon was. Jezus had namelijk naar de hemel geroepen: “Laat
nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’” (:28) Jezus sprak God
met “Vader” aan. God wees dit niet af, maar bevestigde deze
uitspraak toen Hij vanuit de hemel zei: “Ik heb mijn
grootheid getoond en ik zal mijn grootheid weer tonen.”
(:28)
Het is opmerkelijk, dat tot drie keer toe God vanuit de
hemel over en tot Zijn Zoon gesproken heeft.
1. Bij de doop van Jezus in de Jordaan (Mattheus 3:17).
2. Bij de verheerlijking op de berg (Mattheus 17:5).
3. Hier in Johannes 12:28.
Het is begrijpelijk, dat velen het niet konden rijmen, dat
God en Jezus Zelf verklaarden, dat Hij Gods Zoon, dus de
Messias was die een eeuwigdurend koninkrijk zou brengen,
terwijl Jezus tevens verklaarde, dat Hij zou sterven
(:34,35). In vers 40 hebben wij een citaat uit de profetie
van Jesaja, waaruit blijkt, dat ook Jesaja al naar Jezus
verwees. De Messias zou niet alleen regeren, maar ook lijden
en sterven en zo verzoening brengen voor Zijn volk.
De grootheid van de Here Jezus zal openbaar worden als de
heerser van deze wereld uitgebannen zal worden (:31). Hier
gaat het over de duivel, die zijn eerste nederlaag zal
lijden als Jezus aan het kruis zal sterven.
Mensen worden opgeroepen om te geloven, dat Jezus licht in
je leven brengt (:36). Een aantal hooggeplaatste Joden
geloofde dit inderdaad, zij het in het verborgene uit angst
dat ook zij geëxcommuniceerd zouden worden (:42,43). Zij die
in Hem geloven zullen niet alleen Jezus zien en kennen, maar
ook de Vader zien en kennen.
In de verzen 44 50 hebben wij Jezus' laatste algemene oproep
aan het volk om in Hem te geloven. De leiders van het volk
hadden echter hun besluit genomen: Jezus moest sterven. Zie
Johannes 11:45 57. Om dit te bereiken, waren zij zelfs
bereid om ook Lazarus te doden, als dit nodig mocht zijn
(12:10,11). Zoals zij later niet wilden luisteren naar de
boodschap van Jezus' opstanding, zo wilden zij nu ook niet
luisteren naar de boodschap van de opwekking van Lazarus.
In dit hoofdstuk wordt Jezus openbaar als de Knecht van de
HEER, zoals wij Hem in Jesaja 53 zien. Hij is degene die
licht in een duister leven brengt en die verzoening in je
leven brengt. Hij heeft de straf voor de zonden gedragen en
wil en kan nu ook u in contact met de Vader in de hemel
brengen.
opgaven les 14
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
Waarom wilde Judas dat
de olie verkocht zou worden, i.p.v. uitgegoten op de
voeten van de Here Jezus? |
| 2. |
Waarom wilden de
hogepriesters ook Lazarus doden? |
| 3. |
Wat riepen de mensen,
toen de Here Jezus op een ezel de stad binnen reed? |
| |
a. |
| |
b. |
| |
Wat betekende dit? |
| |
a. |
| |
b. |
| 4. |
Wat moet er met de
graankorrel gebeuren om vrucht te kunnen dragen? |
| 5. |
Wat zei de Here Jezus om aan te tonen, door welke dood Hij zou sterven? |
| 6. |
Als iemand de Here
Jezus wil dienen, wat moet hij of zij dan doen? |
| 7. |
a. Verschillende
Joodse leiders geloofden in de Here Jezus, maar
durfden hier niet voor uit te komen, uit angst voor
de Farizeeën. Waarvoor waren zij bevreesd? |
| |
b. Wat vonden deze mensen belangrijker dan de eer van
God? |
| 8. |
Wat zal in het laatste
oordeel, hen die Christus verworpen hebben,
veroordelen? |
| 9. |
Jezus zei: “Ik heb
niet uit Mijzelf gesproken.” Wie had Hem de opdracht
gegeven om te spreken? |
| 10. |
In Lucas 10 en in
Johannes 11 en 12 zien wij telkens iets speciaals
over Maria, terwijl zij aan de voeten van de Heer
Jezus zat. Wat was dit? |
| 11. |
Drie keer lezen wij in
de Bijbel, dat God de Vader op een bijzondere wijze
duidelijk maakte, dat Jezus Zijn Zoon was. Wanneer
was dit? |
| 12. |
Wie is de heerser van
deze wereld? |
| 13. |
Er is een lied dat
zegt, dat Jezus onze Knecht geworden is. De Bijbel
noemt Jezus inderdaad een Knecht. Wiens Knecht was
Hij? Kunt u dit uitleggen? |
| 14. |
Nu u dit hoofdstuk
gelezen hebt, kunt u misschien onder woorden
brengen, wat de Here Jezus ook voor u kan en wil
betekenen? |
|