Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 15
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 14
| 1. |
Waarom wilde Judas dat
de olie verkocht zou worden, i.p.v. uitgegoten op de
voeten van de Here Jezus? |
| |
Hij was een dief
(:6) |
| 2. |
Waarom wilden de
hogepriesters ook Lazarus doden? |
| |
Omdat hij er de
oorzaak van was dat veel Joden bij Jezus kwamen en
in Hem gingen geloven (:11) |
| 3. |
Wat riepen de mensen,
toen de Here Jezus op een ezel de stad binnen reed? |
| |
a. Hosanna |
| |
b. De koning van Israël |
| |
Wat betekende dit? |
| |
a. dat is “Heer, red (ons).” |
| |
b. dat is “De Messias” |
| 4. |
Wat moet er met de
graankorrel gebeuren om vrucht te kunnen dragen? |
| |
In de aarde vallen
en sterven (:24) |
| 5. |
Wat zei de Here Jezus
om aan te tonen, door welke dood Hij zou sterven? |
| |
Ik word van de
aarde omhoog geheven (:32,33) |
| 6. |
Als iemand de Here
Jezus wil dienen, wat moet hij of zij dan doen? |
| |
Hem volgen (:26) |
| 7. |
a. Verschillende
Joodse leiders geloofden in de Here Jezus, maar
durfden hier niet voor uit te komen, uit angst voor
de Farizeeën. Waarvoor waren zij bevreesd? |
| |
Omdat ze niet uit
de synagoge gezet wilden worden (:42) |
| |
b. Wat vonden deze mensen belangrijker dan de eer van
God? |
| |
Ze stelden meer
prijs op de eer van mensen dan op de eer van God
(:43) |
| 8. |
Wat zal in het laatste
oordeel, hen die Christus verworpen hebben,
veroordelen? |
| |
Alles wat de Heer
Jezus gezegd heeft zal op de laatste dag over hem
oordelen (:48) |
| 9. |
Jezus zei: “Ik heb
niet uit Mijzelf gesproken.” Wie had Hem de opdracht
gegeven om te spreken? |
| |
God de Vader die
Hem gezonden heeft (:49) |
| 10. |
In Lucas 10 en in
Johannes 11 en 12 zien wij telkens iets speciaals
over Maria, terwijl zij aan de voeten van de Heer
Jezus zat. Wat was dit? |
| |
a. In Lucas 10:39
luisterde zij naar Zijn Woord |
| |
b. In Johannes
11:32 weende zij |
| |
c. In Johannes
diende zij Hem |
| 11. |
Drie keer lezen wij in
de Bijbel, dat God de Vader op een bijzondere wijze
duidelijk maakte, dat Jezus Zijn Zoon was. Wanneer
was dit? |
| |
a. Bij de doop van
de Here Jezus in de Jordaan (Mattheus 3:17) |
| |
b. Bij de
verheerlijking op de berg (Mattheus 17:5) |
| |
c. Hier in Johannes
12:28 |
| 12. |
Wie is de heerser van
deze wereld? |
| |
De duivel |
| 13. |
Er is een lied dat
zegt, dat Jezus onze Knecht geworden is. De Bijbel
noemt Jezus inderdaad een Knecht. Wiens Knecht was
Hij? Kunt u dit uitleggen? |
| |
Hij wordt niet onze
Knecht genoemd, maar onze Meester. De Bijbel noemt
Hem Gods Knecht. Hij was al in Jesaja 53
aangekondigd als de Knecht van de Heer! Hij was niet
gekomen om ons gehoorzaam te zijn en onze wil te
volbrengen, maar om de wil van de Vader te
volbrengen en de Vader gehoorzaam te zijn!
|
| 14. |
Nu u dit hoofdstuk
gelezen hebt, kunt u misschien onder woorden
brengen, wat de Here Jezus ook voor u kan en wil
betekenen? |
| |
Hij heeft ook in
mijn leven Zijn licht gebracht. Hij heeft ervoor
gezorgd, dat ik God de Vader heb leren kennen en dat
de hemelse Vader ook mijn Vader geworden is. |
Wie is Jezus? - les 15
Jezus wast de voeten van de discipelen
1 Het was
kort voor het Pesachfeest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen
was en dat hij uit de wereld terug zou keren naar de Vader.
Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief, en
zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan.
2 Jezus en zijn leerlingen hielden een maaltijd. De duivel
had intussen Judas, de zoon van Simon Iskariot, ertoe
aangezet Jezus te verraden.
3 Jezus, die wist dat de Vader hem alle macht had gegeven,
dat hij van God was gekomen en weer naar God terug zou gaan,
4 stond tijdens de maaltijd op. Hij legde zijn bovenkleed
af, sloeg een linnen doek om
5 en goot water in een waskom. Hij begon de voeten van zijn
leerlingen te wassen en droogde ze af met de doek die hij
omgeslagen had.
6 Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch
niet mijn voeten wassen, Heer?’
7 Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet,
maar later zul je het wel begrijpen.’
8 ‘O nee, ‘zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen,
nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun
je niet bij mij horen, ‘
9 antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar
ook mijn handen en mijn hoofd!’
10 Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn
voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus
rein–maar niet allemaal.’
11 Hij wist namelijk wie hem zou verraden, daarom zei hij
dat ze niet allemaal rein waren.
12 Toen hij hun voeten gewassen had, deed hij zijn
bovenkleed aan en ging weer naar zijn plaats. ‘Begrijpen
jullie wat ik gedaan heb?’ vroeg hij.
13 ‘Jullie zeggen altijd “meester” en “Heer” tegen mij, en
terecht, want dat ben ik ook.
14 Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen
heb, moet je ook elkaars voeten wassen.
15 Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb
gedaan, moeten jullie ook doen.
16 Waarachtig, ik verzeker jullie: een slaaf is niet meer
dan zijn meester, en een afgezant niet meer dan wie hem
zendt.
17 Je zult gelukkig zijn als je dit niet alleen begrijpt,
maar er ook naar handelt.
18 Ik doel niet op jullie allemaal: ik weet wie ik heb
uitgekozen. Wat in de Schrift staat zal in vervulling gaan:
“Hij die at van mijn brood heeft zich tegen mij gekeerd.”
19 Ik zeg het jullie nu al, voor het gaat gebeuren; wanneer
het dan gebeurt, zullen jullie geloven dat ik het ben.
20 Ik verzeker jullie: wie iemand ontvangt die door mij
gezonden is ontvangt mij, en wie mij ontvangt ontvangt hem
die mij gezonden heeft.’
21 Nadat hij dit gezegd had werd Jezus diepbedroefd, en hij
verklaarde: ‘Waarachtig, ik verzeker jullie: een van jullie
zal mij verraden.’
22 De leerlingen keken elkaar aan en vroegen zich af wie hij
bedoelde.
23 Een van hen, de leerling van wie Jezus veel hield, lag
naast hem aan tafel aan,
24 en Simon Petrus beduidde hem dat hij moest vragen wie
Jezus bedoelde.
25 Hij boog zich dicht naar Jezus toe en vroeg: ‘Wie, Heer?’
26 ‘Degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik nu in de
schaal doop, ‘zei Jezus. Hij doopte een stuk brood in de
schaal en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot.
27 Op dat moment nam de duivel bezit van Judas. Jezus zei:
‘Doe maar meteen wat je van plan bent.’
28 Niemand aan tafel begreep waarom hij dit zei;
29 omdat Judas de kas beheerde, dachten sommigen dat Jezus
bedoelde dat hij inkopen voor het feest moest doen, of dat
hij iets aan de armen moest geven.
30 Judas nam het brood aan en ging meteen weg. Het was
nacht.
31 Toen hij weg was zei Jezus: ‘Nu is de grootheid van de
Mensenzoon zichtbaar geworden, en door hem de grootheid van
God.
32 Als Gods grootheid door hem zichtbaar geworden is, zal
God hem ook in die grootheid laten delen, nu onmiddellijk.
33 Kinderen, ik blijf nog maar een korte tijd bij jullie.
Jullie zullen me zoeken, maar wat ik tegen de Joden gezegd
heb, zeg ik nu ook tegen jullie: “Waar ik heen ga, daar
kunnen jullie niet komen.”
34 Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik
jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.
35 Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat
jullie mijn leerlingen zijn.’
36 Simon Petrus vroeg: ‘Waar gaat u naar toe, Heer?’ Jezus
antwoordde: ‘Ik ga ergens naar toe waar jij nog niet kunt
komen, later zul je mij volgen.’
37 ‘Waarom kan ik u nu niet volgen, Heer? Ik wil mijn leven
voor u geven!’ zei Petrus.
38 Maar Jezus zei: ‘Jij je leven voor mij geven? Waarachtig,
ik verzeker je: nog voor de haan kraait zul jij mij driemaal
verloochenen.
(Johannes 13)
Na de voetzalving door Maria (zie Johannes 12) komt nu de
voetwassing door de Here Jezus. Hierin toont Hij Zich de van
God gezonden Knecht des Heren, over wie gesproken was in
Jesaja 42:1; 49:3; 50:6; 52:13 53:12, die als het Lam Gods
het offer voor de zonde zal zijn (Johannes 1:29).
Het Pesachfeest staat voor de deur, dat is dus het Joodse
Paasfeest. Het woord Pesach is afkomstig uit Exodus 12:23
waar wij het Hebreeuwse woord “pasach” hebben, dat
“overslaan”, “voorbijgaan” betekent. “De HEER zal door
Egypte heen gaan om het te straffen. Maar ziet hij bij een
deur bloed aan de bovendorpel en aan de posten, dan zal hij
die deur voorbijgaan (Hebreeuws: pasach), hij zal de
doodsengel geen toestemming geven om uw huizen binnen te
gaan en u te treffen.” (Exodus 12:23) Het Paasfeest neemt
een belangrijke plaats in het evangelie van Johannes in.
Niet alleen dat wij het in verschillende hoofdstukken
tegenkomen, het gaat uiteindelijk in Jezus’ leven naar Zijn
laatste Paasfeest op aarde. Op dit Paasfeest zal Hij sterven
als Gods geschenk voor verloren mensen, opdat zij behouden
zullen worden. Die behoudenis ontvangen zij, omdat het
oordeel hun leven “voorbijgaat”. Zo is het Paasfeest een
feest, dat in feite realiteit geworden is in het leven van
iedere gelovige.
Het Paasfeest is één van de feesten die de mensen in
Jeruzalem vierden. Nu er geen tempel meer is, viert iedere
gelovige Jood het feest in zijn eigen huis. In de tijd van
de Heer Jezus was het Paasfeest één van de grootste feesten
in Jeruzalem. Grote aantallen lammetjes werden in twee dagen
tijds in de tempel geslacht en in familiekring gegeten. De
inwoners van Jeruzalem stelden gratis een kamer met tafel en
rustbanken ter beschikking voor de vele feestgangers die uit
het gehele land naar Jeruzalem gekomen waren. Sommigen waren
zelfs uit het buitenland naar Israël gekomen voor dit feest.
In ruil voor het vel van het Paaslam en de gebruikte aarden
vaten mochten de gasten gratis van de kamer gebruik maken.
De gastheer moest zorgen dat het huis vrij was van zuurdeeg.
Bij het slachten van het lam in de voorhof van de tempel
werd het bloed opgevangen om tegen de wanden van het altaar
geworpen te worden. Er moesten echter zoveel lammetjes
geslacht worden en zoveel bloed tegen het altaar geworpen
worden, dat de priesters een lange rij vormden om de bekkens
met bloed aan elkaar door te geven. De laatste priester in
de rij wierp het bloed tegen het altaar. Nadat het lam
geslacht was werd de huid afgestroopt en het lam
schoongemaakt. Het vet werd aan een priester gegeven, die
het aan anderen doorgaf om gezouten en op het altaar
verbrand te worden. Bij het vallen van de avond werd het lam
aan een spit dat de vorm van een kruis had gebraden. Aan de
maaltijd, die kort na zonsondergang begon, moesten minstens
10 en mochten hoogstens 20 personen deelnemen.
De woorden die David indertijd had opgeschreven (zie Psalm
41:10) zijn een profetie geworden, die heen wees naar de
Here Jezus (zie Johannes 13:18,26,27). Terwijl het bij de
Here Jezus ging om Judas, de verrader, ging het bij David om
Achitofel, Davids raadsman. Hij was de grootvader van
Bathseba. Toen hij de zijde van Absalom koos, werd hij een
verrader. Ook hij maakte, evenals Judas, zelf een eind aan
zijn leven ( 2 Samuel 17:23 en Mattheus 27:3 5). Judas was
nota bene de penningmeester van de groep rond de Heer Jezus
(13:29 zie ook 12:6).
Toen de Heer een stukje brood in de schotel doopte en dit
Judas aanreikte, was dit naar de gewoonte van die dagen een
hoge eer, waarmee de gastheer zijn speciale gunst aan een
gast bewees. De Here Jezus deed dit, terwijl hij wist, dat
Judas van plan was om Hem te verraden. Zo deed de Meester
een laatste beroep op Zijn volgeling om niet de verkeerde
weg te kiezen. Judas liet zich door dit gebaar echter niet
terugbrengen. De satan voer in Judas en onmiddellijk stond
hij op en vertrok. Judas had het Licht des Levens afgewezen
en gekozen voor de vorst der duisternis. Zó belandde hij in
de duisternis van de wanhoop.
In de hoofdstukken 5 t/m 12 lezen wij over de steeds
toenemende tegenstand tegen Jezus. Dit gedeelte eindigt met
een slotoproep van de Heer: “Ik ben het licht dat naar de
wereld is gekomen, opdat iedereen die in mij gelooft niet
meer in de duisternis is.” (Johannes l2:46) Zijn vijanden
verwierpen het Licht. Zij kozen de duisternis (zie ook
Johannes 8:12).
De Here Jezus wist, dat Hij nog slechts een korte tijd op
aarde zou zijn. Daarom trok Hij Zich terug uit de omgeving
van de mensen om Zich te kunnen wijden aan het laatste
onderricht van de discipelen. Dit onderricht vinden wij in
de hoofdstukken 13 t/m 17. De eerste les, die de Here Jezus
met de voetwassing gaf, was deze: Zij, die deze Meester
volgen, zullen elkaar moeten dienen, zoals Hij dit deed. De
discipel is gered om te kunnen dienen.
opgaven les 15
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
Tot hoe ver ging de
liefde van de Here Jezus voor Zijn discipelen? |
| 2. |
Wie legde het plan in
Judas’ hart om de Here Jezus te verraden? |
| 3. |
Waaraan zouden de
mensen de discipelen van de Here Jezus kunnen
herkennen? |
| 4. |
Wisten de discipelen
wie de Here Jezus zou verraden? |
| 5. |
Het tijdstip waarop
Judas vertrok om de Heer te verraden, was kenmerkend
voor de situatie van zijn hart. Met een paar korte
woorden wordt dit tijdstip genoemd. Hoe? |
| 6. |
Met welk teken maakte
de Here Jezus duidelijk wie Hem zou verraden? |
| 7. |
Het nieuwe gebod, dat
de Here Jezus Zijn discipelen gaf, luidde... |
| 8. |
Wist de Here Jezus van
tevoren, dat Hij op dit Paasfeest zou sterven? |
| 9. |
Petrus dacht, dat hij
zijn leven voor de Here Jezus zou inzetten. De Here
Jezus zei, dat Petrus wat anders zou doen. Wat zou
Petrus doen? |
| 10. |
a. Zoals de Here Jezus
een verrader had (Judas), zo had David ook eens een
verrader. Hoe heette de verrader van David? |
| |
b. Zoals de verrader
van de Heer Jezus in een bijzondere relatie tot Hem
stond, zo stond de verrader van David ook in een
bijzondere relatie tot hem. Welke? |
| |
c. Beide verraders
kwamen op dezelfde manier om het leven. Hoe? |
| 11. |
Hebt u iets geleerd
over de Heer Jezus? Wat? |
|