Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 20
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 19
| 1. |
In Zijn gebed sprak de Here Jezus over "Zijn ure, die gekomen
was". Welk moment bedoelde Hij daarmee? |
| |
Zijn sterven (:1) |
| 2. |
Wie heeft de Vader verheerlijkt? |
| |
De Zoon, dat is de Heer Jezus (:4) |
| 3. |
Van welke drie zaken
zal de Heilige Geest de wereld overtuigen? |
| |
God de Vader (:5) |
| 4. |
De Here Jezus maakte duidelijk, dat Hij niet voor iedereen
bad. |
| |
a. Voor wie bad Hij wel? |
| |
Zijn leerlingen, de gelovigen (:9) |
| |
b. Voor wie bad Hij niet? |
| |
De wereld (:9) |
| 5. |
De Here Jezus noemde verschillende opmerkelijke dingen van de
gelovigen. In enkele teksten leest u dit alles. |
| |
a. Wat begrijpen zij? |
| |
Zij begrijpen dat alles wat God aan Jezus gegeven heeft,
van Hem komt (:7) |
| |
b. Wie kennen zij? |
| |
Zij kennen God de Vader en de Heer Jezus (:3) |
| |
c. Wat geloven zij? |
| |
Zij geloven dat de Vader de Zoon gezonden heeft (:8) |
| |
d. Wat bewaren zij? |
| |
Zij bewaren Gods Woord (:6) |
| |
e. Wat weten zij? |
| |
Zij weten dat de Heer Jezus van God de Vader gekomen is
(:8) |
| 6. |
De eenheid van de gelovigen heeft een bijzonder voorbeeld. De
gelovigen moeten één zijn, zoals ... |
| |
Zoals God de Vader en de Zoon van God een zijn (:11,21 22) |
| 7. |
Bad Jezus dat er een eenheid van alle kerken zou komen, of bad
Hij dat er een geestelijke eenheid onder alle ware gelovigen zou zijn? |
| |
Hij bad niet om een eenheid van kerken - er waren op dat
moment immers ook nog geen verschillende kerken. Hij bad om de geestelijke eenheid van alle
ware gelovigen. Dat is een eenheid die mensen van verschillende kerken - als zij oprecht in
de Here Jezus geloven - ook steeds heel duidelijk beleven en ervaren. |
| 8. |
In dit gebed gaf de Here Jezus drie verschillende namen aan
Hem tot wie Hij bad. Hoe noemde Hij Hem? |
| |
a. Vader |
| |
b. Heilige Vader |
| |
c. Rechtvaardige Vader |
| 9. |
Is het mogelijk om een kind van God te zijn en dus oprecht in
de Here Jezus te geloven en toch niet het eeuwige leven te bezitten? |
| |
Neen. Iedere gelovige heeft nu reeds het eeuwige leven
ontvangen en kan dus niet meer verloren gaan. |
| 10. |
Op welke wijze heeft de Vader het gebed om eenheid van de
gelovigen, zoals de Here Jezus bad, verhoord? (zie ook 1 Corinthe 12:13) |
| |
Door het zenden van de Heilige Geest (zie 1 Corinthe 12:13) |
| 11. |
Wat is het doel van de eenheid van allen, die oprecht in Jezus
Christus als Verlosser geloven? |
| |
Het doel van de eenheid van allen, die oprecht in Jezus
Christus als Verlosser geloven, is, dat de wereld zal geloven dat God de Vader de Heer Jezus
naar de aarde gezonden heeft (:21,23) |
|
12. |
Wat hebt u in dit hoofdstuk geleerd over de Here Jezus? |
|
|
Hij schenkt ons het eeuwige leven. Het eeuwige leven,
betekent, dat mensen God kennen als de enige ware God, en dat zij Hem die God gezonden
heeft, Jezus Christus, zullen kennen. Nu bidt de Here Jezus voor ons, ook voor mij! Ja, toen
reeds bad Hij ook voor mij! Ook God de Vader waakt over mij en bewaart mij. Nu ik geloof ben
ik geplaatst in de gemeenschap van gelovigen en mag ik een bijzondere eenheid met al deze
gelovigen ervaren. Nu mag ik ervaren, dat God mij heiligt, dat Zijn liefde in mij is en dat
ik een bijzondere hemelse blijdschap mag bezitten. |
Wie is Jezus? - les 20
De gevangenneming en het proces
1 Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging hij met
zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn
leerlingen.
2 Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen
samengekomen.
3 Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de
Farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns.
4 Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken
jullie?’
5 Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het, ‘zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij
stond.
6 Toen hij zei: ‘Ik ben het, ‘deinsden ze achteruit en vielen op de grond.
7 Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’
8 ‘Ik heb jullie al gezegd: "Ik ben het, "’zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan
gaan.’
9 Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt,
heb ik verloren laten gaan.’
10 Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de
hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf.
11 Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij
gegeven heeft niet drinken?’
12 De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem.
13 Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester
14 en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele
volk.’
15 Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de
hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in,
16 maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de
hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen.
17 Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet, ‘zei
hij.
18 De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd
omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen.
19 De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer.
20 Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op
plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het
geheim gezegd.
21 Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik
gezegd heb.’
22 Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is
dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’
23 Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is
wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’
24 Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
25 Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’
vroegen ze. ‘Nee, ‘ontkende Petrus, ‘ik niet.’
26 Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had
afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’
27 Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan.
28 Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen
ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal.
29 Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’
30 Ze antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’
31 Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen
tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’
32 Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou.
33 Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de
koning van de Joden?’
34 Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’
35 ‘Ik ben toch geen Jood, ‘antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij
uitgeleverd–wat hebt u gedaan?’
36 Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze
wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd
uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’
37 Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben, ‘zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar
de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert
naar wat ik zeg.’
38 Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’
Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden, ‘zei hij.
39 ‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat–wilt u dat ik de koning van de
Joden vrijlaat?’
40 Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger.
(Johannes 18)
Na de paasmaaltijd en de gesprekken aan tafel, zoals die in hoofdstuk 13-17 beschreven worden,
vertrekt de Here Jezus met elf discipelen naar de tuin (de olijfgaard) op de Olijfberg, waar Hij
vaker kwam om te bidden. Judas wist dit (:2). Om vanaf de tempel de Olijfberg te kunnen bereiken,
moet eerst door het Kidrondal gegaan worden.
Als Judas met de afdeling soldaten daar komt om Jezus gevangen te nemen, gebeurt er iets
opmerkelijks. De Heer wordt niet zo maar gegrepen. Neen, Hij geeft Zichzelf vrijwillig. Dit blijkt
duidelijk uit wat er in deze tuin plaats vindt. In dit vrijwillig geven van de Heiland vinden wij de
eerste betekenis terug van Johannes 10:17,18 "...De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef,
om het ook weer terug te nemen. Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te
geven en om het weer terug te nemen–dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen."
Nog eenmaal openbaart Jezus Zijn goddelijke majesteit met de kernachtige woorden "Ik ben"
(:5,6), die wij ook in onze vorige lessen tegenkwamen. Geen wonder, dat op die openbaring de
soldaten terugdeinsden en ter aarde vielen.
De Heer zal het lijden dat Hij moet ondergaan in volle overgave dragen. Op Joodse manier heet dit,
dat Hij "de beker van het lijden zal drinken" (:11). De Heer is Zich terdege bewust, dat dit de weg
is die Hij in gehoorzaamheid aan de hemelse Vader moet gaan. Hij heeft Zich eens beschikbaar gesteld
om de straf voor de mensheid te dragen, nu moet Hij dit waar maken.
De Joden noemden Jezus een godslasteraar, omdat Hij Zichzelf de Zoon van God noemde. Volgens de wet
van het Joodse volk moest een godslasteraar gedood worden. Een dergelijk oordeel kon echter alleen
door de Romeinse ambtenaar worden uitgesproken. Daarom nemen de Joodse leiders Jezus mee naar
Pilatus. Deze zag echter geen enkele reden waarom Jezus ter dood gebracht zou worden. Daarom
probeerde hij Hem ook vrij te spreken.
In dit hoofdstuk zien wij het begin van de vervulling van Jezus’ profetie in Joh. 16:32 "Er komt een
tijd, en die tijd is er al, dat jullie uiteengedreven worden, dat ieder zijn eigen weg gaat en mij
alleen achterlaat. Maar ik ben niet alleen, want de Vader is bij mij." Judas heeft Hem verraden,
Petrus heeft Hem verloochend. Zou vrees ook U ontrouw maken aan Jezus Christus?
De hogepriester stelt twee vragen aan Jezus. Hij wil weten wie Zijn leerlingen zijn en wat de
precieze inhoud van Zijn leer is (:19). Dit zijn haast onbegrijpelijke vragen. Iedereen heeft gezien
wie Jezus’ leerlingen waren. Ze stonden altijd bij Hem als Hij onderricht gaf in de tempel. Iedereen
heeft daar ook kennis kunnen nemen van wat Jezus leerde. Hij heeft geen geheime boodschap gepredikt.
Het geschiedde altijd in het openbaar. Hoe kan de hogepriester dan naar de bekende weg vragen? Op
deze vragen maakt Jezus de hogepriester duidelijk, dat Hij echt en volkomen verbonden was in en aan
het jodendom. Hij heeft Zijn onderwijs altijd gegeven in synagogen en tempel (:20). Niet alleen Zijn
leerlingen hebben Hem horen spreken, ook allen die Hem niet aanvaardden hebben Hem daar gehoord.
Jezus zei tegen de hogepriester: "Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij
gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb." (:21) Het lijkt alsof de hogepriester reageerde, omdat
de Here Jezus een brutale opmerking tegen de hogepriester gemaakt zou hebben. Het was echter geen
brutale opmerking. De Heer stond hier voor het gerecht en beriep Zich op de wijze waarop een Joodse
terechtzitting diende plaats te vinden. Er moesten minimaal twee getuigen zijn, die een aanklacht
tegen iemand indienden. Nu vroeg de hogepriester aan Jezus Zelf om Zich te veroordelen. Dat was
tegen de Joods-Bijbelse regels. Toen de Here Jezus de hogepriester hierop attent maakte, ontstak een
van de aanwezigen spontaan in woede en sloeg Jezus. Ook dit was bij wet verboden, omdat er nog geen
oordeel uitgesproken was. De hogepriester had deze man terecht dienen te wijzen!
In dit hoofdstuk horen wij, dat Hij aan Pilatus uitgeleverd is omdat Hij een misdadiger zou zijn
(:30). Ook horen wij, dat "de Joden" liever Barabbas vrij hebben dan Jezus (:39,40). Heeft het volk
dan echt Jezus verworpen, zoals zo vaak beweerd wordt. Hoe is het mogelijk, dat het volk kort ervoor
nog Hem uitriep om koning te worden en Zich als Messias te openbaren (Johannes 12:12-19), terwijl
het dan nu om Zijn dood zou vragen. Het blijkt een verkeerd denken te zijn, zoals wij hierna zien.
Jezus is van het paleis van de hogepriester overgebracht naar het paleis van de Romeinse stadhouder,
Pilatus. Denk eraan, dat Hij ‘s avonds in het donker gevangengenomen is in de hof van Gethsemane.
Het Joodse volk is niet op de hoogte van wat er gebeurd is. Het is allemaal in het verborgene (in
het donker) gebeurd. In het donker is Jezus naar het paleis van de hogepriester gebracht en zo ook
naar het paleis van Pilatus. Dit is gebeurd terwijl het volk sliep. Nu staat er een groep mensen van
het Sanhedrin bij Pilatus. Omdat Pilatus een Romein is worden zij "Joden" genoemd. Dit betekent
echter niet, dat het Joodse volk nu voor Pilatus staat. Het volk weet van niets. Het is daarom ook
niet het Joodse volk dat "Kruisig Hem" roept. Het zijn de leden van het Sanhedrin die dit roepen.
Het zijn ook niet eens alle leden van het Sanhedrin die om Jezus’ dood vragen. U kunt u toch niet
voorstellen, dat mensen als Nikodemus en Jozef van Arimathea, die in Jezus geloofden en Hem later
zouden begraven hier ook om Zijn dood geroepen hebben?
Pilatus wil weten of Jezus echt een koning is (:33). Jezus bevestigt dat Hij Koning is, maar dat
Zijn koninkrijk niet van onze wereld is (:36). Hij is Koning van een geestelijk koninkrijk. Het is
het koninkrijk, waarover Hij met Nikodemus sprak (Johannes 3).
In dit hoofdstuk laat Johannes ons zien, dat Jezus het Lam is dat ter slachting geleid wordt. U doet
er goed aan Jesaja 53 eens te lezen en u te realiseren, hoe deze profetie in het leven van de Heer
Jezus in vervulling gegaan is.
In Mattheus 27:25 lezen wij, dat al het volk tegen Pilatus geroepen heeft: "Zijn bloed kome over ons
en over onze kinderen." Dit wekt opnieuw de indruk dat alle Joden hier voor Pilatus verzameld waren.
Toch is dat niet het geval geweest. Met "al het volk" worden alle mensen die daar op dat moment
aanwezig waren bedoeld. Dat waren dus de mensen van het Sanhedrin. Het is in en in triest, dat de
kerk dit nooit begrepen heeft en door de eeuwen gemeend heeft de Joden te moeten vervolgen, omdat
"de" Joden dit geroepen zouden hebben en om hun eigen oordeel gevraagd zouden hebben.
Er is nog iets belangrijks dat niet over het hoofd gezien mag worden. Meerdere keren lezen wij in de
evangeliën, dat mensen uitspraken deden, die in feite een profetie waren, terwijl zij die dit zeiden
zelf niet wisten, dat zij profetische woorden spraken. Dat is ook hier het geval. Wat is de
betekenis en het doel van Jezus’ bloed? Oordelend? Straffend? Nee, nooit! Jezus’ bloed is niet
bedoeld om oordelend zijn werk te doen. Het is verzoenend bloed. Jezus’ bloed is in de Bijbel altijd
verzoenend bloed. Als de leden van het Sanhedrin riepen, dat Jezus’ bloed over hen en over hun
kinderen moest komen, riepen zij - zonder dat zij zich dit bewust waren - dat het verzoenend bloed
van Jezus over hen zou komen. En zo zal het eens door hen ervaren worden, zo heeft Jesaja in
hoofdstuk 53 aangekondigd en zo heeft Zacharia 12:10 dit aangekondigd! Ook, ja juist voor het Joodse
volk heeft Jezus Zijn verzoenend bloed gegeven!
OPMERKINGEN:
DE OLIJFGAARD waar de Here Jezus naar toe ging lag aan de voet van de Olijfberg (Lucas 22:39)
en heette Gethsemane (Mattheus 26:36). De naam Gethsemane is een samenvoeging van twee
Hebreeuwse woorden, nl. gath (=pers) en shaman (=olie). Gethsemane betekent dus
"oliepers" en is een herinnering aan de tijd, toen er nog veel olijfbomen op de Olijfberg groeiden.
AFDELING SOLDATEN is een cohorte, d.i. het tiende deel van een legioen en bestaat uit 600
man.
ANNAS EN KAJAFAS. Hoewel er slechts één hogepriester kon zijn, waren er in deze tijd twee.
Annas was eerst hogepriester. Hij werd echter afgezet door de Romeinen en opgevolgd door Kajafas.
Omdat voor de Joden gold, dat een hogepriester in functie bleef tot zijn dood en voor hen Annas nog
steeds hogepriester was en Annas nog steeds grote invloed had, werd hij ook nog hogepriester genoemd
(vlg. Lucas 3:2 en Handelingen 4:6).
opgaven les 20
De bedoeling is, dat u schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw
antwoorden vergelijken met de correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
Wie zonden soldaten om Jezus in de hof van Gethsemane gevangen
te nemen? |
| 2. |
Welke vijf verschillende vragen stelde Jezus? |
| 3. |
Welke vier vragen stelde Pilatus aan Jezus? |
| 4. |
Welk antwoord geeft Johannes 14 op Pilatus’ vraag: "Wat is
waarheid?" (18:38) |
| 5. |
In hoofdstuk 11 wordt verteld, dat Kajafas eens profetische
woorden gesproken heeft. Deze woorden worden in dit hoofdstuk herhaald. Wat had Kajafas
gezegd? |
| 6. |
Wie worden bedoeld met "de Joden" die in die nacht vergaderden
en ‘s morgens aan Pilatus vroeg om Jezus te laten kruisigen? Wordt hiermee het Joodse volk
bedoeld? |
| 7. |
Eens riep een aantal leden van het Sanhedrin, dat Jezus’ bloed
over hen en over hun kinderen mocht komen. Is Jezus’ bloed oordelend of verzoenend? |
| 8. |
Wat hebt u in dit hoofdstuk over de Jezus geleerd? |
|