Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 21
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 20
| 1. |
Wie zonden soldaten om Jezus in de hof van Gethsemane gevangen
te nemen? |
| |
De hogepriesters (Annas en Kajafas) en de Farizeeën |
| 2. |
Welke vijf verschillende vragen stelde Jezus? |
| |
a. Wie zoeken jullie? (:4) |
| |
b. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet
drinken? (:11) |
| |
c. Waarom ondervraagt u mij? (:21) |
| |
d. Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er
verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan? (:23) |
| |
e. Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij
gezegd? (:34) |
| 3. |
Welke vier vragen stelde Pilatus aan Jezus? |
| |
a. Bent u de koning van de Joden? (:33) |
| |
b. Wat hebt u gedaan? (:35) |
| |
c. U bent dus koning? (:37) |
| |
d. Maar wat is waarheid? (:38) |
| 4. |
Welk antwoord geeft Johannes 14 op Pilatus’ vraag: "Wat is
waarheid?" (18:38) |
| |
De Heer Jezus zei van Zichzelf, dat Hij de waarheid is (14:6) |
| 5. |
In hoofdstuk 11 wordt verteld, dat Kajafas eens profetische
woorden gesproken heeft. Deze woorden worden in dit hoofdstuk herhaald. Wat had Kajafas
gezegd? |
| |
"Eén van hen, Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tegen
de anderen: ‘Jullie begrijpen het niet! Besef toch dat het in jullie eigen belang is dat één man sterft
voor het hele volk, zodat niet het hele volk verloren gaat.’" (11:49,50) Zie ook de volgende verzen:
"Dat zei hij niet uit zichzelf: als hogepriester in dat jaar sprak hij de profetie dat Jezus zou
sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar ook om de verstrooide kinderen van God bijeen
te brengen." (11:51,52) |
| 6. |
Wie worden bedoeld met "de Joden" die in die nacht vergaderden
en ‘s morgens aan Pilatus vroeg om Jezus te laten kruisigen? Wordt hiermee het Joodse volk
bedoeld? |
| |
Hiermee wordt beslist niet het Joodse volk bedoeld. Het
volk sliep deze nacht. Het volk kon ook onmogelijk bij Pilatus komen. Hiermee worden alleen
een aantal leiders uit het Sanhedrin bedoeld. Het Joodse volk heeft beslist niet om de dood
van Jezus gevraagd. Het volk eerde Hem juist als een groot leider en zag Hem als de Messias! |
| 7. |
Eens riep een aantal leden van het Sanhedrin, dat Jezus’ bloed
over hen en over hun kinderen mocht komen. Is Jezus’ bloed oordelend of verzoenend? |
| |
Jezus’ bloed is in de Bijbel steeds verzoenend bloed! |
| 8. |
Wat hebt u in dit hoofdstuk over de Jezus geleerd? |
| |
U ziet hier, dat Hij gekomen is om waar te maken, wat eens
door Johannes de Doper gezegd was, namelijk dat Hij als het lam van God gekomen was om de
zonde van de mensen op Zich te nemen. In dit hoofdstuk zien wij Jezus’ volkomen bereidheid
om Zichzelf te geven, opdat wij behouden zouden kunnen worden. |
Wie is Jezus? - les 21
Jezus de Gekruisigde
1 Toen liet Pilatus Jezus geselen.
2 De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen
mantel aan.
3 Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’, en ze sloegen hem in het
gezicht.
4 Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken
dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’
5 Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is hij, de
mens, ‘zei Pilatus.
6 Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig
hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet
waaraan hij schuldig is.’
7 De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God
heeft genoemd.’
8 Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang.
9 Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen
antwoord.
10 ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te
laten of u te kruisigen?’
11 Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt
degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’
12 Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent
u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de
keizer.’
13 Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het
zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata.
14 Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier
is hij, uw koning.’
15 Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik
uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de
keizer!’
16 Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.
Zij voerden Jezus weg;
17 hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota.
18 Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden.
19 Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit
Nazaret, koning van de Joden’.
20 Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd
werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen.
21 De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven,
maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’
22 ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven, ‘was het antwoord van Pilatus.
23 Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere
soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden.
24 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo
ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot
om mijn mantel.’ Dat is wat de soldaten deden.
25 Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria
uit Magdala.
26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen
zijn moeder: ‘Dat is uw zoon, ‘
27 en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich
in huis.
28 Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei
hij: ‘Ik heb dorst.’
29 Er stond daar een vat water met azijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten
die naar zijn mond.
30 Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.
31 Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een
bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de
gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen.
32 Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die
van de ander.
33 Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn
benen niet.
34 Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit.
35 Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat
hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft.
36 Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’
37 Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’
38 Na deze gebeurtenissen vroeg Josef uit Arimatea–die uit vrees voor de Joden in het geheim een
leerling van Jezus was–aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf
toestemming en Josef nam het lichaam mee.
39 Nikodemus, die destijds ‘s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van
mirre en aloë bij zich, wel honderd litra.
40 Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse
begrafenis.
41 Dicht bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een olijfgaard, en daar was een nieuw graf,
waarin nog nooit iemand begraven was.
42 Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.
(Johannes 19)
Dit hoofdstuk toont ons het donkerste uur van de wereldgeschiedenis, sinds het moment, dat de zonde
zijn intrede deed. De reine, heilige en vlekkeloze Zoon van God werd verworpen door de leiders van
hen, die Hem hadden moeten liefhebben en eren. “Hij was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan
en toch kende de wereld hem niet. Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem
niet ontvangen.” (1:10,11). Hij werd verraden, verloochend en zelfs door Zijn vrienden verlaten. Hij
werd overgeleverd in de handen van de heidenen en ter dood gebracht op de wijze, die de Romeinen
slechts op hun ergste misdadigers toepasten. Hij, die van de hoogste hemelen was gekomen, werd nu
tot het laagste vernederd, nl. tot in de smadelijke dood van het kruis.
Terwijl het volk bezig was de paaslammeren te slachten, werd Jezus, het Lam Gods ter slachting
geleid. Zie Jesaja 53 en Johannes 1:29. In Hem vinden de Oud-Testamentische typen van het offerlam
hun vervulling. Vergelijk bijvoorbeeld Exodus 12:46 en Numeri 9:12 met Johannes 19:36.
Het sterven van de Here Jezus leek een nederlaag; Hij was echter met deze bedoeling in de wereld
gekomen. “Ik geef mijn leven voor de schapen. Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf.”
(10:15,18). “De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog
geheven heeft, opdat iedereen die gelooft, in hem eeuwig leven heeft.” (3:14,15).
Het evangelie van Johannes noemt het sterven van de Here Jezus dan ook geen “vernedering”, maar een
“verhoging” en een “verheerlijking”. In de diepste vernedering heeft de Here Jezus Gods
verheerlijking ervaren. (Zie bijvoorbeeld 12:20-36)
De Joodse leiders meenden dat Jezus een valse Messias was. Zij meenden, dat Hij niet voldeed aan de
beschrijving van de Messias zoals zij die uit de Bijbel begrepen hadden. Zij wilden het volk
beschermen tegen deze valse Messias. Daarop leverden zij Hem over aan de Romeinen. De Romeinse
soldaten geselden Hem in opdracht van Pilatus. De Romeinse soldaten dreven de spot met Hem door Hem
een kroon op te zetten, Hem een zogenaamde koningsmantel aan te trekken en Hem als koning te
groeten. Pilatus wees met nadruk op Jezus, door eerst te zeggen: “Zie de Mens” en daarna: “Zie uw
Koning.” (:5,14) of, zoals het in de Nieuwe Bijbel Vertaling staat: “Hier is Hij, de Mens.” en “Hier
is Hij, uw Koning.” De beide hogepriesters laten hierop weten, dat zij geen koning hebben. Dat
klopt. Zij hebben de door God aangewezen Koning verworpen. Een andere koning is er niet.
Duidelijk blijkt, dat niet het Joodse “volk” om de dood van Jezus gevraagd heeft, maar slechts
enkele leiders. Vers 6 spreekt alleen over de beide hogepriesters en de gerechtsdienaars. Dit waren
de mensen die in vers 7 “de Joden” genoemd worden. “De Joden” staan hier dus als enkele Joden
tegenover de Romeinen. Er wordt dus niet het hele volk bedoeld. Wij dienen ons te realiseren, dat
ook niet het hele Sanhedrin Jezus vijandig gezind was. Wij horen in dit hoofdstuk over twee leden
van het Sanhedrin, die volgelingen van Jezus waren: Jozef van Arimathea en Nikodemus (:38,39).
De verzen 14, 31 en 42 spreken over het feit, dat het voorbereiding voor het Paasfeest was.
Daarnaast laat Johannes ons weten, dat er een bijzondere sabbat kwam. “De Joden dan, daar het
Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven (want de dag van die
sabbat was groot)...” (Johannes 19:31) Er is hier sprake van een grote sabbat. Dat wijst ons erop,
dat er vóór het aanbreken van de wekelijkse sabbat (onze zaterdag) al een sabbat was aangebroken en
dat Jezus al vóór deze sabbat gestorven was. Dit betekent, dat ook al gedenken de meeste christenen
dat Jezus op vrijdag gestorven is, Hij beslist niet op vrijdag gestorven kan zijn. Sterker:
op donderdag was er ook al een rustdag. Het aantal rustdagen (dat is: sabbatten) was groot, zegt
Johannes immers. Jezus moest vóór het aanbreken van deze sabbatten al begraven zijn. Dit betekent,
dat de door de Heer genoemde drie dagen en drie nachten letterlijk genomen moeten worden en dat Hij
onmogelijk op vrijdag gestorven kan zijn. Hij moet dus al op woensdag gestorven zijn. Vervolgens was
Hij drie dagen en drie nachten in het graf, precies zoals Hij gezegd had. Dit betekent niet, dat wij
ons moeten distantiëren van de andere christenen en de dood van de Heer voortaan op woensdag moeten
gedenken. Het betekent wel, dat de Bijbel ons laat zien, dat de woorden van de Heer over drie hele
dagen en drie hele nachten letterlijk genomen dienen te worden. Daarnaast ziet u, dat niet alleen de
wekelijkse rustdag (onze zaterdag) sabbat werd genoemd, maar dat er bij speciale feesten ook
rustdagen in de week konden vallen, die ook sabbat genoemd werden.
De Joodse leiders verwierpen Jezus, maar God gebruikte dit ten goede. Want toen Jezus als Messias
aan het kruis hing, betaalde Hij de prijs voor de redding van allen, die hun vertrouwen in Hem
zouden stellen. Petrus, die hierover jaren later schreef, zei van Jezus: “Hij heeft in zijn lichaam
onze zonden het kruishout op gedragen, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven.
Door zijn striemen bent u genezen. Ook Christus immers heeft, terwijl hij zelf rechtvaardig was,
geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om u zo bij God te brengen.” (1
Petrus 2:24; 3:18). Hij stierf voor de zonden der wereld. Hij stierf voor uw zonden!
Jezus is gestorven op de heuvel Golgotha, die de schedelplaats genoemd wordt. Veel christenen
denken, dat de heuvel zo genoemd werd, omdat hij de vorm van een schedel zou hebben. Dat is echter
niet de juiste betekenis van deze naam. De heuvel heeft zijn naam te danken aan het feit, dat de
Joden meenden, dat de schedel van Adam hier begraven lag. Dat is een mooie gedachte: op de plaats
waar de dode Adam lag door wie de zonde in de wereld gekomen is, stierf de tweede Adam, door wie de
straf op de zonde gedragen werd. De apostel Paulus bracht een soortgelijke gedachte over in zijn
brieven aan de Corinthiërs en de Romeinen. Hij schreef: “Toch heeft de dood als koning geheerst van
Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die
een beeld is van de komende.” (Romeinen 5:14) en: “Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt,
als de eerste van de gestorvenen. Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding
uit de dood er gekomen door een mens. Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus
allen levend worden gemaakt... Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend,
aards wezen.’ Maar de laatste Adam werd een levendmakende geest.” (1 Corinthe 15:20-22,45)
Vers 37 geeft een citaat uit Zacharia, waarbij wat met Jezus gebeurt, gezien wordt als een
vervulling van wat Zacharia geprofeteerd heeft. Het is begrijpelijk, dat veel christenen denken, dat
het een christelijke gedachte is, dat Joden eens de doorstokene zullen zien en (h)erkennen. Het is
echter een oud Joodse gedachte! De rabbijnen hadden Jozef, de onderkoning uit Egypte, als voorbeeld
genomen voor de Messias. Zij zeiden, dat zoals Jozef door zijn broers verworpen was en zij hem later
toch met veel verdriet moesten erkennen, dat zo het Joodse volk de Messias zou verwerpen en Hem
later met veel verdriet zou erkennen. Johannes maakt nu duidelijk, dat dit inderdaad de weg is die
Jezus gegaan is.
Dit hoofdstuk zou bijna niet compleet zijn geweest, als ook in dit hoofdstuk niet duidelijk gemaakt
zou zijn, dat het erom gaat, dat wij geloven (:35).
OPMERKINGEN:
DE INSCRIPTIE (:19). Het schijnt in die tijd de gewoonte te zijn geweest, dat iemand die
veroordeeld was, de beschuldiging op schrift meekreeg. Deze beschuldiging was soms geschreven op een
wit plankje, waarop in rode of zwarte letters de misdaad van de veroordeelde geschreven stond. Dit
plankje werd soms op weg naar de strafplaats voor de veroordeelde uitgedragen, soms ook op zijn
borst gehangen. Zo kon iedereen zien, waarom zo iemand ging sterven.
Het opschrift was in drie talen: Hebreeuws zodat de Joden die in Israël woonden het konden lezen,
Latijn, zodat de Joden uit Rome het konden lezen en Grieks, zodat de Joden uit Griekenland het
konden lezen. De Griekse Joden over wie wij in Johannes 12 hoorden dat zij Jezus wilden leren
kennen, hebben nu in het Grieks kunnen lezen, waarom Jezus ter dood gebracht werd.
Of de soldaten dit plankje voor de Here Jezus uit gedragen hebben door de straten van Jeruzalem, of
dat Hij het Zelf gedragen heeft, weten wij niet. Wel weten wij, dat het later boven het kruis als
“opschrift” bevestigd was.
Voor de geboorte van de Here Jezus gaf de engel aan Jozef de opdracht, om het Kind Jezus te
noemen, omdat Hij Immanuel zou zijn, d.w.z. omdat Hij God bij de mens zou brengen. (zie
Mattheus 1:21-23) Hij zou redder zijn. Dat vinden wij ook terug in Zijn Naam, die in het Hebreeuws
luidt JESHOEA. Het eerste deel “JE” verwijst naar de Naam van God: JAH of JAHWEH. Zijn Naam zegt
dus: “Jahweh redt”. Zo openbaarde Hij ook in Zijn Naam de eenheid met de Vader.
In het opschrift boven het kruis bleek opnieuw deze eenheid met de Vader. Tevens bleek duidelijk
wie Hij was en waarom Hij naar de aarde gekomen was. “Jezus, de Nazoreeër” luidt in het
Hebreeuws: “Jeshoea Hanozri”.
De Here Jezus wordt hier ha (=de) nozri (=spruit) genoemd. In de benaming hanozri ging een profetie
in vervulling. De Spruit was bij de Joden vanuit het Oude Testament zeer bekend. “Zie, een man wiens
naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel des Heren bouwen.”
(Zacharia 6:12 vertaling 1951, zie ook Jesaja 4:2; 11:1; 53:2; Jeremia 23:5; 33:15 en Zacharia 3:8).
Merk op, dat ook de “tempelbouw” bij de aanklacht tegen de Here Jezus betrokken was. De tempelbouw
zou Hem immers openbaren als Messias? (Zie Mattheus 26:61-64).
Volgens de profetie zou de “nozri”, de Spruit uit zijn plaats uitspruiten. Inderdaad kwam de Here
Jezus uit de stad van de spruit, de stad van de nozri, zoals wij de naam Nazareth kunnen vertalen.
De Messias zou niet alleen komen uit Bethlehem, de stad van David, maar ook uit Zijn stad
uitspruiten. (Voor Bethlehem, zie Micha 5:1) Zo kwam Hij tevens uit Nazareth. Hoe wonderlijk zijn in
Hem de Messiaanse profetieën in vervulling gegaan! (Mattheus 2:23)
opgaven les 21
Nadat U Johannes 19 en deze
les bestudeerd hebt, kunt U de volgende vragen beantwoorden. De bedoeling is, dat u
schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw antwoorden vergelijken met de
correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
Welke vragen stelde Pilatus in dit hoofdstuk aan de Here
Jezus? |
| 2. |
De volgende woorden werden telkens door anderen gesproken. Vul
in wie de genoemde uitspraken deden. |
| |
a. Leve de koning van de Joden! |
| |
b. Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven |
| |
c. ... dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden |
| |
d. Wij hebben geen andere koning dan de keizer! |
| |
e. Het is volbracht |
| |
f. Kruisig hem, kruisig hem! |
| 3. |
Op z'n minst 20 profetieën uit het Oude Testament werden
vervuld in de slotgebeurtenissen van het evangelie. In welke verzen van hoofdstuk 19 wordt
hiernaar verwezen? |
| 4. |
Hoeveel profetieën in het Oude Testament kunt U vinden, die
bij het lijden en sterven van de Here Jezus in vervulling gingen? Vertel tevens in het kort,
wat er gezegd was. |
| 5. |
Wat hebben de soldaten allemaal met Jezus gedaan? |
| 6. |
Als u Deuteronomium 21:22,23 en Galaten 3:13 gelezen hebt,
vertel dan, wat de diepste betekenis van de kruisdood was. |
| 7. |
Waarom heette Golgotha “schedelplaats”? |
| 8. |
Wie in het Oude Testament was in zijn lijden en later in zijn
koninklijke heerlijkheid een beeld van de komende Messias? |
| 9. |
Het Hebreeuwse woord voor “spruit” verwijst naar een bepaalde
stad, waar de Here Jezus gewoond heeft. Welke stad was dit? |
| 10. |
Wat ziet u in dit hoofdstuk van de Heer Jezus, waar u iets van
kunt leren? |
|