Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 22
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 21
| 1. |
Welke vragen stelde Pilatus in dit hoofdstuk aan de Here
Jezus? |
| |
a. Waar komt u vandaan? (:9) |
| |
b. Waarom zegt u niets tegen mij? (:10) |
| |
c. Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten
of u te kruisigen? (:10) |
| 2. |
De volgende woorden werden telkens door anderen gesproken. Vul
in wie de genoemde uitspraken deden. |
| |
a. Leve de koning van de Joden! |
| |
De soldaten (:3) |
| |
b. Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven |
| |
De Joden (:7) |
| |
c. ... dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden |
| |
Pilatus (:6) |
| |
d. Wij hebben geen andere koning dan de keizer! |
| |
De hogepriesters (Annas en Kajafas) (:15) |
| |
e. Het is volbracht |
| |
Jezus (:30) |
| |
f. Kruisig hem, kruisig hem! |
| |
De hogepriesters en de gerechtsdienaars (:6) |
| 3. |
Op z'n minst 20 profetieën uit het Oude Testament werden
vervuld in de slotgebeurtenissen van het evangelie. In welke verzen van hoofdstuk 19 wordt
hiernaar verwezen? |
| |
:24, 28, 36, 37 |
| 4. |
Hoeveel profetieën in het Oude Testament kunt U vinden, die
bij het lijden en sterven van de Here Jezus in vervulling gingen? Vertel tevens in het kort,
wat er gezegd was. |
| |
a. Psalm 22:2 God had Hem verlaten |
| |
b. Psalm 22:19 Zij verdelen Zijn kleding |
| |
c. Psalm 34:21 Geen been van Hem wordt verbrijzeld |
| |
d. Psalm 69:22 Zij geven Hem azijn te drinken |
| |
e. Jesaja 53:7 Als een schaap (een lam) werd Hij naar de
slacht geleid (denk ook aan Johannes 1:29) |
| |
f. Zacharia 12:10 Zij zullen Hem doorsteken |
| 5. |
Wat hebben de soldaten allemaal met Jezus gedaan? |
| |
a. De soldaten vlochten een kroon van doorntakken en,
zetten die op zijn hoofd |
| |
b. Zij deden Hem een purperen mantel aan |
| |
c. Zij zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’ |
| |
d. Zij sloegen Hem in het gezicht |
| |
e. Zij kruisigden Jezus |
| |
f. Zij verdeelden Zijn kleren |
| 6. |
Als u Deuteronomium 21:22,23 en Galaten 3:13 gelezen hebt,
vertel dan, wat de diepste betekenis van de kruisdood was. |
| |
Je hing tussen hemel en aarde en gold daarom als iemand die
zowel door de mensen als door God vervloekt was |
| 7. |
Waarom heette Golgotha “schedelplaats”? |
| |
De Joden meenden, dat hier de schedel van Adam begraven lag |
| 8. |
Wie in het Oude Testament was in zijn lijden en later in zijn
koninklijke heerlijkheid een beeld van de komende Messias? |
| |
Jozef, de onderkoning van Egypte |
| 9. |
Het Hebreeuwse woord voor “spruit” verwijst naar een bepaalde
stad, waar de Here Jezus gewoond heeft. Welke stad was dit? |
| |
Nazareth |
| 10. |
Wat ziet u in dit hoofdstuk van de Heer Jezus, waar u iets van
kunt leren? |
| |
Jezus was bereid de diepste schuld en schande van de mens -
ook van mij - op Zich te nemen en de straf ervoor te dragen. Hier stond en stierf Hij in
mijn plaats! |
Wie is Jezus? - les 22
Jezus is de Opgestane
1 Vroeg op de eerste dag van de week, toen het
nog donker was, kwam Maria uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het graf
was weggehaald.
2 Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze
hebben de Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd hebben.’
3 Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het graf.
4 Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit, sneller dan Petrus, en kwam als
eerste bij het graf.
5 Hij boog zich voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen.
6 Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook hij zag de linnen doeken,
7 en hij zag dat de doek die Jezus’ gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart
opgerold op een andere plek.
8 Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het
en geloofde.
9 Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan.
10 De leerlingen gingen terug naar huis.
11 Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar het graf,
12 en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een bij het hoofdeind en een bij het
voeteneind van de plek waar het lichaam van Jezus had gelegen.
13 ‘Waarom huil je?’ vroegen ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar
ze hem naar toe gebracht hebben.’
14 Na deze woorden keek ze om en zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was.
15 ‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’ Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u
hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem meenemen.’
16 Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!‘ (Dat betekent ‘meester’.)
17 ‘Houd me niet vast, ‘zei Jezus. ‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders
en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God,
die ook jullie God is.’
18 Maria uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de Heer gezien!’ En ze
vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.
19 Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar; ze hadden de deuren
afgesloten, omdat ze bang waren voor de Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: ‘Ik wens
jullie vrede!’
20 Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de
Heer zagen.
21 Nog eens zei Jezus: ‘Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik
jullie uit.’
22 Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest.
23 Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze
niet vergeven.’
24 Een van de twaalf, Tomas (dat betekent ‘tweeling’), was er niet bij toen Jezus kwam.
25 Toen de andere leerlingen hem vertelden: ‘Wij hebben de Heer gezien!’ zei hij: ‘Alleen als ik de
wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in
zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’
26 Een week later waren de leerlingen weer bij elkaar en Tomas was er nu ook bij. Terwijl de deuren
gesloten waren, kwam Jezus in hun midden staan. ‘Ik wens jullie vrede!’ zei hij,
27 en daarna richtte hij zich tot Tomas: ‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je
hand in mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’
28 Tomas antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’
29 Jezus zei tegen hem: ‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch
geloven.’
30 Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan,
31 maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de Messias is, de Zoon van God, en opdat u
door te geloven leeft door zijn naam.
(Johannes 20)
Na de opstanding van de Here Jezus keert nog niet direct de herinnering aan wat de Heer over Zijn
sterven en opstanding gezegd had terug. Nu blijkt, dat de discipelen de Here Jezus Zelf nodig hebben
om Zijn woorden bij hen in herinnering te brengen. Zo hadden zij en wij na de hemelvaart van de Here
Jezus de Heilige Geest nodig om ditzelfde te doen voor en bij ons. De discipelen waren ontsteld en
met smart geslagen vanwege de dood van hun Heer. Hij had hun niet toegestaan Hem te verdedigen. Hij
was kalm, met het einddoel voor ogen en toch ook vol droefheid naar het kruis gegaan. Nu kwam er
nieuws, dat hen een schok gaf: het graf was leeg. Alleen Zijn grafdoeken lagen keurig opgevouwen in
het graf. Een vrouw berichtte, dat zij Hem levend had gezien. De hoop begon te leven en de woorden,
die zij indertijd niet begrepen hadden, kwamen in hun herinnering naar boven: “Breek deze tempel
maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.” (Johannes 2:19). “De Vader heeft mij lief omdat
ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen.” (Johannes 10:17). Toen verscheen Jezus Zelf in
hun midden. Daarop maakte de twijfel plaats voor blijde zekerheid, dat Jezus inderdaad was
opgestaan.
Aan het kruis had de Here Jezus gezegd: “Het is volbracht.” Hij had de prijs voor onze verzoening
betaald. Drieëndertig jaar had Hij dat vlekkeloze, onbesproken leven geleefd, dat wij hadden moeten
leven. Toen heeft Hij op het kruis dat heilige leven geofferd, om verzoening te doen voor onze
zonden. Toen Hij Zijn bloed vergoot voor zondige mensen, was het grote offer gebracht, dat het
mogelijk maakte voor allen, die in Hem geloven, om tot God te komen. En toch bleef er nog één ding
over: Hij moest opstaan uit de dood! Als Jezus alleen gestorven was, zonder uit de dood op te staan,
als Hij dus dood gebleven zou zijn, dan was alle hoop op redding door Hem zinloos. Als de dood Hem
had kunnen behouden, dan zou aangetoond zijn, dat Hij slechts een mens was als u en ik. Dan was er
geen redding, omdat alleen God in staat is verloren mensen te redden. Maar Jezus verrees als
overwinnaar over de dood. De Heiland verrees. Halleluja!
De Bijbel toont de Here Jezus op twee manieren: Hij was het ware Offerlam, dat de zonde van de hele
wereld wegnam (Johannes 1:29) en Hij was de ware Hogepriester die het werk van de verzoening in de
tempel verrichtte (zie de Hebreeënbrief). In Hebreeën 9:11,12 lezen wij iets heel opmerkelijks.
Zoals de aardse hogepriester eenmaal per jaar - op grote verzoendag - met het verzoenende bloed het
Heilige der Heiligen binnenging, zo is de Here Jezus op de grootste verzoendag die er ooit geweest
is, met Zijn eigen verzoenende bloed het hemelse heiligdom (de hemelse tempel) binnengegaan en heeft
Hij daar voor ons een eeuwige verlossing teweeg gebracht. De verzoening is dus niet geschied - zoals
veel mensen denken - doordat het bloed van de Here Jezus vanaf het kruis in de aarde terecht kwam,
maar omdat Hij - net zoals het in de aardse tempel diende te geschieden - Zijn bloed bij God de
Vader gebracht heeft!
De opstanding van de Here Jezus is een hoogtepunt in Zijn aardse leven geweest. Door Zijn opstanding
bewees Hij, dat Hij de macht had over dood en leven, bewees Hij, dat Hij werkelijk “de opstanding en
het leven” is (11:25). Door Zijn opstanding bewees Hij, dat Hij de macht had om zonden te vergeven
en om anderen te verlossen. De apostel Paulus zegt in Romeinen 1:4, dat de Here Jezus door Zijn
opstanding bewezen heeft, dat Hij Gods Zoon is.
Eens had de Here Jezus gezegd, dat de mensen een teken zouden krijgen, dat Hij werkelijk Gods Zoon
was, nl. het teken van Jona de profeet (Mattheus 12:39,40 en 16:4). “Want zoals Jona drie dagen en
drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in
het binnenste van de aarde verblijven.”
De opstanding van de Here Jezus werkte er aan mee, dat wij de Heilige Geest konden ontvangen. De
Heilige Geest brengt de kracht waarmee de Here Jezus de dood overwon in ons. Ook wij waren dood,
dood in zonden, maar mochten tot nieuw leven komen, toen wij ons geloof stelden in de Here Jezus
Christus. Nu geeft de Heilige Geest ons leven een nieuwe inhoud. Nu kunnen wij oprecht de Here Jezus
dienen - in Zijn kracht. Nu de Here Jezus opgestaan is, jaagt de dood ons ook geen angst meer aan.
Wij hoeven niet bang meer te zijn om te sterven, omdat door het sterven wij alleen maar dichter bij
de Here Jezus kunnen komen.
Eens zullen allen die in Jezus gestorven zijn, ook opstaan uit de dood. Jezus is hen voorgegaan, zij
zullen volgen. Dat zal gebeuren als Hij wederkomt. Dat is de hoop van de gelovigen. Lees voor uzelf:
1 Corinthe 15:13-22; Philippenzen 3:10,11 en 1 Thessalonicenzen 4:13-18.
Jezus maakt duidelijk, dat Hij Zijn volgelingen een heel bijzondere vrede geeft: shalom, harmonie
(:19,21,26). Hoewel Hij na Zijn opstanding een verheerlijkt lichaam heeft, is Hij nog steeds
dezelfde en maakt het je blij als je Hem ontmoet (:20). Meer: Hij heeft een opdracht voor je. Hij
zei tegen Zijn volgelingen: “Zoals de Vader mij heeft uitgezonden, zo zend ik jullie uit.” In de
vertaling van 1951 staat twee keer hetzelfde woord “zenden”. In de vertaling van 2004 wordt
onderscheid gemaakt tussen “uitzenden” en “zenden”. Wat is het verschil? De Heer zei eigenlijk:
“Terwijl de Vader Mij alleen naar de aarde gezonden heeft, zend Ik jullie onder escorte erop uit.”
Onder welke escorte worden de gelovigen erop uit gezonden? Onder escorte van de Heilige Geest! Zoals
de volgelingen van de Heer eerst onder de leiding van Jezus Zelf leefden, leven Jezus’ volgelingen
nu onder de leiding van de Heilige Geest.
Met deze boodschap van kruis en opstanding heeft de Here Jezus Zijn discipelen de wereld ingezonden.
De Heilige Geest zou hen helpen bij de verkondiging (14:26). Door de kracht van de Geest waren deze
eenvoudige mannen in staat om op een grootse wijze het evangelie van de Here Jezus bekend te maken,
zoals het boek der Handelingen ons laat zien. Diezelfde boodschap moet nog altijd bekend gemaakt
worden; nu door ons.
In dit hoofdstuk wordt heel duidelijk nogmaals over geloof geschreven (:8,25,27,29). In Johannes
19:35 wordt op het sterven van Jezus gewezen en zien wij, dat wij in Hem als de gestorven Messias
moeten geloven. Hij is gestorven om de straf voor onze zonde te dragen en die weg te nemen. Nu in
Johannes 20:8 zien wij dat wij in Hem moeten geloven als de opgestane Heer. Hierna wordt ons
verteld, dat alles wat Johannes in zijn evangelie opgeschreven heeft maar één doel had: u moet in
Jezus geloven (:30,31)! Johannes maakt duidelijk, dat u het volgende dient te geloven: u moet
geloven, dat Jezus én de Zoon van God is én de Joodse Messias is! Wie dit gelooft krijgt een
bijzondere belofte: hij heeft eeuwig leven! Hiermee eindigen de oproepen om te geloven. In het
laatste hoofdstuk van dit evangelie wordt niet meer gezegd dat u moet geloven. Er wordt
klaarblijkelijk vanuit gegaan, dat u inmiddels een gelovige bent.
Nog één keer zien wij, dat Jezus voor Zijn volgelingen “de Meester”, de rabbijn was. Maria spreekt
Hem aan als Rabboenie (:16). Verder zien wij, dat Jezus’ vrienden na Zijn dood en opstanding nog
mooier aangesproken worden. Jezus noemt hen nu Zijn “broeders en zusters” (:17). Verder zegt Hij,
dat God nu zowel Zijn Vader als hun Vader is. Daarom kan Jezus Zijn volgelingen “broeders en
zusters” noemen. Als u gelooft, dan bent u zowel een vriend van Jezus alsook Zijn broeder of zuster!
opgaven les 22
Bestudeer dit hoofdstuk. De bedoeling is, dat u
schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw antwoorden vergelijken met de
correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
Bij hoeveel verschillende gelegenheden werd de Here Jezus,
nadat Hij uit de dood verrezen was, door Zijn volgelingen gezien? |
| 2. |
Aan wie verscheen de Here Jezus na Zijn opstanding het eerst? |
| 3. |
Wat zagen Petrus en Johannes, toen zij in het graf keken? |
| 4. |
Drie keer lezen wij in het Johannes Evangelie, dat Thomas iets
opmerkelijks tegen de Here Jezus zei. U vindt dit in hoofdstuk 11, 14 en 20. Noem de
verschillende uitspraken van Thomas. |
| 5. |
Wat was de reactie bij de discipelen, toen de Here Jezus
plotseling in hun midden verscheen? |
| 6. |
Waar heeft de Here Jezus Zijn bloed gebracht, opdat het ons
een eeuwige verlossing zou brengen? |
| 7. |
Wat is het verschil in de manier waarop God de Vader Zijn Zoon
naar de aarde zond en de manier waarop de Here Jezus ons de wereld ingezonden heeft? |
| 8. |
Is het voldoende om te geloven, dat de Here Jezus de Zoon van
God is, of moeten wij ook geloven, dat Hij de Messias is? |
| 9. |
Als u dit hoofdstuk gelezen hebt, wat is dan de betekenis van
de Here Jezus voor uw leven? |
|