Internet Bijbel studie - Wie is Jezus - les 23
Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden in de gehele wereld volgden reeds in verschillende talen en in
een aantal landen een studie over het evangelie van Johannes. Zij deden dit door middel van een schriftelijke
studie. U gaat het op een moderne manier doen: via internet.
Deze studie gaat over de speciale vraag: "Wie is Jezus?" Het antwoord op deze bijzondere vraag zoeken wij in
het evangelie van Johannes. De cursus is samengesteld door ds. H.G. Koekkoek.
Aan het eind van elke les worden vragen gesteld die u dient te beantwoorden. De antwoorden krijgt u in de
volgende les.
Antwoorden les 22
| 1. |
Bij hoeveel verschillende gelegenheden werd de Here Jezus,
nadat Hij uit de dood verrezen was, door Zijn volgelingen gezien? |
| |
Drie |
| 2. |
Aan wie verscheen de Here Jezus na Zijn opstanding het eerst? |
| |
Maria uit Magdala (:14,16) |
| 3. |
Wat zagen Petrus en Johannes, toen zij in het graf keken? |
| |
De linnen
(graf)doeken (:6) |
| 4. |
Drie keer lezen wij in het Johannes Evangelie, dat Thomas iets
opmerkelijks tegen de Here Jezus zei. U vindt dit in hoofdstuk 11, 14 en 20. Noem de
verschillende uitspraken van Thomas. |
| |
a. "Laten ook wij
maar gaan om met Hem te sterven" (11:16) |
| |
b. "Wij weten niet
eens waar U naar toe gaat, Heer, hoe zouden we dan
de weg daarheen kunnen weten?" (14:5) |
| |
c. "Mijn Heer, mijn
God." (20:28) |
| 5. |
Wat was de reactie bij de discipelen, toen de Here Jezus
plotseling in hun midden verscheen? |
| |
Blijdschap (:20) |
| 6. |
Waar heeft de Here Jezus Zijn bloed gebracht, opdat het ons
een eeuwige verlossing zou brengen? |
| |
In de hemelse
tempel bij God |
| 7. |
Wat is het verschil in de manier waarop God de Vader Zijn Zoon
naar de aarde zond en de manier waarop de Here Jezus ons de wereld ingezonden heeft? |
| |
a. De Zoon ging
alleen naar de aarde |
| |
b. De gelovigen
gaan onder escorte van de Heilige Geest |
| 8. |
Is het voldoende om te geloven, dat de Here Jezus de Zoon van
God is, of moeten wij ook geloven, dat Hij de Messias is? |
| |
Wij moeten ook
geloven, dat Hij de Messias is |
| 9. |
Als u dit hoofdstuk gelezen hebt, wat is dan de betekenis van
de Here Jezus voor uw leven? |
| |
Jezus is
Overwinnaar over de dood. Hij is Gods Zoon. Er is
ook voor ons nieuw leven, omdat Hij ook voor ons de
dood overwonnen heeft. |
Wie is Jezus? - les 23
Jezus is de Leider van Zijn volgelingen
1 Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het
Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt.
2 Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat betekent
‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van
Zebedeüs en nog twee andere leerlingen.
3 Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee, ‘zeiden
de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen
ze niets.
4 Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al
wisten de leerlingen niet dat het Jezus was.
5 Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,
‘antwoordden ze.
6 ‘Gooi het net aan stuurboord uit, ‘riep Jezus, ‘dan lukt
het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in
dat ze het niet omhoog konden trekken.
7 De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is
de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn
bovenkleed op–meer had hij niet aan–en sprong in het water.
8 De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het
net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever,
ongeveer tweehonderd el.
9 Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop
en brood.
10 Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net
gevangen hebben.’
11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan
land. Het zat vol grote vissen, welgeteld
honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet.
12 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de
leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat
het de Heer was.
13 Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook
vis.
14 Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen
verscheen nadat hij uit de dood was opgestaan.
15 Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan:
‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de
anderen hier?’ Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik
van u houd.’ Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’
16 Nog eens vroeg hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me
lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’
Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen, ‘
17 en voor de derde maal vroeg hij hem: ‘Simon, zoon van
Johannes, houd je van me?’ Petrus werd verdrietig omdat hij
voor de derde keer vroeg of hij van hem hield. Hij zei:
‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.’ Jezus
zei: ‘Weid mijn schapen.
18 Waarachtig, ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf
je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je
oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel
omdoen en je brengen waar je niet naar toe wilt.’
19 Met deze woorden duidde hij aan hoe Petrus zou sterven
tot eer van God. Daarna zei hij: ‘Volg mij.’
20 Toen Petrus zich omdraaide zag hij dat de leerling van
wie Jezus hield hen volgde–de leerling die zich tijdens de
maaltijd naar Jezus toegebogen had om te vragen wie het was
die hem zou verraden.
21 Toen Petrus hem zag vroeg hij Jezus: ‘En wat gebeurt er
met hem, Heer?’
22 Maar Jezus antwoordde: ‘Het is niet jouw zaak of hij in
leven blijft totdat ik kom. Maar jij moet mij volgen.’
23 Op grond van deze uitspraak hebben sommige broeders en
zusters gedacht dat deze leerling niet zou sterven, maar
Jezus had niet gezegd: ‘Hij zal niet sterven’, maar: ‘Het is
niet jouw zaak of hij in leven blijft totdat ik kom.’
24 Het is deze leerling die over dit alles getuigenis
aflegt, en het ook heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn
getuigenis betrouwbaar is.
25 Jezus heeft nog veel meer gedaan: als al zijn daden, een
voor een, opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk
ik, te klein zijn voor de boeken die dan geschreven moesten
worden.
(Johannes 21)
Dit is het laatste hoofdstuk uit het evangelie van Johannes.
Nu blijkt, dat de schrijver van dit evangelie dezelfde is
als die speciale discipel die Jezus liefhad (:24).
De leerlingen van de Heer waren gevlucht en hadden zich
verborgen, toen de Here Jezus gevangengenomen werd. Alleen
Johannes, de discipel die de Here Jezus bijzonder liefhad,
stond met de vrouwen bij het kruis. Nadat de Heer uit de
dood was opgestaan en Hij voor de eerste keer aan de
leerlingen verscheen, bevonden zij zich in een gesloten
vertrek “uit vrees voor de Joden” (Johannes 20:19).
Natuurlijk: zij hoefden niet bevreesd te zijn voor de
Galileeërs. In Galilea geloofden juist zeer velen in de
Heer. In Judea waren de Joodse leiders, die steeds “de
Joden” genoemd worden. Uit angst voor deze Judese leiders
zijn de discipelen bijeen in een gesloten vertrek.
Nu echter hebben zij de Opgestane ontmoet en hun hart is
verblijd. Hun Meester heeft de dood overwonnen en daarmee
Zijn Goddelijkheid bewezen (zie Romeinen 1:4). Ook heeft Hij
beloofd hun Zijn Heilige Geest te zullen schenken. In het
boek Handelingen der Apostelen kunt u lezen, hoe door de
komst van de Heilige Geest vreesachtige mannen veranderden
in grote helden, die moedig voortgingen Jezus als Messias te
prediken in dezelfde stad, waar Hij was verraden en gedood.
Vervolging noch dood konden hen ervan weerhouden te geloven
en te prediken, dat de Messias uit de dood was opgestaan en
voor altijd leefde. Zo waren zij trouw aan Jezus’ oproep:
“Volg Mij!”
In dit hoofdstuk gaat het om twee dingen: de openbaring van
de Here Jezus aan Zijn discipelen bij de visvangst (:1,14),
dat hier het “verschijnen” van de Heer genoemd wordt en het
gesprek van de Heer met Petrus. De gebeurtenissen bij de zee
van Tiberias doen ons denken, aan wat er verschillende jaren
daarvoor ook hier had plaatsgevonden. Enkele mensen waren
aan het vissen. De Here Jezus kwam langs en riep hen toe,
dat zij Hem moesten volgen. Dit deed Hij met de woorden:
“Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.”
(Mattheus 4:18-22). Meteen lieten deze mensen hun netten en
boot achter en werden leerlingen van de Here Jezus.
Gedurende de drie jaar dat de discipelen bij de Here Jezus
waren, heeft Hij hen geleerd, hoe ze vissers van mensen
moesten worden. Moeten deze mannen dan nu naar hun boot
terugkeren? Zonder de Here Jezus? Dan vangen zij die nacht
niets. Als ze de Heer ontmoeten, hebben ze een lege boot,
een leeg net en lege handen! Ze moeten de betekenis leren
van Jezus’ woorden: “Zonder mij kun je niets doen.”
(Johannes 15:5). Ze moeten wel vissen; het koninkrijk van de
hemelen wordt zelfs vergeleken met een sleepnet, dat in de
zee wordt neergelaten en dat van alles bijeenbrengt.
(Mattheus 13:47-50). Bij dit werk zal de Heer Zelf hen
helpen. Dat is de nieuwe taak, die op hen wacht. Vissers van
mensen en hoeders van schapen moeten zij zijn (:15-17).
Met een laatste teken van Jezus’ heerlijkheid wordt een vol
net vis binnengehaald en wordt afscheid genomen van het oude
leven. Nu moeten zij naar Jeruzalem gaan en wachten op de
komst van de Heilige Geest, om daarna in Jezus' Naam Zijn
werk voort te zetten. (vgl. Lucas 24:48,49).
Het woord “verschijnen” of “openbaren” is de vertaling van
het Griekse woord phanero oo.
Het woord betekent, dat iets of iemand dat of die eerder
verborgen of onbekend was, nu openbaar of zichtbaar gemaakt
wordt. Het openbaar worden kan door onderwijs, maar ook door
jezelf zichtbaar te maken, waardoor je openlijk erkend
wordt. Daarover gaat het in het evangelie van Johannes.
Jezus moet openbaar worden. Wij moeten weten wie en wat Hij
is. Het gehele evangelie van Johannes heeft als doel ons te
laten weten wie en wat Jezus is en opdat wij in Hem zullen
geloven.
Wie dat weet, kijkt verbaasd op, als hij in Johannes 20:14
hoort, dat Maria bij Jezus stond en niet wist, dat het Jezus
was. Zo horen wij in Johannes 21:4, dat de leerlingen Jezus
zagen en ook niet wisten dat het Jezus was. In vers 12 horen
wij nogmaals, dat de leerlingen zich afvroegen wie Jezus nu
eigenlijk was.
In het hierna volgende gesprek met Petrus, worden in het
Grieks (de taal waarin het evangelie van Johannes
oorspronkelijk geschreven was) twee verschillende woorden
gebruikt voor “liefhebben”. De Here Jezus gebruikt bij de
eerste en tweede vraag het woord “agapè”, dat een hoge,
Goddelijke achtergrond heeft. Bij de laatste vraag, evenals
bij de drie antwoorden van Petrus wordt het woord “phileo”
gebruikt, dat lager van aard is en gewoon menselijke liefde
is. Op de vraag van de Heer, of Petrus Hem echt lief heeft
(agapè), antwoordt deze dan eigenlijk: “Ik mag U graag.”
(phileo) Maar dát vroeg de Heer niet!
Als de Heer bij Zijn derde vraag dus afdaalt naar het niveau
van Petrus en eigenlijk zegt: “Zo Petrus, mag jij Mij
graag”, wordt Petrus bedroefd. Hij verontschuldigt zich niet
voor de verloochening in het huis van Kajafas, maar neemt
zijn toevlucht in de alwetendheid van zijn Meester: “U weet
alles.” Hij durft dat mooie woord voor waarachtige liefde
niet meer te gebruiken. Kan hij nog wel een visser van
mensen zijn?
Hij mag méér dan een visser van mensen zijn. Hij mag ook de
schapen en de lammeren van Jezus hoeden en weiden. Hij mag
mensen winnen voor zijn Heiland. Hij mag prediken op de
eerste Pinksterdag, waardoor velen tot geloof zullen komen.
Deze jonge gelovigen, de lammeren, mag hij weiden. Maar ook
hen, die langer gelovig zijn, de schapen, mag hij hoeden en
weiden. Zo mag hij zijn Meester volgen, wetende, dat voor
hem de gehoorzaamheid aan het “Volg Mij” op de
martelaarsdood zal uitlopen (:19). Uit 1 Petrus 5:1-4
blijkt, dat Petrus deze woorden niet vergeten is. Ook zijn
dood is niet een straf op bepaalde zonden uit zijn leven.
Nee, zijn dood zal zijn om God te eren (:18,19).
Iedere waarachtige gelovige in de Here Jezus moet de vraag
onder ogen zien: “Heb je Mij lief met de liefde van God?”
Heb ik de Here Jezus zó lief, of mag ik Hem graag?
Ergens anders in de Bijbel lezen wij: “Heb de wereld en wat
in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft,
is de liefde van de Vader niet in hem, want alles wat in de
wereld is–zelfzuchtige begeerte, afgunstige inhaligheid,
pronkzucht–, dat alles komt niet uit de Vader voort maar uit
de wereld.”(1 Johannes 2:15,16). Er is niets heerlijkers,
dan dat wij tot Hem, Die voor ons stierf, kunnen zeggen:
“Heer, U weet, dat ik U echt met Goddelijke liefde liefheb.”
Dat kan alleen de gelovige zeggen, in wiens hart de liefde
van God is uitgestort (Romeinen 5:5).
In vers 25 lezen wij, dat Johannes vertelt, dat Jezus veel
meer gedaan (en dus ook: gezegd) heeft dan wat in dit
evangelie vermeld is. Dat blijkt ook wel als wij kijken naar
de evangeliën van Mattheus, Marcus en Lucas. Zij vertellen,
dat Jezus nog veel meer wonderen gedaan heeft en ook nog
veel meer gezegd heeft. Voor het doel dat Johannes zich
gesteld had (Johannes 20:30,31) is wat hij opgeschreven
heeft voldoende geweest.
opgaven les 23
Bestudeer dit hoofdstuk. De bedoeling is, dat u
schriftelijk de opgaven beantwoordt. Nadat u dit gedaan hebt, kunt u uw antwoorden vergelijken met de
correcte antwoorden die aan het begin van de volgende les vermeld worden. Veel succes!
|
| 1. |
Wie wordt bedoeld met
"de discipel die Jezus liefhad"? |
| 2. |
Wie nam het initiatief
om te gaan vissen? |
| 3. |
Als U weet, dat een
Joodse el ongeveer 50 cm is, hoeveel meter was het
bootje van de vissers dan van de kust verwijderd? |
| 4. |
Welke discipel
herkende de Here Jezus het eerst, toen ze nog op zee
waren? |
| 5. |
Wie had de maaltijd
aan de oever van het meer gereed gemaakt? |
| 6. |
Wat is het
opmerkelijke in het gesprek tussen de Here Jezus en
Petrus over het liefhebben? |
| 7. |
Het "Volg Mij" is bij
Petrus wel op een bijzondere wijze tot uitdrukking
gekomen toen hij in Rome stierf. De traditie vertelt
hoe dit gebeurd is. Weet u hoe? |
| 8. |
Wat was het doel van
de dood van Petrus voor God? |
| 9. |
Jezus heeft blijkbaar
veel meer gedaan, dan wat in het Johannes Evangelie
beschreven is. Waarom zijn alle andere dingen niet
vermeld? |
| 10. |
Welke les hebben de
discipelen geleerd van de visvangst in de zee van
Tiberias en wat mogen wij ervan leren? |
|