BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Online studies beluisteren

Online studies lezen

Internet Bijbel studie

Speciale e-mail studies

Evangelisatie serie
inhoud
printversie
Online studies lezen

Beelden van God

Gods adem en neus


Psalm 18 : 1-20
19-01-1997

De Bijbel vertelt ons, dat God niet lichamelijk is, zoals wij dat zijn. De Bijbel zegt ons, dat God Geest is. Toch wordt er op menselijke wijze over God gesproken, opdat wij God beter kunnen begrijpen en Hij vertrouwelijker met ons zal kunnen omgaan. Zo is er in de Bijbel sprake van de ogen en de oren van God, de mond, de neus, de hand, de vingers, de arm en de voet van God, het hart en het aangezicht van God, enz. Ook is er sprake van "het beeld" van God.

Er is zelfs sprake van de vleugels van God. Dan wordt het beeld van een grote vogel gebruikt. Opmerkelijk is het om te zien, dat God hier niet meer een menselijk lichaamsdeel gebruikt als voorbeeld om duidelijk te maken hoe Hij is, maar dat God nu de lichaamsdelen van een vogel gaat gebruiken om duidelijk te maken, op welke wijze Hij met de mens omgaat.

Vandaag kijken wij naar twee zaken, die veel met elkaar te maken hebben: Gods adem en Gods neus.

Gods adem

A. Gods adem i.v.m. de natuur:
De Bijbel vertelt ons, dat wij in de natuur als het ware Gods adem zien. Er worden twee voorbeelden gegeven:
1."Alle vlees is gras en al zijn schoonheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de adem des HEREN daarover waait." (Jes. 40:7)
Hier worden eigenlijk twee beelden gebruikt:
a.Alle vlees, dus eigenlijk: alle mensen kun je vergelijken met gras en bloemen. Ze zijn mooi en doen het een bepaalde tijd erg goed. Maar zoals de bloemen in de herfst verdorren, zo vergaat het ook de mens aan het eind van zijn leven. De schoonheid gaat er af en op een gegeven ogenblik komt de dood.
b.Wat er in de natuur gebeurt in de herfst, is voor een gelovige meer dan alleen maar een natuur-gebeuren. Hij ziet er Gods hand in, of zoals het hier voorgesteld wordt: Hij ervaart het als het werk van Gods adem.
2.

 In Job 37:10 wordt van God het volgende gezegd: "Door Zijn goddelijke adem maakt Hij het ijs, de watervlakte wordt als gegoten metaal."

Hier hebben wij in de eerste plaats een mooie formulering van de aanblik van ijs: Het is als gegoten metaal.
In de tweede plaats wordt ons er hier ook weer op gewezen, dat het ijs niet vanzelf ontstaat en dat de gelovige er meer in ziet, dan alleen een natuurverschijnsel: Het ontstaat, doordat de adem van God over het water gaat.

Wij komen een dergelijke gedachte vaker tegen in de Bijbel. Als er onweer is, beschrijft de Bijbel dit ook niet als een louter natuurverschijnsel, maar stelt het ons voor als een speciaal werk van God. Hij bliksemt en Hij dondert.

B. Gods adem i.v.m. de mens:
De mens lijkt op een dier. Allebei eten en drinken en slapen zij. Allebei kunnen zij zich verplaatsen. Allebei kunnen zij geluid voortbrengen, enz. Toch is de mens wezenlijk anders dan de dieren. De mens is niet een veredeld dier, ook niet "een dier op hoger niveau". De mens staat niet met de dieren op één rij. Dat wordt duidelijk gemaakt bij de schepping van de mens.

In Genesis 2:7 wordt verteld, dat toen God de mens schiep, er iets bijzonders gebeurde:
1. Toen God de dieren schiep, deed Hij dat door een woord te spreken. Toen Hij de mens schiep, deed Hij dat door hem met Zijn Goddelijke hand van klei te vormen.
2.

"Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen."
Bij het lezen van deze tekst moeten wij op een paar zaken letten, anders krijgen wij een verkeerde uitleg.

Er wordt hier gesproken over "adem". Het woord, dat hier in het Hebreeuws staat, betekent drie dingen:
1. adem, 2. wind, 3. geest.
Het zal duidelijk zijn, dat het hier niet gaat over de wind. Er kwam niet een wind opzetten, die terecht kwam in de neus van de mens. Het gaat hier echter wel over de adem en de geest van God. Die beide moeten wij tezamen nemen. De adem die God in de neus van de mens blies, was tevens de goddelijke Geest, die God in de neus van de mens blies. God blies dus Zijn Heilige Geest in de neus van de mens. Hierdoor werd de mens een bijzonder wezen. Hierdoor werd hij een "levend wezen" staat er in onze vertaling. Maar, dat zijn de dieren ook.

"Een levend wezen" is geen goede vertaling. De Staten Vertaling vertaalt het op de juiste wijze. Daar staat: "Alzo werd de mens tot een levende ziel." In Gen. 1:30 staat in de Staten Vertaling, dat de dieren ook een levende ziel hebben. Toch is er een wezenlijk verschil tussen de mensen en de dieren. De ziel van de mens is anders dan het instinct van de dieren. De mens heeft de Goddelijke adem in zijn neus gekregen, de dieren niet.

Elihu, één van de wijze mannen en vrienden van Job heeft dit geweten. In zijn eerste toespraak tot Job zei hij o.a. het volgende: "Voorwaar, het is de geest in de stervelingen en de adem van de Almachtige, die hun inzicht geeft." (Job 32:8) In deze uitspraak worden "geest" en "adem" naast elkaar geplaatst en wordt duidelijk gemaakt, dat als je over "adem" spreekt, het ook over "geest" gaat.

Ook wordt duidelijk gemaakt, dat de mens een bijzonder wezen is, anders dan de dieren, omdat hij de adem van de Almachtige in zich heeft. Dit maakt hem tot een bijzonder wezen en geeft hem inzicht.

Even later voegt Elihu hier nog aan toe: "De Geest Gods heeft mij gemaakt en de adem van de Almachtige doet mij leven." (Job 33:4)

Elihu wijst er op, dat de mens een bijzonder wezen is en een bijzonder leven heeft, omdat Gods Geest in hem is. Zo is hij ook naar het beeld en de gelijkenis van God geschapen. De mens ademt als het ware het Goddelijke. Dat kun je alleen van de mensen zeggen en niet van de dieren. De mens is ook verschillend van de dieren in het feit, dat hij kan spreken. Dieren kunnen geluiden maken, maar zij kunnen niet verstandelijk spreken (ook al kan een papegaai onverstandelijk woorden voortbrengen). De mens is geschapen naar Gods beeld en is de kroon van de schepping. Dit is in overeenstemming met de woorden van Psalm 8. Zo kan alleen de mens zijn Schepper loven en prijzen.

In zijn tweede rede wijst Elihu op de consequenties hiervan. Hij wijst er op, wat er gebeurt, als God Zijn Geest, dus Zijn adem, uit de mens terugneemt. Dan zou de mens "de geest geven" en sterven. Zie Job 34:14, 15. Sterven is dan ook werkelijk "het geven van de geest" en het uitblazen van de laatste adem, waarna de Geest terugkeert tot zijn Schepper en het lichaam in de aarde begraven wordt.

C. Gods adem i.v.m. de Messias
Jes. 11:4 vertelt, dat de Messias iets bijzonders zal doen met Zijn adem. Jesaja zegt: "Hij, de Messias, zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden." Deze tekst wordt in 2 Thess. 2:8 geciteerd, waardoor het ons duidelijk wordt, dat het hier gaat over de Here Jezus, terwijl ons verteld wordt, wat Hij zal doen bij Zijn wederkomst met de antichrist.

De "goddeloze" over wie in dit vers gesproken wordt, is nl. de komende antichrist, de wetteloze, de zoon des verderfs, die in de Grote Verdrukking zijn anti goddelijke wereld heerschappij op aarde zal vestigen. Deze antichrist is echter zo'n vervaarlijk figuur, dat hij blijkbaar niet zomaar door een opstand tegen hem te doden is. Zoals Saddam Hoessein niet uit de weg te ruimen lijkt, zo zal de antichrist niet uit de weg te ruimen zijn. Hij moet dan ook op een bijzondere wijze aan zijn eind gebracht worden. Dat zal de Here Jezus Zelf doen. Hij zal als het ware de antichrist omver blazen, van de aarde blazen, uit het leven blazen, de dood inblazen.


Gods neus

Er staan een paar opmerkelijke uitspraken over Gods neus in de Bijbel. Een enkele keer zien wij, dat er zowel over de neus van God als ook over Zijn adem gesproken wordt.

Wij zien twee aspecten waarin over de neus van God gesproken wordt: (1) wanneer God uitademt, (2) wanneer God inademt. anders gezegd: (1) in toornende zin, (2) in lieflijke zin.

A. Gods neus i.v.m. Zijn toorn:
Hier gaat het over het uitademen van God. Dat is dus een adem ten oordeel. In 2 Sam. 22:9 en 16 en in Psalm 18:9 en 16 hebben wij dezelfde uitspraken. Wij lezen uit Psalm 18:79,14-16.

Een paar zaken vallen hier op: David was in nood en God kwam tevoorschijn om hem te helpen. De wijze waarop God David hield en de vijand van David verjaagde, wordt hier beschreven. Gods toorn was ontbrand (:8) Een verterend vuur kwam uit Zijn mond. Er wordt verteld, dat er adem uit Zijn neus kwam en dat er rook uit Zijn neus kwam. Er kwam een verschrikkelijk onweer, waarbij donder en bliksem als daden van God genoemd worden. De bliksemstralen worden zelfs pijlen van God genoemd.

Het beeld, dat hier gebruikt wordt, is het beeld van een briesend paard, of van iemand, die zó boos is, dat je a.h.w. hem hoort snuiven van boosheid. Zó is God vertoornd, als goddelozen het op Zijn kinderen gemunt hebben. Hij stuift dan op en snuift en hijgt als het ware van verontwaardiging en boosheid. Zó komt Hij Zijn kinderen te hulp.

Zo beschrijft ook de Temaniet Elifaz de Here God, als hij zegt: "Door Gods adem vergaan de onrechtvaardigen, door het blazen van Zijn neus komen zij om." (Job 4:9) In dit vers worden Gods adem en Gods neus tezamen genoemd. Elifaz voegt hier nog een gedachte aan toe, nl. dat de onrechtvaardigen door God als het ware van de kaart geblazen worden. Zij worden weggevaagd, als Gods adem zich tegen hen keert.

In Ex. 15:8 wordt hiervan een voorbeeld gegeven. Daar wordt terug gezien op de redding van de Isralieten bij de doortocht door de Schelfzee. Hier lezen wij: "Door de adem van Gods neus werden de wateren opgestuwd; als een dam stonden de stromen; de wateren stolden in het hart der zee."

Ook in dit vers worden Gods adem en Gods neus samen genoemd. Toen God Zijn volk te hulp kwam, blies Hij met Zijn adem uit Zijn neus over de Schelfzee en voltrok zich het oordeel. Eerst blies Hij met Zijn neus zodat er een pad ontstond waardoor de Israëlieten een veilig heenkomen konden zoeken. Vervolgens blies Hij met Zijn neus en kwam het water weer terug en verdelgde de Egyptische soldaten. De adem van Gods neus wordt hier gezien als het beeld van Gods toorn.

B. Gods neus i.v.m. het gebed, d.i. in lieflijke zin.
Hier gaat het over het inademen van God, dat is dus in lieflijke zin. Het heeft te maken met het gebed van de gelovige.

Toen Mozes kort voor zijn sterven de zegen over de stammen van Israël uitsprak, zei hij van Levi: "Zij onderhouden Gods Woord en bewaren Gods verbond; zij onderwijzen Jacob Gods verordeningen, zij onderwijzen Israël Gods wet. Zij doen reukwerk in Gods neus opstijgen en leggen het brandoffer op Gods altaar." (Deut. 33:9b,10)

Hoewel er van de offers die op het brandoffer in de voorhof gebracht werden, staat, dat zij een lieflijke reuk voor God waren, staat er daar niet bij, zoals hier, dat zij in Gods neus kwamen. De lieflijke reuk van de brandoffers betekenden ook niet, dat God vond, dat zij lekker roken. Dat deden zij ook niet. Zij waren echter lieflijk, omdat zij een goed werk verrichten, nl. vergeving teweeg brachten.

Hier, bij het reukwerk, staat er echter, dat dit reukwerk in Gods neus opsteeg. Dit reukwerk ging vergezeld van de gebeden van de priesters, tezamen met de gebeden van het gehele volk. Ook onze gebeden stijgen als lieflijk reukwerk tot God, in Zijn neus. Bid daarom en bid veel. U zult er God blij mee maken.

Als wij Gods adem en Gods neus samenvatten, zien wij, dat er een wisselwerking moet zijn en kunnen wij het volgende zeggen:
1. Wij moeten ons bewust zijn, wie en wat wij zijn. Wij zijn bijzondere schepselen. Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis; wij hebben Gods adem, dus Gods Geest in ons, in onze neus. Er is dus ook iets in onze neus gekomen, nl. de adem, de Geest van God. God heeft in onze neus geblazen.
2. Nu moet er iets in de neus van God komen en dat moeten wij doen. Wij moeten onze gebeden als lieflijk reukwerk laten opstijgen in de neus van God. Wij moeten trouwe bidders en dankers zijn. Wij moeten niet vertragen in ons gebedsleven, want God wil gebeden zijn.

Als hier gesproken wordt over onze gebeden, die in de neus van God komen, is dit beeldspraak en wil het eigenlijk zeggen, dat onze gebeden in het hart van God komen. Onze gebeden, die voortkomen uit ons hart, stijgen als lieflijk reukwerk op en komen in het hart van God. Zo brengen onze gebeden ons hart en het hart van God bij elkaar.


BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2012 Stichting Het Licht des Levens