BEGINPAGINA   |   INFORMATIE   |   ARTIKELEN   |   NIEUWS UIT ISRAEL   |   BOEKEN   |   CD'S   |    STUDIES   |   ZOEKEN   |   LINKS

Stichting Het Licht des Levens

 
menu
Online studies beluisteren

Online studies lezen

Internet Bijbel studie

Speciale e-mail studies

Evangelisatie serie
inhoud
printversie
Online studies lezen

Beelden van God

Gods voeten

Psalm 99 (:5)
12-01-1997

De Bijbel vertelt ons, dat God niet lichamelijk is, zoals wij dat zijn. De Bijbel zegt ons, dat God Geest is. Toch wordt er op menselijke wijze over God gesproken, opdat wij God beter kunnen begrijpen en Hij vertrouwelijker met ons zal kunnen omgaan. Zo is er in de Bijbel sprake van de ogen en de oren van God, de mond, de neus, de hand, de vingers, de arm en de voet van God, het hart en het aangezicht van God, enz.

Er is zelfs sprake van de vleugels van God. Dan wordt het beeld van een grote vogel gebruikt. Opmerkelijk is het om te zien, dat God hier niet meer een menselijk lichaamsdeel gebruikt als voorbeeld om duidelijk te maken hoe Hij is, maar dat God nu de lichaamsdelen van een vogel gaat gebruiken om duidelijk te maken, op welke wijze Hij met de mens omgaat.

Er is ook sprake van de voeten van God. Je zou verwachten, dat er dan zou staan, dat Gods voeten bijvoorbeeld de gehele aarde doorwandelen zouden. Dat is echter niet het geval. Gods voeten worden in de Bijbel niet getekend als zijnde in beweging, maar als rustend op één en dezelfde plaats.

Er wordt maar een paar keer over de voeten van God gesproken in de Bijbel. Een enkele keer wordt er ook over de voetbank van God gesproken. Wij nemen beide teksten tezamen, dus zowel over de voeten van God als over de voetbank van God. Hoewel de Bijbel vrij weinig spreekt over de voeten en de voetbank van God, wordt er in dit verband toch een keer iets heel bijzonders juist over de Here Jezus verteld.

Een voetbank is eigenlijk een bank waar men de benen op legt, als men lekker in een gemakkelijke stoel is gezeten. Het maakt duidelijk, dat de persoon in kwestie tot rust gekomen is. Het wordt in de Bijbel gebruikt zowel als beeld voor het neerleggen van de benen als het plaatsen van de voeten.

Twee voorbeelden:

Wij beginnen met twee voorbeelden over de voetbank; één uit het Oude Testament en één uit het nieuwe Testament.

In 2 Kron. 9:17-19 horen wij, dat in Salomo's paleis een ivoren troon was, die overtrokken was met gelouterd goud. De troon had zes treden, een gouden voetbank, die aan de troon bevestigd was, en aan weerszijden van de zitplaats leuningen; twee leeuwen stonden naast de leuningen en twaalf leeuwen stonden aan weerszijden op de zes treden; nooit was zoiets voor enig koninkrijk gemaakt.

In Jacobus 2 wordt een voorbeeld gegeven uit de synagoge. Het zou natuurlijk ook een voorbeeld uit de kerk kunnen zijn. Het gaat om de vraag, hoe je met een rijke man en hoe je met een arme man in de synagoge zou kunnen omgaan. Er wordt op gewezen, hoe het niet moet. Je zou dan de rijke man een goede plaats in de synagoge kunnen geven en tegen de arme man zou je kunnen zeggen, dat hij maar ergens moest blijven staan, of bij je voetbank mocht gaan zitten. Zo moet het dus niet, zegt Jacobus (Jac. 2:3).

Overzicht:

Er worden verschillende plaatsen genoemd, die allemaal de voetbank voor Gods voeten zijn:

(1) De aarde, Jes. 66:1.
(2) Jeruzalem, Klaagl. 2:1.
(3) De tempel, Psalm 99:5 en 132:7.
(4) De ark des verbonds in het Heilige der Heiligen, 1 Kron. 28:2.

De aarde en Gods voetbank:

"Zo zegt de HERE: De hemel is Mijn troon en de aarde de voetbank van Mijn voeten. Waar zou dan het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen en waar de plaats Mijner rust?" (Jes. 66:1) In deze tekst is zowel sprake van Gods voeten als van Gods voetbank.

In deze tekst worden hemel en aarde tegenover elkaar geplaatst. * De hemel is de plaats waar Gods troon is. "De HERE heeft Zijn troon in de hemel gevestigd. Zijn koningschap heerst over alles." (Psalm 103:19) Het woord "troon" is het symbool van Gods aanwezigheid. God heeft Zijn troon in de hemel; daar is Hij, daar woont Hij, daar regeert Hij. * De aarde is de plaats waar Gods voetbank is en waar dus ook Zijn voeten zijn.

In deze tekst gaat het er om, dat het volk Israël niet in nood is, als er op een gegeven ogenblik geen tempel meer is in Jeruzalem. Toen er nog een tempel stond, was de tempel de plaats waar de voetbank voor Gods voeten was. Nu er geen tempel is, hoeft dat voor het Joodse volk geen probleem te zijn, omdat de tempel eigenlijk te klein is voor Gods voeten. Hij heeft de gehele aarde als voetbank voor Zijn voeten uitgekozen. (zie ook Hand. 7:48,49)

De tempel en Gods voetbank:

In 1 Kron. 28:2 horen wij David zeggen over de te bouwen tempel: "Ik zelf had het voornemen een huis der rust te bouwen voor de ark van het verbond des HEREN en voor de voetbank van onze God."

Wij hebben hier een gedachte, die ons misschien wat vreemd in de oren klinkt. Het gaat hier over de gedachte, dat God plaats zou nemen op de ark des verbonds en dat God hier zou zitten tussen de beide cherubs. Wij vinden dit echter terug in 1 Kron. 13:6, waar staat, dat God de HERE op de cherubs troont op de ark des verbonds, waarover "de Naam" is uitgeroepen. 2 Sam. 6:2 maakt duidelijk, dat deze Naam de Naam van JHWH is, die op de cherubs troont, d.w.z. die op of tussen de cherubs gezeten is.

Wij vinden deze gedachte terug bij de ingebruikneming van de tabernakel. In Ex. 25:21,22 lezen wij, dat God tegen Mozes zei: "Gij zult het verzoendeksel boven op de ark leggen, die Ik u geven zal. En Ik zal d  r met u samenkomen en van het verzoendeksel af, tussen de beide cherubs op de ark der getuigenis, over alles met u spreken wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal." God vertoeft dus op de ark des verbonds tussen de beide cherubs. Zie ook Psalm 99:1.

Drie aspecten worden hier openbaar:

(1) Over de nieuwe (3e) tempel zegt Ezech. 43:7 "Dit is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik wonen zal." In de tempel vind je dus de troon van God, wat betekent, dat God daar aanwezig is. En je vindt er de plaats van Gods voetzolen, dus ook van Zijn voeten. De troon en de voeten van God maken duidelijk, dat Hij daar blijvend aan de (3e) tempel verbonden zal zijn.

Deze 3e tempel zal anders zijn dan de vorige tempel. Bij de vorige tempel was deze tempel alleen de voetbank voor Gods voeten, terwijl Zijn troon in de hemel was. Nu, bij deze toekomstige tempel, zal deze tempel niet alleen de plaats van Gods voetbank zijn, maar zal Hij er ook Zijn troon hebben! Daarom zal de heerlijkheid van deze tempel groter zijn dan van de vorige tempels.

(2) Jesaja spreekt ook over de toekomstige tempel (d.i. op dat moment nog de 2e tempel). Bij hem horen wij God zeggen: "De plaats van Mijn voeten zal Ik heerlijk maken." (Jes. 60:13) Bij deze 2e tempel is Gods troon nog in de hemel en is de tempel alleen de plaats van Zijn voeten. Waar Gods voeten zijn, daar wordt echter ook reeds Gods heerlijkheid openbaar.

(3) De Psalmen maken duidelijk, dat hier, waar Gods voeten zijn, een bepaalde houding van de mens verwacht wordt. "Verhoogt de HERE onze God, buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten." (Psalm 99:5) Hier is dus weer sprake zowel van de voetbank als van de voeten van de Here God. Daar moeten wij ons eerbiedig voor Hem nederbuigen en Hem eren en aanbidden. God verwacht van Zijn volgelingen een diep eerbiedige houding. Hij is niet "je" of "jij", maar de Koning der koningen. Het is ook niet "Jezus", maar onze "Here Jezus".

In Psalm 132:7 hebben wij een bedevaartslied. Dit vers luidt: "Laten wij Zijn woning binnengaan, laten wij ons neerbuigen voor Zijn voetbank." Ook hier blijkt dus de eerbiedige houding die van de mens verwacht wordt.

De Messias en Gods voetbank:

Er zijn drie momenten die speciaal in verband met de Messias genoemd worden:

(1) Toen de Here Jezus op aarde was In Lucas 17:16 lezen wij, dat een melaatse, die door de Here Jezus genezen was, met luider stem God verheerlijkende, zich wierp op zijn aangezicht aan de voeten van de Here Jezus om Hem te danken. Ook lezen wij over Maria, die haar tranen liet lopen over de voeten van de Here Jezus en deze daarna met haar haren afdroogde (Luc. 7:38,44).

(2) Na afloop van de Grote Verdrukking, bij het aanbreken van het Messiaanse Vrederijk. Zacharia zegt, dat in die tijd de voeten van de Messias op de Olijfberg zullen staan. (Zach. 14:4)

(3) Aan het eind van het Messiaanse Vrederijk. Hierover spreekt Psalm 110:1 in het bijzonder.

In Psalm 110:1 hebben wij een zeer bijzondere uitspraak. Hier staat: Aldus luidt het woord van de HERE tot mijn Here: Zet u aan Mijn rechterhand (d.i. dus aan de rechterhand van JHWH), totdat Ik uw (d.i. dus de Here) vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten."

Hier is twee keer sprake van het woord "Here". De ene HERE spreekt tot de andere Here. Wie zijn zij?

Het eerste HERE is de vertaling van de Naam van God: JHWH. Hier is dus God de Vader aan het woord. Tegen wie spreekt Hij? Hij sprak tegen iemand, die "de Heer" van David was. Hij sprak dus niet tegen David zelf. Hij sprak ook niet tegen de engelen, zo maakt Hebr. 1:13 ons duidelijk. De aangesprokene is niet iemand die "minder" is dan David, dus niet bijvoorbeeld een zoon van David, ook niet David zelf. De aangesprokene staat boven David. Hij is als het ware weer de koningboven-David. Hij heeft dan ook aan de rechterhand van God de Vader gezeten, dat is dus in de hemel. Hij is dus van hoge "kom-af".

Matth. 22:41-46 en Hand. 2:34,35 maken ons duidelijk, dat hier sprake is van Iemand, die boven David stond en die toch niet God de Vader was. De Here Jezus maakt duidelijk, dat de Messias niet alleen Davids Zoon is, maar ook Davids heer, dus Davids God. Hier wordt een tekst uit het Oude Testament geciteerd om te bewijzen, dat de Here Jezus als Messias uit de Godheid is voortgekomen. Hij was niet slechts een mens op aarde, een mens onder de mensen, maar Hij was tevens de Zoon van God.

De rabbijnen (zoals Sforno) zeggen, dat deze Psalm van toepassing is op de Koning-Messias. Een aantal rabbijnen wil echter deze tekst niet meer laten slaan op de Messias, omdat hij in het Nieuwe Testament toegepast wordt op de Here Jezus.

Hier is tevens sprake van het feit, dat de vijanden van de Messias eens Zijn voetbank zullen worden. Hebr. 10:13 zegt, dat de Here Jezus nu gezeten is aan de rechterhand van God de Vader en dat Hij (daar) afwacht, totdat Zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor Zijn voeten.

1 Cor. 15:25 maakt duidelijk, wanneer dit zal geschieden. Hier staat: "Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft." Dit "heersen als koning" zal zijn gedurende het duizendjarige Messiaanse vrederijk. De Here Jezus is nu gezeten aan de rechterhand van de Vader en wacht, totdat Hij het koningschap op Zich mag nemen. In de tijd van het Messiaanse rijk zal Hij als koning heersen. Deze periode zal eindigen met de onderwerping van al Zijn vijanden, die dan onder Zijn voeten gelegd zullen worden.

De Here Jezus zal hen maken tot een voetbank voor Zijn voeten. Hij zal Zijn voeten op hen zetten. Zij zullen Zijn voetbank worden. Dat is een teken van volledige onderwerping en vernedering van deze vijanden en van volledige overwinning door de Here Jezus. Wat dit betekent, zien wij bijvoorbeeld in Jozua 10:24, waar sprake is van de overwinnaar, die zijn voet plaatst op de nek van de overwonnen koning of van de overwonnen generaal.

Tenslotte nog één tekst uit het Nieuwe Testament:

In Openb. 1:17 lezen wij, dat Johannes een ontmoeting had met de Here Jezus. Er staat: "En toen ik Hem zag, viel ik als dood voor Zijn voeten en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei: Wees niet bevreesd." Zo wil de Here Jezus ook Zijn hand op ons leggen, als wij in aanbidding aan Zijn voeten nederknielen.


BEGINPAGINA | INFORMATIE | ARTIKELEN | NIEUWS UIT ISRAEL | BOEKEN | CD'S | STUDIES | ZOEKEN | LINKS
© Copyright 2001-2010 Stichting Het Licht des Levens