Online studies lezen
De verwachting van en de hoop op de opname van de gemeente
1 Thessalonicenzen 4 : 13-18
28 september 2003
"Doch wij willen u niet
onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij
niet bedroefd zijt, zoals de andere mensen, die geen hoop hebben.
Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal
God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem.
Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die
achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de
ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het
roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods,
nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn,
zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die
achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd
worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de
Here wezen. Vermaant elkander dus met deze woorden." (1
Thessalonicenzen 4:13-18)
De eerste christenen leefden sterk
in de verwachting, dat zij de wederkomst van de Here Jezus zouden
meemaken. Ook Paulus laat duidelijk merken, dat hij leeft met de
verwachting, dat de wederkomst van de Here Jezus in zijn tijd zal
komen. Vaak vragen mensen zich af, hoe Paulus zich zo kon vergissen.
Paulus vergistte zich echter niet. Paulus verwachtte de Here Jezus.
Als Jood had Paulus geleerd, dat je de Messias moet verwachten. Hij
had ook geleerd wat het betekende om de Messias te verwachten. Als
je iemand verwacht, zeg je niet, dat hij over geruime tijd zal
komen. Dan verwacht je hem namelijk niet. Als je hem verwacht, ga je
ervan uit, dat het spoedig zal gebeuren. Daarom eindigt het boek
Openbaring ook met de mededeling, dat de Here Jezus spoedig zal
komen. Triomfantelijk klinkt de boodschap van de Here Jezus op de
laatste bladzijde van de Bijbel: "Zie, Ik kom spoedig en mijn
loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naardat zijn werk is...
Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom,
Here Jezus!" (Openbaring 22:12,20)
De opname van de Gemeente
In 1 Thessalonicenzen 4:13-18 geeft de apostel Paulus ons
een indruk van wat er zal gebeuren als de Here Jezus terugkomt.
Duidelijk blijkt in deze verzen, dat Paulus hier schrijft over de
komst van de Here Jezus in verband met de gelovigen. Het gaat niet
over Zijn komst met betrekking tot de Israël, de ongelovigen of met
betrekking tot de aarde. Neen, het gaat duidelijk over de betekenis
van Jezus' wederkomst voor de gelovigen.
Het meest opmerkelijke in dit
gedeelte zijn de woorden: "op de wolken in een oogwenk
weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht."(1
Thessalonicenzen 4:17) Het is begrijpelijk, dat van dit
Schriftgedeelte gezegd wordt, dat het "de wegvoering van de
Gemeente" behandelt. Omdat die wegvoering "omhoog"
gaat, is in het algemeen spraakgebruik het woord
"wegvoering" vervangen door het woord "opname".
Dit gedeelte behandelt dus de opname van de Gemeente. Hier wordt ons
een bijzondere profetie gegeven over de toekomst van de gelovigen.
Er zijn meerdere Schriftgedeelten
die ons vertellen, dat de Here Jezus zal wederkomen en dat dit een
heel bijzonder moment voor Zijn volgelingen zal zijn. Reeds vóór
Zijn sterven had Hij de discipelen voorgehouden, dat Hij naar de
hemel zou terugkeren, daar alles gereed zou maken en vervolgens de
gelovigen zou komen halen en hen naar de hemel zou brengen. "Uw
hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In
het huis mijns Vaders zijn vele woningen (anders zou Ik het u gezegd
hebben) want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik
heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij
nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben" (Johannes 14:1-3)
De Heer spreekt hier niet tegen de discipelen in het enkelvoud
"jij en jij", maar in het meervoud: "Jullie".
Dat wil zeggen: "Jullie allemaal samen. Alle gelovigen met
elkaar." Het gaat daarom niet over het sterven van iedere
individuele gelovige en zijn ingaan in de hemelse heerlijkheid - hoe
mooi deze woorden daarop ook toegepast kunnen worden - het gaat over
het moment van Jezus' wederkomen, als Hij Zijn gehele Gemeente
brengt in het hemels Vaderhuis.
Nadat de Here Jezus naar de hemel
gegaan was om hen een plaats te bereiden, zoals Hij aangekondigd
had, kwamen er direct twee engelen om hen aan de woorden van de Heer
te herinneren en hen opnieuw te zeggen, dat Hij zou terugkomen.
"En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl
zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En toen zij
naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in
witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: Galileese mannen,
wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u
opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als
gij Hem ten hemel hebt zien varen." (Handelingen 1:9-11)
Twee keer wordt in deze verzen een
opmerkelijk woord gebruikt. Wij lezen hier: "...werd Hij
opgenomen..." en "...die van u opgenomen is..." Het
eerste woord "opgenomen" is de vertaling van het Griekse
woord analambanoo, dat in de Bijbel o.a. vertaald is als
"opnemen, opheffen". Het tweede woord
"opgenomen" is de vertaling van het Griekse woord
poreuomai, dat in de Bijbel o.a. vertaald is als "weggaan,
heengaan, vertrekken." Terwijl het eerste Griekse woord al laat
zien, dat het gaat over een "wegnemen naar boven", dus
naar de hemel, laat het tweede Griekse woord zien, dat het om een
heengaan naar een andere plaats is, zoals wij nog zullen zien.
Wij geven enkele voorbeelden. In
Handelingen 8 hebben wij dezelfde gedachte, ook al wordt er een
ander Grieks woord gebruikt. De schrijver van het boek Handelingen,
Lucas, gebruikt nu hetzelfde Griekse woord als Paulus in 1
Thessalonicenzen 4 gebruikt: "harpazoo". Dit woord komen
wij ook in andere teksten tegen. In Mattheus 12:29 waar het als
"roven" (stelen, snel wegnemen) vertaald is. Zo ook in
Mattheus 13:19 en Johannes 10:12,28. In Handelingen wordt het als
volgt gebruikt: "En toen er grote tweedracht ontstond, vreesde
de overste, dat Paulus door hen zou worden verscheurd, en hij liet
de soldaten komen om hem uit hun midden weg te halen en naar de
kazerne te brengen." (Handelingen 23:10) In Johannes 6:15 heet
het "met geweld meevoeren".
In het oude Grieks heeft het woord
harpazoo meerdere betekenissen: losrukken, wegrukken, snel grijpen,
meevoeren, roven. Maar ook: plunderen, ontlenen; uitvoeren,
handelen. In de Bijbel wordt het gebruikt zoals de eerste
betekenissen aangeven, als losrukken, wegrukken, snel grijpen,
meevoeren, roven. Het woord is verwant aan een harpax, dat is een
rover. Wij zagen, dat het met name ook als roven door de Here Jezus
gebruikt werd in Mattheus 12:29; 13:19 en Johannes 10:12,28. Als je
het woord met een negatieve klank gebruikt gaat het over roven. Als
het in positieve zin gebruikt wordt, gaat het over snel (en
eventueel met kracht) iets wegnemen, waardoor iets (of iemand) van
de ene plaats naar een andere plaats gebracht wordt.
Het wordt in Handelingen 8:39
gebruikt voor Filippus, die plotseling "verdwenen" is.
"En toen zij uit het water gekomen waren, nam de Geest des
Heren Filippus weg en de kamerling zag hem niet meer, want hij ging
zijn weg met blijdschap. Maar Filippus bleek te Asdod te
zijn..." (Handelingen 8:39,40a) De Bijbel geeft hier een kort
verslag van een opmerkelijk feit: Filippus is ineens verdwenen.
Terwijl hij op het ene moment nog bij de kamerling was, was hij een
moment daarna ineens in Asdod. Hij was niet naar Asdod gereisd. De
Geest des Heren had Filippus opgenomen en hem een moment later
verplaatst naar Asdod. Het lijkt op de geschiedenis van Henoch, die
met God wandelde en ineens niet meer op aarde was (Genesis 5:24).
Zonder eerst te hoeven sterven had God hem meegenomen naar de
heerlijkheid. Het lijkt op de geschiedenis van Elia, die het ene
moment nog afscheid nam van Elisa en een ogenblik later - zonder
eerst te sterven - in de heerlijkheid werd opgenomen (2 Koningen
2:1-12).
De apostel Paulus gebruikt dit
woord (harpazoo) ook als hij een heel opmerkelijke geschiedenis
vertelt. "Ik weet van een mens in Christus, veertien jaar is
het geleden (of het in het lichaam was, weet ik niet, of dat het
buiten het lichaam was, weet ik niet, God weet het) dat die persoon
weggevoerd werd tot in de derde hemel. En ik weet van die persoon
(of het in het lichaam of buiten het lichaam was, weet ik niet, God
weet het) dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en
onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet
geoorloofd is uit te spreken." (2 Corinthe 12:2-4) Niemand
heeft dit zien gebeuren. Toch is het geschied.
Wij komen het ook tegen in het boek
Openbaring: "En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat
alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd
plotseling weggevoerd naar God en Zijn troon." (Openbaring
12:5) Zoals wij al eerder zagen, dat het wegvoeren omhoog was, zo is
dit ook hier het geval. Het is een wegvoeren naar God, naar de
hemel.
Dit is het woord, dat wij in 1
Thessalonicenzen 4:17 hebben: "Daarna zullen wij, levenden, die
achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd
worden, de Here tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de
Here wezen." Het woord dat in deze tekst als
"wegvoeren" vertaald is, kennen wij dus uit andere teksten
ook als "roven, wegvoeren, weghalen, met geweld
meevoeren". Ook hier in het gedeelte over de wederkomst van de
Here Jezus, gaat het over het feit, dat de Gemeente van de Here
Jezus op een bepaalde dag weggevoerd zal worden naar de hemel. Zoals
een dief komt om iets snel en voor het oog onzichtbaar weg te nemen,
te roven, zo zal de Here Jezus ook als een dief in de nacht komen om
Zijn Gemeente onzichtbaar voor de andere mensen op aarde weg te
voeren naar de hemel.
De eerste christenen, die de
boodschap van Jezus' wederkomst van de Heer Zelf gehoord hadden of
van Zijn directe discipelen en die gehoord hadden wat er met Henoch,
Elia en Filippus gebeurd was, putten kracht uit de hoop, dat zij
zelf misschien nog wel de wederkomst van de Here Jezus zouden
meemaken. Zij hoopten, dat Hij nog tijdens hun leven zou terugkeren
om ook hen weg te nemen van de aarde en op te nemen in de hemelse
heerlijkheid. Dat verlangen bracht de apostel Paulus onder woorden,
toen hij aan Titus schreef: "Want de genade Gods is verschenen,
heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de
goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd,
rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de
zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God
en Heiland, Christus Jezus." (Titus 2:11-13)
Kan het nog wel heel lang
duren?
Als christenen zeggen, dat bij God duizend jaar is als één dag en
dat het dus nog heel lang kan duren voordat de Here Jezus terugkomt,
betekent dit, dat zij niet leven in en uit de verwachting dat de
Here Jezus zal komen. Zeker niet met de gedachte en de hoop, dat Hij
spoedig zal komen.
Een aantal theologen meent, dat wat
Paulus in 1 Thessalonicenzen 4:13-18 schrijft, een woord van troost
is voor de gelovigen, maar geen uitleg over wat in de toekomst met
de Gemeente zal gebeuren. Zij menen, dat Paulus gebruik maakt van de
"antieke joodse toekomstverwachting". Deze "antieke
joodse toekomstverwachting" wordt door de moderne theoloog als
een fantasie bezien. In de ogen van dergelijke theologen, houden de
Joden en hun rabbijnen zich bezig met gefantaseerde verhalen, die
niets met de werkelijkheid te maken hebben. Paulus heeft zich dan
niet voldoende losgemaakt van de fabels uit het jodendom. Wie er zo
over denkt, kan dus ook niet geloven, dat alles wat Paulus schreef,
geïnspireerd was door de Heilige Geest. Paulus heeft dan een beetje
joodse folkore voor ons opgeschreven. Zo schrijft Prof. Dr. M.H.
Bolkestein in De Prediking van het Nieuwe Testament bij 1
Thessalonicenzen 4:15 "Wij spreken hier van de noodzaak van
ontmythologisering van dit voorstellingsmateriaal."
Een oude waarheid!
Soms wordt gezegd, dat de boodschap van de opname van de
Gemeente een theorie is, die ontwikkeld is naar aanleiding van een
profetie van een zekere Margaret MacDonald, een meisje uit de
opwekkingstijd in Schotland. De werkelijkheid is, dat bekend is, dat
ook de oude kerkvaders als Irenaeus (130-202), Tertullianus
(160-240) en zelfs in een latere tijd Cyrillus van Alexandrië
(400-440) overtuigd waren van de boodschap van de opname van de
Gemeente.
De hier genoemde Irenaeus was
bisschop van Ephese. Hij was een leerling van de apostel Johannes.
Hij heeft zijn Bijbelse kennis dus niet van een onbekende
meegekregen. Hij schreef, dat "...in het eind plotseling de
Kerk wordt opgenomen en dat er dan een verdrukking zal zijn, zoals
er nooit is geweest noch zal zijn..." (adv. Haer., V.29,1)
Irenaeus was overtuigd, hij heeft het ook opgeschreven, dat de
opname van de Kerk vóór de grote verdrukking zou zijn!
Tertullianus leefde in Noord
Afrika. Hij schreef: "Want wij zullen opgenomen worden in de
wolken, de Heer tegemoet (wanneer de Zoon des mensen op de wolken
komt, volgens Daniël) en zo zullen wij altijd met de Heer
zijn." (Adv. Marcionem, III,24,11) Cyrillus leefde, zoals de
toevoeging achter zijn naam zegt, in Alexandrië. Hij citeert de
Here Jezus, die gezegd heeft: "... zal Ik wederkomen in de tijd
van wedergeboorte en Ik zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn
moogt waar Ik ben. Daarvan wist ook Paulus, en hij zegt dat in zijn
brief als volgt..." Vervolgens citeert hij 1 Thessalonicenzen
4:13-18. (In. S. Loannem, 765A). Nu valt iets heel bijzonders op.
Cyrillus legt uit wat de woorden van de Here Jezus, zoals wij die
lezen in Johannes 14:1-3 betekenen. Zij spreken niet over de
gelovigen die na hun sterven in de hemel worden opgenomen. In
Johannes 14:1-3 heeft de Here Jezus het over de opname van de
Gemeente. Hiermee maakt Cyrillus duidelijk, dat het Bijbels
fundament voor de leer van de opname der Gemeente niet ligt bij een
twijfelachtige uitleg van de woorden van Paulus (1 Thessalonicenzen
4:13-18) en dat ook Paulus niet de bedenker is van de leer van de
opname der Gemeente, maar dat het fundament hiervan bij de Here
Jezus Zelf ligt! Zo maakt hij duidelijk, wat Paulus zelf ook in 1
Thessalonicenzen 4:15 zegt, dat wat hij over de opname van de
Gemeente schrijft, hij van de Heer Zelf ontvangen heeft. En dat moet
toch het eind van alle tegenspraak zijn!
Helaas...
De Gemeente van de Here Jezus is begonnen als een bijzondere
beweging binnen het jodendom. Het boek Handelingen der Apostelen
zegt zelfs, dat de christenen een "sekte" binnen het
jodendom vormden (Handelingen 24:5,14 en 28:22). De eerste
christenen leefden onder de leiding van de Heilige Geest als trouwe
joodse gelovigen (vgl. Handelingen 21:20,24; 22:3,12; 24:14; 25:8).
Het woord "sekte" heeft niet de negatieve klank zoals deze
bij ons heeft. Het wil gewoon zeggen, dat de christenen een speciale
groep binnen de joodse gemeenschap waren.
Helaas is er een moment gekomen,
dat de kerk zich losmaakte van het jodendom en een eigen weg ging
bewandelen. Ja, de kerk werd zelfs antisemitisch. De kerk zag
zichzelf als het nieuwe Israël en verguisde de Joden als zogenaamde
"Godsmoordenaars". De boodschap van de Bijbel werd steeds
minder letterlijk genomen. De hele leer van de toekomst werd kort
samengevat in een geloofsbelijdenis, dat de Heer zou komen "om
te oordelen de levenden en de doden". De kerk had geen
toekomstverwachting meer. Geen hoopvol uitzicht, geen kennis van de
opname der gemeente, geen verlangen naar de opname, maar slechts een
angstdroom: het oordeel. In het jodendom hadden de christenen samen
met de andere Joden uitzicht op een hoopvolle en glorierijke
toekomst gehad. Nu was dit alles verdwenen. Er was bijna geen hoop
meer en haast geen uitzicht. De gedachte aan de wederkomst van de
Heer werd als een bange angstdroom, haast een nachtmerrie. Hij zou
komen om te oordelen. De kerk was onderweg naar het oordeel. De
christenen hadden maar één toekomst: het oordeel! Angstaanjagend!
De houding die vanaf die tijd bij
veel christenen gevonden werd, een houding vaak van
onverschilligheid en lauwheid ten aanzien van de wederkomst van de
Heer, was in strijd met de duidelijke opdracht, zoals deze door de
apostel Petrus was verwoord: "En wij achten het profetische
woord daarom des te vaster, en gij doet wel er acht op te geven als
op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag
aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Dit moet gij vooral
weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging
toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een
mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van
Godswege gesproken." (2 Petrus 1:19-21)
De kerk verwachtte de Here Jezus
niet meer. Ja, de eerste christenen deden dat wel. De apostel Paulus
getuigt ervan: "En gij zijt navolgers geworden van ons en van
de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap
des Heiligen Geestes aangenomen, zodat gij een voorbeeld geworden
zijt voor alle gelovigen in Macedonie en in Achaje. Want uit uw
midden heeft het woord des Heren weerklonken niet alleen in
Macedonie en Achaje, maar allerwegen is uw geloof, dat zich op God
richt, bekend geworden, zodat wij daarvan niets behoeven te zeggen.
Want zelf verhalen zij van ons, hoe wij bij u ontvangen zijn en hoe
gij u van de afgoden tot God bekeerd hebt, om de levende en
waarachtige God te dienen, en uit de hemelen zijn Zoon te
verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons
verlost van de komende toorn." (1 Thessalonicenzen 1:6-10)
Heel duidelijk laat de apostel
Paulus in zijn brief aan de Philippenzen merken, dat het geloof in
en de verwachting van de komst van de Here Jezus een onlosmakelijk
onderdeel is van ons geloof. Hij schrijft: "Want wij zijn
burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus
Christus als Verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam
veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig
wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan
onderwerpen." (Philippenzen 3:20,21) Hier en in de andere
Schriftplaatsen wordt ons meegedeeld, dat de Gemeente van Jezus
Christus een bijzondere toekomstverwachting heeft. Als Jezus voor
Zijn Gemeente komt, zullen alle echte christenen die dan leven,
nooit meer hoeven sterven. Ze zullen in een ogenblik veranderd
worden, zodat zij geschikt zijn om de hemelse heerlijkheid binnen te
gaan. De reeds gestorven gelovigen zullen uit de dood opstaan en ook
veranderd, dat is verheerlijkt worden. Tezamen zullen al deze
gelovigen door de Here Jezus meegenomen worden naar de hemel. Dat is
het geloof in de toekomst van de Gemeente van de Heer. En onze hoop
is, dat de Here Jezus nog tijdens ons leven zal komen, zodat ook wij
niet hoeven sterven, doch zomaar ineens door onze Heiland meegenomen
zullen worden naar het Vaderhuis met zijn vele woningen!
En toch geloven velen het
niet!
Ook Luther had moeite met wat Paulus schreef en meende, dat Paulus
allegoriën (een soort beeldspraak) gebruikt had. Het zijn dan leuke
verhalen, maar je moet er doorheen kijken om te zien, wat er echt
bedoeld wordt. Zoals het er nu staat, moet je het niet als echt,
waar en betrouwbaar aanvaarden, want het is beeldspraak, zo zeggen
deze mensen. Wij kunnen met deze manier van omgaan met de Bijbel
niet meegaan. Voor ons is de Bijbel het betrouwbare Woord van God.
Voor ons zijn de profetieën uit het Oude Testament ook letterlijk
en betrouwbaar. Voor ons zijn de rabbijnen geen dwazen, die er maar
wat op los fantaseren bij het profetisch Woord. Wij hebben de
literatuur van de rabbijnen leren zien als in hoge mate gefundeerd
op het Woord van God. Wij moeten ons als christenen niet hoogmoedig
boven de Joden verheffen. De Here Jezus Zelf leerde, dat het heil
uit de Joden was. Hij wees er ook op, dat de leer van de rabbijnen
waar en betrouwbaar was. Hij veroordeelde hun levenswijze, maar niet
hun leer. Zie Matheus 23:3.
In Openbaring 12:12 lezen wij:
"Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u nedergedaald
in grote grimmigheid; hij weet, dat hij weinig tijd heeft." Het
lijkt wel, of er nooit eerder een tijd op aarde geweest is, waarin
de gehele wereld meer betrokken was bij alle problemen, dan in onze
dagen. De gehele wereld bemoeit zich met zaken als Israël en de
Palestijnen en het uitbannen van het wereldwijde terrorisme.
De apostel Petrus vertelt ons, dat
in zijn tijd er al mensen waren, die meenden, dat de wederkomst van
de Here Jezus te lang op zich liet wachten. Hij schrijft: "Dit
vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met
spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en
zeggen: waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de
vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo, als het van het begin der
schepping af geweest is." (2 Petrus 3:3,4) Hoeveel te meer is
in one dagen de vraag naar Jezus' wederkomst actueel.
Toch is er al heel vaak gedacht,
dat Jezus' wederkomst zou aanbreken in een een bepaald jaar. In het
jaar 1000 stonden de mensen in witte kleden en met palmtakken in de
hand te zwaaien naar de hemel, omdat zij meenden, dat in dat jaar de
Here Jezus zou terugkeren. Luther verwachtte de wederkomst en meteen
ook het einde van de wereld in het jaar 1556. Luther had wat dat
betreft geen idee, dat er ooit nog eens een Messiaans vrederijk op
aarde zou komen. Luther had geen inzicht in het profetisch woord.
Anderen verwachtten de wederkomst in 1914-1918, 1975, 1981, 1982,
1984, 1988, 1992 en 2000. Zij allen vergisten zich.
De inleidende woorden van
de apostel Paulus;
Hij schrijft een woord van de Heer "Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft
hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere
mensen, die geen hoop hebben." (:13)
De inleidende woorden van de apostel
Paulus maken ons duidelijk, dat hij een bijzonder woord van troost
en bemoediging heeft voor de gelovigen, zoals ook blijkt uit de
slotwoorden van dit gedeelte (:18). Het gehele gedeelte gaat
duidelijk over de wederkomst van de Here Jezus.
In vers 15 maakt Paulus verder
duidelijk, dat wat hij nu gaat schrijven, geen zelfbedachte leer van
hem is, maar dat het hier gaat om een duidelijk woord van de Heer
Zelf. Waarom moet Paulus zo benadrukken, dat wat hij hier schrijft,
geen eigen bedenksel van hemzelf is, maar dat het het woord van de
Heer is? Het antwoord is eenvoudig: wat Paulus hier schrijft is zo
ongeloofwaardig en zo opmerkelijk, dat ieder die dit leest zal
denken, dat je het niet letterlijk moet verklaren. Veel theologen
menen nog steeds, dat wat Paulus hier schrijft, zo vreemd is, dat je
het niet letterlijk moet uitleggen. Paulus wil echter, dat, ook al
klinkt het nog zo ongeloofwaardig, wij zullen weten, dat het toch
echt een woord is, dat geïnspireerd is door de Heilige Geest.
Wat Paulus hier schrijft, gaat echt
gebeuren, ook al is het voor Joden en heidenen haast niet te
geloven. De Joden hadden ook nog nooit gehoord van wat Paulus hier
schrijft. Zij kenden wel de toekomst van het volk Israël, maar zij
kenden niet de toekomst van de Gemeente. Sterker gezegd: zij wisten
zelfs niet, dat er ooit een Gemeente zou komen die zou bestaan uit
gelovige Joden en heidenen.
Jezus kwam en zal opnieuw
komen
De Bijbel maakt ons duidelijk, dat wij na de eerste komst van de
Here Jezus moeten weten, dat Hij nogmaals zal komen. In het Oude
Testament was gesproken over het feit, dat de Messias zou komen om
te lijden en te sterven en daardoor Zijn volk te verlossen van hun
zonden, en dat Hij zou komen om Zijn volk te bevrijden van de
heidense vijandelijke overheersing en hen een rijk van vrede en
gerechtigheid zou brengen. In dit rijk zou de Messias als koning
heersen.
De rabbijnen zaten met het
probleem, hoe de Messias zowel zou kunnen lijden en sterven alsook
zou kunnen heersen. Zij wisten niet - en dat was in die tijd een
"geheimenis" (zoals wij zullen zien) - dat de Messias twee
keer zou komen. Zij namen aan, dat er twee Messiassen zouden komen;
de ene als Zoon van Jozef om te lijden en te sterven, de ander als
Zoon van David om als koning te regeren. Zij gingen ervan uit, dat
eerst de Zoon van Jozef zou komen om te lijden en te sterven en dat
daarna de Zoon van Jozef zou regeren.
Het Nieuwe Testament kwam daarna
met de onthulling van het geheimenis aangaande de Messias: er zouden
niet twee Messiassen komen, maar de ene Messias zou twee keer komen;
een keer om te lijden en te sterven en een keer om als Koning te
heersen. Dit feit - de twee komsten van de Here Jezus - is voor ons
als christenen heel vanzelfsprekend. Wij zullen ons bewust moeten
zijn, dat het voor de Joden een vreemde gedachte is, omdat vanuit
het Oude Testament dit niet duidelijk gemaakt wordt.
Problemen rond Jezus'
wederkomst
Als wij, als christenen, nu in het Nieuwe Testament lezen over de
wederkomst van de Here Jezus en als wij deze teksten vergelijken met
de gegevens uit het Oude Testament, zitten ook wij met een probleem.
De gegevens betreffende Jezus' wederkomst zijn ook niet op één
lijn te plaatsen. De Geloofsbelijdenis doet het dan wel voorkomen,
alsof wij alleen verwachten, dat Jezus wederkomt om de levenden en
de doden te oordelen, maar de Bijbel zegt er veel meer over.
In de Bijbel lezen wij feiten, die
tegenstellingen van elkaar lijken te zijn. Hoe is het mogelijk dat
Jezus als een dief in de nacht komt, dus onopgemerkt door de mensen
op aarde, terwijl er ook geschreven staat, dat aller oog Hem zal
zien. Het blijkt, dat er opnieuw iets bijzonders aan de hand is.
Terwijl de Messias eerst slechts één keer verwacht werd, bleek dat
Hij twee keer kwam, waarvan één keer nog toekomstig is. Nu blijkt,
dat als het gaat om Zijn wederkomst, Hij ook twee keer zal komen.
Anders gezegd: Zijn wederkomst is onderverdeeld in twee
"fasen". Het blijkt, dat bepaalde profetieën alleen bij
de eerste fase van Zijn komst en andere profetieën alleen bij de
tweede fase van Zijn wederkomst "passen".
De Bijbel spreekt over de
volgende feiten:
Jezus komt - als een dief in de nacht (dus ongemerkt om iets
belangrijks mee te nemen) - nog voordat de grote verdrukking
aanbreekt, om de Gemeente naar de hemel te brengen. Hier wordt het
beeld gebruikt van een dief. Een dief komt in het donkerste deel van
de nacht en hij komt iets halen dat waardevol is. Een dief komt
ongemerkt, zodat niemand hem ziet. Pas als hij vertrokken is, merkt
men, dat hij iets weggenomen heeft.
Zo zal de Here Jezus komen in het
donkerste deel van de wereldgeschiedenis en komt Hij om te halen wat
waardevol voor Hem is. Hij komt Zijn Gemeente halen. Niemand zal
iets van dit gebeuren merken. Pas als de wederkomst achter de rug
is, zullen de mensen op aarde merken, dat de ware gelovigen van de
aardbodem verdwenen zijn. Hierbij gaat het zowel om de gelovigen die
op dat moment leven, als om hen die op dat moment reeds gestorven
zijn.
Bij deze komst zal de Heer niet
helemaal naar de aarde komen, maar zal Hij ons tegemoet komen; Hij
komt dan vanuit de hemel ons tegemoet in de lucht. Je kunt ook
zeggen: de Gemeente gaat Hem tegemoet in de lucht. De Heer komt dus
niet helemaal naar de aarde. Daarna keert Hij terug naar de hemel en
neemt Hij Zijn Gemeente mee naar de hemel. Deze komst van de Heer
wordt beschreven in 1 Thessalonicenzen 4:13-18.
Deze komst in de lucht is het
eerste punt op het profetisch programma van de Here Jezus. Hoewel de
Bijbel ons vertelt, dat er heel veel in de toekomst zal gebeuren,
zowel zegeningen als rampen, gaat de komst van de Here Jezus in de
lucht aan al deze toekomstige gebeurtenissen vooraf. Waar wij als
gelovigen nu op wachten, is Jezus' komst in de lucht, om Zijn
Gemeente te brengen in het eeuwig Vaderhuis.
Hij komt - zichtbaar en openlijk,
zodat iedereen Hem zal zien - aan het eind van de grote verdrukking,
om Zijn volk, de Joden, uit grote nood te redden en om het
Messiaanse vrederijk op aarde te vestigen. Nu zal de Heer op aarde
verschijnen. Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg en allen
zullen Hem zien. Ook het joodse volk zal Hem zien en erkennen, dat
Hij de Messias was en is.
Terwijl de komst van de Here Jezus
in de lucht eigenlijk alleen van belang is voor de ware christenen,
zal de wederkomst van de Here Jezus op de Olijfberg van het grootste
belang zijn voor het volk Israël. De Here Jezus zal dan komen als
de Redder van Israël.
Vier gedachten springen in
1 Thessalonicenzen 4:13 naar voren:
Er is veel onkunde, maar de gelovigen moeten goed op de hoogte zijn
van wat het profetisch woord ons, gelovigen, christenen, belooft.
Het heeft ook te maken met de
overleden gelovigen.
Christenen moeten leven vanuit een
bepaalde hoop, die hen troost schenkt.
De "andere mensen", dat
zijn de ongelovigen, leven zonder deze hoop.
Het schrijven van de apostel Paulus
is in feite het beantwoorden van vragen van de gelovigen in
Thessalonica. Het blijkt, dat er belangrijke vragen waren. Toen
Paulus bij hen was in Thessalonica heeft hij hen het evangelie
verkondigd. Hij heeft toen gesproken over de dood en opstanding van
de Here Jezus, waarbij Hij de straf droeg van de zondaars. Zijn
sterven had als doel de mensen met God te verzoenen en hen te leiden
op de weg terug naar God. Daarbij heeft Paulus ongetwijfeld
uiteengezet, wat het praktische resultaat is als je je vertrouwen in
de Here Jezus stelt. Je hebt dan hoop en uitzicht voor de toekomst.
Jezus komt terug en er zal een bijzondere tijd aanbreken.
De aanleiding tot dit
schrijven
Nu hebben de gelovigen in Thessalonica belangrijke vragen over deze
wederkomst van de Here Jezus. Het is inmiddels al weer enige tijd
geleden sinds Paulus bij hen was on hen de boodschap van de Here
Jezus te prediken en hen erop te wijzen, dat Jezus terug komt. Zij
kijken nog steeds met grote vreugde uit naar de komst van de Heer.
Zij hebben echter een groot probleem. Inmiddels is er één gelovige
(of zijn er misschien wel enkele gelovigen) uit hun midden
overleden. Zij vragen zich af hoe het nu moet als Jezus wederkomt.
Deze gelovigen leven niet meer. Worden zij vergeten als Jezus
wederkomt? Is Jezus wederkomst alleen belangrijk voor de mensen die
leven op het moment van Zijn wederkomst en worden de overledenen
vergeten? Hebben zij - wat dat betreft - tevergeefs geloofd en
tevergeefs uitgekeken naar Jezus' wederkomst?
De boodschap is "een
geheimenis"
"Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet
ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar
ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de
doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd
worden." (1 Corinthe 15:50,51)
Het woord "geheimenis"
betekent niet, dat Paulus iets geheimzinnigs gaat meedelen. Het
betekent, dat Paulus een speciaal woord van de Heer gekregen heeft
en nu iets kan meedelen, wat in het verleden niet door God
geopenbaard was. Zo is er sprake van meer geheimenissen in de
Bijbel.
In de volgende teksten wordt ook
gesproken over een geheimenis. Duidelijk blijkt, dat het gaat over
iets dat voor andere mensen verborgen was of nog steeds is. De
andere mensen hebben geen idee waarover het gaat. Het opmerkelijke
is, dat in de officiële theologie weinig kennis is van de profetie
en al helemaal geen kennis van wat Paulus in 1 Thessalonicenzen
4:13-18 schrijft. De geheimen van het Koninkrijk Gods worden door
velen, ondanks hun grote kennis, niet verstaan.
Wij geven enkele voorbeelden van
"geheimenissen" uit de Bijbel. "En Hij zei tot hen: u
is gegeven het geheimenis van het Koninkrijk Gods, maar tot hen, die
buiten staan, komt alles in gelijkenissen..." (Marcus 4:11)
"Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u
niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding
is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen
binnengaat..." (Romeinen 11:25) "Hem nu, die bij machte is
u te versterken naar mijn evangelie en de prediking van Jezus
Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang
verzwegen..." (Romeinen 16:25) "Maar wat wij spreken, als
een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van
eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid." (1
Corinthe 2:7) "Dit geheimenis, dat de heidenen mede-erfgenamen
zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door
het evangelie..." (Ephese 3:6) "En in het licht te stellen
wat de bediening van het geheimenis inhoudt, dat van eeuwen her
verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle din-gen..."
(Ephese 3:9) "Het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang
verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn
heiligen." (Colossenzen 1:26)
Een geheimenis is niet iets dat
voor God verborgen of onbekend is. Het is iets dat God niet aan de
mensen bekend gemaakt had. Hij Zelf wist dat het zou komen, maar
wilde niet, dat de mensen het ook al zouden weten. Het mocht niet
eerder aan hen bekend gemaakt worden. Maar nu, na de komst van de
Here Jezus, zijn deze zaken niet langer geheimenissen en mogen zij
openlijk bekend worden.
Zo komen er zeven speciale
"geheimenissen" in het Nieuwe Testament voor. Het
geheimenis van het koninkrijk van God (Marcus 4:11). Het geheimenis
van een gedeeltelijke verharding over Israël (Romeinen 11:25). Het
geheimenis van de opname der gemeente (1 Corinthe 15:51). Het
geheimenis van Gods wil: heidenen zijn mede-erfgenamen met de Joden
(Ephese 1:9; 3:6). Het geheimenis der wetteloosheid (2
Thessalonicenzen 2:7). Het geheimenis des geloofs (1 Timotheus 3:9).
Het geheimenis der godsvrucht (1 Timotheus 3:16). Naast deze zeven
speciale geheimenissen komen er nog andere geheimenissen in het
Nieuwe Testament voor, zoals in Openbaring 1:20; 17:5,7 (het
geheimenis van de sterren, van het grote Babylon en van de vrouw).
Jezus' komst "in de
lucht"
"Want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een
aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de
hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst
opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met
hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet
in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Here wezen." (1
Thessalonicenzen 4:16,17)
De ontmoeting:
als van de
bruidegom met de bruiloftsgasten
De Bijbel gebruikt hier het beeld van de Bijbelse huwelijkssluiting.
Zo'n huwelijkssluiting bestond uit twee delen. Eerst werd de
afspraak gemaakt, dat een bepaalde jongen met een bepaald meisje zou
trouwen. Deze afspraak werd door de vader van de jongen samen met de
jongen gemaakt in het huis van het meisje. Hierbij schonk de jongen
een gift aan het meisje. Door dit geschenk te aanvaarden, werd zij
zijn bruid.
Dit doet ons denken aan Jezus'
eerste komst naar de aarde. Hij heeft ons in ons eigen
"huis" opgezocht en heeft ons uitgenodigd Zijn volgelingen
te willen zijn. Om ons te kunnen redden heeft Hij zelfs een zeer
hoge prijs betaald: Zijn eigen leven.
Nu brak er een periode aan van
ongeveer een jaar. De bruidegom maakte een woning gereed, waarin hij
met zijn aanstaande vrouw zou gaan wonen. De bruid maakte haar
bruidskleding gereed, evenals wat zij verder nodig had. Pas als de
bruidegom alles gereed had, kwam hij onverwacht terug. Het meisje
wist niet wanneer hij zou terugkomen en moest er daarom voor zorgen,
dat zij gereed was om met hem mee te gaan, wanneer hij ook kwam. Zij
kon dus nooit zeggen, dat zij alles nog niet gereed had. Zij moest
eerder gereed zijn, dan haar bruidegom kwam.
Dit doet ons denken aan de Bijbelse
oproep om ons leven te heiligen, zodat wij gereed zijn als Jezus
komt. Wij moeten een leven van levensheiliging hebben, zodat wij
gereed zijn, wanneer Hij komt. Zijn komst zal ons niet mogen
overvallen.
Op een bepaalde dag, na het vallen
van de duisternis, kwam ineens de bruidegom naar zijn bruid. Hij
kwam niet helemaal naar haar huis. Hij kwam naar het plein van de
stad en bleef daar op haar wachten. Zijn vriend ging al roepend door
de straten naar het huis van de bruid. Nu moest de bruid razendsnel
haar bruidsgewaad aantrekken en meegaan met de vriend van de
bruidegom naar de op het plein wachtende bruidegom. Daar verzamelden
alle feestgangers zich. In optocht gingen zij vervolgens naar het
huis van de bruidegom, waar de "huwelijksvoltrekking"
plaats vond.
Dit beeld wordt in de Bijbel
gebruikt als het gaat over Jezus' komst in de lucht om Zijn Gemeente
thuis te halen. Dit beeld vinden wij in Johannes 14:1v.v. en hier in
1 Thessalonicenzen 4.
De signalen rond Jezus'
wederkomst:
een teken, het roepen van een aartsengel en het blazen
op een bazuin
Een teken en het roepen van een aartsengel: Paulus schrijft, dat er
een teken gegeven zal worden bij Jezus' wederkomst. Het woord
"teken" betekent letterlijk: "een geroep, een bevel,
een signaal". Anders gezegd: er zal een commando klinken. Het
heeft te maken met het militaire commando, dat zegt: opstellen in
het gelid. Welk bevel en oproep kunnen hier bedoeld zijn?
Wij weten, dat het in dit gedeelte
gaat over de wederkomst van de Here Jezus om Zijn "bruid"
te brengen in het Vaderhuis, opdat de hemelse bruiloft kan beginnen.
Het boek Openbaring verwijst hiernaar. "Laten wij blijde zijn
en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams
is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt." (Openbaring
19:7)
In een gelijkenis heeft de Here
Jezus indertijd duidelijk gemaakt, dat er bij een bruiloft inderdaad
een oproep klinkt, voordat de bruiloftsgasten met de bruidegom
verzameld worden. "Dan zal het Koninkrijk der hemelen
vergeleken worden met tien maagden, die haar lampen namen en
uittrokken, de bruidegom tegemoet. En vijf van haar waren dwaas en
vijf waren wijs. Want de dwaze namen haar lampen mede, maar geen
olie; doch de wijze namen olie in haar kruiken, met haar lampen.
Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen
in. En midden in de nacht klonk een geroep: de bruidegom, zie, gaat
uit hem tegemoet! Toen stonden al die maagden op en brachten haar
lampen in orde. En de dwaze zeiden tot de wijze: geeft ons van uw
olie, want onze lampen gaan uit. Maar de wijze antwoordden en
zeiden: neen, er mocht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat
liever naar de verkopers en koopt voor uzelf. Doch terwijl ze
heengingen om te kopen, kwam de bruidegom, en die gereed waren,
gingen met hem de bruiloftszaal binnen, en de deur werd gesloten.
Later kwamen ook de andere maagden en zeiden: Heer, heer, doe ons
open! Maar hij antwoordde en zei: voorwaar, ik zeg u, ik ken u niet.
Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur." (Mattheus
25:1-13) De oproep die toen gedaan werd, was: "De bruidegom,
zie, gaat uit hem tegemoet!" Dat moet (ongeveer) dezelfde
oproep zijn als die zal klinken, als Jezus wederkomt: "De Heer
is gekomen, komt!"
Nu blijkt, dat "het
teken" hetzelfde moet zijn als het in onze tekst genoemde
"roepen" van de aartsengel. Het wil dus zeggen, dat het
teken voor de gelovigen zal zijn, dat de aartsengel zal roepen. Wij
gaan niet naar de hemel als een medegelovige of een gewone engel ons
oproept. Wij gaan als één van de hoogste engelen ons zal roepen.
Wij lezen meerdere keren in de Bijbel dat aartsengelen een
bijzondere taak hadden. Zie Daniël 10:33; 12:1; Judas :9. Nu zal
een aartsengel wel een heel bijzondere taak hebben. Als
"ceremoniemeester" van de Here Jezus zal hij de Gemeente
op aarde oproepen, om de Heer tegemoet te komen.
Eigenlijk hebben wij nu twee
beelden in de Bijbel: 1. De Heer komt om Zijn Gemeente, die als een
bruid is, op te halen. 2. De Heer laat Zijn Gemeente, als
bruiloftsgasten oproepen, zich gereed te maken om de bruiloftszaal
binnen te gaan.
Het blazen op een bazuin: in onze
vertaling heet het, dat er op een "bazuin Gods" geblazen
zal worden. In het Oude Testament staan de woorden in andere
volgorde. Daar is het niet een bazuin Gods, maar God Zelf die op een
bazuin zal blazen. Onder deze "bazuin" dient niet een
trompet of iets dergelijks verstaan te worden, maar een sjofar, een
ramshoorn, het heilige instrument sinds Abraham op Moria was.
In 1 Corinthe 15:50,51 schrijft
Paulus, dat dit de "laatste" bazuin zal zijn. Bij
"laatste" moeten wij niet denken aan de bazuinen uit het
boek Openbaring, waar gesproken wordt over 7 bazuinen waarop na
elkaar geblazen zal worden, waarna de oordelen over de aarde komen.
De bazuinen in Openbaring zijn bazuinen die het oordeel aankondigen,
terwijl deze bazuin juist de bevrijding van Gods kinderen
aankondigt. Ook was in de tijd dat Paulus dit alles schreef de
openbaring aangaande de zeven bazuinen nog niet gegeven, zodat
Paulus niet wist, dat er zeven oordeelsbazuinen zouden zijn. Hij kon
dus onmogelijk naar deze bazuinen uit het boek Openbaring verwijzen.
Wij moeten hier ook niet denken aan
de 3 bazuinen of trompetsignalen die in het Romeinse leger klonken.
Want daar waren het werkelijk trompetten, terwijl Paulus het niet
heeft over een trompet, maar net als in het Oude Testament, over de
sjofar. In het Romeinse leger werd eerst het signaal gegeven aan het
leger om aan te treden. De eerste bazuin was het teken van
"mobilisatie", "aantreden". De tweede bazuin
riep op om zich in slagorde op te stellen, zodat zij gereed waren om
aan te vallen. De derde bazuin was het signaal om de strijd te
beginnen en om aan te vallen. Hoewel deze derde bazuin van het
Romeinse leger toepasselijk lijkt, is zij dat niet. De Gemeente is
niet te vergelijken met een heidens Romeins leger. Wij trekken ook
niet ten strijde en stellen ons niet in slagorde op om naar de hemel
te reizen. En wij wachten niet op het klinken van de een of andere
trompet, maar wij verwachten het blazen op de sjofar door God Zelf.
De Bijbel roept ons niet op om de
komst van de antichrist te verwachten of om uit te kijken naar de
grote verdrukking. Nee, de Bijbel roept ons niet op om naar iets
afschrikwekkends uit te kijken. De Bijbel roept ons op om naar de
hoopvolle en glorieuze toekomst van de Here Jezus uit te kijken en
Zijn heerlijke komst te verwachten.
|