Online studies lezen
Een psalm van Asaf
Psalm 73
14 september 2003
1 Een psalm van Asaf. Waarlijk,
God is goed voor Israël, voor hen die rein van hart zijn.
2 Maar mij aangaande, bijkans waren mijn voeten afgeweken, bijna
waren mijn schreden uitgegleden. 3 Want ik was afgunstig op de
hoogmoedigen, toen ik de voorspoed der goddelozen zag.
4 Want moeiten hebben zij niet, gaaf en welgedaan is hun lichaam;
5 in de kwelling der stervelingen delen zij niet, en met andere
mensen worden zij niet geplaagd.
6 Daarom is de trots hun een halssieraad, het geweld omhult hen als
een kleed;
7 hun ogen puilen uit van vet, de inbeeldingen van hun hart lopen
over;
8 zij spotten, en boosaardig spreken zij van verdrukking, zij
spreken uit de hoogte;
9 ze zetten een mond op tegen de hemel, en hun tong roert zich op de
aarde.
10 Daarom wendt zijn volk zich hierheen, en als water in overvloed
wordt het door hen geslorpt;
11 zij zeggen: hoe zou God het weten; zou er ook wetenschap zijn bij
de Allerhoogste?
12 Zie, zo zijn de goddelozen, altijd onbezorgd vermeerderen zij het
bezit.
13 Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein gehouden, mijn handen in
onschuld gewassen.
14 De ganse dag word ik geplaagd, mijn bestraffing is er elke
morgen.
15 Indien ik gezegd had: ik zal aldus spreken, zie, dan ware ik
afvallig geweest van het geslacht uwer kinderen.
16 Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in mijn
ogen,
17 totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde lette.
18 Waarlijk, Gij stelt hen op glibberige plaatsen, Gij doet hen
instorten tot puin.
19 Hoe worden zij in een oogwenk tot een voorwerp van ontzetting,
zijn zij verdwenen, vergaan door verschrikkingen;
20 gelijk een droom na het ontwaken, o Here, versmaadt Gij, als Gij
opwaakt, hun beeld.
21 Toen mijn hart verbitterd was, en ik in mijn nieren geprikkeld
werd,
22 toen was ik een grote dwaas en zonder verstand, ik was een
redeloos dier bij U.
23 Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn rechterhand
gevat;
24 Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid
opnemen.
25 Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U begeer ik niets op
aarde;
26 al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en
mijn erfdeel is God voor eeuwig.
27 Want zie, wie verre van U zijn, gaan te gronde, Gij verdelgt al
wie overspelig U verlaat,
28 maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te zijn, de Here
HERE heb ik tot mijn toevlucht gesteld, en ik wil al uw werken
vertellen.
Bij Psalm 1 zagen wij, dat het
Psalmen boek verdeeld is in vijf bundels, die corresponderen met de
vijf boeken van Mozes (Genesis t/m Deuteronomium). Dit is de eerste
Psalm van de derde bundel. Nu wijzen wij erop, dat volgens de
telling van de rabbijnen er 10 mensen/groepen gezien mogen worden
als schrijvers van de Psalmen. Over de eerste vijf zijn alle
rabbijnse geleerden het eens. Het waren Adam, Abraham, Mozes,
Melchizedek en David. Over de tweede groep van vijf verschillen de
meningen. Volgens Rav waren het Asaf, Heman, Jedutun, de drie zonen
van Korach en Ezra. (Rabbi Jochanan meent dat het de volgenden
waren: Asaf, Heman, Jedutun en de drie zonen van Korach. Hij telt
Ezra dus niet mee.)
Daarnaast blijkt, dat er 12 Psalmen
van Asaf in de Bijbel staan: Psalm 50 en de Psalmen 73-83. Het
aantal is dus gelijk aan het aantal zonen van Jacob.
De dichter: Asaf
Er zijn vier mensen in de Bijbel met de naam Asaf. Er was een
poortwachter met de naam Asaf (1 Kronieken 26:1). Waarschijnlijk was
de echte naam van deze Asaf: Ebiasaf (1 Kronieken 9:19). Er was een
Asaf, wiens zoon Joah kanselier van koning Hizkia was (2 Koningen
18:18,37; Jesaja 36:3). Er was een Asaf die houtvester was van
koning Artaxerxes I, de koning van Perzië (Nehemia 2:8). En er was
een Asaf, die behoorde bij de familie die de speciale musici van de
tempel vormden. Deze Asaf was via Gershom en Korach een directe
nakomeling van Levi (1 Kronieken 6:39-43). Asaf was een van de zonen
van Korach. Eigenlijk hoorde hij dus ook bij "de
Korachieten". Zijn naam wordt apart genoemd, omdat hij
zelfstandig een aantal Psalm gedicht heeft.
Asaf was een van degenen, die de
muzikale leiding hadden toen de ark naar Jeruzalem gebracht werd. (1
Kronieken 15:17-19) David stelde Asaf en zijn broers aan als leiders
van de Levitische zangers en musici, die het muzikale gedeelte
verzorgden in de dankdienst. "En hij stelde voor de ark des
HEREN dienaren aan uit de Levieten: om de HERE, de God van Israël,
te roemen, te loven en te prijzen. Asaf was het hoofd; op hem volgde
Zekarja; voorts Jeiel, Semiramot, Jechiel, Mattitja, Eliab, Benaja,
Obed-edom en Jeiel met muziekinstrumenten: harpen en citers: terwijl
Asaf op cimbalen, en de priesters Benaja en Jachaziel op trompetten,
voortdurend speelden voor de ark van het verbond Gods. Toen, op die
dag, droeg David voor de eerste maal Asaf en zijn broeders op, de
HERE te loven." (1 Kronieken 16:4-7) "Toen liet hij daar,
voor de ark van het verbond des HEREN, blijven Asaf en zijn broeders
om bestendig dienst te doen voor de ark, zoals het voor elke dag was
voorgeschreven." (1 Kronieken 16:37) De Bijbel maakt duidelijk,
dat bij Asaf een begin gemaakt is met de zang en muziek in de
tempeldienst: "Want in de dagen van David en Asaf, in de tijd
van weleer, ligt de oorsprong van de zangers, van het loflied en de
lofzangen aan God." (Nehemia 12:46)
Asaf en zijn zonen worden in de
Bijbel gerekend onder de profeten. " Voorts zonderden David en
de legeroversten tot de dienst af de zonen van Asaf, Heman en
Jedutun, die profeteerden bij het spel van citers, harpen en
cimbalen. De lijst der mannen die dit dienstwerk verrichtten, was de
volgende. De zonen van Asaf: Zakkur, Jozef, Netanja, Asarela, zonen
van Asaf, onder leiding van Asaf, die profeteerde, daartoe door de
koning aangewezen. Jedutun: de zonen van Jedutun: Gedalja, Seri,
Jesaja, Chasabja en Mattitja, zes, onder leiding van hun vader
Jedutun, die bij het spel van de citer profeteerde onder het loven
en prijzen van de HERE. Heman: de zonen van Heman: Bukkiahu,
Mattanja, Uzziel, Sebuel, Jerimot, Chananja, Chanani, Eliata,
Giddalti, Romamti-ezer, Josbekasa, Malloti, Hotir en Machaziot. Deze
allen waren zonen van Heman, de ziener des konings, die de woorden
Gods vertolkte, om de hoorn te verhogen; God had Heman veertien
zonen en drie dochters gegeven. Die allen namen, onder leiding van
hun vader, deel aan het gezang in het huis des HEREN met cimbalen,
harpen en citers, bij de dienst in het huis Gods, op aanwijzing van
de koning; Asaf, Jedutun en Heman; en hun aantal bedroeg, met
inbegrip van hun broeders die onderricht waren in de zang voor de
HERE, allen die volleerd waren: tweehonderd achtentachtig." (1
Kronieken 25:1:1-7. Vgl. 2 Kronieken 29:30). De zonen namen ook deel
aan het maken van muziek voor de tempeldienst. Zie ook 2 Kronieken
20:14-23.
Opmerkelijk is, dat na de
Babylonische ballingschap alleen zangers uit de familie van Asaf
naar Israël terugkeerden (Ezra 2:41; Nehemia 7:44).
Alle Psalmen van Asaf dragen een
onderwijzend karakter.
Asaf en het probleem van
het lijden
In Psalm 73 ontmoeten wij een ontmoedigde Asaf, die teleurgesteld en
verdrietig is als hij ziet hoe welvarend het leven van de goddelozen
kan zijn, terwijl hij ook ziet hoe vermoeiend en uitputtend het
leven van de rechtvaardigen kan zijn. Wat dat betreft, hebben wij
hier een zelfde probleem als in het boek Job. Ook de profeet Jeremia
worstelt met deze vraag. "Het recht hebt Gij aan uw zijde,
HERE, als ik met U zou twisten; toch wil ik over rechtszaken met U
spreken: waarom is de weg der goddelozen voorspoedig, en zijn zonder
zorg allen die zich trouweloos gedragen? Gij hebt hen geplant, ook
hebben zij wortel geschoten; zij wassen, ook zetten zij vrucht.
Nabij zijt Gij in hun mond, maar ver van hun binnenste."
(Jeremia 12:1,2)
Daarop gaat Asaf naar het
heiligdom, waar hij nieuwe kracht en moed ontvangt. Ook ontdekt hij,
dat al deze dingen geen probleem meer voor je zijn, zodra je in het
heiligdom bij God komt en de betrekkelijkheid van hun zo mooi
lijkende leven ziet (:18-20). In vers 17 zegt Asaf ook, dat hij op
"hun einde" lette.
Terwijl christenen zich weleens
afvragen, hoe ongelovigen toch kunnen sterven, heeft Asaf het al
lang ontdekt: deze mensen hebben geen moeilijk sterfbed. Hij zegt,
dat deze mensen geen pijnlijk sterfbed hebben en geen doodsangst
kennen. Hoewel dat in onze vertaling niet uitkomt in vers 4, zegt de
Staten Vertaling dit ook: "Want er zijn geen banden tot hun
dood toe, en hun kracht is fris." Luther vertaalt dit vers als
volgt: "Want zij verkeren niet in doodsgevaar, maar staan vast
als een paleis." Zij kennen geen angst voor het sterven en het
moeten verschijnen voor God.
De Midrash zegt, dat God hetzelfde
doet bij de ongelovigen als wat een dokter zegt bij een stervende:
"Hij mag alles eten en drinken. Geef hem maar wat hij wil, hij
zal niet lang meer leven. Zijn sterven nadert." Zo laat God de
ongelovigen nog een kort ogenblik van het leven genieten voor zij
sterven. Daarna komt echter het eeuwig oordeel van God over hun
leven. Een eeuwige veroordeling! "Want zie, wie verre van U
zijn, gaan te gronde, Gij verdelgt al wie overspelig U
verlaat." (:27)
Hoe fijn het ook is om een goede
gezondheid te hebben, om een vredig leven te hebben en veel geld,
het zijn geen blijvende zaken. Het enige dat eeuwig blijft is de
verbondenheid van een gelovige met God. Daarom kan Asaf in vers 1
zeggen, dat God goed is voor Israël. Zoals Gods verbondenheid met
het Joodse volk een eeuwige verbondenheid is, zo geldt dit ook de
christen. Ja ook voor de christen geldt, dat alleen hij, die door
het bloed van de Here Jezus in zijn hart gereinigd is, nu mag weten,
dat God goed is voor hem.
David zegt in een van zijn Psalmen
iets bijzonders in verband met de goedheid van God. Hij schrijft:
"Smaakt en ziet, dat de HERE goed is; welzalig de man die bij
Hem schuilt." (Psalm 34:9) Je kunt de goedheid van God proeven.
Er zit smaak in de goedheid van God. Je kunt ervan genieten. Een
rabbijnse gedachte bij dit vers is, dat het voldoende geweest zou
zijn als God ons slechts één vruchtboom gegeven zou hebben. Hij
heeft ons echter veel verschillende soorten vruchten en
groentesoorten enz. gegeven. Er valt zoveel te eten en te proeven en
bij alles wat je proeft, mag je weleens denken aan de goedheid van
God. Maar er is meer. Wij proeven de goedheid van God ook als wij de
Bijbel als voedsel voor ons hart tot ons nemen. Er zit zoveel smaak
in de Bijbel. Heerlijk is het om van Gods Woord te genieten!
Asaf in het heiligdom
"Ik tobde erover om dit te begrijpen, een kwelling was het in
mijn ogen, totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde
lette." (:16,17)
Asaf zegt, dat zijn ogen geestelijk
opengingen, toen hij de heiligdommen van God binnenging. Het woord
"heiligdom" staat in het meervoud. Asaf zal in de eerste
plaats de tempel in Jeruzalem bedoeld hebben, waar hij voor God
mocht werken. Het feit dat in het meervoud gesproken wordt, is dan
een beeld van de heiligheid van de gebouwen waarvan de tempel deel
uit maakte (rabbi Dr. A. Cohen). Hij zal waarschijnlijk ook de
synagogen en gebedshuizen in het land bedoeld hebben. De plaatsen
waar de gelovigen samenkwamen, daar was God en daar sprak God tot
zijn hart. Wij kunnen hieruit een belangrijke les leren. Ook wij
kunnen vragen en problemen hebben. Wij moeten daarom komen op de
plaats waar de gemeente samenkomt. Daar bestuderen wij het Woord van
God. Daar worden onze vragen beantwoord. Daar worden problemen
opgelost.
In het heiligdom wordt Asaf
bevestigd en versterkt. Hier ontdekt hij opnieuw, dat God zijn
rechterhand vast houdt (:23). Hier ontdekt hij Gods helpende liefde.
Hier ontdekt hij dat God voor hem zorgt en hoe God voor hem zorgt.
Hier ontdekt hij de heerlijkheid
van God (:24). Zoals wij eens in de hemelse heerlijkheid de glorie
van God zullen binnengaan, zo leren wij in de bijeenkomsten van de
gelovigen de heerlijkheid van God steeds meer en beter verstaan.
Hier verstomt de kritiek op God en
ook op andere gelovigen. Hier zien wij, dat God de rots van ons hart
is (:26). Op God kun je staan en leunen. Op God kun je bouwen. God
is betrouwbaar en standvastig als een massieve rots.
De Bijbel zegt enkele
bijzonderheden in verband met het binnengaan van Gods huis. Hier mag
je "wonen", hier mag je je thuis voelen (Psalm 84:4). Hier
is een plaats voor bedroefden (Jesaja 37:1). Hier mag je luisteren
naar God Die tot je spreekt (Micha 4:2).
Asaf eindigt zijn lied met een
jubelkreet: "Het is goed om (dicht) bij God te zijn."
(:28) Asaf heeft steeds in contact met God geleefd. Nu hij in het
heiligdom is, bevestigt hij nog eens, hoe goed het is om zo dicht
bij God te zijn. Asaf is zich bewust, dat de ongelovigen zowel nu
als in het hiernamaals ver van God zijn, maar dat de gelovigen zowel
nu als in het hiernamaals dichtbij God zijn.
Wie dicht bij God (geweest) is, wil
net als Asaf daarna van God spreken en anderen over Hem vertellen
(:28). Er is een speciale rabbijnse gedachte, die naar aanleiding
van dit vers zegt, dat als wij eenmaal het hemels heiligdom van God
zullen binnengaan, wij pas echt antwoord op al onze vragen zullen
krijgen. Daar zijn de problemen opgelost. Daar zijn de vragen
beantwoord.
David heeft ook eens gezegd:
"Laat mij in Uw tent voor altoos vertoeven, laat mij schuilen,
geborgen onder Uw vleugelen." (Psalm 61:5) David wilde altijd
in Gods huis zijn. Hij vroeg God om er altijd te mogen blijven. Op
een heel bijzondere wijze is deze vraag beantwoord.
"David" is tot op de dag van vandaag gebleven in de
heiligdommen van God. Overal in de wereld, in synagogen en kerken,
is David - in de vorm van zijn liederen - nog steeds aanwezig. Hij
is er met zijn geschreven Psalmen in de Bijbel en hij is aanwezig
met zijn Psalmen die op muziek gezet zijn en gezongen worden. God
heeft op een heel bijzondere wijze zijn gebed verhoord!
"Het hart" in
deze Psalm
De voorwaarde om contact met God te kunnen hebben: "God is goed
voor Israël, voor hen die rein van hart zijn." (:1) Het hart
van de ongelovigen: "Daarom is de trots hun een halssieraad,
het geweld omhult hen als een kleed; hun ogen puilen uit van vet, de
inbeeldingen van hun hart lopen over." (:6,7) De ontmoediging
in het hart van Asaf: "Maar tevergeefs heb ik mijn hart rein
gehouden, mijn handen in onschuld gewassen." (:13) De realiteit
onder ogen zien: "Toen mijn hart verbitterd was, en ik in mijn
nieren geprikkeld werd, toen was ik een grote dwaas en zonder
verstand, ik was een redeloos dier bij U." (:21,22) Twee keer
"hart" in een duidelijke geloofsuitspraak: "Al zou
mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten rots en mijn erfdeel
is God voor eeuwig." (:26)
Er is nog iets opmerkelijks: de
Psalm begint met Gods goedheid voor de gelovige en eindigt met het
feit, dat het voor de gelovige goed is om in de nabijheid van God te
zijn (vers 1 en 28).
De zegen van de gelovige
"Nochtans zal ik bestendig bij U zijn, Gij hebt mijn
rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij
in heerlijkheid opnemen." (:23,24)
Asaf is zich in het heiligdom van
God bewust geworden, dat hij een heel bijzondere zegen heeft: hij is
altijd dicht bij God en God is altijd dicht bij hem. Tijdens het
aardse leven is God elke dag bij hem en na het sterven wacht hem
niet het eeuwig oordeel, zoals de ongelovigen krijgen, maar wacht
hem de eeuwige heerlijkheid in de gemeenschap met God.
Net als in Psalm 63:9 staat, dat de
gelovige op een bijzondere wijze met God verbonden is (vastgeplakt
aan God, Die zijn hand vast houdt), zo zeggen deze verzen dit ook.
Verder zegt Asaf, dat hij in zijn
leven de raad, het advies, de hulp, de begeleiding van God ervaart.
Bedoelt hij daarmee, dat hij een speciale behandeling van God
krijgt? Nee. In Gods Woord spreekt de Heer tot Asaf en wijst hem de
weg die hij moet gaan. Zo doet God het ook met ons. Deze hulp van
God is zo groot en belangrijk in zijn leven, dat hij geen andere
hulp nodig heeft. "Wie heb ik naast U...?' (:25)
Inspiratie, taak en
opdracht
"Ik wil al uw werken vertellen." (:28) Ditzelfde zien wij
ook bij de discipelen na de uitstorting van de Heilige Geest in
Handelingen 2. Het getuigenis dat de mensen dan van hen geven klinkt
heel mooi: "Wij horen hen in onze eigen taal van de grote daden
Gods spreken." (Handelingen 2:11) Twee zaken vallen op. De
mensen horen de discipelen in hun eigen taal spreken en zij horen
hen niet spreken over allerlei onbelangrijke zaken, maar over de
grote daden van God.
Welke grote daden Gods? Wat God
door de Here Jezus gedaan heeft voor verloren mensen!
De wereld om ons heen gaat
verloren. Mensen die de Here Jezus niet als hun Verlosser aanvaard
hebben gaan hun eeuwig oordeel tegemoet. Ja, zo zegt het evangelie
van Johannes, zij leven al onder het oordeel van God. Wie vertelt
hen van de Here Jezus als u het niet doet?
|