4:38 vertelt, dat er honger in het land was (zie ook 8:1). Waarschijnlijk is op het moment waarover ons gedeelte spreekt, de hongersnood over zijn hoogste punt heen. Men at al weer van de nieuwe oogst.
Een man uit Baäl-Salisa. Dit gebied kennen wij uit 1 Sam. 9:4.
Eerstelingen-gave.
In de wet was
voorgeschreven, dat de eerstelingen van de oogst naar de tempel
gebracht moesten worden en aan de priesters gegeven moesten worden.
Met deze geschiedenis zitten wij in het 10 stammenrijk, waar men
eigen rijkstempels heeft; één in Dan en één in Bethel. Hier
werden de gouden kalveren vereerd. Er zullen in die tijd zeker
gelovige Joden in dit 10 stammenrijk geweest zijn, die hun gaven en
hun offers niet naar de rijkstempels te Dan of Bethel wilden
brengen. Helemaal naar Jeruzalem gaan was misschien ook niet goed
mogelijk, dus brachten zij hun gaven klaarblijkelijk naar Elisa en
naar de profeten, de zgn. profetenscholen. In ieder geval
ondersteunden zij het werk van God er mee.
Deze man bracht o.a. 20 gerstebroden. Hierbij zullen wij niet moeten denken aan broden in ons formaat, maar meer aan kleine broodjes, grote koeken.
Opdracht voor dit
offer:
De opdrachten
over de eerstelingengaven lezen wij in Lev. 2:14-16; (23:14; Num.
18:13) en Deut. 18:4,5. Deze regel is later in het OT op een
bijzondere wijze herhaald: Mal. 3:8-10. Deze regel is later in het
NT overgenomen: 1 Cor. 9:14; Gal. 6:6.
Het brood is voor
"het volk":
Elisa wil, dat
het brood aan "het volk" wordt voorgezet. "Het
volk" blijkt uit 100 personen te bestaan. Hier hebben wij weer
precies het aantal van 100, of van 2 x 50, hetzelfde aantal als dat
van de profetenzonen. Het brood wordt blijkbaar door Elisa gedeeld
met de leerling profeten. Elisa's knecht moet het uitdelen aan het
volk.
Het wonder:
Er wordt gegeten
en er wordt overgehouden. De hoeveelheid van 20 gerstebroodjes en
wat vers koren was niet zoveel. De man uit Baäl-Salisa had alles
immers gewoon in zijn tas meegebracht. Toch bleek de hoeveelheid
voldoende te zijn voor 100 hongerige magen. Men hield nog zelfs
over!
Elisa en Jezus:
Elisa is hier het
beeld van de Here Jezus. Bij de Here Jezus vinden wij verschillende
gelijksoortige geschiedenissen. In Matth. 14:13-21 lezen wij over de
spijziging van de 5000 mannen, vrouwen en kinderen nog niet eens
meegeteld. Er waren 5 broden en twee vissen. Ze waren voldoende voor
al deze mensen. Na afloop waren er 12 manden voedsel over.
In Matth. 15:29-39 lezen wij over de tweede wonderbare spijziging. Toen ging het om 4000 mannen, ook weer de vrouwen en de kinderen niet meegerekend. Er waren toen 7 broden en enkele vissen. Na afloop waren er 7 korven voedsel over.
Zoals de knecht van Elisa namens Elisa het brood aan de hongerigen uitdeelde, zo deelden de discipelen namens de Here Jezus het brood aan de hongerigen uit.
De achtergrond van de wonderbare spijzigingen worden heel duidelijk genoemd:
Matth. 14:14 De Here Jezus was over hen met ontferming bewogen. Matth. 15:32 De Here Jezus had medelijden met de mensen, omdat ze al drie dagen bij de Here Jezus waren en nog steeds niets gegeten hadden.
Wij en dit wonder:
Als wij deze
geschiedenissen overplaatsen naar onze tijd, dan zien wij: Er is
nood. Er is geestelijke honger. Er is grote behoefte aan het vinden
van betrouwbare antwoorden op de levensvragen van de mens. De
"grote" Elisa, de Here Jezus, is met ontferming bewogen
over de wereld-in-nood. De Here Jezus heeft medelijden met verloren
mensen. Hij zegt tegen ons, dat wij de verloren zielen het brood des
levens moeten voorzetten.
Voor ons gevoel hebben wij maar een klein beetje om uit te delen. Niet genoeg voor alle hongerige zielen. Maar de Heer kan het gebruiken en het vermenigvuldigen, zodat het voldoende zal zijn voor allen, die wij ontmoeten.