Belangrijke Bijbelse vragen beantwoord
Evolutie
Evolutie
Vraag: Ik geloof niet dat er een God is die alles geschapen heeft. Ik geloof in
de evolutie die precies vertelt hoe de wereld ontstaan is. Het scheppingsverhaal
kan toch niet betrouwbaar zijn?
Antwoord: U stelt een korte vraag, die ik helaas niet in het kort kan
beantwoorden. Ik kan mij indenken, dat u de evolutietheorie een mooie gedachte
vindt, om in uw gedachten zichtbaar te maken, hoe het heelal ontstaan is. Er
zijn veel mensen die de evolutietheorie aanhangen. Maar hebt u zich weleens
afgevraagd, hoe betrouwbaar de evolutietheorie is?
Wij zijn geen van beiden wetenschappers. Dus moe¬ten we een beetje voorzichtig
zijn met wat wij zeggen. Ik heb mij ook ernstig afgevraagd, of de
evolutietheorie betrouwbaar is en of de evolutietheorie het antwoord geeft op de
vraag naar het ontstaan van de aarde.
Eerst wil ik u zeggen, dat de Bijbel zelf er geen moeite mee heeft als wij
denken, dat de aarde al heel oud is. De Bijbel begint met de mededeling, dat God
de aarde schiep “in het begin” (Genesis 1:1). Dit kan inderdaad in een ver
verleden zijn geschied. Er moet in deze begintijd - en we hebben geen idee hoe
lang geleden dit geweest zal zijn - een prachtig bewoonde aarde zijn geweest. De
profeet Jesaja zegt namelijk, dat God geen chaos kan scheppen, dat Hij geen
aarde kan maken die woest en ledig is.
“Want zo zegt de HERE, die de hemelen geschapen heeft (Hij is God) die de aarde
geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een
baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd:
Ik ben de HERE en er is geen ander.” (Jesaja 45:18) Het woord “baaierd” is de
vertaling van hetzelfde woord dat in Genesis 1:2 vertaald is als “woest”. Jesaja
verklaart dus, dat God de aarde niet woest geschapen heeft, omdat God zoiets
niet kan. Het is in strijd met Zijn heilig karakter. God is een God van orde,
niet van wanorde, rommel of chaos, zo leert 1 Corinthe 14:33.
Om een lang verhaal kort te maken: de Bijbel zegt heel duidelijk, dat vóór de
wereld zoals wij die nu kennen, er eerst een andere wereld geweest is. “Want
willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er
sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, waardoor
de
toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water. Maar de tegenwoordige
hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure
bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen.”
(2 Petrus 3:5-7)
Petrus maakt hier heel duidelijk onderscheid tussen de “toenmalige wereld” en
de “tegenwoordige aarde”. Petrus plaatst hier “toenmalig” tegenover
“tegenwoordig” en “wereld” tegenover “aarde”. Zo maakt hij duidelijk onderscheid
tussen een eerdere tijd dan onze tijd en tussen de aarde en de gehele “wereld”
(Grieks: kosmos). Ook wijst hij erop, dat de ramp uit het verleden model staat
voor de ramp die in de toekomst over de aarde zal komen, als onze gehele planeet
opnieuw verwoest zal worden. Terwijl de hele toenmalige kosmos (hiermee wordt
niet alleen de aarde bedoeld, maar zelfs ook de hemel) door een ramp getroffen
is, heeft God met de aarde een nieuw begin gemaakt. Petrus maakt duidelijk, dat
de toenmalige wereld door een catastrofe verwoest werd. Het Griekse woord (apollumi)
dat hier gebruikt wordt, betekent “doden, vernielen, vernietigen, verwoesten, te gronde richten, in het verderf storten, ombrengen, doden”. Het heeft te maken
met “omkomen, verloren gaan, afsterven”. Het vertelt veel meer dan alleen wat er
bij de zondvloed van Noach gebeurd is. De “kosmos” (niet alleen de aarde, zoals
bij de zondvloed) werd door een catastrofe verwoest en werd chaotisch. De
zondvloed van Noach bracht echter geen einde aan het leven op aarde, zoals de
toekomstige verwoesting zal brengen. Het gezin van Noach bleef in die tijd in
leven, evenals de bomen en de planten en enkele van alle dieren. Hoewel bijna
alle mensen stierven, kwam er geen algehele verwoesting van het leven op aarde.
Het gaat in deze catastrofe beslist niet over de zondvloed van Noach, ook al
denken velen, dat de zondvloed uit de tijd van Noach hier bedoeld wordt en
gebruikt de Statenvertaling in deze tekst ten onrechte het woord “zondvloed”. De
zondvloed van Noach was op de tegenwoordige aarde en niet op de aarde zoals hij
in een andere tijd geweest is. Bij de zondvloed is de “wereld” niet “vergaan”,
“te gronde gegaan”, niet “verwoest”. Na de zondvloed was er geen chaos op
aarde. Er was alleen een laag water op de aarde.
De oorzaak van de verwoesting van de voormalige aarde was de opstand van één van
de machtigste engelen tegen God. Deze machtige engel is daarop uit de hemel
geworpen en heeft in zijn val de prachtige schepping van God verwoest. Deze
engel de duivel geworden. De engelen die hem terzijde gestaan hadden in zijn
opstand tegen God, waren nu de demonen geworden. Jesaja 14:9-20 en Ezechiel
28:12-19 vertellen allebei aan de hand van een voorbeeld hoe de duivel indertijd
de oorzaak is geweest, dat Gods prachtige schepping verwoest werd.
Genesis 1:3 vertelt, dat God daarna opnieuw met de aarde begonnen is. Velen
hebben moeite met het feit, dat in dit vers gezegd wordt, dat er licht was,
terwijl later pas de zon en de maan geschapen zouden worden. Dat is echter niet
het geval. De zon en de maan waren er al, net zoals de aarde er al was. De zon
en de maan waren, als gevolg van de catastrofe, verduisterd. God liet ze nu
opnieuw licht geven en maakte ze gereed om licht te geven en de perioden van dag
en nacht aan te wijzen. Zo staat het ook in de Bijbel.
“En God zei: dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te
maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van
vaste tijden als van dagen en jaren; en dat zij tot lichten zijn aan het
uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde; en het was alzo. En God
maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschappij over de dag,
en het kleinere licht tot heerschappij over de nacht, benevens de sterren. En
God stelde ze aan het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde, en om
te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht en de duisternis te
scheiden. En God zag, dat het goed was.” (Genesis 1:14-18)
In bovenstaande teksten lijkt het alsof zon en maan geschapen werden, omdat het
woord “maken” gebruikt wordt. U moet er echter op letten, dat het woord “maakte”
als volgt gebruikt wordt: “maakte tot heerschappij”. Dat is dus niet in de
betekenis van “scheppen”, maar van “aanstellen”. Dat woord (‘stelde ze aan’)
wordt daarna ook gebruikt. Zon en maan waren er dus al, maar kregen opnieuw hun
taak van God toegewezen.
Als in Genesis staat: “De aarde nu was woest en ledig” (Genesis 1:2) heeft het
woord “was” niet de betekenis van “zo is het steeds geweest”, maar van “zo was
het geworden”. Wij komen deze betekenis bijvoorbeeld ook in de volgende teksten
tegen: “Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies
de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.” (Genesis
2:7) “Maar zijn vrouw, die achter hem liep, zag om, en werd een zoutpilaar.”
(Genesis 19:26)
Hoewel het Hebreeuws hier zegt, dat de mens een levend wezen “was” en zijn vrouw
pilaar een zoutpilaar “was” heeft het, net als in Genesis 1:2 de betekenis van
“werd”. Daarom is het in Genesis 2:7 en Genesis 19:26 niet als “was” maar
terecht als “werd” vertaald. De betekenis van “werd” heeft dit woord ook in
Genesis 1:2. “De aarde nu werd woest en ledig.” of: “De aarde was woest en ledig
geworden.”
Het feit, dat wij bijvoorbeeld in de aarde allerlei oude aardlagen zien die
verschoven zijn, past precies in het beeld dat de Bijbel schetst van de
catastrofe die ontstond door de opstand van de duivel tegen God en van zijn val.
Zo ook passen de steenkoollagen en de fossiele resten en de vondsten van
skeletten van voorwereldlijke dieren helemaal in dit beeld.
Overigens moet ik u er wel op wijzen, dat het geloof in de evolutie in feite ook
een “geloof” is en daardoor niet op het terrein van de wetenschap thuishoort,
maar een religie is. Als u bedenkt, dat de wetenschap behoort uit te gaan van
bewezen feiten en als u bedenkt, dat de evolutietheorie niet bewezen is, dan
zult u moeten erkennen, dat wij hier te maken hebben met een andere godsdienst
dan de godsdienst van de Bijbel en dat u, als aanhanger van de evolutietheorie,
u bezig houdt met een godsdienst.
U houdt u dus bezig met een godsdienst, maar het is een godsdienst zonder god.
Het is een godsdienst zonder hulp en steun in uw leven. Als je ziek, eenzaam of
verdrietig bent, als je problemen hebt of op sterven ligt, heb je niets maar dan
ook helemaal niets aan deze godsdienst. Mijn godsdienst heeft mij een grote
innerlijke kracht van God gegeven. Mijn godsdienst vertelt mij van een God die
van mij houdt en die mij helpt om mij in dit leven staande te houden. Uw
godsdienst laat u met lege handen staan!
Dan hebben we het nog niet eens over het onwetenschappelijke van de
evolutietheorie. De wet van Newton leert, dat alles vervalt tot een lagere orde,
dat betekent dat alles op aarde op den duur achteruit gaat. Er is niets op aarde
dat op den duur mooier of beter wordt. Alles is aan slijtage onderhevig en
verdwijnt op den duur. De evolutietheorie wil ons echter doen geloven, dat er
een spontane verbetering van de soorten geweest is. Het is geen wonder, dat
juist steeds meer wetenschappers de onhoudbaarheid van de evolutietheorie inzien
en hem niet langer hanteren. Zij zijn tot de conclusie gekomen, dat er een
hogere Macht moet zijn, God, die alles geschapen heeft. U zou er verstandig aan
doen, door eens naar die echte wetenschappers te luisteren!
Een wetenschapper heeft eens gezegd, dat als het heelal, de aarde en alles wat
er leeft en wat er is door evolutie zou zijn ontstaan, dit hetzelfde zou zijn
als wanneer bij een drukker, die nog met een ouderwetse letterbak werkt, de
letterbak zou omvallen en alle letters op de grond verspreid zouden liggen. De
man zei: “En als de letters dan toevallig in de goede volgorde vallen, zodat
spontaan op de grond een woordenboek ontstaat, dan heb je hetzelfde wonder als
wanneer de wereld door evolutie zou zijn ontstaan.”
Een andere wetenschapper gebruikte een ander voorbeeld en zei: “Evolutie is
hetzelfde als wanneer iemand een aantal radertjes op de grond laat vallen en
deze radertjes op de grond vanzelf een horloge vormen. En als dit horloge dan
nog loopt en zelfs op tijd loopt, heb je hetzelfde als wat de mensen van de
evolutietheorie beweren.”
Iemand zei eens: “Ik geloof, dat men van een rund een goede goulashsoep kan
maken, maar ik geloof niet, dat uit een exploderende oersoep een rund te
voorschijn kan komen.”
De evolutietheorie is niet als een wetenschap begonnen. De evolutietheorie begon
als een zelfbedachte vervanging van het Bijbelse scheppingsverhaal. De mens
wilde “modern” zijn en niet langer in een God geloven. De mens heeft gewoon de
evolutietheorie bedacht. Het waarheidsgehalte van deze theorie wordt beslist
niet door de natuurwetenschappen bevestigd! De belangrijkste fase van de
evolutie, namelijk de vorming van nieuwe soorten in fossiele ontdekkingen,
heeft men niet terug gevonden. De “Missing Link” maakt de aanhangers van deze
theorie nog altijd duidelijk, dat zij iets voor “waar” houden, dat
wetenschappelijk geen grond voor zijn bestaan heeft. Vandaar, dat in onze tijd
steeds meer wetenschappers eerlijk erkennen, dat de evolutietheorie niet
wetenschappelijk is en dat wat beweerd wordt, eenvoudig onmogelijk is.
Ieder weldenkend mens weet, dat letters niet vanzelf een woordenboek kunnen
vormen. Er is iemand nodig, die de macht over de letters heeft, die de letters
tot een boek kan vormen. Zo ook is het onmogelijk dat radertjes vanzelf een
horloge worden. Er is een horlogemaker nodig om de radertjes tot een horloge te
vormen.
Zo is er ook een hogere Macht nodig, die alle toebehoren van het heelal op hun
juiste plaats gebracht heeft en ze gesmeed heeft tot een passend geheel.
|