De Tempelreiniging

Waarom dreef de Here Jezus de handelaren en de geldwisselaars uit de tempel? Hoe kwamen deze mensen daar, wie waren zij en wat wilde de Here Jezus met Zijn daad duidelijk maken? Wat bedoelde de Here Jezus, toen Hij bij Zijn oordeel een profetie van Jesaja citeerde?

 


De situatie bij de tempel


Naast de gewone bezoekers van de tempel, waren er anderen die met een duidelijke reden kwamen. De een kwam om een offer te brengen, de ander om te bidden, terwijl de volgende ook meteen zijn bijdrage voor de dienst des Heren kwam brengen. Voor al deze mensen moet het een bijzondere ervaring geweest zijn, dat zij zo dicht bij God aanwezig waren. Zij wisten, dat zij op heilige grond stonden, omdat God Zelf daar woonde. Het hele tempelterrein was heilige grond, gewijd aan de aanwezigheid van God en aan de dienst van God. Daarom moest dit ook op een bijzondere wijze gestalte gegeven worden.
De bezoekers van de tempel die een offer kwamen brengen, konden onmogelijk van huis een rund of schaap meenemen. Stel u voor, dat iemand uit Galilea naar de tempel in Jeruzalem, Judea kwam om een offer te brengen en de hele weg een schaap met zich mee liet lopen. Offerdieren moesten verkocht worden. Je kon moeilijk 100 kilometer komen lopen met een koe of een schaap achter je aan. Dat kon niet en dat hoefde ook niet. Bij de tempel waren handelaren die deze dieren verkochten. Van hen kocht je het dier dat je wilde offeren en dit bracht je naar de tempel.

Bezoekers van de tempel die hun jaarlijkse bijdrage kwamen betalen, hadden vaak niet de juiste muntsoort. Zoals wij in Zwitserland of Amerika niet met euro's kunnen betalen, zo konden Joden uit Rome (of andere landen) hun bijdrage aan de tempel niet met de Romeinse munt (nota bene met het beeld van de keizer er op!) betalen. Daarom moest dit geld gewisseld worden. Ook dit kon bij de tempel gebeuren en ook dit was niet verkeerd. Vreemde valuta van Joden die uit andere landen naar Jeruzalem gekomen waren moest omgewisseld worden in de munt van de voorgeschreven tempelbelasting.

Wat wel verkeerd was, was dat de handelaren hun plekje buiten de tempelvoorhof verwisseld hadden voor een plekje in de voorhof. Zij leken zichzelf te beschouwen als ook in de heilige dienst te staan en daarom ook hun werk te mogen verrichten binnen de muren van de voorhof. Handel bij de tempel was absoluut noodzakelijk. Het ging hier echter niet om handel bij de tempel, maar handel in de tempel, dat is op het tempelterrein: de voorhof van de heidenen. De gezagsdragers, priesters en Sanhedrin hadden dit toegestaan. Nu was de tempel niet langer een plaats waar gebeden en geofferd werd, maar waar ook handel gedreven werd. Tegen de handel op deze plaats kwam de Here Jezus in opstand. Hij kwam niet in opstand tegen de handel, maar tegen de handel op het tempelterrein. Deze mensen behoorden hun werk buiten het tempelterrein te doen.

Deze handel was toegestaan op de pleinen en de andere plaatsen bij de tempel (dus buiten de tempelmuren). De handel was echter verplaatst naar het terrein binnen de muren. Waar de ene mens stond te bidden, stond de andere mens een rund te kopen of te verkopen. De waardigheid en de heiligheid van de tempel als woonplaats van God en plaats van gebed voor de mensen werd aangetast. Het was absoluut nodig dat er ten behoeve van de tempel handel gedreven werd. Het mocht echter niet op deze plaats.

Het derde dat er gebeurde was het feit, dat mensen die van buiten de ene kant van het tempelterrein naar een plaats buiten de andere kant van het tempelterrein moesten, niet de eerbied in acht namen om even om te lopen, maar gewoon over het tempelterrein liepen. Als zij van de stad naar de Olijfberg of omgekeerd moesten, was de snelste route via het tempelplein. Dat deden zij dan ook! Zij gebruikten het tempelterrein als doorgangsweg, als sluiproute (Marcus 11:16). Zo liepen zij hier soms met allerlei bagage te zeulen. Ze waren op het tempelterrein, maar niet om er te bidden, maar omdat het de kortste weg was.

De overheid moet geweten hebben, dat de door de Here Jezus uitgevoerde reiniging terecht was. Het is namelijk opmerkelijk, dat de levitische tempelwacht niet in actie kwam om de Here Jezus te beletten bij Zijn reinigingswerkzaamheden.

 


Jezus veroordeelde de gebruiken op grond van de Bijbel


De Heer verklaarde Zijn daden door te wijzen op het feit, dat de tempel bedoeld is als gebedshuis voor alle volken. De profeet Jesaja had aangekondigd, dat in het komende Messiaanse vrederijk een gebedshuis zou zijn niet alleen voor het volk Israël, maar voor alle volken. "En de vreemdelingen die zich bij de HERE aansloten om Hem te dienen, en om de Naam des HEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan mijn verbond: hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken." (Jesaja 56:6,7)

In dit verband moeten wij ook letten op een bepaalde profetie van Zacharia. De profeet Zacharia had van het Messiaanse vrederijk en van de tempel in die tijd geprofeteerd: "En er zal te dien dage geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HERE der heerscharen." (Zacharia 14:21)

In onze vertaling staat, dat er in de eindtijd, dat is in de Messiaanse tijd, in de tempel geen Kanaäniet meer zal zijn. Het woord "Kanaäniet" is het woord dat letterlijk door Zacharia gebruikt wordt. Opmerkelijk is het echter, dat het door de joden vaak als "handelaar" vertaald wordt. Het waren namelijk vaak de Kanaänieten die dit soort handel dreven. Deze mensen zaten er alleen maar om handel te drijven en geld te verdienen, zoals de Arabieren in onze tijd ook graag allerlei Joodse souvenirs verkopen. Handel is handel. Maar zij dienen de God van de Joden niet. Zo waren in de tijd van de Bijbel de ongelovige Kanaänieten degenen die handel dreven in of bij de tempel. In feite verontreinigden zij als ongelovigen de dienst van God. In Nehemia 13:16-21 zien wij al een vergelijkbare situatie. Ook daar blijkt, dat het gaat om niet-joodse handelaren, die nota bene op sabbath hun waren aan de man brengen!

Realiseer u hierbij, dat de joden van nature geen handelaren zijn. Van oudsher hielden zij zich bezig met landbouw en veeteelt. Als gevolg van de antisemitische bepalingen konden zij, nadat zij uit hun land verdreven waren, hun eigen beroep niet meer uitoefenen en werden zij gedwongen in de handel te gaan.

Waarschijnlijk heeft het gebruikte woord beide betekenissen en deelt Zacharia ons mee, dat in het komende Messiaanse rijk er geen kooplieden meer zullen zitten in de tempel en dat er dan ook geen Kanaänieten meer in de tempel zullen zijn.

 


Geen heidense handelaren meer, wel gelovige heidenen in de dienst van God


In de tijd van het Messiaanse vrederijk zullen er geen handelaren meer in het huis des Heren gevonden worden. Terwijl er in vroeger tijden Gibeonieten (Kanaänieten!) in de tabernakel en in de tempel waren als waterdragers en houthakkers (zie Jozua 9), zal dat in het vrederijk niet meer het geval zijn. Uit de niet-joodse volken zullen er mensen zijn die met vreugde het geringste werk ten behoeve van de priesters en ten behoeve van de dienst van God gaan doen.

Jesaja kondigt dit aan: "En zij (de niet-joden) zullen al uw broeders brengen uit alle volken als een offer voor de HERE; op paarden en op wagens, op draagstoelen; op muildieren en op snelle kamelen, naar mijn heilige berg, naar Jeruzalem, zegt de HERE, zoals de Israëlieten het offer in rein vaatwerk naar het huis des HEREN brengen. En ook uit hen zal Ik er nemen tot priesters, tot Levieten, zegt de HERE." (Jesaja 66:20,21) Jesaja zegt, dat God mensen zal nemen uit de niet-joden, die voor Hem bepaald werk in de toekomstige tempel zullen mogen verrichten. Zoals de Gibeonieten in de tempel mochten assisteren, zo zullen er opnieuw assistenten zijn uit de volkeren. Wat een eer zal het zijn, om als niet-jood dit prachtige werk voor God te mogen verrichten. Zoals er in onze tijd ook uit ons land jongens en meisjes zijn die als niet-joden een bepaalde tijd in een kibboets of in het Israëlische leger dienst doen om het volk van God terzijde te staan en dit als een hoge eer beschouwen, zo zal dit blijkbaar in het vrederijk op veel hoger niveau eveneens geschieden. Het zal dan zo'n hoge eer zijn om dit werk voor God te mogen verrichten, dat rabbijn Redak verwacht, dat het de aanzienlijken uit de volken zullen zijn, die dit werk gaan doen.

Wij zijn er sterk van overtuigd, dat wij aan de vooravond staan van de algehele terugkeer van de Israëlieten, de herbouw van de tempel en de wederkomst van de Here Jezus als Koning in het Messiaanse vrederijk. De Talmoed is ervan overtuigd, dat dit rijk zal komen als er 6000 jaar van de geschiedenis van de aarde verstreken is. De Talmoed zegt zelfs, dat véér dat dat moment aanbreekt, de aardbodem van het land Israël weer gecultiveerd zal zijn. In onze tijd zien wij, dat dit voor een groot deel gebeurd is. Spoedig zullen, zoals de Bijbel zegt, de volkeren gaan meewerken om de ontheemde joden vanuit de gehele wereld naar Israël te brengen.