De terugkeer

De Joden waren nooit een volk zonder thuisland. Nadat zij van hun land waren beroofd zijn de Joden nooit gestopt met het uitdrukking geven aan hun pijn vanwege dit verlies en hebben zij gebeden voor terugkeer en dat opgeëist. Gedurende de bijna twee millennia van verstrooiing, bleef Palestina de focus van de nationale cultuur. Iedere dag van al die zeventig generaties gaven toegewijde Joden luidruchtig blijk van hun gehechtheid aan Zion.

 

De bewustheid van de Jood dat Palestina zijn land was, was niet alleen een theoretische oefening of een theologisch artikel, maar ook een doordringend onderdeel van en onuitroeibaar element in zijn dagelijks leven. Joodse gebeden en Joodse literatuur zijn oververzadigd van de liefde voor, en het verlangen naar en het gevoel van behoren bij Palestina. Behalve religie en de liefde tussen de seksen is er geen thema zo veelvuldig voorkomend in de literatuur van enig ander volk, geen thema heeft zoveel gedachten en gevoelens voortgebracht als de relatie tussen de Jood en Palestina in de Joodse literatuur en filosofie. En in zijn huis bij familiegebeurtenissen, in zijn dagelijkse gebruiken op werkdagen en Sabbat, wanneer hij zijn dankgebed over de maaltijd uitspreekt, wanneer hij trouwt, wanneer hij een huis bouwt, wanneer hij rouwenden troost, dan was de context altijd zijn ballingschap, en zijn geloof in terugkeer naar Zion en de wederopbouw van zijn thuisland.
Zo intens was dit gevoel van verbondenheid dat, in de onzekerheid van de ballingschap, wanneer hij die wederopbouw niet kon voorzien gedurende zijn eigen levensduur, het een kwestie van vertrouwen was dat met de komst van de Messias en de Wederopstanding hij terug gebracht zou worden naar zijn land na zijn dood.

 

 

Er was altijd verbondenheid met het land

 

Gedurende de eeuwen, onder de druk van de vervolgingen, sociale en economische discriminatie, periodieke dood en vernietiging, breidde het gebied van de ballingschap zich uit. Achtervolgd en onderdrukt verplaatsten de Joden zich van land naar land, maar waarheen zij ook gingen, zij droegen Israël met zich mee in hun hart. De Joodse feesten bleven afgestemd op het thuisland. Of zij woonden in het warme Spanje of het koude Oost Europa, in Noord Amerika of op het zuidelijk halfrond, waar de seizoenen omgekeerd zijn, de Joden vierden de Palestijnse lente en zijn herfst en winter. Zij baden voor dauw in mei en voor regen in oktober. Op het Joodse Paasfeest vierden zij de bevrijding uit de Egyptische slavernij, de originele nationale vestiging in het Beloofde Land en zij smeekten om een nieuwe bevrijding.

 

Nimmer in al die donkere tijden van de grootste vervolgingen in Europa gaven de Joden hun hoop op. Nooit, hoe onmogelijk ook die terugkeer naar hun land fysiek ook leek, zochten zij naar een substituut voor Palestina. Keer op keer door de eeuwen heen, stonden er mensen op die geloofden of beweerden dat zij een plan hadden, of een goddelijk visioen voor de wederopbouw van het land. Dan leefde de hoop op in de ghetto’s van Europa, bij het nieuws dat er misschien een mogelijke Messias was opgestaan. Maar de hoop van de Joden werd verpletterd en de droom werd uitgewist, maar nooit, nog geen dag, gaven zij de band met hun land op. Hun thuisland, al die eeuwen eenvoudig aangeduid met het Hebreeuwse woord Ha'arets - het Land - bleef het enige, onvervangbare en onveranderlijke thuisland. Wanneer er ooit een recht is behouden door een niet afdoende aanhouden van de claim, dan was dat het Joodse recht op Palestina.

 

Het is algemeen onbekend, dat gedurende alle achttien eeuwen tussen de val van het Tweede Joodse Rijk en het begin van het Derde, in onze tijd, de vasthoudendheid van de Joodse gehechtheid aan het land continu tot uitdrukking werd gebracht in het land zelf. Men veronderstelde algemeen dat gedurende die eeuwen er geen Joden woonden in Palestina, maar dat alle Joden die de vernietiging in het jaar 70 van de Gewone Jaartelling overleefden, in ballingschap gingen en dat alleen hun nakomelingen 1.800 jaar later terugkwamen. Dat zijn niet de feiten.(*1)

 

 

Altijd Joden in het land

 

Al die eeuwen van ballingschap hebben er Joden in Palestina gewoond, in afwisselende aantallen, die toe en afnamen, al naar gelang de vreemde overheersers. Maar al die eeuwen zag iedere Jood die leefde in het land zichzelf als de "huisbewaarder" en "zaakwaarnemer" van het land.

 

Pas nadat de opstand van Simon Bar Kochba in het jaar 135 van onze jaartelling meer dan zestig jaar na de verwoesting van de Tweede Tempel - besloten de Romeinen de Joodse identiteit van het Joodse land uit te wissen. Zij begonnen het lange proces om het land verlaten achter te laten. Het was toen, dat Jeruzalem werd "omgeploegd" in opdracht van Hadrianus en omgedoopt in Aelia Capitolina, en het land niet meer Jehoeda mocht heten, maar Syrisch Palestina werd genoemd. Tijdens de opstand zelf, de felste en langdurigste waar de Romeinen mee te maken hadden, kwamen 580.000 Joodse soldaten om in de strijd, en een ongekend aantal burgers kwam om van honger en pest; 985 dorpen werden vernield.(*2)

 

Maar zelfs na de catastrofe bleef er actief leven en productiviteit. Verbannen uit Jeruzalem, concentreerde zich dat nu in Galilea. Vluchtelingen keerden terug; Joden die in slavernij waren verkocht werden vrijgekocht. In de eeuwen na Bar Kochba en Hadrianus werd één van de meest belangrijke creaties van Joods geestelijk leven geproduceerd in Palestina: de Misjna werd opgeschreven en de Talmoed samengesteld, terwijl het volk het land bewerkte. Het Romeinse Rijk nam de Christelijke religie aan en van nu af aan werd zijn politiek geregeerd door een nieuw doel: de wedergeboorte te voorkomen van iedere glimp van nieuwe hoop op Joodse onafhankelijkheid. Het behoorde tenslotte tot de basis van de Christelijke theologie dat verlies van nationale onafhankelijkheid een daad van God was, bestemd om het Joodse volk te straffen vanwege zijn verwerping van Jezus. Bij het werk van de Almachtige moest geholpen worden. Sommige keizers waren soepeler dan anderen, maar de minimale voorwaarden voor onderdrukking en beperking waren bijna altijd aanwezig.

 

Niettemin, zelfs de magere overgebleven bronnen noemen 43 Joodse gemeenschappen in Palestina in de zesde eeuw: twaalf aan de kust, in de Negev en ten oosten van de Jordaan en 31 dorpen in Galilea en de Jordaan vallei.

 

In het jaar 351 werd een nieuwe opstand gelanceerd, die zware vergeldingsacties uitlokten. Toen, in 438, de Keizeres Eudocia de ban op de Joden om te bidden op de Tempelberg ophief, gaven de hoofden van de Gemeenschap in Galilea een oproep uit "aan het grote en machtige Joodse Volk", dat begon met de woorden: "Weet dat het einde van de ballingschap van ons volk gekomen is!" (*3)

 

In de overtuiging dat herstel nabij was, sloten de Joden in het jaar 614 een overeenkomst met de Perzen die Palestina binnenvielen. Zij vochten aan hun zijde, overweldigden het Byzantijnse garnizoen in Jeruzalem en regeerden gedurende drie jaar de stad.(*4) Maar de Perzen sloten vrede met Keizer Heracius. De Christelijke overheersing was weer hersteld en de Joden die de daaropvolgende slachting overleefden, werden opnieuw uit de stad verbannen. Een nieuw hoofdstuk van wraakzuchtige Byzantijnse vervolging werd opengeslagen, maar dat duurde maar kort. Een nieuwe macht was in opmars. In het jaar 632 vielen de Arabische Moslims het land binnen en veroverden dat. In het jaar 640 was Palestina ingelijfd bij het opkomende Moslim rijk.

 

 

 Moslims en christenen

 

De 450 jaar Moslim overheersing in Palestina was eerst onder de Omajjaden (hoofdzakelijk Arabisch), die tolerant regeerden vanuit Damascus. Daarna kwam de Abbessijnse dynastie (voornamelijk Turks), een toenemende anarchie vanuit Bagdad. En ten slotte de afwisselende tolerante en dan weer onderdrukkende Fatima's uit Caïro. De Arabische Moslims namen de Joden hun land af, waar zij zich gedurende twintig generaties sedert de val van de Joodse staat, aan hadden vastgeklampt. De Kruisvaarders, die het grootste deel van de daaropvolgende twee eeuwen over Palestina heersten, slachtten de Joden massaal af in de steden. En toch, openlijk onder de Moslims, meer bedekt onder de Kruisvaarders, hielden de Joodse gemeenschappen het vol in Palestina. In onmogelijk te begrijpen of te analyseren omstandigheden hielden de Joden zich vast aan het land met hun tandvlees, overleefden, hoe dan ook werkten en vochten terug. Samen met de Arabieren en de Turken waren de Joden de meeste felle verdedigers van Jeruzalem tegen de Kruisvaarders. Toen de stad viel, verzamelden de Kruisvaarders de Joden in een synagoge en verbrandden hen. De Joden verdedigden Haifa bijna met hun blote handen tegen de Kruisvaarders, en hielden in de belegerde stad bijna een hele maand (juni-juli 1099) stand. In die tijd, meer dan duizend jaar na de val van de Joodse staat, waren er Joodse gemeenschappen over het hele land verspreid. Vijftig daarvan zijn ons bekend; daarin zijn begrepen: Jeruzalem, Tiberias, Ramleh, Asjkelon, Caesarea, en Gaza.

 

Gedurende al die eeuwen van afwisselende Moslim en Christelijke overheersing flikkerde het Joodse leven overal op, om vervolgens weer te worden afgeslacht, waarna de joden weer van de kust naar het binnenland of omgekeerd vluchtten. Gedurende al die eeuwen woedde er voortdurend oorlogen, hetzij tussen het kruis en de halve maan of tussen de Moslims onderling. Maar de Joodse gemeenschappen, hoewel uitgedund, hielden hardnekkig stand. Moslims en Christenen vermeldden dat de Joden een veelheid van beroepen uitoefenden. De Arabische geograaf Abu Abdallah Mohammed - bekend als Mukadassi - beschreef in de tiende eeuw de Joden als aanmakers van munten, ververs, leerbewerkers en bankiers. In zijn tijd, een periode van tolerante Fatima overheersing, dienden ook vele Joden in de regering. Hoewel het de Joden in de Kruisridder tijd niet was toegestaan land te bezitten, controleerden de Joden veel van het handelsleven in de kustplaatsen in rustige tijden. De meeste van hen waren ambachtslieden: glasblazers in Sidon, bontwerkers en ververs in Jeruzalem. Het is ook in deze periode dat de geleerden in Tiberias de vocale punctuaties invoerden, waarmee de latere Hebreeuwse studie tot ontwikkeling kwam. Een grote hoeveelheid Hebreeuwse literatuur kwam in die tijd tot stand in Palestina.

 

 

Terug in Jeruzalem

 

Na de Kruisvaarders kwam een periode van wilde onrust met de eerste Aziatische stammen die over het historische toneel voort renden, met achter hen aan Mongoolse horden die Palestina binnenvielen. Zij zaaiden opnieuw verwoesting en verderf over het hele land. Steden werden verlaten, landerijen in brand gestoken, bomen gerooid, de jongere generatie uitgeroeid. Maar de stof van de Mongoolse horden was nauwelijks gaan liggen, verslagen door de Mamelukken, toen de Jeruzalemse gemeente, bijna volledig uitgeroeid, zich opnieuw vestigde. Dit was het werk van de beroemde geleerde Rabbijn Mozes ben Nachman (Nachmanides of de RaMbaN) Vanaf de dag in 1267 dat Ramban zich in de stad vestigde, was er een hechte Joodse gemeenschap in de Oude Stad van Jeruzalem, totdat zij daaruit tijdelijk verdreven werden door het door de Britten geleide Arabische Legioen vanuit Trans Jordanië, bijna zevenhonderd jaar later.

 

Gedurende twee en een halve eeuw (1260-1516), was Palestina een deel van het Mamelukse, Moslim of Turkse rijk van Tartaarse origine, dat aanvankelijk regeerde vanuit Turkije, later vanuit Egypte. Oorlog en opstanden, bloedvergieten en vernietiging stroomden in onophoudelijke golven over het land. Hoewel Palestina niet altijd zelf gewikkeld was in de strijd, werd het er toch vaak bij betrokken in het proces van de fysieke verwoesting. Joden (en Christenen) leden onder de vervolgingen en vernederingen van de Mamalukken, tegen het einde van de vijftiende eeuw. Christelijke en Joodse bezoekers aan het land meldden de aanwezigheid van aanmerkelijke Joodse gemeenschappen. Zelfs de weinige rapporten welke de tijd hebben overleefd, melden nog altijd bijna dertig stedelijke en landelijke Joodse gemeenschappen bij het begin van de zestiende eeuw.

 

Vijftienhonderd jaar waren nu reeds verlopen sedert de verwoesting van de Tempel en de Joodse staat. Joods leven had de Byzantijnse wreedheden overleefd, discriminaties en vervolgingen doorstaan. De Joden hadden zelfs de Kruisvaarders, hun meest dodelijke vijanden overleefd.

 

Tegen het einde van de vijftiende eeuw rapporteerde de pelgrim Arnold Van Harff dat hij vele Joden had aangetroffen in Jeruzalem en dat zij Hebreeuws spraken. Een andere reiziger, Felix Fabri, vermeldt dat hem verteld werd dat zij spoedig het Heilige Land weer hoopten op te bouwen.(*5)

 

In diezelfde periode verklaarde Martin Kahatnik (die niet van Joden hield) tijdens zijn pelgrimstocht naar Jeruzalem: de heidenen onderdrukten hen met plezier. Zij weten dat de Joden denken en zeggen dat dit het Heilige Land is dat hen beloofd was. Diegenen onder hen die hier leven, worden door de andere Joden als heilig beschouwd, want ondanks al de ellende die zij moeten verduren door de heidenen, weigeren zij de plaats te verlaten.(*6)

 

Bij het begin van de Ottomaanse overheersing in 1516 werden er dertig Joodse gemeenschappen geregistreerd, waaronder: Haifa, Sjechem, Hebron, Ramleh, Jaffa, Gaza, Jeruzalem, en vele in het noorden. Hun centrum was Safed. Het werd de grootste Joodse gemeenschap in Palestina, en verkreeg spoedig het geestelijke leiderschap van de hele Joodse wereld. Daar werd de Kabala ontwikkeld en daar stelde Joseef Karo de Sjoelchan Aroech samen (niet te verwarren met de Kitsoer Sjoelchan Aroech), de formidabele codex van Joodse wetten, dat tot vandaag de orthodoxe gewoonten leidt. Safed groeide en bloeide en de gemeenschap groeide van 8.000 of 10.000 Joden in 1555 tot 20.000 of 30.000 tegen het einde van de eeuw..(*7)

 

 

Onderdrukking van de aanwezige Joden

 

Uit steeds weer terugkerende schaarse rapporten blijkt dat in dorpen in Galilea, als Kfar Alma, Ein Zeitim, Biria, Pekiin, Kfar Chanania, Kfar Kana, Kfar Yassif -- de Joden tegen alle logica in en ondanks alle onderdrukkingen, confiscaties gedurende generaties na generaties door vreemde overheersers, al die vijftien eeuwen in staat waren gebleven zich aan hun land vast te klampen.(*8), en zich bezig met de verbouwing van graan, gerst, groente en olijven, wijn en fuit en sesamzaad.(*9)

 

In 1577, werd een Hebreeuwse drukpers geïnstalleerd in Safed. De eerste in Palestina en in heel Azië. In 1576, en nogmaals in 1577 gaf de eerste anti-semitische Ottomaanse heerser Sultan Murad III opdracht 1.000 welgestelde Joden te deporteren vanuit Safed, hoewel zij geen enkele wet hadden overtreden. Maar Murad had hen elders in zijn rijk nodig om daar de economie te versterken. Over hun lot is verder niets bekend...(*10)

 

Deze florissante periode tijdens het Ottomaanse Rijk hield op te bestaan toen dat rijk in de zeventiende eeuw afbrokkelde. Joden werden nu beschouwd als melkkoetjes, en door hun gehechtheid aan de grond vormden zij een makkelijke prooi. Zij moesten zware belastingen betalen en werden voortdurend onderworpen aan willekeurige boetes. Aan het begin van de zeventiende eeuw schreven twee Christelijke reizigers, Johannus van Egmond en John Hayman over de Joden van Safed: "Het leven is hier het meest miserabele van wat men zich kan voorstellen." De Turken onderdrukten hen zodanig, zo schreven zij, "dat zij zelfs voor de lucht die zij inademen moeten betalen.(*11)"

 

Keer op keer beschrijven Christelijke reizigers uit Europa de droeve omstandigheden van de Joden in Palestina, daarbij getuigend van hun aanwezigheid, zoals het verslag van de Jezuiten Pater Michael Naud in 1674..(*12)

 

 

Ze bleven er, ondanks onderdrukking en vervolging

 

Ten gevolge van de onmogelijke levensomstandigheden, kromp het aantal Joodse gemeenschappen langzaam in. Tegen het einde van de achttiende eeuw schatten historici het aantal Joden in Palestina op 10.000 tot 15.000. Hoewel zij economisch geen betekenis meer hadden - zij leefden van gestage geldstromen die hen vanuit de hele wereld door Joden werden toegestuurd, hadden de Netoerei Karta –– "de Bewakers van de Muren" –– belangrijke spirituele betekenis. Maar, zo kan men zich afvragen, hoe was het mogelijk, dat ondanks al die vervolgingen, onderdrukkingen, slachtpartijen en afpersingen de Joden overleefden en er voortdurend Joodse gemeenschappen bleven bestaan? Heidense Romeinen, "heilige" Christenen, onderling strijdende Moslims, verwoestende Mongolen, zij allen passeerden over de Joodse lichamen heen. Hoe overleefden de Joden dat, tot de dag van de wederopbouw van de moderne Joodse staat? Het antwoord op deze vraag laat een ander aspect zien van de band tussen het Joodse Volk en zijn Land. Alle eeuwen door, sedert de verwoesting van de Tempel en gedurende de gehele periode van de ballingschap was er een gestage stroom van immigratie naar Palestina. Er is nooit, in al die bijna twintig eeuwen een periode geweest zonder "Alia" - opgang naar het land -, hetgeen een expliciete manier was om uitdrukking te geven aan de Joodse gebondenheid met het Land. Volgens hedendaagse normen waren het geen grote aantallen. Maar gezien de omstandigheden in die tijd en het feit dat "alia" altijd een individuele onderneming was, was het zeker vergelijkbaar met de moderne Zionistische beweging. Modern Zionisme heeft zeker de golven van immigratie sedert 1882 gestart, maar alleen de omvang en organisatie was nieuw, het fenomeen zelf heeft altijd al bestaan.

 

 

Oproep tot emigratie

 

De aantallen varieerden, al naar gelang de omstandigheden. Maar de oproep van de beroemde schrijver Jehoeda Halevi in de 12de eeuw om naar Palestina te emigreren vond gedurende vele generaties na hem gehoor (hijzelf stierf kort na zijn aankomst in Jeruzalem in 1141, omver gelopen, volgens de legende, door een Kruisvaarderspaard. Een groep immigranten uit de Provence in Frankrijk, in het midden van de 12de eeuw moeten geleerden van grote reputatie geweest zijn, want zij worden verondersteld verantwoordelijk te zijn voor de verandering van de traditie van Erets Israël [het Land Israël] om de viering van het Joods Nieuw Jaar te veranderen van één dag in twee dagen, na hen, in 1210. Een generatie later kwam Nachmanides, zoals wij hierboven reeds vermeld hebben. Na hen kwam een lange stroom van "opgangers" naar Palestina, hetgeen beschouwd werd als een nationale plicht, om het thuisland weer leefbaar te maken. De geconcentreerde wetenschappelijke gruwel van de Holocaust in het Europa van de twintigste eeuw heeft misschien de herinnering aan de ervaring van de mensen, voor wie Europa jaar na jaar, generatie na generatie, een kwelling was, vervaagd. Daar waren vooral de Middeleeuwen en dat waren de eeuwen dat de Joden van Europa onderhevig waren aan een reeks van vervolgingen, van massale vernedering tot de dood na marteling. Als een Jood, die zijn identiteit niet kon of niet wilde verbergen, wilde reizen van de stad of het dorp waar hij en zijn familie woonde, naar een andere stad of dorp, van een land, waarvan hij de taal kende, naar vreemde landen, dan betekende dat voor hem dat hij zich zou blootstellen aan bijna zekere verdachtmakingen, belediging en vernedering, waarschijnlijk aan roof en geweld en mogelijk aan moord. Iedere reis was riskant. Een reis van West Europa naar Palestina was voor een Jood in de 13de, 14de of 15de eeuw (en ook later nog) een heroïsche onderneming, die vaak eindigde in een ramp. Voor de grote massa van Joden, die in ellende en narigheid gezonken was, en wiens enige vreugde was om drie maal per dag het gezicht te wenden in de richting van Zion, was deze terugkeer nog bij hun leven een hemelse droom.

 

Bovendien waren er perioden dat de pausen hun aanhangers opdroegen te voorkomen dat Joden naar Palestina zouden gaan. Gedurende het grootste deel van de vijftiende eeuw verboden de Italiaanse zee staatjes de Joden gebruik te maken van hun schepen om daarmee naar Palestina te reizen. Daarmee forceerden zij de Joden hun plannen op te geven of om de hele route via de omweg per land te maken. Daarmee werden er weer extra complicaties toegevoegd aan de toch reeds gevaarlijke tochten door Duitsland, Polen en zuid Rusland, of door de ongastvrije Balkan en een oversteek van de Zwarte Zee, voordat zij het relatieve veilige Turkije konden bereiken. In 1433, kort nadat de ban was ingesteld, kwam er een krachtige oproep van Jitschak Tsarfati, die de Joden opriep via het toen tolerante Turkije te reizen. Zo ging de immigratie van de moedigere geesten voort. De reis duurde vaak jaren, en ondertussen werkte de immigrant op zijn stopplaatsen onderweg, om zo de kosten te dekken voor het volgende deel van zijn reis. Of soms nodigde hij de plaatselijke rijke Joden uit om zijn reis te financieren en zo deel te nemen aan de mitswa van zijn alia. Siebald Rieter en Johann Tucker, Christelijke pelgrims, die Jeruzalem in 1479 bezochten, beschreven de route en stopplaatsen van een pas aangekomen Jood, een immigrant uit Duitsland. Hij was vertrokken uit Neurenberg en vandaar naar Posen [Poznan] gereisd (ongeveer 480 km). Dan van Posen naar Lublin, 400 km; van Lublin naar Lemberg [Lvov], 200 km; van Lemberg naar Khotin 240 km; Van Khotin naar Akerman, 240 km; van Akerman naar Samsun, 6 dagen; van Samsun naar Tokat, 6-7 dagen; van Tokat naar Aleppo, 15 dagen; van Aleppo naar Damascus, 7 dagen; van Damascus naar Jeruzalem 6 dagen. Ottomaanse Sultans moedigden Joodse immigratie naar hun gebieden aan. Nadat zij Palestina veroverd hadden, gingen ook daar de poorten open.

 

 

Veel vluchtelingen

 

Hoewel de omstandigheden in Europa het slechts voor enkele Joden mogelijk maakten om "op te staan en te gaan", was er toch een gestage stroom van immigranten naar Palestina. Velen die kwamen waren vluchtelingen voor de Inquisitie van de Rooms Katholieke Kerk. Het waren mensen met een grote variëteit van beroepen: het waren geleerden, ambachtslieden en kooplieden. Zij vulden al de bestaande Joodse centra. Die stroom van Joden uit het buitenland injecteerde een nieuwe impuls in het Joodse leven in Palestina in de zestiende eeuw. Toen het Ottomaanse regime achteruit ging, verslechterden daarmee ook de levensomstandigheden in Palestina, maar golven van immigranten bleven komen. In het midden van de zeventiende eeuw ging er door het Joodse volk een elektrische stroom van zelf-identificatie en een versterkte affiniteit met zijn thuisland. Voor het eerst in Oost Europa, dat een toevluchtsoord geboden had voor hun voorouders, die gevlucht waren voor de vervolgingen van de Kruis- "ridders" in het Westen, onderwierpen opstandige Kozakken onder leiding van Bogdan Chmielnicki van 1648 tot 1656 de Joden aan een terreur die uitmondde in een massamoord van 300.000 tot 500.000 Joden. Bijna zevenhonderd gemeenten werden volkomen van de aardbodem uitgewist. Verarmd en hulpeloos vluchtten de enkele overlevenden (90% van de Joodse bevolking van Wolhynië en Podolië was vermoord) naar het dichtstbijzijnde toevluchtsoord –– West Europa. En opnieuw gingen de meest moedigen op weg naar Palestina.

 

Dezelfde generatie werd geëlektrificeerd door Sjabbetai Zwi, de zelf aangestelde Messias, wiens bedrog en wiens volgers onder de Joden in zowel Oost- als West Europa alleen maar mogelijk werd door de onveranderde aspiraties van de Joden om hun land weer op te bouwen. De droom om op een of andere wijze naar het Land Israël te vliegen op de vleugels van de Messias ging al spoedig in dunne lucht op. Maar toch waren er weer vastberaden lieden die op een of andere manier de middelen vonden om hun weg te vinden naar Palestina, over zee of over land in etappes, via Turkije en Syrië. De degeneratie van het centrale Ottomaanse regime, de anarchie in de lokale besturen, de degradaties en afpersingen, plagen en pest, het ging allemaal door in de achttiende eeuw tot ver in de negentiende eeuw. De grote massa van Joden in Europa leefde in grotere armoede dan ooit tevoren. Toch bleven de immigranten, ook in groepen, komen. Brieven die de eeuwen overleefd hebben, vertellen van avonturen van groepen die uit Italië, Marokko en Turkije kwamen. Andere brieven vertellen over de gestage stroom Chassidiem, de leerlingen van de Ba'al Sjem-Tov, van Galicië en Litouwen, gedurende de hele tweede helft van de achttiende eeuw.

 

 

Liefde voor het land

 

Het was nu duidelijk dat de toestand van het land een hogere tol aan levens opeiste, dan kon worden vervangen door immigranten. Maar de immigranten die kwamen sloten hun ogen voor de fysieke ruïnering en ellende. Zij accepteerden iedere ontbering, rampspoed en gevaar met liefde. Zo schreven de leerlingen van de Wilna Gaon in 1810, die zojuist geëmigreerd waren: Werkelijk, hoe fantastisch is het voor ons vijven om in dit goede land te leven. Werkelijk, zo wonderlijk hoe het is om dit land lief te hebben. –– Zelfs in haar ruïne is er niemand om met haar te vergelijken, zelfs in haar verlatenheid is zij onvergelijkbaar, in haar stilte is er geen een als zij. Haar as en haar stenen zijn goed.(*13) Deze immigranten uit 1810 zouden nog ongelooflijke beproevingen moeten doormaken. Een aardbeving, pest en moorddadige aanslagen door plunderende roversbenden waren hun deel. Maar zij vormden een van de laatste schakels in de lange keten die de kloof overbrugde tussen ballingschap van hun volk en zijn hernieuwde onafhankelijkheid. Zij, of hun kinderen mochten het tijdens hun leven aanschouwen om één van de pioniers van de moderne restoratie van het land te ontmoeten, Sir Moses Montefiore, de Joodse filantroop uit Brittannië, die gedurende een groot deel van de negentiende eeuw met praktische plannen er naar streefde om de Joden weer terug te brengen naar en te doen settelen in hun land. Sommigen van de kinderen van deze immigranten beleefden het om deel te hebben in de gedurfde onderneming in 1869, waarbij een groep van zeven Joden verhuisden van binnen de "veilige" muren van de Oude Stad naar een nieuw opgezet huizenproject buiten de muren. Elk van hen bouwde een huis tussen de rotsen en jakhalzen, in de woestijn die uiteindelijk bekend zou worden onder de naam Nachlat Sjiva (de Nalatenschap van de Zeven). Vandaag de dag is het ït hart van het oude Jeruzalem buiten de muren, ingesloten door de Jaffa straat tussen het Zionplein en de Bank van Israël.

 

In 1878 kwam een andere groep over de heuvels van Judea, om de eerste landbouwgemeenschap in Petach Tikwa te vestigen, die zou dus de "moeder van de nederzettingen" worden. Acht jaar daarvoor reeds was de eerste moderne landbouwschool in Palestina geopend in Mikveh Yisrael, dicht bij Jaffo. Zoals wij het nu zien –– en zij in 1810 zouden daar niet verbaasd over zijn geweest, want dat was hun vertrouwen en het doel waar naar zij streefden –– was er een einde gekomen aan de lange nachtwake.

 

*1. Whose Land? A History of the Peoples of Palestine (London, 1970), p. 266, door James Parkes, een Christelijk geleerde die veel gedaan heeft om de mythe op te blazen. *2. Dio Cassius, History of the Romans, Theodor Monunsen, Provinces of the Roman Empire. Beiden geciteerd in Jacob De Haas, History of Palestine, the Last Two Thousand Years (New York, 1934). p. 52. *3. Avraham Yaari, Igrot Eretz Yisrael (Tel Aviv, 1943), p. 46. *4. A. Malmat, H. Tadmor, M. Stem, S. Safrai, Toledot Am Yisrael Bi'mei Kedem (Tel Aviv, 1969), p. 348. Recente archaeologische fondsten in Jeruzalem suggereren dat die periode vijf jaar geduurd heeft. *5. The Pilgrimage of Arnold van Harff (London, 1946), p. 217; The Wanderings of Felix Fabri (London, 1807), p. 130. *6. Justin V. Prasek, Martin Kabatnik (Prague). Geciteerd in Michael Ish-Shalom, Masaei Notzrim Beeretz Yisrael (Tel Aviv, 1965), p. 265. *7. H. H. Ben-Sasson, Toledot Hayehudim Bi'mei Habeinayim (Tel Aviv, 1969), pp. 239-240. *8. Yitzhak Ben-Zwi, She'ar Yashuv (Jerusalem, 1966), p. 10. *9. Bernard Lewis, Notes and Documents from the Turkish Archives (Jerusalem, 1952), p. 15ff. *10. Lewis, pp. 28-33. *11. Travels (London, 1759), quoted by Ish-Shalom, p. 388. *12. R. P. Michael Naud, Voyage Nouveau de la Terre-Sainte (Paris, 1702), pp. 58, 563. *13. Avraham Yaari, p. 330.

 

Met toestemming van de auteur overgenomen.